Anarchisme in België tot 1880.

home
chronologie

 

1. BUITENLANDSE IDEOLOGEN EN ARBEIDERSVERZET IN DE BEGINJAREN VAN HET KONINKRIJK (1830-1848).

De hele bedoening rond de Belgische revolutie bracht in de loop van de jaren dertig van de negentiende eeuw een relatief grote vrijheid met zich mee.  Dit bevorderde de verspreiding van allerhande ‘subversieve’ geschriften.  Zo kende het ‘agrarisch collectivisme’ van baron de Colins een zekere afzet. En ook de ideeën van de Franse utopist Fourier kenden een sterke opgang.  Omtrent 1845 had zijn leer, mede door de invloed van zijn discipel Considerant ontegensprekelijk de talrijkste aanhangers.  Nadien brachten Franse inwijkelingen niet zonder succes de revolutionaire theorieën van Blanqui, Blanc en de anarchist Proudhon aan de man.  Het rijtje werd vervolledigd door Marx en Engels die in 1846 in Brussel arriveerden.  Hun invloed was net zoals het merendeel van de vernoemde theoretici plaatselijk en van voorbijgaande aard.

In die beginjaren had het socialisme trouwens nog niets te maken met arbeidersbeweging.  In de eerste helft van de negentiende eeuw was in België de arbeidersbeweging - voor zover men daarvan al kon spreken - veeleer het al of niet georganiseerd verzet van arbeiders, ‘niet-bezitters’, ‘machtlozen’ tegen personen en instellingen die de ekonomische en/of de politieke macht in handen hadden.  Dit verzet kenmerkte zich in eerste instantie door een verdedigende houding.  Slechts weinigen hadden offensieve aspiraties.  Tot de jaren zestig ontwikkelde deze eerder spontane ‘strijd’ zich grotendeels los van enige ideologie.  Zo ontstonden voor 1848 hier en daar bedrijfsgebonden voorzorgs- en pensioenkassen.  De bedoeling was de directe noden te lenigen en vaak werden deze kassen gesteund door de patroons omdat die er terecht een middel tot sociale rust in zagen.

Toch waren er ook in die tijd overtuigde socialisten.  Maar zij waren meestal geen industriearbeiders.  Zij hadden altijd wel ergens een vorm van intellectuele bagage opgedaan, en konden op zijn minst lezen en schrijven.  Vaak waren zij ambachtslieden, soms zelfs advokaat of dokter.  Hun republikeinse ideeën hadden zich onder invloed van bovenvermelde buitenlandse sociaal-theoretici ontwikkeld. 

2. DE EERSTE ARBEIDERSVERENIGINGEN EN SOCIALISTISCHE CLUBS.

Het werkterrein van de eerste Belgische socialisten beperkte zich hoofdzakelijk tot de ambachtsverenigingen.  Deze verenigingen stonden qua organisatie echter nergens en daarom ging men twijfelen aan de syndicaal-politieke macht van de arbeiders.  Een gevolg daarvan was dat men elke strijd op syndicaal gebied ging verwerpen en men zocht de ontvoogding van de arbeiders in de eigen organisatie van voorzorgskassen, onderlinge hulpmaatschappijen en autonome coöperatieve verenigingen waarin men los van de patroons de productie in eigen handen nam. Dit proces speelde zich af vanaf het einde van de jaren veertig.
Ondermeer Jacob Kats en Victor Tedesco waren bij de uitbouw van dergelijke bijstandsorganisaties betrokken, respectievelijk te Brussel en te Luik.  Een ander interessante figuur was de anarchist Jan Pellering.  Hij 'leidde' sinds 1844 in Brussel de Volksmaatschappij Agneessens, die spoedig in het Vlaamse land uitlopers kreeg.  De belangrijkste personen in deze groep waren naast de vernoemde Pellering, de anarchist Nicolas Coulon, J. Meskens, Jean Purage, Thomas Dassy, Antoon de broer van Jacob Kats, Minnekens, Charles Perrin en later ook Adolf Bartels en Labiaux.  Zij hielden pleidooien en verspreidden vlugschriften om de oprichting van productiecoöperatieven naar Frans model te propageren.  Verder waren ze antiroyalist en “tegen hen die verraad pleegden aan de evangelische kerk en het christendom misbruikten”, zoals de Franse priester de Lammennais betoogde. De ellendige toestand van de arbeidende bevolking werd aangeklaagd en aanvankelijk zagen zij zelfs in het algemeen stemrecht een middel tot haar lotsverbetering. 
Voor het rumoerige jaar 1848 zag in Brussel verder nog de Association Démocratique het licht.  Zij werd onder invloed van Marx naar Londens voorbeeld ingericht en herbergde republikeinse democraten van diverse pluimage.  Ondermeer Lucien Jottrand, de Franse blanquist Jacques Imbert, Adriaan Van Boeveroorde, Victor Tedesco, Ph. Gigot, Jacob Kats, Labiaux, A. Bataille en Jan Pellering.  Hier verbroederden sociaalvoelende intellectuelen en burgers met de mannen van Agneessens en de Duitse Arbeiterverein.  De bedoeling was een internationale vereniging op te richten, maar de contra-revolutionaire reflex na het internationale revolutiejaar 1848 zou haar einde betekenen.
De republikeinse opstanden in Europa hadden immers ook te Brussel enige agitatie tot gevolg.  Zij draaide er rond de eis van de oprichting van een republiek en tegen de persoon van koning Leopold I.  De overheid reageerde hierop door de kiescijns te verlagen en zo de middengroepen meer met zich te verbinden.  Voor de rest voerde zij, zeker nadat het protest wat geluwd was, een zekere repressie door waarbij al wat er aan republikeinse organisatie bestond uiteen viel.  Wij mogen nochtans de radicale invloed die van de gebeurtenissen van het revolutiejaar uitging niet onderschatten.  Vele jonge ambachtslui en intellectuelen die ze ondergingen bleken later militanten van de Internationale te worden.  De repressie zorgde wel voor een breuk, maar deze lag eerder op het vlak van de organisatie.  Ideologisch bleven de socialistische doctrines doorwerken.  Vooral de anarchistische ideeën van Proudhon kenden in de loop van de jaren vijftig een grote verspreiding.

3. PROUDHON EN HET MUTUALISME.

In de negentiende eeuw beroerde Proudhon's ideeën (cfr. biografie) talrijke geesten. Vooral in de Latijnse landen waren zij van tel en werd Proudhon de inspirator van de ontluikende arbeidersbeweging.  Zijn discipelen noemden zich - de theorie verkondigend - ‘mutualisten’ en trachtten haar in de praktijk te brengen.  Speciaal in Frankrijk stonden zij sterk.  Dat was van belang omdat vanuit die regio mee de aanzet werd gegeven tot de oprichting van de (Eerste) Internationale, waardoor de mutualisten zich vrij snel internationaal konden doen gelden.
Net zoals bij Proudhon was voor de mutualisten de economische actie van primair belang en zij verwierpen elke politieke activiteit die niet de directe triomf van de arbeid op het kapitaal beoogde.  Legale parlementair-politieke actie was dus uit den boze.  In de plaats daarvan moest de arbeider zich organiseren in coöperatieven en in bonden van mutuale bijstand.  Voor alles waren zij tegen centralisatie en staatsingrijpen.  De leuze was dat de arbeider zichzelf moest ontvoogden, niet zo zeer door te staken maar door zich te organiseren.

