ECOLOGIE

KRITIEK en ALTERNATIEVEN

A.

 

 

 

 

 

B. xGROENEN, BASISDEMOKRATIE EN DE ANARCHISTISCHE INSPIRATIE.

Als anarchisten hun huidige situatie van maatschappelijk isolement en politieke marginaliteit willen doorbreken dan zouden ze met beide handen de historische kans moeten aangrijpen die hen geboden wordt door de groene beweging. Het gaat hier niet om een onnatuurlijk bondgenootschap omdat de groene partijen kunnen opgevat worden als echo's en weerspiegelingen van libertaire ideeën en een anti-autoritaire mentaliteit die het waarmerk waren van de nieuwe sociale bewegingen van het begin van de tachtiger jaren (van de twintigste eeuw). Net zoals anarchistische ideeën en praktijken in het begin van deze eeuw een explosieve reaktie aangingen met de syndikale beweging, zo zou momenteel het samengaan van ekologisme en anarchisme een nieuwe invloedrijke maatschappijveranderende dynamiek op gang kunnen brengen.

 

De na-oorlogse elite-demokratie.

In 1973 publiceerde de bekende oudheidkundige M.I. Finley een opmerkelijk boekje waarin hij de klassieke Atheense demokratie positief kontrasteert met de representatieve demokratieën die sinds de Amerikaanse en Franse Revoluties het politiek toneel in de Westerse wereld overheersd hebben. Hij wijst daarbij op een merkwaardige verschuiving in de beoordeling van de demokratische bestuursvorm door de toenmalige en de huidige intellektuelen. 'In de Oudheid zetten de intellektuelen zich, in overweldigende meerderheid, af tegen een regering van het volk en zij gaven daar uiteenlopende verklaringen voor en ook een waaier van alternatieve mogelijkheden. Hun hedendaagse tegenhangers - vooral, maar niet uitsluitend, in het Westen - zijn er waarschijnlijk in dezelfde overweldigende meerderheid van overtuigd dat de demokratie de beste regeringsvorm is, de best gekende en ook de beste die je je maar kunt inbeelden. Nochtans stemmen velen onder hen ermee in dat de principes waarmee de demokratie traditioneel gerechtvaardigd werd in de praktijk niet meer werkzaam zijn; meer nog, dat we zelfs niet meer kunnen toelaten dat ze terug werkzaam zouden worden als we het overleven van de demokratie niet in gevaar willen brengen'. De oorspronkelijke demokratie, zoals die bestond binnen de Atheense polis, was immers een direkte demokratie : een regering van het volk waarin elke burger geacht werd deel te nemen aan de besluitvormingsprocessen in zaken van openbaar belang. De twee meest gehoorde argumenten om de Atheense demokratie als een valabele inspiratiebron voor de hedendaagse politiek af te wijzen zijn de komplexiteit van de hedendaagse samenleving en het elitair karakter van de klassiek Atheense samenleving (slavenarbeid was de strukturele voorwaarde voor de intense politieke betrokkenheid van de Atheense burgers).
Elke belangrijke naoorlogse liberale ideoloog beschouwde het dan ook als een verplicht sluitstuk van zijn politiek denken te wijzen op de praktische onmogelijkheid van de direkte demokratie of op de gevaren die verbonden waren met het oprispen van de direkte demokratie-gedachte. Zo omschreef de Oostenrijks-Amerikaanse ekonoom Joseph Schumpeter (1883-1950) de demokratische 'methode'(sic) als 'het institutionele systeem dat politieke beslissingen voortbrengt en waarbinnen individuen macht verwerven om deze beslissingen te treffen d.m.v. een konkurrentiële strijd om de stemmen van het volk' . Zonder enige ideologische versluiering wordt de politieke beslissingsmacht hier toegewezen aan de machtigen die over de middelen beschikken om de kiezers naar hun hand te zetten. De rol van de 'burger' beperkt zich tot een periodieke gang naar het stemhokje waar hij met een zuiver geweten zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid kan overdragen aan de zelfgeproklameerde experten in de publieke zaak. Demokratie KAN ook niet meer zijn, volgens Schumpeter, gezien de evidente onwetendheid, onverschilligheid, onverantwoordelijkheid en irrationaliteit van de modale burgers (al deze denigrerende omschrijvingen worden uitvoerig gedokumenteerd) in zaken van publiek belang. Vanuit een enigszins andere invalshoek sprak de Britse liberaal Isaiah Berlin (auteur van o.m. 'Herzen and Bakunin on individual liberty') zijn voorkeur uit voor een maatschappelijk systeem van 'negatieve vrijheid' - waarin een sfeer van persoonlijke autonomie gevrijwaard wordt tegen dwangmatige interventies van overheidswege - boven een systeem van 'positieve vrijheid' belichaamd door een emancipatorisch maatschappijprojekt dat zowel kan gedragen worden door heel het volk (zoals de anarchisten dat willen) of door een zelf geproklameerde voorhoede ervan (leninisten). In beide gevallen echter kan ervoor gekozen worden - door de voorhoede of door gans het volk - om de persoonlijke vrijheidssfeer in mindere of meerdere mate op te offeren aan de emancipatie van de ganse maatschappij ...

