GESCHIEDENIS VAN HET ANARCHISME
IN
BELGIË

home

 

 

 

Sterke netwerken weerstaan repressie
Bert ALTENA



Het anarchisme stelt bij uitstek politieke doelen : vernietiging van de staat en een zodanige opbouw van de samenleving dat het individu het best tot zijn recht komt.  In die zin is de anarchistische beweging een politieke beweging en wel zozeer dat elke anarchistische activiteit politieke lading heeft, ook in het geval van drankbestrijding of naturisme.  Die politieke lading is waarschijnlijk een van de oorzaken van het feit dat geschiedenissen van het anarchisme zich doorgaans gericht hebben op personen, ideeën, politieke daden.  James Jolls "The Anarchists", George Woodcocks "Anarchism" of meer recent Peter Marshalls "Demanding the impossible" zijn informatieve galerijen van anarchisten en hun activiteiten in een aantal landen.(1)  Omdat ze zo gericht zijn op het politieke aspect van het anarchisme, zijn ze zelf vaak ook politiek geïnspireerd.  Zo is Joll sympathiserend geïntrigeerd door de anarchisten en bepleiten Woodcock en Marshall de niet aflatende zin van anarchistische ideeën voor de samenleving.
Natuurlijk heeft het anarchisme ook scherpe politieke veroordeling te verduren gekregen.  Welwillende marxisten bekritiseren doorgaans de zwakke rol die organisatie speelt in de anarchistische beweging, maar de meeste marxisten zijn scherper.  Voor hen is de zin van de beweging, zo die er al ooit geweest is, passé en niet zelden zijn anarchisten warhoofden of lieden met een naïef geloof en weinig adequate, constructieve, praktische ideeën.  Bekend zijn de opvattingen van de grote Engelse historicus Eric Hobsbawm, die zijn communistische overtuigingen niet van zich af schijnt te kunnen zetten als hij het over anarchisten heeft.
(2)  Lange tijd was eigenlijk alleen het werk van de Franse historicus Jean Maitron een voorbeeldige proeve van modern sociaal-historisch onderzoek naar anarchisme.(3)
Veel minder dan als politieke beweging wordt het anarchisme als sociale beweging geanalyseerd.  Keken aanvankelijk de meeste historici niet verder dan hun politieke of ideologische neus lang was, tegenwoordig kun je ook postmoderne kritiek lezen,  waarin het idee ‘sociale beweging’ als een hopeloze marxistische constructie bij het oud vuil wordt gezet.(4)  Ik deel die mening niet, want ik geloof dat inzicht in het anarchisme als sociale beweging een belangrijke voorwaarde is om de geschiedenis van het anarchisme te begrijpen.  Tegelijkertijd kan onderzoek van de anarchistische beweging nieuw licht werpen op aard en bruikbaarheid van sociale bewegingstheorieën voor het onderzoek naar anarchisme.
Over de vraag vanaf wanneer in de geschiedenis je van een anarchistische beweging kunt spreken, verschillen de meningen.  Auteurs die zich op personen en hun ideeën richten, zien soms al anarchisme in de vroege oudheid,  zij die meer naar het anarchisme als politieke of sociale beweging kijken, pleiten voor een beginpunt ergens in de negentiende eeuw.  De Engels-Amerikaanse historicus Carl Levy heeft zich sterk gemaakt voor de Eerste Internationale (1865-1876) als beginpunt.  Toen ontstond de anarchistische beweging als kritiek op de sociaal-democratie en als antistatelijke beweging.
(5)  Als je die criteria neemt, kun je echter net zo goed bij Proudhon en zijn Franse volgelingen beginnen,  die dergelijke kritiek al in 1848 uitten.