Hun mutualisme wilde echter nogal eens afwijken van het oorspronkelijk proudhonisme.  Bijvoorbeeld met betrekking tot het verstrekken van gratis krediet door een nationale volksbank waren de mutualisten - na de mislukte pogingen van Proudhon zelf - eerder de mening toegedaan dat daar pas sprake kon van zijn na een revolutie.  Verder gingen zij bepaalde facetten van het proudhonisme veel sterker benadrukken.  De familie was voor hen de oerbasis van de samenleving.  Dit had tot gevolg dat de familiale economische onafhankelijkheid voor hen belangrijker was dan Proudhon - die zich vooral met associaties had bezig gehouden - ooit had bedoeld.  Logischerwijze hechtten zij - met de eenmansboerenbedrijfjes voor ogen - een enorm belang aan de individuele eigendom van de productiemiddelen.  Autonome thuisarbeid primeerde in die zin boven loonarbeid.  In diezelfde optiek hoorde de vrouw uiteraard thuis aan de haard en volgens hen was zij zelfs binnen het gezin ondergeschikt aan de man. Men was zich evenwel bewust dat niet iedereen een eenmansbedrijf kon of wilde runnen.  Meer collectieve vormen van productie, zoals de coöperaties, werden daarom niet afgewezen, maar de klemtoon kwam toch voor een stuk buiten het collectieve te liggen.
In de Internationale werden de mutualisten reeds na enkele jaren verdrongen door meer collectivistisch ingestelde socialisten.  Nochtans eindigde hiermee Proudhons invloed op het socialistische denken niet.  Integendeel, terwijl hij voor 1870 slechts gekend was door een kleine kring van militanten, zouden zijn ideeën met de Commune van Parijs (1871) een bredere verspreiding vinden.  En in anarchistische middens was hij voor altijd één der groten.  Men noemt hem niet zonder reden nog steeds ‘de vader van het anarchisme’.

In België (1848-1864).

In België - een land dat in die dagen op cultureel gebied als een Franse buitenprovincie kan beschouwd worden - zien wij dat Proudhon, zeker na 1848, furore maakte in de intellectuele milieus en zijn (kort) verblijf te Brussel, in het voorjaar van 1849, stimuleerde dit nog.  Hij stond er hoog in aanzien en vrij spoedig verwierf hij een talrijk publiek.  Zelfs koning Leopold I kon hij tot zijn lezers rekenen, alhoewel de Belgische monarch het met één boek voor bekeken hield.  Anderen toonden meer interesse.  Vrijdenkers en jonge progressieve intellectuelen zoals bijvoorbeeld Camille Lemonnier, Hector Denis, Guillaume De Greef, Victor Arnould en Paul Janson troffen in hem hun geliefde auteur en liepen warm voor zijn revolutionaire ideeën en sociale kritiek.  Later gingen zij op hun beurt mutualistische opvattingen verspreiden : eerst via de actiegroep La Liberté en daarna in de Internationale.  In krantjes en vlugschriften, op meetings en vergaderingen, overal hoorde men hun stem.  Tenslotte zou tegen het einde van de jaren zestig de Belgische socialistische (arbeiders)beweging zich volledig in de greep van het proudhonisme bevinden.

Het betrof hier evenwel geen zuiver proudhonisme.  Als individuele militant werd men immers door verscheidene theoretici beïnvloed.  Bovendien waren de meeste activisten maar weinig in theorieën geïnteresseerd.  Zij herkenden zich in de sloganachtige taal van “La propriété c’est le vol” en “Dieux c’est le mal” zonder dat zij de werken ooit echt onder de loep hadden genomen.  Proudhon was voor hen de grote maatschappijcriticus.  Hij gaf voor de hand liggende argumenten om hun antikapitalisme en -klerikalisme te staven en om centralistische en etatistische oplossingen te weren.  Zijn concept van een nieuwe wereld en de weg om die te bereiken was minder gekend en... minder praktisch en eigentijds.  Echte mutualisten moesten dan ook vlug de baan ruimen voor collectivistische anarchisten en centralisten.  Maar Proudhons fundamentele kritiek op de sociaal-economische en politieke realiteit bleef nog lange tijd verder leven in de Belgische socialistische beweging.

De pogingen van Pellering, Coulon en Brismée om onmiddellijk na 1848 te Brussel productiecoöperatieven op te richten, kenden geen succes.  Organisatorische en financiële moeilijkheden lagen aan de basis van het spaak lopen van deze initiatieven.  De arbeiders betoonden trouwens weinig interesse voor deze eerste - rechtstreeks naar hen gerichte - socialistische alternatieven.  Zij waren in het beste geval georganiseerd in mutualiteiten die hen bij ziekte of pensioen van een sobere geldelijke steun voorzagen.  Pas in 1857 kwam hierin verandering.  In Gent werden een tweetal beroepsorganisaties gevormd die onder de dekmantel van een mutualiteit zich als weerstandskas bij stakingen inrichtten.  Het waren de Broederlijke Weversmaatschappij en de Maatschappij der Noodlijdende Broeders die de spinners verenigde.  De centrale figuur was Emile Moyson.  Tegelijkertijd deed zich een tendens naar coördinatie en solidariteit voor.  In 1860 sloten de beide beroepsgroepen een verbond met de werktuigmakers, de timmerlui, de vuurmakers en de machinisten.  Ze noemden zich het Werkverbond en waren zonder zich politiek te definiëren globaal tegen het patronaat.
In Brussel deed zich een soortgelijke evolutie voor.  Hier kwam in 1857 de Association Générale Ouvrière tot stand.  Het betrof een groepering van een aantal mutualiteiten van ambachtsgroepen.  De bedoeling was beroepsverenigingen te vormen en te komen  tot een gemeenschappelijke organisatie.
Antwerpen liet pas in 1862 van zich horen, en dan nog vanuit radicaal-liberale hoek.  In de havenstad werd het republikeins, rationalistisch en Vlaamsgezind Algemeen Werkmansverbond opgericht.  Het doel was een verbruikscoöperatief te vormen.  Deze had heel wat voordelen in vergelijking met de vroegere produktiecoöperatieven omdat hij minder financiële risico’s inhield en eenvoudiger te organiseren was.  In de jaren zestig zou dit organisatiemodel een beperkte verspreiding kennen.  Denken wij bijvoorbeeld aan de belangrijke Solidarité des ouvriers houilleurs du basin de Charleroi die weldra het hele gebied van Charleroi bestreek en tegelijkertijd een weerstandskas omvatte.
Men moet zich bij deze eerste vormen van arbeidersbeweging zeker geen te grootse dingen voorstellen.  Al bij al waren de nieuwe verenigingen slechts een lokale aangelegenheid.  De meeste Vlaamse textielarbieders en Waalse mijnwerkers bleven ongeorganiseerd.  Stakingen kwamen nochtans veelvuldig voor.  Maar zonder weerstandskassen lag het voor de hand wie telkens het loodje legde.


 4. HET ONTSTAAN VAN VRIJDENKERSORGANISATIES (1854-1858).
Ondertussen hadden de republikeinse militanten van 1848 zich te Brussel niet onbetuigd gelaten.  Aanvankelijk werden zij weggedrongen door de golf van reacties die op de woelige jaren volgde.  Maar vrij snel, in 1854, wisten zij zich te hergroeperen in de vrijdenkersvereniging L’Affranchissement.  Wegens haar rationeel-filosofische façade had deze nieuwe organisatie het voordeel naar buiten toe niet zo compromitterend te zijn.  Zij was echter het trefpunt van al wat er in die tijd in Brussel aan radicalisme rondliep : van progressisten (progressieve liberalen) tot ware revolutionairen.  Deze laatsten hadden in 1848-1849 hun rangen zien aangroeien met Franse inwijkelingen die door de onderdrukking van de februarirevolutie in Frankrijk en masse naar Brussel waren afgezakt.  Met hen werden nogmaals de ideeën van Proudhon geïmporteerd en hun positivisme en atheïsme droegen in grote mate bij tot het succes van de vrijdenkerijbeweging.
L’Affranchissement was in de eerste plaats een antikerkelijke club die zich tot hoofddoel de verspreiding van burgerlijke begrafenissen stelde.  Naast deïstische en agnostische elementen waren vooral atheïsten lid van de kring.  Echt politieke en economische discussies kwamen zelden voor.  De aanwezige ideologische stromingen waren daarvoor veel te verscheiden.  Nochtans waren zij onmiskenbaar aanwezig, zij het onder de oppervlakte.  Hun verscheidenheid werd pas een probleem toen één bepaalde strekking zich duidelijk naar voor schoof en de club naar haar hand wilde zetten.  Haar leider, Désiré Brismée, wou van uit de vrijdenkerskring een mutualiteit en verbruikerscoöperatief opzetten.  Als reformist avant la lettre wilde hij niet zoals Coulon wachten op het grote ogenblik, om dan in één keer met heel de uitbuiting komaf te maken.  Brismée wilde onmiddellijk doen wat mogelijk was om het lot van de gewone mensen te verzachten.  Tegelijk zou hij dan een socialistische arbeidersorganisatie uitbouwen.  Tegen deze plannen kwam sterk protest van uit de hoek van medestanders van de radicale Coulon en Pellering.  Concreet kwamen de tegenstellingen tot uiting in de bladen Le Prolétaire, dat gedomineerd werd door Coulon, en Le Drapeau, dat partij trok voor de ideeën van Brismée.  De meer burgerlijke leden van de kring waren met de affaire uiteraard niet in hun schik.  Hun progressisme beperkte zich in vele gevallen tot een rationalistische, positivistische en filosofische belijdenis, besprenkeld met een vage vrijheidsliefde.  Politieke en economische propaganda onder de arbeiders hoorde niet thuis in hun leefwereld. De oppositie t.a.v. Brismée’s bedoelingen groeide daarom van dag op dag en uiteindelijk zou hij met zijn vrienden L’Affranchissement verlaten.  In 1857 richtten zij zelf een eigen vrijdenkerskring op.  Zij noemden hem Les Solidaires en van in het begin lag naast de burgerlijke begrafenissen de nadruk op het degelijk organiseren van arbeiders.  Er werd een mutualiteit opgericht en men ging socialistische propaganda voeren.  Opmerkelijk is dat dit conflict niet louter terug te voeren was tot botsende individuele ambities.  Het ideologische verschil tussen de latere evolutionisten en revolutionairen was hier reeds embryonaal aanwezig.

