COMMUNISME

 

home
themata
Voor 1880

In de loop van de jaren zeventig van de negentiende eeuw deden zich op het ideologische vlak verschuivingen voor.  In het begin van het decennium noemde vrijwel iedereen zich ‘collectivist’.   Men ging er van uit dat na de revolutie de productiemiddelen gemeenschappelijk bezit zouden worden, ook al was er onenigheid over hoe men die gemeenschappelijkheid zou gaan beheren.  De klemtoon lag in het algemeen op lokale economische eenheden - de communes - maar er was geen duidelijkheid over de rol van de syndicale verenigingen, de coöperatieven, enz...  Anderen leverden op dit alles kritiek, want zij zagen ook de communes vervallen in nieuwe hiërarchische beleidsstructuren.  In de toekomstige samenleving moest volgens hen de vrijheid van elk individu absoluut gegarandeerd zijn.  Maar aan de andere kant benadrukten zij het solidariteitsbeginsel : de persoonlijke vrijheid mocht niet ten koste van de andere mensen gaan.  In die richting verder denkend, stelden zij de collectivistische opvattingen over de verdeling van de geproduceerde goederen in vraag.  In de collectivistische denkschema’s werd iedereen beloond naargelang de gepresteerde arbeid, wat op zich al problemen gaf : welke criteria moesten aangewend worden om de individuele arbeid te meten ?  In de jaren zeventig van de negentiende eeuw, toen men echt geloofde in een nabije revolutie, was de problematiek steeds meer aan de orde en de principes ‘vrijheid, gelijkheid en solidariteit’ werden tot in de uiterste consequenties op de thematiek toegepast.  Het ging niet op dat sterke intelligente arbeiders aanspraak konden maken op een groter deel van de productie, en dit ten koste van minder begaafden, bejaarden, kinderen, mindervaliden, enz... , want dit zou op termijn opnieuw naar ongelijkheden en onvrijheden leiden.  Daarom moest er niet alleen in solidariteit geproduceerd, maar ook geconsumeerd worden.  Zo kwam de volgende stelregel tot stand, die sindsdien als essentie van het anarchocommunisme geldt : “Iedereen werkt naar zijn/haar mogelijkheden en consumeert naar zijn/haar behoeften.”  Concreet betekende dit dat het geld zou worden afgeschaft waardoor accumulatie van eigendom structureel teniet werd gedaan.  Sommigen, zoals Jean Grave, Sébastien Faure, Emile Gautier en Errico Malatesta, zouden in een collectieve productie én consumptie zelfs een garantie zien tegen postrevolutionair communalisme en corporatisme.
De discussie werd voor het eerst gevoerd in de groep L’Avenir van Genève, waarbij ondermeer François Dumartheray, Adrien Perrares, T. Colonna en later ook Jules Montels aangesloten waren.  In 1876 brachten zij enkele brochures uit en in Aux Travailleurs manuels de la France zei Dumartheray dat de groep anarchistisch-communistisch was en dat L’Avenir speciaal over dit onderwerp spoedig een brochure zou uitgeven.  Deze brochure is er naar alle waarschijnlijkheid nooit gekomen, maar in de Brusselse Economie Sociale van 4 maart werd verduidelijkt wat Dumartheray met dit anarchistisch communisme bedoelde : “Von jedem nach seinen Kräften, einem jeden nach seinen Bedürfnissen”. (M. NETTLAU, Geschichte..., dl. II, p. 229.)  De verdienste van de kring lag er in dat zij de problematiek introduceerde in de Jurafederatie.  Op 18 en 19 maart 1876 tijdens een bijeenkomst in Lausanne, waar James Guillaume, Paul Brousse, Elisée Reclus, Adrien Perrares, Adhémar Schwitzguébel en vele anderen aanwezig waren, werd er uitvoerig over gedebatteerd.  Vooral Reclus, die vroeger in de ban van Charles Fourier geweest was, liet zich opmerken als hevig voorstander, terwijl Guillaume de individuele beloning van de arbeid bleef verdedigen.  De meningen waren verdeeld.  Tot een eensgezind standpunt zou men in de Jura de eerstkomende jaren nog niet komen. 