Welk beginjaar we ook nemen, sterker dan andere sociale bewegingen heeft het anarchisme vervolgens hoogtepunten en dieptepunten gekend.  In de grote Europese landen, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk wellicht, werd het bij tijd en wijle flink onderdrukt : in Frankrijk halverwege de jaren 1890 en in de jaren vlak vóór de Eerste Wereldoorlog, in Duitsland tussen 1878 en 1918 en 1933 en 1945, in Italië tussen 1870 en 1945, in Spanje gedurende langere of kortere perioden tussen 1870 en 1976.
Dit kun je min of meer kort wisselende conjuncturen noemen,  maar het anarchisme kende ook een trager verlopende conjunctuur.  Het maakte tussen 1870 en 1918 een geweldige opgang en raakte toen sterk verbonden met de arbeidersklasse.  In het interbellum kreeg de beweging, wat Europa betreft, iets sleets.  De groei was eruit en consolidatie of zelfs teruggang zette in.
Na 1945 kende het anarchisme een paar zeer zwakke decennia, om tijdens de jaren zestig en daarna veel nieuwe aanhang te krijgen en aan leven te winnen.  Vaak verketterd en tot antiquiteit verklaard, verdween het echter nergens.  Integendeel,  een van de opmerkelijke kenmerken van de beweging is haar vermogen telkens opnieuw tot leven te komen.  Het anarchisme is als een duikelaartje, een woestijnplant of Ger Harmsens herfsttijloos.  Voor velen is deze veerkracht van de beweging verbazend, zeker voor hen die van mening zijn dat een sterke organisatie een sine qua non is voor het succes van een beweging.  Het is dus een belangrijke vraag voor onderzoek naar anarchisme als sociale beweging, waar die veerkracht nu precies in schuilt.
Is een definitie van anarchisme van belang ?  Zeker.  We zagen al in de benadering van Carl Levy, dat antistatelijkheid een belangrijk kenmerk van anarchisme is en zo is het dikwijls gezien.  Weg met alle beperkingen op de menselijke autonomie, in de eerste instantie staten!  Die visie benadrukt vooral de kritische, negatieve zo je wilt, kant van het anarchisme, maar het heeft natuurlijk ook een opbouwende, positieve kant.  Immers, waarvoor wil je de staat afschaffen,  waarom moeten de beperkingen op de autonomie van de mensen weg?  Kropotkin heeft het mooi verwoord in zijn beroemd artikel over anarchisme : “A principle or theory of life and conduct under which society is conceived without government – harmony in such a society being obtained, not by submission to law, or by obedience to any authority, but by free agreements concluded between the various groups, territorial and professional, freely constituted for the sake of production and consumption, as also for the satisfaction of the infinite variety of needs and aspirations of a civilized being.
(6)  Het ging erom een harmonieuze vorm van samenleven te vestigen waarin eenieder zich kon ontwikkelen naar zijn mogelijkheden en wensen.  Ieder mens moest zijn leven kunnen inrichten zoals hij dat wilde.  Iemand als Malatesta, maar ook anderen, zag daarin een nieuw stadium in de beschavingsgeschiedenis van de mensheid.(7)  Het ging de anarchisten en syndicalisten niet erom het individu op te doen gaan in de groep, maar integendeel om het individu daaruit te bevrijden.(8)  Uitgangspunt en doel van de beweging was dus het individu, zelfs in de meest op organisatie gerichte vleugel van de brede anarchistische beweging, de syndicalistische (waarmee overigens niet gezegd wil zijn dat iedere syndicalist anarchist genoemd kan worden), stonden het individu en de individualiteit centraal.  Het syndicalisme liet klassenstrijd en bewustmaking van het individu voor de toekomstige maatschappij samenvallen en zo werd, zoals in de hele anarchistische beweging, de toekomst reeds beleefd en vormgegeven in het heden.  De middelen dienden in overeenstemming te zijn met de doelen en niets stond je in de weg om je leven nu al in te richten zoals het na de revolutie zou zijn.(9)
Individualisme en gelijktijdigheden zijn twee belangrijke zaken in verband met de toepasbaarheid van sociale bewegingstheorieën en de verklaring van de veerkracht van het anarchisme.  We zullen in dit verband straks ook nog kennis maken met de gelijktijdigheid van het lokale en het inter- of transnationale, al evenzeer van belang voor de verklaring van de veerkracht van het anarchisme.


INDIVIDUEN


De anarchistische beweging dreef op individuen.  De Franse historicus Vivien Bouhey heeft in een recente dissertatie op een rij gezet hoezeer in de beweging de “compagnon” (kameraad) de dragende factor was en wat dit voor zijn identiteit betekende :

  1. kameraad” verving het republikeinse “burger”,  een aanduiding die in de jaren 1880 en 1890 ook in de Nederlandse socialistische beweging werd gebruikt.  Terwijl ook in de anarchistische beweging de ongelijke toebedeling en uitbreiding van het burgerschap in de burgerlijke staat een rol speelde, betekende deze naamsverandering een afscheid van die burgerlijke staat.  De kameraad behoort bij de bestrijders van de staat, de burger klaagt nog over tekortkomingen in zijn burgerschap in die staat.
  2. kameraad” zijn betekende dat je amicaal omging met andere “kameraden”, bijvoorbeeld bij samenkomsten.
  3. kameraad” zijn stond voor een aantal andere plichten : kameraden onder dak brengen, anarchistische netwerken onderhouden en in het algemeen kameraden helpen, waar ook ter wereld.

