COLLECTIVISME

home
themata
Voor 1880

Het mutualisme, dat zich inspireerde aan de ekonomische standpunten van Proudhon, evolueerde ten tijde van de Eerste Internationale (eind jaren zestig van de negentiende eeuw) door de dagelijkse sociale strijd spontaan richting collectivisme. Het individueel privé-bezit schoof met andere woorden naar de achtergrond en met pleitte voortaan voor meer collectieve productievormen. Bekende promotors van deze ideeënwending waren de anarchisten James Guillaume en Michael Bakoenin. Zeker de propaganda van deze laatste moet hier benadrukt worden : zoals de visie van Proudhon verbonden is met het mutualisme, zo wordt de naam Bakoenin gelinkt aan het collectivisme.
Concreet beschouwd zouden in de anarchistische samenleving de verschillende individuen zich vrijwillig in productieverenigingen associëren, in zelfbeheer de goederen voortbrengen, en naar de geleverde prestaties worden vergoed.   De productieassociaties zouden zich lokaal verenigen in communes die de collectiviteit van de productiemiddelen moesten beheren en daardoor de basis van de nieuwe maatschappij zouden zijn.  De commune was dus een regionale federatie van beroepsorganisaties.  Zij zou door een gekozen raad worden bestuurd.  Let wel, de verkozenen zouden zich permanent moeten verantwoorden aan hun beroepsorganisatie en gebonden zijn door een imperatief mandaat.  Bovendien zouden zij ten alle tijde afzetbaar zijn.  Communes maakten op hun beurt vrijwillig deel uit van een federatie.  Het principe van de solidariteit was hier de bindende factor.  Net zoals vrijheid zonder solidariteit liberalisme betekende was volgens Bakoenin federalisme zonder solidariteit contrarevolutionair.  Vrije solidariteit, met het recht van aansluiting en afscheiding, bood volgens hem daarentegen revolutionaire perspectieven en zou uiteindelijk naar het internationalisme leiden : de confederatie van federaties.  Op federatief niveau konden volgens Bakoenin een aantal taken uitgevoerd worden die de communale belangen overstegen.  Hij dacht hierbij aan openbare diensten, een economische infrastructuur en bijvoorbeeld ook aan een adviesbureau voor statistiek waarmee hij een vorm van economische planning voor ogen had. Tot zover de kern-ideeën van Bakoenin omtrent federalisme en collectivisme.

In België waren op het einde van de jaren zestig/begin jaren zeventig van de negentiende eeuw de meeste socialistische militanten overtuigde collectivisten.  César De Paepe is de grote promotor van dit collectivisme geweest, al sloot hij aanvankelijk nog aan bij de proudhonistische ideeën : de arbeiders moesten zich organiseren in vakorganisaties en rond stakingskassen, om daarna productieassociaties op te zetten die zich communaal met elkaar zouden verhouden en die met mutuaal krediet zouden worden gefinancierd.  Collectivisme duidde vooral op het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen en in die zin werd privébezit verworpen.  Deze opvattingen werden echter niet door iedereen in dank afgenomen.  Zo bleven Victor Arnould, Hector Denis, Guillaume De Greef en Eugène Hins op het vlak van de eigendom consequente aanhangers van de oorspronkelijke leer.  In september 1868 op het internationaal congres  van Brussel verzetten Hins en Léon Fontaine zich heftig tegen de collectivistische uitspraken van De Paepe en zij gingen in de boot met de Franse mutualisten.  De Paepe vond echter steun bij de anarchisten Nicolas Coulon en Jan Pellering, die toen reeds de standpunten van Bakoenin bijtraden.  Na het congres werd de redevoering van De Paepe openlijk in het sinds 1867 heruitgegeven blad La Liberté veroordeeld en het blad voerde een intense polemiek met de krant van de Belgische federatie van de Internationale, L’Internationale.  Een jaar later, ten tijde van het internationaal congres van Bazel was de tegenstand reeds sterk verminderd en Hins trad onder invloed van Bakoenin de collectivistische stellingen bij.  De anderen bleven nog tot een stuk in de jaren zeventig van zich afbijten.  De controverse rond de eigendomkwestie was echter voorbij en nieuwe, diepere onenigheden zouden aan de oppervlakte komen drijven. (L. PEIREN, César De Paepe…, p. 45-51.) Zo ging men bijvoorbeeld enkele jaren later niet alleen een collectieve productie bepleiten, ook de consumptie hoorde in de nieuwe maatschappij gemeenschappelijk te gebeuren. Verder redenerend belandde men uiteindelijk bij communistische opvattingen.