 

De Duitse Grünen en basisdemokratie.

Toen de groene partijen in het begin van de tachtiger jaren van vorige eeuw als paddestoelen uit de Europese bodem opschoten richtten zij hun pijlen net op deze in zwang zijnde elite-theorieën. Dat was de stille boodschap achter hun pretentie 'anders aan politiek te zullen doen'. Men koos er bewust voor uit de pas van de elite-bevestigende ideologieën te stappen en zich - in plaats daarvan - elite-uitdagend op te stellen. In hun politieke bekommernissen stond de in het begin van vorige eeuw geformuleerde 'ijzeren wet van de oligarchie' van de Duitse socioloog Robert Michels centraal. Michels was, na de bestudering van de toen nog jonge Duitse sociaal-demokratie, tot de konklusie gekomen dat partijen in een demokratische omgeving zelf onmogelijk demokratisch kunnen blijven. Zij verworden heel vlug tot een 'oligarchie', dwz. een kleine en besloten groep van leiders die nauwelijks door de gewone partijleden gekontroleerd kunnen worden en die zelf hun opvolgers rekruteren. De reden daarvan is dat een massa-organisatie met een oligarchische struktuur beter uitgerust is om in een open en vrije demokratische kompetitie de verkiezingen te winnen.

De groenen wilden nu bewijzen dat die zogenaamde 'ijzeren wet' geen universeel karakter heeft en dat het mogelijk is te participeren aan de representatieve demokratie zonder daarvoor zelf een hypokriete façade-demokratie te moeten opzetten. Rekening houdend met de recente politieke geschiedenis van hun land wekt het geen verwondering dat het vooral de Duitse Grünen waren die in hun oprichtingsfase met veel zorg allerlei elite-uitdagende maatregelen in het leven riepen : verbod op kumulatie van partijfunkties en politieke mandaten, een bescheiden financiële vergoeding voor de politieke vrijgestelden, vrije toegankelijkheid van alle partijbijeenkomsten, het rotatieprincipe (verkozenen zijn verplicht hun mandaat na een op voorhand afgesproken periode aan een opvolg(st)er over te dragen), het imperatief mandaat (verkozenen worden geacht de standpunten van de partijbasis te verwoorden en zelf geen eigengereide initiatieven te nemen), ...