Je behoorde de anarchistische principes te verdedigen en (na 1890) de martelaren te wreken.(10)  Bij alle gelijktijdigheid vielen dus ook de organisatie, het netwerk, de beweging en de individuele anarchist samen.
De kameraden konden in groepen samenkomen, soms maakten ze deel uit van meerdere groepen.  Ze konden ook buiten groepen blijven, maar dat wil niet zeggen dat deze individualistische anarchisten buiten alle netwerken vielen of zelf geen netwerken onderhielden.  De groepen waren vaak gebaseerd op lokaliteit : het dorp of een wijk in de stad.  (...)  Woonplaats droeg dus de groepen en niet zozeer werk, zoals in het Caraïbische gebied, waar het anarchisme zich uitbreidde naarmate Amerikaanse macht en grote ondernemingen zich in nieuwe gebieden (zoals Panama) vertoonden.  Ik kan me voorstellen, dat de beweging in Europa door haar basis in woonplaats een stabielere structuur had dan bewegingen die gebaseerd waren op mobiele arbeiders.

Hoe groot waren de netwerken?  Dat hing af van de leden.  Netwerken steunden op personen, niet op groepen, ook al waren die personen lid van een groep.  Zodoende kon een groep verbindingen hebben met verschillende netwerken en kon de netwerkstructuur verbindingen leggen over de hele wereld.  Beschikten personen in de netwerken zelf niet over die verbindingen, dan stonden ze wel in contact met anderen die dergelijke verbindingen onderhielden.  Toen de Rotterdamse anarchist Piet Honig in 1894 naar Alexander Cohen in Parijs ging, had hij diens adres óf uit Recht voor Allen óf van Domela Nieuwenhuis.(11)  Uit de herinneringen van Honig blijkt echter ook, dat in de anarchistische wereld de netwerken al naar gelang klasse langs elkaar heen schoven.  Honig wilde naar de arbeiders in Belleville, maar Cohen had met arbeiders geen verbinding.  Wel kende Cohen als journalist Jean Grave, redacteur van Le Révolté en Les Temps Nouveaux en Grave had weer contact met arbeiders in Belleville.  Redacteuren van anarchistische bladen waren dus knooppunten van netwerken en verbonden kringen die normaliter niet met elkaar in contact kwamen en nochtans de anarchistische beweging vormden.
Doorgaans waren de netwerken heel open.  In Brussel ontmoette Honig op één mei Nederlandse anarchisten die daar woonden en geraakte op die manier in de Brusselse anarchistische beweging.  In Parijs kwam hij overal binnen, doordat hij aanbevelingsbrieven uit Nederland had meegenomen.  Slechts in tijden van stevige repressie sloten groepen en netwerken zich en werd het moeilijker contact te maken.  Dan werd de betrouwbaarheid van de kameraad uitvoeriger getoetst.  Dat gold  natuurlijk ook voor het ondergrondse werk.
Toen Hubertus van Bloppoel en Honig pamfletten naar Duitsland zouden smokkelen, kwam de in Londen wonende Duitse anarchist Otto Rinke eerst kijken of ze wel te vertrouwen waren en deugden voor die taak.  Daarna was echter alle geheimhouding weg, de ontvanger van de brochures liet zelfs zijn geheime bergplaats zien en gaf Honig "Revolutionäre Kriegswissenschaft" mee van Johann Most, het “anarchist cookbook” uit die tijd.
(12)  Dat wil niet zeggen, dat iedere anarchist geen geheimen kende voor kameraden.  Velen die hem kenden, waren verbaasd toen Emile Henry in 1894 zijn aanslag op het Parijse restaurant Terminus pleegde.

 