Tot slot vermelden wij nog dat in 1858 naast L’Affranchissement en Les Solidaires onder impuls van Emile Moyson te Brussel de vrijzinnige vereniging Vlamingen Vooruit ontstond.



5. HET ONTSTAAN VAN UITGESPROKEN POLITIEKE GROEPEN (1860-1865).

5.1. La Liberté.

In het begin van de jaren zestig gingen te Brussel een aantal progressistische intellectuelen rond de tafel zitten en richtten de groep La Liberté op.  De kring was proudhonistisch van inslag en ondermeer Hector Denis, Guillaume De Greef en Victor Arnould - latere stichters van de Internationale in Brussel - namen er aan deel.  Sinds 1865 gaven ze samen met Eugène Hins en Léon Lafontaine de gelijknamige krant La Liberté uit, die vanaf 1867 één van de bladen van de Internationale in België zou worden.

5.2. Le Peuple.
Eind maart 1860 zag een uitgesproken socialistische klub het levenslicht, namelijk Le Peuple.  Association de la démocratie militante socialiste.  Hoewel deze vereniging ontstaan was uit Les Solidaires en onder de stuwende kracht van de gematigde Brismée, wilde zij toch alle schakeringen van het toenmalige socialisme bundelen : leden van de beide vrijdenkerskringen, studenten, arbeiders uit de beroepsgroepen en geïsoleerde theoretici.  Coulon en Pellering waren er lid van en verder onder andere de eerder anarchistische Laurent Verrycken, de blinde dichter en musicus Prosper Voglet, de latere kopman van de Internationale Eugène Hins, Paul Janson, César De Paepe en de scheikundige Prosper Esselens.  De groep gaf vanaf mei 1861 La Tribune du Peuple uit.  Eugène Steens, die toen nog aan hetzelfde touw als Brismée trok, verzorgde de buitenlandse rubriek en César De Paepe liet zich in dit blad voor de eerste maal als auteur opmerken.  Sinds 1862 verdedigde hij er zijn collectivistische gedachten.
Ondertussen had Brismée in de schoot van Les Solidaires de verbruikscoöperatief La Solidarité en een propaganda-afdeling opgericht.  Hij lag eveneens aan de basis van de Section d’Agitation Intellectuelle die binnen Le Peuple werd gesticht.  Door de verspreiding van brochures en het houden van meetings wilde men een grotere aanhang verkrijgen.  De propaganda had succes in sommige arbeidersgemeenten in Wallonië, bijvoorbeeld in Marchienne, Jumet en Patignies.

5.3. De Cercle Populaire.
De meer radicale anarchisten en revolutionairen van L’Affranchissement, die in Le Peuple hoogstens als tegenspreker konden optreden, kwamen in 1865 met een eigen propagandaclub op de proppen, met name de Cercle Populaire.  Zij brachten ‘anarcho-collectivistische’ standpunten in de ware zin van het woord.  Het kapitaal van de bezittende klasse, zo zeiden zij, was de vrucht van het zweet van de arbeiders.  Alles behoorde aan allen.  De individuele eigendom en het erfrecht moesten verdwijnen.  Maar de absolute gelijkheid kon volgens hen enkel gewaarborgd worden in een toestand van absolute vrijheid.  Er mochten geen meesters en knechten meer zijn.  Het alternatief was de vrije associatie van soevereine individuen in kleine groepen.  Globaal stelden zij : ‘Weg met de drievuldigheid van staat, kerk en kapitaal’ en ‘Leve de revolutie’. 
Hun aanhang bleef evenwel beperkt.  Het overgrote deel van de socialisten vond hen te radikaal en was voorstander van een op Proudhon geïnspireerd ‘mutualisme'’.


5.4. Cesar De Paepe.

Pacifisme en evolutionisme.
De standpunten van De Paepe vertoonden veel gelijkenissen met deze van L’Affranchissement.  Het essentiële verschil tussen beide draaide rond het al of niet gebruik van revolutionair geweld.  Volgens De Paepe moest de economische inrichting van de toekomstige samenleving gebeuren door middel van coöperatieven die met vrijwel renteloos krediet, verstrekt door een volksbank zouden worden opgericht.  Mettertijd zouden deze coöperatieven de gronden van de grote privébezitters afkopen.  Van geweld was daarbij geen sprake.
De Paepe
was aanvankelijk in zijn diepste voorstander van de anarchie : tegen elke vorm van macht om tot de meest volledige vrijheid en gelijkheid te komen.  Maar hij was geen revolutionair.  Hij wilde enkel pacifistische wegen bewandelen om het grote doel te bereiken.  Langzaam moest men werken aan de brug tussen de oude en de nieuwe maatschappij. 

Van mutualisme naar collectivisme.
De Paepe’s bekende "rede van Patignies" uit 1863 was een voorbeeld van het mutualisme, al tendeerde zij reeds naar het collectivisme want hij sprak zich uit tegen het erfrecht en de individuele eigendom. Belangrijk was dat volgens hem de politieke macht van de centrale overheid moest verdwijnen ten voordele van de autonomie van de plaatselijke gemeenten. 
Sinds het midden van de jaren zestig begon De Paepe zich echter meer en meer te roeren als collectivist.  In navolging van baron de Colins werd hij voorstander van diens gemeenschappelijk bezit van de bodem en hij breidde die uit tot de ondergrond.  Verder wierp hij rond 1870 het federalistisch principe overboord en de ‘staat’ kreeg terug haar centrale rol toebedeeld.  Zij was volgens De Paepe de politieke uiting van de gemeenschap en zij moest de collectivisering onder haar hoede nemen.  Hij geloofde dat onder invloed van de wetenschap de maatschappij automatisch in die richting zou verschuiven.  Deze evolutie kon echter bespoedigd worden door de dagelijkse strijd van de arbeiders.  Zij moesten zich organiseren en opkomen voor radicale veranderingen.

In die zin werd de vroegere anarchist zelfs een voorstander van een centralistische, sociaal-democratische, parlementaire partij.
 