Tegelijkertijd werd het groene maatschappijprojekt ondubbelzinnig gesitueerd in de ideologische hoek van het 'ekologische, zelfbeherende en geëmancipeerde socialisme' (Petra Kelly). De fundamentalistische vleugel binnen de Grünen vertaalde dit in een libertaire kritiek op het elitaire karakter van de 'reëel bestaande' parlementaire demokratieën en een aktualisering van de traditie van de direkte demokratie. De bekendste onder de fundamentalisten, Rudolf Bahro, verklaarde dat het "de voornaamste taak van de groenen in het parlement is om het alternatieve bewustzijn buiten het parlement te stimuleren en te verdiepen (...). Zoals de groene partij in haar geheel, beschouwt de parlementaire fraktie zichzelf als een ondersteuningsinstrument voor de beweging. Voor ons, net zoals voor onze parlementsleden, mag politiek nooit iets zijn wat zich in de allereerste plaats in Bonn afspeelt. In deze zin zeggen we tegen al onze vrienden in het land : reken op onze wil en bereidheid om het forum en de andere instrumenten in Bonn waarover we beschikken, in de mate van het mogelijke ten dienste te stellen van onze gemeenschappelijke belangen- MAAR word niet afhankelijk van ons! Want terwijl de parlementaire politiek de staatsmachine hier of daar wel een strootje in de weg kan leggen, levert het nooit de machtspositie op die nodig is om de verandering die wij nodig achten, door te zetten (...)" . Ook Jutta Ditfurth, beïnvloed door de sociale ekologie van Murray Bookchin, benadrukte de relativiteit van het parlementaire werk en de noodzaak om dit werk volledig ten dienste te stellen van de basisbeweging : "In het ideale geval is de wisselwerking van groene politiek er een van een levende dialektiek tussen buitenparlementair en parlementair werk (...). Een verder onontbeerlijk bestanddeel is dat wij bewust desillusionerend rond onze eigen funktie als vertegenwoordiger werken en stevig genoeg in onze schoenen staan om onszelf in vraag te stellen (...). Geen kans mag onbenut gelaten worden om beslissingsbevoegdheden van een centraal niveau over te hevelen naar het niveau van de direkt betrokkenen. Van de bondsstaat naar de deelstaten, van de deelstaten naar de gemeenten en binnen het kader van de gemeenten naar de distrikten, de wijken en de buurten en op het platteland naar de gehuchten. Pebliscitaire elementen van een direkte demokratie (...) dienen gestimuleerd te worden, burokratie afgebouwd. Groene interne strukturen dienen deze doelstellingen te weerspiegelen. We moeten experimenteervriendelijk blijven en ondanks de permanente hetze vanwege de burgerlijke media pogen basisdemokratische strukturen in de partij te verankeren en door het betrekken van velen de ontwikkeling van een afgescheiden vrijgesteldenkliek verhinderen. Een maatschappelijke emancipatie van boven af zal zich nooit voordoen."

Agalev en de interne partijorganisatie.

In een eerder nummer van De As ben ik vrij uitvoerig ingegaan op de ontstaansgeschiedenis en de karakteristieken van de Vlaamse groene partij Agalev (Anders Gaan Leven). Ik wees toen op het wat ongemakkelijk samengaan van een diepgewortelde anti-partij mentaliteit (waarmee men zich ondubbelzinnig wilde distantiëren van het traditionele partijenlandschap) en anderzijds een programmatische vaagheid (waarmee men het traditionele links-rechts onderscheid op de ideologische schaal pretendeerde te overstijgen).
De 'basisdemokratie' waardoor de eerste Agalevers zich lieten inspireren werd dan ook in de allereerste plaats in verband gebracht een nieuw partijkoncept. Luc Versteylen - de Antwerpse jezuït en godsdienstleraar die de ideologische vroedvrouw (sic) van de partij mag genoemd worden - sprak over Agalev als een kriebel- of ook een pechstrookpartijtje. Hij was van oordeel dat Agalev een 'partij' moest zijn in de verkiezingsperiodes en een meditatieve, op verandering van levensstijl gerichte, herbelevingsbeweging daarbuiten. Maar de partij mocht in geen geval een permanent bestaan gaan leiden omdat dit het ontstaan zou geven aan een kaste van 'klimoppers' en 'elektologisten'. Versteylen placht met trots te spreken over zijn 'anarchistische' remedies - kleurrijke, ontwapenende akties die niet pasten binnen het traditionele politieke instrumentarium - die de vorming van een kaste van beroepspolitici moest verhinderen. Dit wekte de wrevel op van de 'realistische' vleugel binnen de partij die in naam van efficiëntie en werkzaamheid de basisdemokratische principes overboord wilde gooien.
Een bekende woordvoerder van deze realisten verwoordde zijn kritiek als volgt : "Agalev is als partij gegroeid uit de nieuwe inzichten van de jaren zestig en dus bij uitstek gevoelig voor de negatieve neveneffekten van die ideeën. Net als in de samenleving draait de demokratie binnen de partij dol en is de besluitvorming meer en meer verhuld achter een mist van raden en organen die vanuit het halfduister zorgen voor de reproduktie van moeilijk te definiëren belangen. De droom van de basisdemokratie eindigt zo in ondoorzichtigheid en complexiteit en ondergraaft op den duur de basisvoorwaarde zelf van de demokratie. De demokratie saneren is ook in de partij Agalev meer dan noodzakelijk." Wat deze voorgestelde sanering van de demokratie impliceerde, bleek uit de snel evoluerende partijhouding tegenover het rotatieprincipe, de steen des aanstoots bij uitstek voor de realistische partijstroomlijners. In het statutair kongres van april 1996 werd dit principe geruisloos aan de kant geschoven door te stellen dat een politieke mandataris een derde, en eventueel ook een vierde of vijfde mandaatsperiode kan aanvatten op voorwaarde dat de betrokken mandataris een twee derde meerderheid haalt bij de aanvaardingsstemming tijdens de kandidaatsstelling. Deze beslissing lag volledig in de lijn van de no-nonsense opstelling van de realisten : 'De rotatie-regel getuigt van een defensieve houding. Het geeft de indruk dat het enige verschil tussen ons en de anderen die rotatie is, terwijl de andere fundamentele verschillen onder de mat worden geveegd (...). En dan zegt men : als we die rotatie afschaffen, dan verliezen we onze maagdelijkheid. Maar maagdelijkheid geldt niet in de wet van de jungle, zegt Joseph Brodsky, en hij heeft gelijk.' Robert Michels kan terug in zijn vuistje lachen.