CONTACTEN


Hoe werden de contacten in en tussen de netwerken in stand gehouden?  Veel ging per brief.  Op die manier kwamen redacteuren aan hun kopij, die vervolgens als krant weer terugging naar de plaats van afzending,  maar ook aan allerlei informatie die niet meteen voor de krant bestemd was.   Brieven konden in groepsvergaderingen voorgelezen worden, zodat de groep op de hoogte werd gebracht.  Vivien Bouhey beschrijft bijvoorbeeld hoe de groep Les Libertaires in mei 1899 door de brief van Sebastien Faure leerde over een alternatieve conferentie die in Den Haag gehouden zou worden tegen de grote, plechtige vredesconferentie van Europese vorsten. (13)  Die conferentie is overigens niet doorgegaan,  Vredes-stemmen van Domela Nieuwenhuis zal mede met het oog op die alternatieve conferentie geschreven zijn.(14)  Het belang van brieven maakte de netwerken echter gevoelig voor staatsveiligheidsdiensten.  Het is bekend dat de Italiaanse mouchard Carlo Terzaghi vanuit Zwitserland briefcontact opnam met allerlei anarchisten in Frankrijk en kennis uit hun antwoorden doorspeelde naar de Italiaanse overheid.(15) 
Een veiliger manier om het contact tussen netwerken te onderhouden was daarom de rondtrekkende anarchist.  Propagandisten en colporteurs konden brieven meenemen en doorgaans verspreidden zij ook allerlei interne kennis over de beweging.  In Nederland was zo’n colporteur de gewezen Amsterdamse metaalbewerker P.C. Bos, die vanaf de jaren 1890 het hele land doortrok.  De rol van colporteurs in de beweging zou nog eens onderzocht moeten worden.
Het onderhouden van de netwerken diende allerlei doelen.  Netwerken konden gemobiliseerd worden om grote meetings te organiseren of vergaderingen voor te bereiden waar een beroemdheid zou komen spreken.  Die functie vervulden ze ook op internationale schaal.  De voorbereidingen voor een anti-autoritair congres  in Londen 1896 om de sociaaldemocratische Tweede Internationale te bekritiseren en betere eigen contacten op te bouwen, liepen via allerlei internationale netwerken.
(16)  Netwerken dienden ook als circuits van informatie, niet in de laatste plaats informatie over de grenzen heen.  Op die manier konden anarchisten thuis op de hoogte komen van ontwikkelingen in verre landen, waar kameraden zich hadden gevestigd.  Die uitgevlogen anarchisten fungeerden vaak als correspondent van bladen.  Anderzijds werden via de netwerken allerlei nieuwe inzichten overgedragen.  Constance Bantman heeft in een recent artikel betoogd dat het revolutionaire syndicalisme in Engeland kwam via netwerken van Franse ballingen.(17)
Het belangrijkste waren de anarchistische netwerken als webben van onderlinge hulp.  Daarom werd van de kameraden verwacht dat ze elkaar hielpen.  Honig en Van Bloppoel hielpen de Duitse anarchisten in Londen materiaal naar Duitsland te transporteren.  Eenmaal gevestigd in Mechelen zou Honig echter ook hulp bieden aan onder meer Joseph Thioulouse, een verkommerde anarchist die een tijdlang in de gevangenis van Montjuich bij Barcelona had gezeten.  Thioulouse was naar hem toegestuurd door Brusselse kameraden en Honig zou vervolgens Thioulouse verder helpen naar Nederland.  In diverse archieven is aardig te volgen bij wie Thioulouse in Nederland zoal verbleef,  voordat hij weer terugging naar Frankrijk.
(18)  Die hulpvaardigheid is altijd een onderdeel van de anarchistische netwerken gebleven, of het nu tijdens het interbellum ging om het onderbrengen van Italiaanse, Duitse en later Spaanse anarchisten, tijdens de Tweede Wereldoorlog om kameraden in nood of na die oorlog om Spaanse anarchisten.  De internationale netwerken zijn één van de oorzaken waardoor repressie er nooit in geslaagd is de anarchistische beweging definitief te onderdrukken en waardoor die beweging repressie van korte duur gemakkelijk overleefde.  David Turcato heeft onlangs prachtig laten zien hoe belangrijk Italiaanse anarchisten in de Verenigde Staten waren voor de financiering van bladen en de opvang van ballingen.  In Italië mocht de beweging zich misschien niet roeren, zozeer dat autoriteiten en latere historici dachten dat ze verdwenen was, in het buitenland was ze onverminderd levendig.(19)
Zo vertellen de netwerken ons wat het voor anarchisten betekende in het buitenland te verkeren.  De band met degenen die achtergebleven waren, bleef vaak lang belangrijk voor hen.  De Vlissingse vormer J.J. Paasse vertrok in 1911 naar de Verenigde Staten, maar het contact met oude kameraden als Willem Angenent die hij uit Vlissingen kende en met wie hij vervolgens op een aantal plaatsen in Nederland en Duitsland had gewerkt (ze speelden beiden ook een rol in de Landelijke Federatie van Metaalbewerkers), bleef in tact.  Nog in 1930 maakte hij aan Willem Angenent geld over voor het Domela Nieuwenhuis monument.
(20)
Op gelijke wijze steunde het comité Rochester het Domela Nieuwenhuis Fonds.  Hulpvaardigheid sprak hier uit, maar de band met het oude Europa kon ook een hindernis zijn.  Jacy Alves de Seixas heeft beschreven hoezeer Italiaanse anarchisten in Brazilië door nostalgie geremd werden om onder autochtonen een levendige anarchistische beweging te doen ontstaan.  Het ‘daar’ (‘bij ons’) trok zozeer, dat ze aanvankelijk in het in hun ogen onderontwikkelde ‘hier’ nogal passief bleven.(21)
In het algemeen is het kenmerkend voor anarchistische emigranten dat ze moeite hadden buiten hun eigen groep contact te maken.  De Fransen die in de jaren 1890 in Londen bivakkeerden bouwden in Soho een heel eigen infrastructuur op,  compleet met Franse kruidenierszaken, maar kwamen met Engelsen of andere nationaliteiten maar spaarzaam in contact.  Ze zagen hen vooral tijdens herdenkingsbijeenkomsten.
(22)
Die nostalgie versterkte de behoefte om vanuit de emigratie contact te houden met de thuisgeblevenen en hen zoveel mogelijk te helpen, ook ondergronds.  De Franse politie vermoedde dat geldsommen die anarchisten rond 1900 verdienden met valsmunterij, flessentrekkerij en bankovervallen naar een klein comité in Londen werden doorgesluisd, van waaruit bladen en acties in Frankrijk zouden worden gefinancierd.  Nu zag en ziet de politie toen en nu wel vaker grote vertakkingen van wat misschien toch maar een zeer beperkte aangelegenheid kan zijn geweest (je vraagt je af of lieden zoals Malatesta en Malato bij al hun activiteit ook nog het beheren van ondergrondse fondsen konden hebben), maar het is natuurlijk altijd mogelijk.
(23)  In het geval van de aanslag van Bresci op de Italiaanse koning Umberto I in 1901 is de voorbereiding in de Verenigde Staten maar al te goed gedocumenteerd.(24) 
De goede werking van de internationale netwerken op het punt van communicatie, informatie en van hulp en de algemeen gedeelde wens in de beweging om deze zo dicht mogelijk bij de individuele anarchist te houden verklaren waarschijnlijk waardoor een internationale anarchistische organisatie amper van de grond kwam.  Hoezeer lieden als Alexander Shapiro en Christiaan Cornelissen vóór 1914 hier ook aan sleurden, het lukte maar niet.
Daarbij gold niet alleen de opvatting, zoals onder andere uitgedragen door Domela Nieuwenhuis, dat anarchisten zich als anarchisten niet moesten organiseren, maar ook het feit dat veel anarchisten er het nut niet erg van in zagen.  Praktiseerden ze het internationalisme nu al of niet?  Was alle hulp aan vreemdelingen gegeven of aan bewegingen en bladen in het buitenland niet voldoende internationalisme in de praktijk?  En inderdaad : als je doel is het veranderen van de individuele mens en als internationale contacten en bladen je voldoende van de anarchistische wereld buiten je eigen plaats op de hoogte brengen, wat voor nut kan een internationale organisatie dan nog stichten?

