MUTUALISME

home
themata
Voor 1880

In het midden van de negentiende eeuw beroerden de ideeën van Proudhon talrijke geesten. Vooral in de Latijnse landen waren zij van tel en werd Proudhon de inspirator van de ontluikende arbeidersbeweging. Zijn discipelen noemden zich - de theorie verkondigend - 'mutualisten' en trachtten haar waar te maken in de praktijk. Speciaal in Frankrijk stonden zij sterk. Dat was van belang omdat vanuit die regio mee de aanzet werd gegeven tot de oprichting van de Eerste Internationale (1864), waardoor de mutualisten zich vrij snel internationaal konden doen gelden.

Net zoals bij Proudhon was voor de mutualisten de economische actie van primair belang en zij verwierpen elke politieke activiteit die niet de directe triomf van de arbeid op het kapitaal beoogde. Zeker parlementaire politieke actie was uit den boze. In de plaats daarvan moest de arbeider zich organiseren in coöperatieven en in bonden van mutuale bijstand. Voor alles waren de mutualisten tegen centralisatie en staatsingrijpen. De leuze was dat de arbeider zichzelf moest ontvoogden, echter niet door te staken maar door zich economisch te organiseren.

Hun mutualisme wilde echter nogal eens afwijken van het oorspronkelijk proudhonisme. Bijvoorbeeld met betrekking tot het verstrekken van gratis krediet door een nationale volksbank waren de Franse mutualisten - na de mislukte pogingen van Proudhon zelf - eerder de mening toe gedaan dat daar pas sprake kon van zijn na een revolutie en de val van Napoleon III. Verder gingen zij bepaalde facetten van het proudhonisme veel sterker benadrukken. De familie was voor hen de oerbasis van de samenleving. Dit had tot gevolg dat de familiale economische onafhankelijkheid voor hen belangrijker was dan Proudhon - die zich vooral met associaties had bezig gehouden - ooit had bedoeld. Logischerwijze hechtten zij - met de eenmansboerenbedrijfjes voor ogen - een enorm belang aan de individuele eigendom van de productiemiddelen. Autonome thuisarbeid primeerde in die zin boven loonarbeid. In diezelfde optiek hoorde de vrouw uiteraard thuis aan de haard en volgens hen was zij zelfs binnen het gezin ondergeschikt aan de man. (Ook Proudhon sloeg de vrouw en haar rol in de maatschappij niet hoog aan. Hij ging uit van een patriarchale samenleving met het gezin als basiscel.) Men was zich evenwel bewust dat niet iedereen een eenmansbedrijf kon of wilde runnen. Meer collectieve vormen van productie, zoals de coöperaties, werden daarom niet afgewezen, maar de klemtoon kwam voor een stuk buiten het collectieve te liggen.

Zoals gezegd wisten de Franse mutualisten hun ideeën in Europa te verspreiden via de Eerste Internationale. Dit Internationaal Werklieden Verbond zag het licht in 1864 te Londen. Het ontstond uit contacten tussen Parijse arbeiders uit de klein-industrie en de ambachtelijke sector, Engelse Trade-Unionisten en naar Londen uitgeweken politieke vluchtelingen. De Franse vertegenwoordigers, onder leiding van Tolain, waren zoals gezegd hoofdzakelijk volgelingen van Proudhon. Zij distantieerden zich zowel van radicaalburgerlijke stromingen als van het revolutionair-politieke alternatief van de blanquisten en andere centralisten zoals Marx. In de uitbouw van de Internationale tot een grote arbeidersorganisatie zagen zij het middel om de maatschappij in mutualistische zin te veranderen.

De mutualisten, die de privé-eigendom als garantie voor de individuele vrijheid in hun vaandel droegen, kregen echter het meeste tegenstand vanuit anarcho-collectivistische hoek. In Franse anarchistische kringen kwamen stemmen op tegen privé-bezit en voor de collectivisatie van de bodem. Sinds Napoleon III in 1864 het recht op vakverenigingen had toegestaan, was in Frankrijk onder stuwing van de latere communard Eugène Varlin en van Benoit Malon een van de Internationale onafhankelijke beweging ontstaan. Zij leunde sterk aan bij de Franse mutualisten, maar door de syndicale praxis werden haar militanten promotors van de staking als actie- en organisatiemiddel en in het internationaal dispuut omtrent de collectieve eigendom kozen zij partij tegen de mutualisten. Tegelijkertijd weigerden zij iedere samenwerking met burgerlijke radicalen en intellectuelen en zij zetten zich eveneens af tegen Marx en diens eis van politieke organisatie. Zij waren syndicalist en federalist en voelden zich verbonden met de anarchistische principes. De Franse mutualisten lieten het initiatief over aan deze nieuwe militanten en Varlin werd het nieuwe boegbeeld van de Franse Internationale. Met hem deed het anti-etatistisch collectivisme zijn intrede op de internationale congressen.