 

Een basisdemokratisch georganiseerde maatschappij.

Terwijl Agalev in zijn beginfase blijk gaf van een grote fijngevoeligheid voor oligarchische tendenzen binnen de partijorganisatie, was zij veel vager en behoedzamer in haar beoordeling van de parlementaire demokratie. Dat valt enerzijds te verklaren vanuit het feit dat de 'reëel bestaande' parlementaire demokratie in België in vele opzichten slechts een karikaturale aanfluiting is van wat zij in theorie pretendeert te zijn. Zeer onlangs schreef een bekende Vlaamse konservatieve columnist dat de politieke besluitvorming in België de zaak is van een maatschappelijke elite en een politiek centrum die met elkaar verbonden zijn via 'een intieme en troebele uitwisseling van informatie, het geheime beraad over plannen en strategieën, het schuiven met de stukken op het politieke schaakbord'. In zo'n verloederde politieke kontekst klinkt een politiek programma gericht op het wegwerken van historisch gegroeide mistoestanden en de doorzichtigheid van politieke besluitvormingsprocessen al aardig radikaal. Ook de huidige forse opmars van extreem-rechts in Vlaanderen, dat zich sterk maakt om de Augiusstal van de parlementaire demokratie met de grove borstel schoon te vegen, speelt een reflexmatige verdediging van de schone kanten van het bestaande systeem in de hand.
Typerend kan de volgende passage uit een essay van een toenmalige partijfilosoof genoemd worden : "Omdat in de landen waar een parlementaire demokratie gevestigd is, deze op tal van manieren uitgehold wordt, pleiten de ecologisten precies voor een herwaardering en niet voor een vernietiging ervan. Zij willen doorzichtige strukturen, een waarachtige proportionele vertegenwoordiging. Verder : decentralisatie, zodat beslissingen op het juiste niveau kunnen worden genomen, inspraak en basisdemocratie. Dit laatste houdt in dat in de diverse sektoren van het maatschappelijke leven - de scholen, de wetenschappelijke onderzoekscentra, de bedrijven, de openbare besturen, enz. - alle betrokkenen inspraak en beslissingsmacht moeten krijgen. Kortom, de ecologisten willen een verbetering en verfijning van de democratie." Het principe van de parlementaire demokratie wordt dus niet in vraag gesteld, enkel de uitwassen, de ontaardingen, de 'Belgische' anomalieën. Voor de rest kan er enkel sprake zijn van een verbreding en verdieping van de representatieve demokratie die haar wezen echter onaangetast laten. In een brochure met het politiek eisenprogramma van Agalev hebben de doelstellingen betrekking op de openbaarheid van bestuur, een herwaardering van de wetgevende macht, de strijd tegen de politieke benoemingen (in de openbare diensten) en tegen de verzuiling van het socio-kulturele leven. Ook het neerhalen van de wettelijke of sociale barrières die verhinderen dat bepaalde maatschappelijke groepen (migranten, vrouwen, ouderen en jongeren) onvoldoende aan bod kunnen komen in het openbare leven, krijgt veel aandacht. Tenslotte wordt er gepleit voor een extrapolatie van demokratische besluitvormingsprocedures naar sektoren buiten de politiek (o.m. ondernemingen, vakbonden, mutualiteiten, ...).
Als er bij hoge uitzondering sprake is van een offensieve eis die het bestaande wettelijke kader overstijgt, dan worden de scherpe kantjes ervan onmiddellijk afgerond door te stellen dat deze maatregel de efficiëntie van het gevoerde beleid ten goede zal komen : "Als Groenen zijn we voor een federale opbouw van de samenleving. Decentralisatie is immers één van de voorwaarden voor een persoonsgerichte democratie. Die basisdemocratie begint op gemeentelijk vlak. Daar ijveren de Groenen voor autonome distriktraden, deelgemeenteraden en wijk- of buurtraden. Die raden kunnen, omdat ze dichter bij de mensen staan, bepaalde bevoegdheden van de gemeenteraden overnemen." Maar daar wordt onmiddellijk aan toegevoegd : "Hedendaagse problemen zijn complex en niet binnen bestuursgrenzen af te bakenen. Zo zal het milieuvraagstuk niet door de gemeenten kunnen worden opgelost. Maar soms staat ook de centrale overheid te ver van plaatselijke situaties, om efficiënt in te grijpen. Er is dus samenwerking nodig (...)." Er wordt dan gepleit voor zogenaamde 'beleidsnetwerken' waarin de verschillende bestuursniveau's gaan samenwerken met het oog op een doelmatiger beleid. Als deze netwerken voldoende doorzichtig zijn en participatie en kontrole vanwege de burgers toelaten 'zijn zij een betere vorm van decentralisatie dan de traditionele overheveling van bevoegdheden naar lagere besturen'. In dit ene geval dat er sprake is van basisdemokratie in de authentieke anarchistische betekenis van het woord, wordt deze in dezelfde paragraaf nog het gras onder de voeten uitgemaaid door haar te kaderen in een klassieke representatieve kontekst waarin de aktieve rol van de burger al veel minder geaccentueerd wordt.