 

CULTUREEL


Hielpen de netwerken de anarchistische bewegingen repressie te overleven, ze waren niet de enige factor.  Het anarchisme mag een politieke beweging wezen, ze kan zich ook anders dan politiek uiten.  Werken aan de vrijheid kun je op vele manieren doen.  Naast politiek is de anarchistische beweging niet voor niets altijd heel cultureel geweest.  Onderwijs en opvoeding kregen veel aandacht van anarchisten.  Vrijdenkerij, geheelonthouding en naturisme waren andere uitingen van anarchistische cultuur.  In de vorm van zangclubs, muziek- en toneelverenigingen hadden de anarchisten ook een kunstzinnige uitingsmogelijkheid.  Op die manier konden ze anarchistisch leven alsof de revolutie al achter de rug was.  Toekomst en tegenwoordige tijd vielen dan voor hen samen en als anderen de anarchisten weinig rationeel achtten, dan lag de oorzaak van die schijnbare irrationaliteit hier.
Dat is echter niet het enige belang van het streven anarchistische principes nu al zoveel mogelijk in praktijk te brengen.  Het betekende ook dat de anarchisten politiek niet nodig hadden om zich te uiten en vooral in tijden van repressie kwam dat goed uit.  Je kon op andere terreinen des levens het anarchisme blijven praktiseren en zo toch werken aan een nieuwe toekomst.  Kunstenaars konden terugvallen op het fantastische of het allegorische.  Niet voor niets was surrealisme populair in onderdrukkende regimes of konden algemeen bekende verhalen opnieuw verteld worden, zodanig dat het publiek hun betekenis als kritiek gemakkelijk doorgronden kon.  Daar ligt  de betekenis van Stefan Heyms  “Der König David Bericht” of van de medewerking van de anarchistische schilder Alexander Tyshler aan een opvoering van Shakespeare’s “King Lear” in het Moskou van 1936.
(25)
Op deze wijze kon de anarchistische beweging ondanks politieke onderdrukking toch enigszins op de been blijven.  Voor een langdurige onderdrukking, zoals onder Salazar in Portugal, onder de communisten in de Sovjet-Unie of onder Franco in Spanje, was dit zeker niet voldoende, maar niemand zal ervan opkijken dat in die omstandigheden ook anarchisten moeite hadden te overleven.  Hoe dan ook, met de vertakkingen van de beweging over de grenzen en met het feit dat werken in de bestaande politieke kaders maar één uitingsmogelijkheid voor anarchisten is, hebben we belangrijke verklarende oorzaken voor de veerkracht van anarchisten in de kortere conjunctuur van repressie en tolerantie.
Het anarchisme kent echter ook een trager verlopende conjunctuur die tevens een andere vorm van veerkracht toont.  De Franse socioloog Daniel Colson heeft de geschiedenis van het anarchisme in drie periodes ingedeeld :