Internationaal werd de strijd tussen mutualisten en collectivisten beslecht op de algemene congressen van 1866, 1867, 1868 en 1869 die respectievelijk doorgingen in Genève, Lausanne, Brussel en Bazel. In Genève werden de debatten nog gedomineerd door de mutualisten. Zij wisten hun standpunten echter niet in vaste besluiten te gieten. Verder werd op dit congres ook de noodzaak van vakorganisaties en stakingen benadrukt. Een jaar later, te Lausanne, werd dit laatste opnieuw beklemtoond. Maar de mutualisten waren op dit congres nog steeds in de meerderheid en het individueel bezit van land bleef hen heilig. Zij aanvaardden enkel het collectief bezit van de transport- en ruilmiddelen. Het amendement van de Belg César De Paepe om ook de bodem collectief te stellen, werd afgewezen. Maar het congres schonk geen klare wijn. Een eventuele resolutie over de individuele eigendom werd niet ter stemming gebracht en de gestemde algemene besluiten waren voor interpretatie vatbaar. Dan kwam het congres van Brussel. Het was een keerpunt. De Belgen waren hier in de meerderheid en De Paepe had in eigen rangen de discussie over de collectivisatie van de bodem reeds succesvol gevoerd. Bovendien werd hij gesteund door zowel de Franse syndicalisten en andere anarcho-collectivisten als door de centralisten. Het congres aanvaardde met een duidelijke meerderheid de collectieve eigendom van bodem, infrastructuur en ondergrond. Ook de syndicalisten kregen op dit congres meer armslag. Er was een consensus in verband met het actiemiddel staking, echter niet zozeer als middel om de arbeiders te emanciperen, maar wel als middel om hen te organiseren. De grote verliezers waren de mutualisten. Maar zij lieten zich niet zonder meer afschepen. Tolain bracht in 1869 tijdens het congres van Bazel de eigendomskwestie terug ter discussie. De tijd van de mutualisten was echter voorbij. Met grote meerderheid werd het collectivisme bevestigd. Met Bazel komen wij evenwel in een nieuw stadium van de geschiedenis van de Internationale. De tegenstelling federalisme-centralisme kwam hier voor het eerst op de voorgrond. Zij spitste zich toe op het beheer van de collectieve eigendom. Een meerderheid stond achter het federalistisch standpunt, maar onder leiding van Eccarius, een discipel van Marx, werd het staatsbeheer als een mogelijkheid naar voor geschoven. Meteen wierp ook de anarchist Bakoenin, die sinds 1868 officieel lid was van de Internationale, zijn gewicht in de schaal. In zijn pleidooi voor de afschaffing van het erfrecht voerde hij een rechtstreekse aanval op elke vorm van staatsmacht.

Het collectivistische standpunt van de Belgische internationalisten was op het congres van Brussel doorslaggevend geweest. César De Paepe was de grote promotor van dit collectivisme geweest, al sloot hij aanvankelijk nog aan bij het proudhonistische ideeëngoed : de arbeiders moesten zich organiseren in vakorganisaties en rond stakingskassen, om daarna productieassociaties op te zetten die zich communaal met elkaar zouden verhouden en die met mutuaal krediet zouden worden gefinancierd. Collectivisme duidde in zijn ogen vooral op het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen. Zijn opvattingen werden in België echter niet door iedereen in dank afgenomen. Zo bleven Arnould, Denis, De Greef en Hins op het vlak van de eigendom consequente aanhangers van de oorspronkelijke leer. Op het internationaal congres van Brussel verzetten Hins en Fontaine zich trouwens heftig tegen de collectivistische uitspraken van De Paepe en zij gingen in de boot met de Franse mutualisten. De Paepe vond echter steun bij de anarchisten Coulon en Pellering. Na het congres werd de redevoering van De Paepe openlijk in het sinds 1867 heruitgegeven blad La Liberté veroordeeld en het blad voerde een intense polemiek met de krant van de Belgische federatie van de Internationale : L'Internationale. Een jaar later, ten tijde van het internationaal congres van Bazel was de tegenstand reeds sterk verminderd en Hins trad onder invloed van Bakoenin de collectivistische stellingen bij. De anderen bleven nog tot een stuk in de jaren zeventig van zich afbijten.

BIBLIOGRAFIE :
G. WOODCOCK, Anarchism..., p. 131-133; J. JOLL, The anarchists..., p. 62-66; C.D.H. COLE, A history of socialist thought..., dl. II, p. 94, 97; Dictionnaire du mouvement ouvrier..., p. 58.