 

Groenen en anarchisten.

Een niet onbelangrijk deel van de 'eerste' Groenen - al dan niet geïnspireerd door anarchistische ideeën - wierp zich op als pleitbezorger van een basisdemokratie die een alternatief bood voor de dominantie van de elite-demokratische opvattingen in de na-oorlogse periode. Daarbij werd niet uitgesloten dat de zitjes in de vertegenwoordigersorganen van de representatieve demokratie een hulpmiddel konden zijn om de politiek te onttrekken aan het monopolie van de beroepspolitici en gespecialiseerde instellingen en haar terug in handen te geven van het volk. Het geleidelijk terugdringen van de radikale frakties uit de groene partijen en de groeiende pluchepsychose waarvan de realistische zittenblijvers blijk gaven voedde de idee dat het parlement een neutraal instrument is waarmee om het even welke politieke doelstelling kan gerealiseerd worden. De anarchistische idee dat het parlement in wezen een burgerlijke uitvinding is die de bedoeling heeft de permanente en aktieve deelname van gans het volk aan het politiek besluitvormingsproces onmogelijk te maken, verdween op de achtergrond.
Desalniettemin blijft 'basisdemokratie' (of 'direkte demokratie' of 'participatieve' demokratie) in groene kringen furore maken als een of zelfs als de hoeksteen van de groene politieke theorie die geleidelijkaan haar kinderschoenen aan het ontgroeien is. Ik zie op dit vlak een belangrijke taak voor anarchisten weggelegd : puttend uit hun rijke politieke traditie kunnen zij voortdurend de vinger op de zere plek van de groene basisdemokratie leggen, nl. de representatieve demokratie als hefboom voor een stelsel van basisdemokratie proberen aan te wenden. Daarbij ga ik ervan uit dat deze kritische beïnvloeding geen ideologische eenrichtingverkeer hoeft te zijn : ook de anarchistische idee van 'direkte demokratie' heeft nood aan een permanente voeding en konfrontatie met voorstellen en experimenten uit de politieke praktijk op straffe van een verschrompeling tot een machteloos relikt uit een heroïsch maar lang vervlogen verleden.
Onze inspanningen mogen daarbij niet tot een kritische denkoefening beperkt blijven : politieke druk van onderuit in de vorm van aanzetten tot 'lokale libertaire besturen' - waarvan de kontouren uitgetekend werden door o.m. Murray Bookchin, Dimitrios Roussopoulos, Howard Hawkins en Takis Fotopoulos - zijn onontbeerlijke schakels in een eco-anarchistische strategie. Op welke wijze anarchisten kunnen participeren aan de gemeentelijke politiek - onder eigen vlag of als individuen/frakties werkzaam in groene of andere partijformaties - zou ik laten afhangen van lokale politieke verhoudingen en ook van de doelstellingen die men met een politieke participatie op het oog heeft. Essentieel lijkt mij in ieder geval de aanwezigheid van een stevige ondersteuningsgroep te zijn met een beslissende stem in cruciale vraagstukken (bijvoorbeeld het al dan niet participeren aan een lokaal bestuur) en met het engagement op geregelde tijdstippen serieuze evaluatieprocessen te organiseren (bijvoorbeeld over de vraag in hoeverre de vooropgestelde doelstellingen gerealiseerd werden).