In Italië lag dit anders.  Errico Malatesta, Carlo Cafiero en Andrea Costa hadden zich, waarschijnlijk zonder op de hoogte te zijn van de besprekingen in Zwitserland, de anarcho-communistische inzichten eigen gemaakt.  Op 21 en 22 oktober 1876, tijdens het nationaal congres te Firenze, werd onder hun invloed besloten dat ook de vruchten van de arbeid bezit waren van de gemeenschap.  Op het internationaal septembercongres te Bern relativeerde Malatesta echter die stelling en hij zei dat de toekomstige organisatie van de samenleving niet voorspelbaar was.  Maar op 3 december pleitte hij samen met Cafiero in de Bulletin de la Fédération Jurasienne opnieuw voor het anarcho-communisme. 
In Zwitserland bleef de grootste energie van Reclus uitgaan.  Het gematigde blad Le Travailleur, dat onder zijn invloed stond, ontpopte zich in de loop van 1877 als spreekbuis van de nieuwe ideeën.  Maar voorlopig bleef het collectivisme zich in de Jura handhaven.  Steeds meer werd dit collectivisme echter als overgangsvorm naar het communisme uitgelegd.  Bijvoorbeeld Brousse (*) op het congres van Freiburg, dat van 3 tot 5 augustus 1878 doorging en Kropotkin op 12 oktober 1879 op het Juracongres van La Chaux-de-Fonds.  Een jaar later in dezelfde stad werd uiteindelijk het anarcho-communisme als doctrine aanvaard.  Er was nog wel enig weerwerk van Schwitzguébel en Pindy maar Reclus, bijgevallen door Cafiero en Kropotkin, verklaarde : “Die Produkte gehören Allen, und jeder nehme frei seinen Teil und verbrauche ihn, wie es ihm passt, ohne andere Regel, als die sich aus der Solidarität der Interessen und der gegenseitigen Achtung der Assoziierten ergebenden (...) die Kollektivisten mögen sagen, was sie wollen, der allgemeine gesunde Verstand hat begriffen, dass Aneignung der Arbeitsmittel und des Bodens unvermeidlich zur Gemeinschaftlichkeit der Produkte führt.” (M. NETTLAU, Geschichte..., dl. II, p. 306.)  En het congres besloot : « Nous voulons le collectivisme avec toutes ses conséquences logiques, non seulement au point de vue de l’appropriation collective des moyens de production, mais aussi de la jouissance et de la consommation collective des produits. » (J. MAITRON, Le Mouvement..., dl. I, p. 85.) 
Nu was het hek van de dam.  Het anarcho-communisme zou de volgende jaren naar alle landen uitgedragen worden, al bleef men het nog enige tijd met het collectivisme combineren.  Zo werd in Frankrijk op het nationaal arbeiderscongres van Le Havre, dat van 16 tot 22 november 1880 doorging, het collectivisme als overgangsvorm naar het communisme gehandhaafd, terwijl een jaar later op het revolutionair congres van 25 tot 29 mei te Parijs het anarcho-communisme onderschreven werd.  Ook Malatesta zou in 1884 nog het collectivisme als tussenstap verdedigen.  Men moest volgens hem tolerant blijven.  Kropotkin daarentegen, en met hem vele anderen waaronder de groep rond Le Revolté, was van mening dat het libertaire communisme onmiddellijk met de revolutie moest worden ingevoerd.  Hij zou in de komende jaren het nieuwe concept theoretisch uitwerken en onderbouwen.
Andere bekende anarchisten die deels achter de communistische opvattingen stonden waren bijvoorbeeld Emma Goldman, Alexander Berkman en Nestor Machno en ook vele latere anarcho-syndicalisten stelden een communistische samenleving als doeleinde.

Anarcho-Communistische solidariteit
(hedendaagse anarcho-communistische solidariteit)

(*) Brousse was een overtuigd voorstander van het anarcho-communisme.  Reeds in september 1877 bracht hij samen met Costa de ideeën ter sprake op het internationaal congres van Verviers.