6. HET INTERNATIONAAL WERKLIEDEN VERBOND (1864-1877) EN HET COLLECTIVISME.

6.1. De oprichting.
Het Internationaal Werklieden Verbond werd kortweg de Internationale genoemd.  In 1864 zag zij te Londen het licht.  Het ontstond uit contacten tussen Parijse arbeiders uit de kleinindustrie en de ambachtelijke sektor, Engelse trade-unionisten en naar Londen uitgeweken politieke vluchtelingen.  De Franse vertegenwoordigers, onder leiding van Tolain, waren hoofdzakelijk volgelingen van Proudhon.  Zij distantieerden zich zowel van radicaal-burgerlijke stromingen als van het revolutionair-politieke alternatief van de autoritaire blanquisten.  In de uitbouw van de Internationale tot een grote arbeidersorganisatie zagen zij het middel om de maatschappij in mutualistische zin te veranderen.  Maar vanaf het prille begin trachtte een aantal politieke vluchtelingen, waaronder de autoritaire revolutionair Karl Marx, de Internationale te kanaliseren in de richting van de politieke aktie.  Ook volgens hem moest de Internationale een grote arbeidersorganisatie worden, want uit de ervaringen van de dagelijkse strijd en onder ideologisch leiderschap zou zij volgens hem revolutionaire perspectieven bieden.  In tegenstelling echter tot de mutualisten was volgens Marx het meest aangewezen middel een centralistische arbeiderspartij die er op gericht was om los van de burgerlijke partijen de politieke macht te grijpen.  Zoals gezegd probeerde hij van bij het ontstaan de Internationale in die richting te kneden.  Hij ondervond daarbij weinig hinder van de Engelse groepsgenoten, omdat die nauwelijks begaan waren met doctrinaire kwesties.  De Engelsen waren reeds een hele tijd syndicaal georganiseerd en het was hun in de eerste plaats om de dagelijkse strijd voor directe sociale veranderingen te doen.  Zij hadden niet echt revolutionaire aspiraties en zouden ten aanzien van Marx geen weerwerk leveren.  De Franse mutualisten daarentegen - anarchistisch als zij waren - keurden politieke aktie, centralisme en autoriteit af.  De staat diende volgens hen geliquideerd te worden en zeker niet zoals Marx beweerde als middel gebruikt te worden om de nieuwe maatschappij te vestigen. 
De deelnemende groepen hadden dus niet onmiddellijk gelijklopende betrachtingen.  De Internationale was daarom voorbestemd tot intriges, zeker op het niveau van de internationale organisatiestructuren.  Terwijl allen om ter luidst riepen dat de arbeiders zichzelf moesten emanciperen, gingen vooral centralisten en etatisten ‘van boven af’ manipulatiepogingen ondernemen om de ontluikende beweging voor hun kar te spannen.  De overgeleverde briefwisselingen uit die tijd laten hierover geen twijfel bestaan.

Toch was de Internationale een feit.  Statuten werden opgesteld en men installeerde te Londen een overkoepelende Algemene Raad.  De locatie Londen had voor Marx zo zijn voordelen.  Ten eerste woonde hij daar en verder wilde hij deze centrale raad ver van de Franse proudhonisten verwijderd houden en hem openstellen voor Duitse immigranten waarvan hij dacht dat zij zich meer in zijn ideeën konden terugvinden.  Nochtans was ook het Duitse socialisme erg verdeeld.  Een meerderheid van lasallianen, die wel voor de verovering van de staatsmacht waren maar dit zagen binnen de zogenaamde burgerlijke democratie, werden door Marx bewust genegeerd.  Hij onderhield intense contacten met meer revolutionaire staatssocialisten zoals een Wilhelm Liebknecht en een August Bebel.  Het ‘proletariaat’ moest volgens hen los van de bourgeoisstaat de politieke macht grijpen.  Zij moest de staat omverwerpen en haar eigen dictatuur installeren.  Vanuit die visie werden ondermeer door de burgerlijke overheid gefinancierde coöperaties afgewezen, waarin de Franse mutualisten hen overigens bijtraden.

Een van de eerste Belgen die met de internationalisten in Londen contact zocht was Léon Fontaine.  Op 31 januari 1865 las men op de Algemene Raad een brief van hem voor.  Hij noemde zich hierin de secretaris van de Belgische afdeling van de Internationale en elf dagen later trad de federatie officieel toe.  Fontaine was echter niet gewenst door Marx en hij zou de baan moeten ruimen.  Marx schreef hem op 15 april dat de Algemene Raad te Londen hemzelf als secretaris-correspondent  voor België had aangeduid.  Ook in eigen land was men over Fontaine niet erg tevreden.  Vooral de Brusselse militanten van Le Peuple voelden zich geroepen de touwtjes in handen te nemen. Op 28 augustus 1865 proclameerde hun krant, La Tribune du Peuple, dat een Belgische afdeling van het Internationaal Arbeidersverbond was opgericht en samen met aanhangers van La Liberté voerden zij een hevige propaganda in het Brusselse.  Men trachtte trouwens een nationale aanhang te verwerven.  Als theoretici en militanten van het eerste uur misten zij echter voeling met de ongeschoolde industriearbeiders.  Zo stonden zij huiverachtig tegenover de staking als actiemiddel, want  in hun ‘mutualistische’ ogen zou een partiële staking - als zij al vruchten afwierp - slechts tijdelijk het lot van enkelen verbeteren.  Men was er bijvoorbeeld van overtuigd dat een loonsverhoging automatisch zou leiden naar een verhoging van de prijzen.  De arbeider zou met andere woorden nog steeds aan de rand van de hongersnood vertoeven.  Het grote doel was evenwel de ontvoogding van een totale ‘klasse’.  Men had het over een nieuwe samenleving en die kon volgens hun inzichten slechts tot stand komen door het opzetten van coöperatieven die mettertijd de kapitalistische bedrijven overbodig zouden maken.  Het ging hen om een geweldloze, economische transformatie van de maatschappij en zij noemden dit de revolutie.
Op het einde van de jaren zestig had België af te rekenen met een economische crisis.  De neergaande conjunctuurbeweging viel er bovendien samen met de invoer van goedkope steenkool uit Duitsland.  De patroons wilden daarmee de productiekosten drukken.  De Belgische mijnindustriëlen zagen hierdoor hun afzet verminderen en gingen op hun beurt pogen het rendement van hun bedrijven te continueren en te verhogen.  De dupe was de arbeider.  Hij zag zijn loon verlaagd of werd gewoonweg ontslagen.  Honger en ellende was het lot van hem en zijn familie.  Ook de burgerij was geschokt.  Echter niet uit caritatieve overwegingen.  In de steenkoolbekkens braken spontaan geweldige stakingen uit en men zond het leger er op af.  Het vuur werd geopend en er vielen talrijke slachtoffers.

De Brusselse internationalisten hadden met deze stakingen niets te maken, maar zij openden wel hun ogen.  Zij waren getroffen door de grote solidariteit tussen de koolputters en de propagandistische waarde van massa-acties drong tot hen door.  Mee door de stijgende invloed van collectivistische ideeën gingen zij nu ijveren voor vaste arbeidersorganisaties met weerstandskassen.  En de staking, als natuurlijk wapen tegenover de macht van de patroon, vond door de dagelijkse praktijk ingang in hun gedachten.  Tegelijkertijd bleven zij verbonden met het mutualisme.  Het principe van de wederzijdse hulp en de gedachte om de maatschappij in te richten in communes, coöperatieven en mutualiteiten bleef behouden.
De Internationale kende van dan af in België een enorme verspreiding.  Enerzijds had het patronaat met een beschuldigende vinger naar de Brusselse sectie gewezen : zij was de onruststoker in het mijngebied. Anderzijds ontplooide de Internationale, eenmaal de incidenten plaats gevonden hadden, een ongeëvenaarde propaganda in de Henegouwse regionen.  Haar naam won aan prestige en in arbeiderskringen begon men haar als bondgenoot te aanvaarden.  In ieder geval ontstonden rond die tijd talrijke secties in het bekken van Charleroi, het Centrum en de Borinage. En in Luik was op eigen initiatief een plaatselijke afdeling opgericht. Hetzelfde gebeurde in Verviers.  Hier groeide de sectie uit tot een tweede stuwend centrum, dat een niet te onderschatten invloed op de Belgische arbeidersbeweging zou uitoefenen. In 1867 zag er onder leiding van Thiry de proudhonistische Les Franc Ouvriers het licht.  De secretaris was Pierre Fluche en verder behoorde onder andere Larondelle  tot de groep.  Men onderhield van in het begin goede contacten met Brussel en op het einde van het jaar gaf men de krant Le Mirabeau uit.  In juli 1869 waren in de streek reeds zoveel secties opgericht dat men overging tot de stichting van de Fédération de la Vallée de la Vesdre.  Snel evolueerde deze federatie in zeer radicale richting.  Illustratief is dat de gematigde Thiry reeds in 1869 uit de internationale werd gezet en ook Larondelle kreeg het met de overgrote meerderheid van revolutionairen aan de stok.  De anarchisten Pierre Bastin en Emille Piette werden de nieuwe voormannen en andere bekende leden waren de niet minder anarchistische Gérard Gerombou en Victor Dave.