.. Finley, M.I., Democracy. Ancient and modern, London (Rutgers University Press), 1988 (1973), p. 8-9.

.. Net op het moment dat ik dit artikel neerpen, lees ik in Vlaanderens invloedrijkste politieke opinieblad : 'Complexe, gesofistikeerde samenlevingen als de Belgische kunnen om ethische en praktische redenen niet anders dan via een representatieve democratie worden georganiseerd', M. Reynebeau, in : Knack, 30/10/1996, p. 17. Een ideologie die blijkbaar regelmatig opgepoetst moet worden opdat het volk niet op verkeerde gedachten zou komen.

.. J. SCHUMPETER, Capitalisme, socialisme et démocratie, Paris (Ed. Payot), 1974 (1942), p. 367.

.. I. BERLIN, Two concepts of liberty, in: Four essays on liberty, London (Oxford University Press), 1970 (1969), p. 118-172.

.. R. BAHRO, Building the green movement, Philadelphia (New Society Publishers), 1986, p. 42.

.. J. DITFURTH, Radikal und phantasievoll gesellschaftliche Gegenmacht organisieren. - T. KLUGE (Hrgs.), Grüne Politik, Frankfurt (Fischer), 1984, p. 68-69.

.. R. JACOBS, Vlaamse Groenen tussen parlementarisme en basisdemocratie. - De As, 104/105, 1993/1994, p. 33-42.

.. M. VOGELS & J. GEYSELS, Politieke herbebossing, Antwerpen-Baarn (Hadewijch), 1993, p. 42.

.. J. GEYSELS, Het verstokte optimisme. - Markant, 9/6/1993, p. 6.

.. M. RUYS, Achter de maskerade, Kapellen (Pelckmans), 1996.   

.. P. FLORIZOONE, Het ecologistisch manifest, Antwerpen (EPO), 1989, p. 34.

.. Politiek, bemoei je ermee, uitgegeven n.a.v. de parlementsverkiezingen van november 1991.

.. Zie o.m. R. ECKERSLEY, Environmentalism and political theory, New York (SUNY), 1992 (p. 145-186); A. DOBSON, Green political thought, London (Unwin Hyman), 1990; A. DOBSON & P. LUCARDIE, The politics of nature, London (Routledge) (vooral de bijdragen van A. Carter en M. Saward, p. 39-80); R. GOODIN, Green political theory, Cambridge (Polity Press) (vooral p. 113-180); D. PEPPER, Eco-socialism, London (Routledge), 1993, p. 152-203.

.. Zie ook : P. CHEE, Social ecology and municipal democracy : The fourth continental conference in Montreal, Montreal (Anarkitty Press), 1995.

Bovenstaande tekst is geschreven door Roger Jacobs.