  1. De jaren 1840-1864 als de jaren waarin het anarchisme vooral een zaak van intellectuelen van burgerlijke en aristocratische afkomst was.  Het was een tijd meer van ideeënvorming dan van beweging.
  2. Van 1864-1945 was het anarchisme vooral arbeidersbeweging, want het baseerde zich vooral op de arbeidende klasse.  Het revolutionaire syndicalisme was de sterkste uiting van deze veranderde basis van de beweging.
  3. Na 1945 maakte het anarchisme eerst een tijd van crisis door, maar vanaf de jaren zestig ging het weer bergopwaarts en baseerde de beweging zich op nieuwe groepen : jongeren, studenten en kunstenaars.  Net als in de eerste periode ging het weer sterker om nieuwe ideeën en nieuwe vormen.(26)  

Om de precieze merites van deze driedeling ga ik hier niet in, Colson laat echter wel zien dat het anarchisme ook een lange conjunctuurbeweging kent.  Daarbij is het onmiskenbaar dat de klassieke jaren van hoogtij vóór 1914 lagen, het interbellum is al met al een periode van stagnatie en verzwakking van het anarchisme (althans in Europa en Noord-Amerika) en na 1945 heeft de beweging grote moeite zich te hervinden.
Onder deze lange conjunctuurgolven ligt een geheel van diepere oorzaken.  Aan de ene kant is er het sociologische verschijnsel van de vergrijzing.  De dragende generatie uit de gouden jaren wordt ouder en ouder.  Vivien Bouhey laat zien dat dit al vóór 1914 aan de gang was.  Ik denk dat dit voor Nederland ook geldt.  Na 1918 wordt die vergrijzing echter duidelijk.  Een jongere generatie komt naar voren, maar een deel daarvan gaat over naar de communistische beweging (…) die in de Sovjet Unie iets positiefs lijkt op te bouwen in plaats van het anarchistische negatieve kritiseren.
Dat laatste was op het grote internationale anarchistencongres in 1907 in Amsterdam al te horen geweest in de bijdragen van Pierre Monatte en Amédée Dunois over de positieve kanten van het syndicalisme.  Een ander deel van de jongere generatie zet zich heftig af tegen de ouderen en roert zich vooral op het culturele en antimilitaristische vlak.  Heel scherp komt dat bijvoorbeeld naar voren in een artikel in Alarm waarin Anton Constandse  Chris Lebeau bij het oud vuil zet.
(27)  Eenzelfde vergrijzingsproces vindt plaats na de Tweede Wereldoorlog.  Provo betekent qua generatie een vernieuwing.
Bij die vergrijzing hoort als het ware een verstijving van de theorie.  Terwijl de staat van gedaante veranderde, hield de anarchistische theorie geen gelijke tred.  De toenemende rol van de staat in het individuele leven van de mensen (naast dienstplicht in Nederland na 1901 ook leerplicht en na 1918 stemplicht;  naast een klein pensioen in Nederland in 1913 ook allerlei subsidies na 1914 en werkloosheidsuitkeringen) werd bijvoorbeeld onvoldoende in de anarchistische opvattingen verwerkt.  Terwijl de werkelijkheid zich steeds verder van het anarchistisch ideaal begaf, werd dit theoretisch niet opgepakt.  Daarmee verloor het anarchisme aan kracht, vooral aantrekkingskracht.  Het is voor anarchisten natuurlijk ook niet makkelijk.  Omdat middelen en doelen overeen moeten stemmen, kun je geen blauwdrukken van een nieuwe samenleving opleggen.  Omdat voor een anarchistische samenleving zoveel afhangt van de wil en verantwoordelijkheid van het individu, moet je in de weg daarnaar toe het individu de volle ruimte geven.  Dat betekent dat een beweging alle kanten uit kan gaan en in praktijk ook ging.  Het anarchisme heeft geen middelen daar paal en perk aan te stellen, moet die ook niet willen hebben, maar dient daardoor wel regelmatig op de blaren te zitten.  Lange tijd was het niet goed opgewassen tegen communistische concurrentie, totdat de communisten zo goed waren te tonen dat ook bij hen de keizer geen kleren had.  In dat failliet schuilt een deel van de toenemende populariteit van het anarchisme na 1980.

 