In het Vlaamse land was de aanhang niet zo groot.  In Gent waren na een mislukte staking in 1862 de bestaande arbeidersorganisaties de dieperik ingegaan.  Enkel de wevers bleven nog ergens standhouden.  Begin 1865 scheurde hiervan nog de groep Vooruit en De Broederlijke Wevers af.  Het duurde tot eind 1868 eer de Internationale in Gent ietwat op gang begon te komen. In Antwerpen vlotte het iets beter.  Philip Coenen en Jacob Labaer werden er de bezielers van het op 18 maart 1867 opgerichte Volksverbond.  Zij vonden het bestaande Werkersverbond te braaf en kwamen met duidelijke arbeidseisen voor de dag.  Verder nam het Volksverbond - als radicalere groep dan de meetingpartij - de strijd op tegen de heersende militiewetten.  Aanvankelijk kende men de Internationale nog niet.  Men sloot pas aan in maart 1868 en in die dagen begon men ook De Werker uit te geven.  Spoedig werd dit blad het orgaan van de Vlaamse afdelingen van de Internationale. Tot de meest bekende leden van de Antwerpse afdeling behoorden naast Coenen en Labaer, Victor Buurmans, Jozef Bredenhorst, Louis Calluwaert en Frans Bochem.  In Brugge liet de Internationale van zich horen toen een zekere Van Berghe het blad Peper en Zout uitgaf.  Verder was de Internationale actief in Aalst, in Dendermonde, in Mechelen en wellicht nog op talrijke andere plaatsen.

6.2. De organisatorische structuren.
De afdelingen of secties werden doorgaans op geografische basis opgericht.  Zij fungeerden in theorie als een soort van commune en waren horizontaal georganiseerd : als individu kon men niet alleen via een beroepsvereniging maar ook rechtstreeks tot de afdeling toetreden.  De bedoeling was evenwel om van alle beroepsgroepen vertegenwoordigers te herbergen.  De coördinatie van de afdeling gebeurde door een gekozen comité.  Verder hoorden er pogingen ondernomen te worden om productie- en verbruikscoöperatieven op te richten.  In deze ‘bedrijven’ had de besluitvorming veeleer een verticaal karakter.
In Brussel zetelde de Algemene Raad van België.  In aanvang bestond hij vrijwel uitsluitend uit leden van de plaatselijke afdeling.  Men onderhield er contacten met medestanders in het buitenland en met de Algemene Raad te Londen. In eigen land was de raad -  ondanks de autonomie van de lokale afdelingen - een min of meer gezaghebbend, centraal, politiek bureau.  Maar er waaide een anti-autoritaire wind door de internationalistische rangen.  De macht van de Algemene Raad werd onder invloed van Waalse afdelingen sterk beknot.  Op het eerste nationaal congres, eind 1868, werd gesteld dat voortaan de leden van de raad door plaatselijke afgevaardigden op halfjaarlijkse congressen gekozen zouden worden. Verder mochten de afdelingen rechtstreeks met elkaar corresponderen, wat vroeger uitsluitend via de Algemene Raad te Brussel diende te gebeuren.  Het duidelijkste voorbeeld van de inperking van de centrale macht was de creatie van de federaties.  De afdelingen werden per regio ondergebracht in een Federale Raad die feitelijk de meeste taken van de Algemene Raad overnam.  Tegelijkertijd werd de plaatselijke autonomie bevestigd.  Zo ontstonden de federaties van het Bassin de Mons, van het Bassin de Charleroi, dat op zijn beurt in vier onderfederaties was opgedeeld, van het Bassin de Liège en was er de Fédération de la Vallée de la Vesdre.  De Brusselse sectie kreeg ook de naam federatie toebedeeld omdat zij uit een groot aantal beroepsverenigingen bestond.  In de Vlaamse steden zoals Gent en Antwerpen bleven onafhankelijke secties bestaan.
Al deze hervormingen kwamen natuurlijk ten goede aan de democratie in de besluitvorming - de macht lag bij de plaatselijke secties - maar anderzijds stimuleerden zij de ontwikkeling van lokale verschillen die van tel zouden zijn in latere aversies tussen revolutionairen en evolutionisten.  De decentralisatie werkte een coherente groei tegen.  Elke federatie, ja zelfs elke afdeling, ging als het ware haar eigen weg.

6.3. Mutualisten contra collectivisten.
Op het einde van de jaren zestig waren de meeste socialistische militanten in België overtuigde collectivisten.  César De Paepe is de grote promotor van dit collectivisme geweest, al sloot hij aanvankelijk nog aan bij de proudhonistische ideeën : de arbeiders moesten zich organiseren in vakorganisaties en rond stakingskassen, om daarna productieassociaties op te zetten die zich communaal met elkaar zouden verhouden en die met mutuaal krediet zouden worden gefinancierd.  Collectivisme duidde vooral op het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen en in die zin werd privébezit verworpen.  Deze opvattingen werden echter niet door iedereen in dank afgenomen.  Zo bleven Arnould, Denis, De Greef en Hins op het vlak van de eigendom consequente aanhangers van de oorspronkelijke leer.  In september 1868 op het internationaal congres  van Brussel verzetten Hins en Fontaine zich heftig tegen de collectivistische uitspraken van De Paepe en zij gingen in de boot met de Franse mutualisten.  De Paepe vond echter steun bij de anarchisten Coulon en Pellering, die toen reeds de anarcho-collectivistische standpunten van Bakoenin bijtraden.  Na het congres werd de redevoering van De Paepe openlijk in het sinds 1867 heruitgegeven blad La Liberté veroordeeld en het blad voerde een intense polemiek met de krant van de Belgische federatie van de Internationale : L’Internationale.  Een jaar later, ten tijde van het internationaal congres van Bazel was de tegenstand reeds sterk verminderd en Hins trad onder invloed van Bakoenin de collectivistische stellingen bij.  De anderen bleven nog tot een stuk in de jaren zeventig van zich afbijten.  De controverse rond de eigendomkwestie was echter voorbij en nieuwe, diepere onenigheden zouden aan de oppervlakte komen drijven.

6.4. De verspreiding in Europa.
Behalve in Londen en Frankrijk kreeg de Internationale spoedig aanhangers in de Latijns-Europese landen, met name in Zwitserland, Italië, Spanje en zoals gezegd ook in België. Op de centrale raad in Londen na waren zij allen overwegend het anarchisme toegenegen.

Zwitserland.
In Zwitserland waren aanvankelijk in Genève en in enkele andere centra actieve beroepsorganisaties aanwezig die uit hooggespecialiseerde arbeiders bestonden en die met de zienswijze van Marx sympatiseerden.  Weldra ontstonden echter in en rond de Jurastreek talrijke anarchistische verenigingen.  Zij waren erg succesvol en Frans-Zwitserland zou mettertijd uitgroeien tot de bakermat van het ‘bakoenisme’.  Vanaf 1866 waren deze anarchisten vertegenwoordigd op de internationale congressen en hun bekendste militant was de historiograaf van de Internationale James Guillaume.