THEORIEËN


 Wie het anarchisme als sociale beweging wil onderzoeken en met behulp daarvan factoren voor haar succes of het gebrek daaraan op het spoor wil komen, kan kijken naar sociale bewegingstheorieën.  De meest voor de hand liggende zijn resource mobilisation theory in alle breedheid en vormen zoals voorgesteld door een hele groep schrijvers.  Daarnaast heb je de collective action theory van historisch socioloog Charles Tilly.(28)  Makkelijk toepasbaar zijn die theorieën echter niet.  Dat komt niet alleen doordat ze op een aantal onderdelen meer verzamelingen van aandachtspunten zijn dan echte theorieën, maar ook doordat ze nogal politiek gericht zijn en zich doorgaans beperken tot bewegingen die in nationale of lokale politieke kaders werken.  Een beweging als de anarchistische die zich daartegen verzet en zich daaraan tracht te onttrekken, is alleen al daarom niet zo makkelijk in deze benaderingen in te passen.
Veel van deze theorieën gaan bovendien uit van formele organisaties als dragers van sociale bewegingen en investeren een belangrijk deel van hun denkwerk juist daarin.  Goed georganiseerde gehelen zijn volgens hen nodig voor succes, maar de anarchistische beweging kenmerkt zich nu juist door zwakke organisatie.  Terwijl sociale bewegingstheorieën op het al dan niet behalen van succes zijn gericht, is dit criterium in het geval van anarchisme penibel.  Een nieuwe anarchistische samenleving zonder onderdrukkende staat is nog niet tot stand gebracht en hoe meet je succes als het om veranderen van individuen gaat?  Hoe belangrijk zijn sterke, goed georganiseerde en rijke organisaties dan?
Kortom ik ben een beetje sceptisch over de zin van dergelijke  theorieën.  Elementen eruit kunnen nut hebben, ik heb het laten zien voor wat betreft het achterblijven van de anarchistische analyse van de maatschappij bij de ontwikkeling van die maatschappij.  Zeer veel past echter gewoon niet.  Het nut van sociale bewegingstheorieën wordt waarschijnlijk groter, wanneer we specifieke anarchistische campagnes met een beperkter reikwijdte en horizon willen onderzoeken.  We kunnen dan bijvoorbeeld met vrucht Tilly’s idee van repertoires of collective action toepassen, waarin hij erop wijst dat in een serie conflicten met dezelfde partijen doorgaans een leerproces plaatsvindt, waarbij in een nieuwe ronde de een de ander tracht te verassen met een nieuwe aanpak.
In het geval van Provo kun je bij die visie baat hebben, niet zozeer als een geheel van hypotheses die een en ander zouden kunnen verklaren, maar vooral als aanwijzing dat verschillende partijen een rol spelen in het actievoeren en dat hun onderlinge uitwisselingen in het verleden belangrijk zijn.
Niet zelden wordt het anarchisme onderzocht alsof het in een vacuüm opereerde, maar het is zoals de historicus Theo van Thijn eens gezegd heeft : net zo goed als je niet over een voetbalwedstrijd kunt schrijven door naar slechts één partij te kijken, zo kun je dat ook niet in het maatschappelijk leven.  De anarchistische beweging moet altijd in totaliteit van de samenleving, in het geval van het anarchisme ook van de wereldsamenleving, en van verleden, heden en toekomst gezien worden.
Onderzoekers van het anarchisme als sociale beweging kunnen hun voordeel doen met netwerkanalyse, maar meer als beginstadium van de analyse dan als eind daarvan.  Het denkwerk dat daarvoor nodig is zullen ze zelf moeten doen in overeenstemming met de principes van het anarchisme en de anarchisten.