Italië.
In Italië waren sinds de postume uitgave van de essays van Carlo Pisacane, die tijdens de resigormento was gesneuveld en als nationale held werd vereerd, de inzichten van Proudhon enigszins gekend.  Van een arbeidersbeweging was evenwel geen sprake.  Progressieve Italianen - de volgelingen van Garibaldi en Mazzini - waren daar nauwelijks in geïnteresseerd en hoorden eerder thuis in radicaal-burgerlijke milieus.  Vanaf 1864, toen Michael Bakoenin zich in Italië vestigde, kwam hierin langzaam verandering.  Zijn ideeën kenden een vlotte verspreiding en verscheidene arbeidersorganisaties zagen het licht.  Toch moest men wachten tot 1871 vooraleer men kon spreken van een hechte nationale federatie.  Italiaanse invloeden zijn daarom voor de ontstaansgeschiedenis van de Internationale in Europa van marginale betekenis geweest.  Anderzijds waren zij van uitzonderlijk belang voor de evolutie van het anarchisme.

Spanje.
In Spanje, een land dat een tamelijk apart historisch verloop gekend had, waren de vakorganisaties sinds 1839 wettelijk aanvaard en was er reeds lang sprake van lokale arbeidersverenigingen.  Geregeld hadden er zich plaatselijke volksopstanden en boerenrevoltes voorgedaan, bijvoorbeeld in 1854 een landelijke algemene opstand, in 1855 een algemene staking in Barcelona en Catalonië, in 1861 opstanden onder de Andaloesische landarbeiders, in 1866 een serieuze oproer in Madrid en in 1867 een golf van boerengeweld in Catalonië, Aragon en Valencia.  Vanaf het einde van de jaren vijftig hadden de werken van Proudhon een zekere bekendheid verworven als gevolg van de vertalingen van de federalist Pi Y Margall.  Een Spaanse afdeling van de Internationale kwam echter pas in 1870 tot stand.  Dit vooral onder impuls van Bakoenin die eind 1868 samen met Elie Reclus en twee medestanders uit Marseille een propagandacampagne op touw zette.  De Spanjaarden, vertrouwd als zij waren met het proudhonisme, gaven hen veel krediet en de trip werd een groot succes.  Vooral zijn discipel Giuseppe Fanelli, die in oktober 1868 te Barcelona arriveerde, wist velen naar de stellingen van Bakoenin over te halen.  Van dan af kende de Internationale in Spanje een uiterst snelle groei.  Begin 1870 waren er reeds twintigduizend leden.  En op de internationale congressen zouden haar vertegenwoordigers zich als trouwe aanhangers van Bakoenin manifesteren.

6. 5. Afrekening met het mutualisme.

In Frankrijk.
De bekende tegenstellingen tussen anarchisme en etatisme en tussen federalisme en centralisme die in 1872 voor een breuk in de Internationale zouden zorgen, waren aanvankelijk nog niet zo van tel.  Voor het grote schisma plaatsvond werd eerst afgerekend met de mutualisten, die de privé-eigendom als garantie voor de individuele vrijheid in hun vaandel droegen.  Schijnbaar werd deze strijd uitgevochten op de internationale congressen, maar in feite moesten de mutualisten de baan ruimen als gevolg van een interne oppositie.  In Franse anarchistische kringen zelf kwamen stemmen op voor de collectivisatie van de bodem.  Sinds Napoleon III in 1864 het recht op vakverenigingen had toegestaan, was in Frankrijk onder stuwing van de latere communard Eugène Varlin en van Benoit Malon een van de Internationale onafhankelijke beweging ontstaan.  Zij leunde sterk aan bij de Franse mutualisten, maar door de syndicale praxis werden haar militanten promotors van de staking als actie- en organisatiemiddel en in het internationaal dispuut omtrent de collectieve eigendom kozen zij partij tegen de mutualisten.  Tegelijkertijd weigerden zij iedere samenwerking met burgerlijke radicalen en intellectuelen en zij zetten zich eveneens af tegen Marx en diens eis van politieke organisatie.  Zij waren syndicalist en federalist en voelden zich verbonden met de anarchistische principes.  De mutualisten lieten het initiatief over aan deze nieuwe militanten en Varlin werd het nieuwe boegbeeld van de Franse Internationale.  Met hem deed het anti-etatistisch collectivisme zijn intrede op de internationale congressen.

Internationaal.
Internationaal werd de strijd tussen mutualisten en collectivisten beslecht op de algemene congressen van 1866, 1867, 1868 en 1869 die respectievelijk doorgingen in Genève, Lausanne, Brussel en Bazel.  De Engelsen hielden zich tijdens de discussies op de vlakte.  Zij wezen de mutualistische coöperaties niet af, maar waren anderzijds ook te vinden voor de socialisatie van de bodem.  De Engelsen waren pragmatisch ingesteld en vooral betrokken op de eigen binnenlandse situatie.  Van hun kant was er weinig tendensvorming te bespeuren.
In Genève werden de debatten nog gedomineerd door de mutualisten.  Zij wisten hun standpunten echter niet in vaste besluiten te gieten.  Verder werd op dit congres de noodzaak van vakorganisaties en stakingen benadrukt.
Een jaar later, te Lausanne, werd dit laatste opnieuw beklemtoond.  Maar ook hier nam de Internationale in haar besluiten onduidelijke standpunten in.  Zo werd het federale principe algemeen aanvaard en het opzetten van coöperatieven aangemoedigd.  Maar omtrent de financiering van deze coöperatieven en rond de organisatie van de volksopvoeding - twee punten waar de meningen van de federalisten en de etatisten sterk uiteen liepen - bleef men zeer vaag.  Duidelijk was dat de deuren werden opengelaten voor alle strekkingen.  De mutualisten waren op dit congres nog in de meerderheid.  Individueel bezit van land was hen heilig.  Zij aanvaardden enkel het collectief bezit van de transport- en ruilmiddelen.  Het amendement van Cesar De Paepe om ook de bodem collectief te stellen, werd afgewezen.  Maar het congres schonk ook hier geen klare wijn.  Een eventuele resolutie over de individuele eigendom werd niet ter stemming gebracht en de gestemde algemene besluiten waren voor interpretatie vatbaar.
Dan kwam het congres van Brussel.  Het was een keerpunt.  De Belgen waren hier in de meerderheid en De Paepe had in eigen rangen de discussie over de collectivisatie van de bodem reeds succesvol gevoerd.  Bovendien werd hij gesteund door zowel de Franse syndicalisten en andere anarcho-collectivisten als door de centralisten.  Het congres aanvaardde met een duidelijke meerderheid de collectieve eigendom van bodem, infrastructuur en ondergrond.  Ook nu weer werd aan de verschilpunten tussen federalisten en centralisten weinig getild.  Het collectief bezit werd aan de arbeiders voorbestemd en hoe het zou beheerd worden liet men voorlopig in het midden.  Globaal handhaafde men het federatieve principe (van de meerderheid).  Dit betekende ondermeer dat via coöperaties en mutuaal krediet de socialisatie van de productiemiddelen zou plaatsvinden.  De coöperatieven zouden lokaal verenigd zijn in autonome gemeenten (communes) die tevens de collectieve infrastructuur zouden beheren.  De federalisten wilden dat de samenleving in die richting zou evolueren en zij achtten hierover verdere studie noodzakelijk.  Eventuele staatseigendom werd door een grote meerderheid als reactionair van de hand gewezen.  Maar - en dat is zo typerend - dit werd weer niet in besluiten gegoten.  Wij kunnen samenvatten dat de Internationale op het congres van Brussel overwegend op het standpunt van de decentralisatie stond, maar door besluiteloosheid bleef de deur op een kier voor toekomstige etatistische oplossingen.  Ook de syndicalisten kregen op dit congres meer armslag.  Er was een consensus in verband met het aktiemiddel staking, echter niet zozeer als middel om de arbeiders te emanciperen, maar wel als middel om hen te organiseren.
De grote verliezers waren de mutualisten.  Maar zij lieten zich niet zonder meer afschepen.  Tolain bracht in 1869 tijdens het congres van Bazel de eigendomskwestie terug ter discussie.  De tijd van de mutualisten was echter voorbij.  Met grote meerderheid werd het collectivisme bevestigd.  Met Bazel komen wij evenwel in een nieuw stadium van de geschiedenis van de Internationale.  De tegenstelling federalisme-centralisme kwam hier voor het eerst op de voorgrond.  Zij spitste zich toe op het beheer van de collectieve eigendom.  Een meerderheid stond achter het federalistisch standpunt, maar onder leiding van Eccarius, een discipel van Marx, werd het staatsbeheer als een mogelijkheid naar voor geschoven.  Meteen wierp ook de anarchist Bakoenin, die sinds 1868 officieel lid was van de Internationale, zijn gewicht in de schaal.  In zijn pleidooi voor de afschaffing van het erfrecht voerde hij een rechtstreekse aanval op elke vorm van staatsmacht.  Op de volgende congressen zou het pleit beslecht worden.