1. James JOLL, The anarchists, Londen, 1972;  George WOODCOCK, Anarchism.  A history of libertarian ideas and movements, Harmondsworth, 1973;  Peter MARSHALL, Demanding the impossible.  A history of anarchism, Hammersmith, 1992.
2. Eric J. HOBSBAWM, Primitive rebels.  Studies in archaic forms of social movement in the 19th and 20thcenturies, Manchester, 1978.  Zie ook E. J. HOBSBAWM, The age of capital, 1848-1875, New-York, 1975, p. 161.
3. Jean MAITRON, Histoire du mouvement anarchiste en France (1880-1914), Parijs, 1952;  ID., La personnalité du militant ouvrier français dans la seconde moitié du XIXme siècle. – Le Mouvement Social, 33-4, 1960-1961, p. 63-87;  ID., Un ‘anar’, qu’est-ce qui c’est ? – Le Mouvement Social, 83, april-juni 1973, p. 23-45.
4. Vorig jaar was dit de dominante toon in een discussie op het Anarchist Studies Network.
5. Carl LEVY, Anarchism, internationalism and nationalism in Europe, 1860-1939. – Australian journal of politics and history, 50, 2004, p. 330-342.
6. Peter KROPOTKIN, Anarchism. – The encyclopaedia britannica…, New York, 1910.  Bijna dezelfde definitie werd al eerder in 1907 door ‘compagnon’ Fauny in Le Havre naar voor gebracht : “L’anarchie à l’encontre de la définition des dictionnaires bourgeois, c’est l’harmonie entre les individus à l’abri de toute autorité.  C’est le communisme libre dans lequel personne ne souffrira de faim.” (Histoire méconnue et oublié du syndicalisme Havrais, 1907-1939, Le Havre, 1996-1997, p. 30.
7. Zie zijn toespraak op het internationale anarchistische congres te Amsterdam in 1907 (Congrés anarchiste tenu à Amsterdam.  Aout 1907…, Paris, 1908, p. 80-85.)
8. A la dissolution de l’individu dans le groupe, mais au contraire à l’extraction de l’individu du groupe anonyme. (Jacques JULLIARD, Fernand Pelloutier et les origines du syndicalisme d’action directe, Parijs, 1985, p. 13.
9. James Joll citeert Bakoenin : “How can you expect an egalitarian and free society to emerge from an authoritarian organization ?” (James JOLL, Anarchism between Communism and Individualism. – Anarchici e anarchia del mondo temporaneo…, Turijn, 1971, p. 269-285 (p. 274))
10. Vivien BOUHEY, Les anarchistes contre la République de 1880 à 1914…, Paris X – Nanterre, 2006, p. 153-155, 396-400 (doktoraatsthesis).
11. Piet HONIG, Herinneringen van een Rotterdams revolutionair, Utrecht, 2005, p. 224.
12. Piet HONIG, Herinneringen…, p. 161-175.
13. Vivien BOUHEY, Les anarchistes…, p. 564.
14. F. Domela NIEUWENHUIS, Vredes-stemmen. Kant, Laveleye, Tolstoï, Letourneau, Novicow, Guy de Maupassant, e.a., Amsterdam, 1899.
15. Marc VUILLEUMIER, La police politique à Genève, un aperçu de ses activités (1880-1903) – Bulletin de la Société d’Histoire et d’Archéologie de Genève, 23, 1993, p. 91-111.  Zie voor Terzaghi : P.O.R. van der MARK, Revolutie en reactie.  De repressie van de Italiaanse anarchisten 1870-1900, Groningen, 1997, p. 42-54, 221-226, 235-247 (doctoraatsdissertatie).
16. Zie daarvoor kort  B. ALTENA & H. WEDMAN, Tussen anarchisme en sociaal-democratie.  Het Revolutionaire Kommunisme van Christiaan Cornelissen (1864-1943), Bergen, 1985, LXVII-LXX.
17. Constance BANTMAN, Internationalism without an international ?  Cross-Channel anarchist networks, 1880-1914 – Belgisch tijdschrift voor filologie en geschiedenis, 84/4, 2006, p. 961-981.
18.  HONIG, Herinneringen…, p. 289-292.
19. Davide TURCATO, Italian anarchism as a transnational movement, 1885-1915. – International Review of Social History, 52, 2007, p. 407-444.
20. Syndicalist, 12/5/30.
21. Jacy ALVES DE SEIXAS, Mémoire et oubli.  Anarchisme et syndicalisme révolutionnaire au Brésil, Parijs, 1992, p. 5-39.
22. Constance BANTMAN, Internationalism
23. Vivien BOUHEY, Les anarchists…, p. 494, 500, 739-742;  Constance BANTMAN, Internationalism..., p. 970.
24. Zie de meer dan uitvoerige documentatie in het volumineuze Giuseppe Galzerano, Gaetano Bresci : vita, attentato, processo, carcere e morte dell’ anarchico che giustiziò Umberto I., Casalvelino Scalo 2001.
25. Deze ontwerpen waren te zien op de tentoonstelling “Moderne meesterwerken uit Moskou : Russisch-joodse kunstenaars, 1910-1940” in het Joods Historisch Museum.  Helaas was de inhoudelijke begeleiding bij deze tentoonstelling nogal knullig.  Zo was het de samenstellers ontgaan dat Tyshler in 1927 meer deed dan zich conformeren aan het officiële Sovjetstandpunt, toen hij een groot schilderij over Sacco en Vanzetti schilderde.  Met eenzelfde knullige onkunde werd commentaar gegeven bij zijn tekeningen (1931!) van Makhnovtsy (waarbij van een anarchistische staat werd gesproken).  Wat zou een toneelgezelschap in 1936 met King Lear bedoeld kunnen hebben ?  Zeker meer dan een stuk spelen, dat volgens de Sovjet-canon (…) heel wel mocht. 
26. Daniel COLSON, Introduction – Trois essais de philosophie anarchiste : Islam, histoire, monadologie, Parijs, 2004, p. 9-36.
27. Alarm, augustus 1924, p. 143-144.
28. Een goed overzicht van de meest recente literatuur is Donatella DELLA PORTA & Mario DIANI, Social movements. An introduction, Malden, 2006.  Resource mobilisation : Doug McADAM, Social Movements. – N. J. SMELSER, Handbook of sociology, Newbury Park, 1988, p. 695-738; ID., Comparative perspectives on social movements.  Political opportunities, mobilizing structures, and cultural framings, Cambridge, 1993.   Collective action : Charles TILLY, Social Movements 1768-2004, Londen, 2004.

(Bovenstaande tekst komt uit : Vijftiende jaarboek Anarchisme. - De AS, nr. 161/162, 2008, p. 1-11.)