In België : revolutionaire opposanten.
Volgens historica Daisy Devreese bestonden er in België twee opvattingen over het socialisme.  Langs de ene kant had men hen die langzaam aan een nieuwe economische orde wilde werken.  Zoals gezegd moest men volgens hen een eigen economische organisatie uitbouwen die dan de burgerlijke zou wegdrukken.  Zij waren tegen het gebruik van geweld en zouden mettertijd meer en meer politieke actiemiddelen gaan aanwenden om hun doel te bereiken.  Tijdens de jaren 1869-1870 betekende dit concreet dat men ging ijveren voor een arbeidersparlement.  Men wilde in de geest van het proudhonisme naast de bestaande burgerlijke politieke instellingen een eigen politieke organisatie uitbouwen met verkozenen, een parlement en alles er op en er aan.  Waarschijnlijk verliet men de vroegere eis van algemeen stemrecht onder anarchistische druk. En men wilde ook de arbeiders behoeden voor de ‘morele en intellectuele corrupties uit de decadente bourgeois-milieu’s.  Later, in minder libertaire tijden, zouden dezelfde socialisten gaan ijveren voor een eigen arbeiderspartij die eens de meerderheidspartij geworden, de staatsmacht in handen zou nemen.  Dan zijn we reeds een flink stuk in de jaren zeventig en worden de eerste duidelijke tekens van het ‘reformisme in wording’ merkbaar.
Anderzijds had men de revolutionairen.  Hun bedoeling was de sociale liquidatie in één keer door te voeren.  Het gebruik van geweld was hierbij een onafwendbare noodzaak.  De strijd voor directe belangen was voor hen onbelangrijk.  Enkel de organisatie naar het grote doel toe telde.  De staat moest worden afgeschaft en de maatschappij zou worden georganiseerd in autonome communes en produktiecoöperatieven.  Beide stromingen waren het dus grotendeels eens over de inrichting van de toekomstige samenleving - een op Proudhon geïnspireerd mutualisme en later collectivisme - maar de wegen om daartoe te komen liepen uiteen.
In België was het revolutionair centrum bij uitstek Verviers. De Internationale tendeerde hier uitgesproken naar de anarchistische stellingen.  De libertaire invloeden waren ten andere in heel Wallonië voelbaar.  In Brussel bleef de radikale Cercle Populaire tot ver in de jaren zeventig een niet te verwaarlozen propaganda voeren.  Zij stelde zich tegenover de plaatselijke afdeling van de Internationale, die door de mannen van Le Peuple werd gedomineerd.

Binnen de  Internationale zelf kwamen de tegenstellingen ook tot uiting.  Toen men op het nationaal congres van 25 december 1868 de Tribune du Peuple wilde doen opgaan in L’Internationale werd deze gelegenheid door een vijftal militanten waaronder Esselens en Delesalle aangegrepen om vanaf 14 februari 1869 La Nouvelle Tribune du Peuple uit te geven.  Het blad werd gedrukt op de pers van de vroegere Le Prolétaire en haar motto luidde : “Nous maintiendrons”.  Zij sprak zich uit tegen kleine acties die geen blijvende voordelen opbrachten en de strijdlust afstompten.  Verder waren deze radicalen tegen verbruikscoöperatieven, mutualiteiten en spaarkassen en voorstander van een collectivisme à la Bakoenin.  Alles moest op de nakende sociale omwenteling gericht zijn. De vijf leden werden uit de Internationale gestoten, waarna zij samen met de anarchisten van de Cercle Populaire een nieuwe revolutionaire groep lieten geboren worden.  Deze Branche Révolutionnaire was eigenlijk de politieke dubbelganger van de vrijdenkersclub L’Affranchissement.  Op voorstel van Prosper Esselens noemde de kring zich Section des Affranchis, en de leden werden ook wel Les Affranchis genoemd. Leden waren naast Esselens ondermeer Jan Pellering, Spehl, Grégoire en Hubert Delsaute. Zij ondernamen pogingen om een nieuwe sectie buiten de Brusselse federatie op te richten.  Om het vereiste minimum aantal leden van vijfhonderd te bekomen zochten zij contact met Gent, Antwerpen en in Wallonië.  Het nationaal congres van 16 mei 1869 besliste echter dat voor hen buiten de Brusselse federatie geen plaats was.
Maar de Affranchis legden het bijltje er niet bij neer. Volgens Julien Kuypers vonden zij aanhang bij de Fédération boraine van Charles Coudroy en de eveneens opstandige sectie Les Affranchis de Jumet.  Jean Puissant betwijfelt dit wat betreft de aanhang in de Borinagestreek.  Dit is voor hem onwaarschijnlijk omdat Coudroy geen ideologische gelijkenissen had met Les Affranchis. Coudroy leefde op gespannen voet met de Algemene Raad in Brussel, maar dit betekende niet noodzakelijk dat hij op dezelfde hoogte zat als Les Affranchis.  Coudroy was de hoofdagent van de Fédération boraine, die op 1 december 1868 was opgericht en minstens vijf lokale afdelingen omvatte, en in die hoedanigheid was hij aanwezig op haast alle meetings die in de mijnstreek werden gehouden.  Reeds in december kwam de federatie in botsing met de Algemene Raad.  Coudroy wou niet weten van een weerstandskas en wilde alleen een coöperatie uit de grond stampen.  Een tweede geschilpunt dat tot rechtstreeks gevolg de afscheiding van de federatie had, was het feit dat op de algemene vergadering van de Fédération boraine, van januari 1869 te Pâturages, werd beslist om de secretaris-generaal van de federatie - lees Coudroy - en de secretarissen van de secties een loon toe te kennen.  Hiermee konden de aanwezige afgevaardigden van de Algemene Raad te Brussel nooit akkoord gaan.  De hele bedoening ontaarde in een rel en de Brusselse delegees Hins en Brismée werden de deur gewezen.  De Algemene Raad richtte hierop met trouw gebleven militanten uit Cuesmes, Ghlin en Jemappes een nieuwe Fédération du Borinage op.  Terwijl Frameries zich in de hele kwestie neutraal hield en zich in maart 1869 onafhankelijk verklaarde, kon Coudroy zijn invloed vooral doen gelden in Pâturages, Quaregnon, Wasmes, Wasmuël en Eugies.  Maar zijn federatie was geen lang leven beschoren.  In de loop van 1869 verdween zij wegens vervolgingen na een staking in april. Tot zover de affaire Coudroy.  Wat hier belangrijk is, is dat men over eventuele contacten tussen de dissidenten in Brussel en de Borinage het raden heeft.  Tot zover kunnen wij het standpunt van Puissant bijtreden.  Maar wij volgen hem niet in zijn analyse.  Het ontbreken van ideologische gelijkenissen staan louter formele contacten niet in de weg.  Men mag niet vergeten dat het de Brusselaars in de eerste plaats te doen was oppositie te vormen tegen de gematigden in eigen stad.  Bovendien kende Delesalle Coudroy nog van vroeger, toen hij zelf in de Borinage actief was geweest, en samen met Pellering en Esselens ging hij geregeld in de mijnstreek meetings houden.  Er moeten dus wel contacten geweest zijn.

Wat er ook van zij, in Brussel kwam een nieuwe opstandige sectie van de grond en zij stelde eigen statuten en reglementen op.  De Algemene Raad reageerde door haar op 14 juni 1869 uit de Belgische federatie te sluiten.  De revolutionairen deden dan een beroep op de arbitrage van de Londense Algemene Raad en hun afdeling ging ongestoord haar eigen weg.  Zij trad op als een sterk anarchistische drukkingsgroep en spaarde geen kritiek op de gematigde Brusselse sectie.  Dit blijkt bijvoorbeeld uit een vlugschrift dat op 18 juli 1869 in La Nouvelle Tribune du Peuple werd afgedrukt en waarin de ‘andere’ afdeling werd verweten niet revolutionair, niet republikeins en autoritair te zijn.  Het vlugschrift was ondertekend : « pour la section les Affranchis, les membres du comité : L. Herman, J. Pellering, Brahy, Pellering père, Delsaute H., Delesalle, Eberhard H., Donnay J., Pirenne C. »

6.6. De Internationale valt uiteen.
In de literatuur worden traditioneel de groeiende tegenstellingen tussen federalisten en centralisten, tussen autoritairen en anti-autoritairen, tussen abstinentionisten en zij die een keuze maakten voor politieke aktie, als belangrijkste reden voor de breuk in de Internationale aangegeven.  Nochtans staat deze breuk evenzeer in verband met de nationale eigenheid van de verschillende Europese bewegingen, zowel op ideologische vlak als met betrekking tot de strategiekeuze.   Met andere woorden, de specifieke nationale en regionale omstandigheden waren meestal bepalend voor de keuze die men maakte in de strijd die internationaal werd uitgevochten tussen Marx en Bakoenin.

6.6.1. De arbeidersbeweging in Europa.
De Britten hielden zich in het dispuut zoals steeds eerder afzijdig.  Hun aandacht en energie werden opgeslokt door eigen, particuliere problemen.  Een revolutie in eigen land was in ieder geval taboe, al konden zij begrip opbrengen indien dergelijke omwentelingen zouden plaatsvinden in continentale landen waar autokratische regimes gevestigd waren.  In hun streven naar erkenning van de Trade Unions zouden zij de Internationale zelfs verlaten.
Duistland was in de ban van Bismarck die voor zichzelf en de Pruisische monarchie de verwezenlijking van een groot Duits keizerrijk vooropstelde en bewust streefde naar een confrontatie met Frankrijk, wat uitmondde in de gekende Frans-Duitse oorlog.  Dat zo een oorlog een hevige nationalistische reflex bij het volk teweeg bracht, heeft waarschijnlijk geen verduidelijking nodig.  Meteen bleek ook hoe weinig internationalistisch de Duitse socialistische leiders dachten.  De lasallianen stemden in de reichstag voor de oorlogskredieten en zelfs Bebel en Liebknecht hielden het bij een onthouding.  De lasallianen waren sinds 1863 in het Algemeiner Deutscher Arbeiterverein verenigd en een eerder marxistische strekking had sinds 1869 de Sozialdemokratische Arbeiterpartei opgericht.  Beiden kwamen reeds lang op voor een nationale strategie van politieke actie en organisatie.  Deze strategie kreeg een extra stimulans toen met de oprichting van het Duitse keizerrijk ook het algemeen stemrecht voor mannen, voor de verkiezing van afgevaardigden in de Reichstag, werd ingevoerd.  Niet dat Bismarck het goed voor had met democratie en socialisme - de macht van de Reichstag stelde immers niet veel voor - maar de weg werd vrij gemaakt voor partijen met een massa-aanhang.  Ook voor de sociaal-democratische.  Op die massa moesten de Duitse socialisten nog wachten tot een stuk na 1875 toen beide nationale strekkingen tijdens het congres van Gotha versmolten in de Sozialistische Arbeiterpartij Deutschlands.  Van de Internationale was bij hen toen al lang geen sprake meer.
In Frankrijk lagen de kaarten anders.  Hier had het volk - althans in Parijs, Marseille en Lyon - zich bereid getoond om tot een opstand over te gaan.  Maar die mislukte.  De repressie die op de Commune van Parijs volgde deed de Internationale in Frankrijk nagenoeg volledig verdwijnen.  Tenslotte zou door een wet van 1872 de Internationale en “alle propaganda die gericht was op het veranderen van de maatschappij” worden verboden. Onder dit laatste werden ook stakingen gerekend.  De Franse internationalisten zouden daarom weinig van tel zijn in de discussies en tendensvorming die de breuk in de Internationale met zich mee bracht.  Wie niet gesneuveld, terechtgesteld, gevangen gezet of gedeporteerd was, vervoegde als politiek vluchteling de rangen van geestesgenoten in het buitenland.  De blanquisten trof je vooral in Londen aan en al wat libertair was zette zijn schreden naar Zwitserland.  Ook in Brussel vond menig revolutionair een onderkomen, maar de verscheidene politieke strekkingen manifesteerden er zich niet zo duidelijk.

Italië en Spanje kenden een eigen ontwikkeling in anarchistische zin.  Of alleszins toch in federalistische en met veel sympatie voor Bakoenin en de Zwitserse opponenten van de Algemene Raad van de Internationale te Londen.  In Italië vergrootte de aanhang van de internationalisten zich gedeeltelijk ten koste van de mazinnianen.  Ondertussen had de invloedrijke Carlo Cafiero aan Engels laten weten dat hij bedankte voor het autoritaire socialisme en definitief overstapte naar de bakoenistische strekking.  Samen met de anarchist Andrea Costa werd hij het boegbeeld van de Italiaanse federatie van de Internationale die kort voor het congres van Den Haag werd opgericht.  Op het stichtingscongres te Rimini sprak men zich uit voor een complete autonomie van elke ‘nationale’ beweging en de Algemene Raad te Londen werd bestempeld als een ‘autoritaire en centralistische ontsporing’.  De Italianen kozen daarom in de controverse tussen Marx en de federalisten duidelijk de zijde van de Jurafederatie en de bakoenistische sectie van Genève, waarmee hun correspondentiebureau overigens een vriendelijke relatie onderhield.  In de gegeven omstandigheden weigerden zij nog afgevaardigden te sturen naar om het even welk congres en zeker naar dat van Den Haag.  Men mag evenwel niet denken dat het de Internationale in Italië voor de wind ging.  De verdrukking van progressieve sociale bewegingen was er al van oudsher min of meer een gegevenheid waar men rekening moest mee houden, en na de Commune van Parijs werd die repressie zoals in de meeste landen nog verscherpt.  Op veel plaatsen was de Internationale verplicht ondergronds te opereren, wat de propaganda zeker niet ten goede kwam.  Het is geen toeval dat men juist in deze situatie ging denken aan andere propagandamogelijkheden en actiemiddelen : hier zou enkele jaren later de ‘propaganda door de daad’ geboren worden.
De Spaanse federatie zond wel delegees naar de internationale bijeenkomsten, al stonden zij grotendeels op dezelfde standpunten als de Italianen.  De ervaringen die men had opgedaan na de geweldloze republikeinse opstand van 1868 waren niet van die aard om veel te verwachten van een politieke samenwerking met diezelfde republikeinen.  Op het federaal congres van 1870 te Barcelona werd politieke actie publiek afgewezen.  Ook de coöperatieven moesten het ontgelden.  De Spanjaarden waren voor een sterke syndicale organisatie die voor alles op de grote sociale revolutie moest georiënteerd zijn.  De uitbouw hiervan lukte hen vrij goed.  Zij waren anno 1871 de enige nationale federatie van de Internationale die met recht kon spreken van een massa-aanhang.  In Spanje werd de Parijse Commune echter eveneens aangewend om een sterke vervolging van de arbeidersverenigingen door te voeren.  Dit was niet onbelangrijk voor de verdere evolutie van de beweging, die in de illegaliteit trad en zich geheim moest organiseren.  Zij verloor veel leden, maar - en dat kan genoteerd worden voor later - sociaal-democratische concurrenten maakten in die toestand van repressie nog minder kans.  Denken wij maar aan de mislukking van Paul Lafargue om een band met de progressieve vleugel van de republikeinen te smeden.  De repressie was voor een grote meerderheid van de Spaanse secties van de Internationale een bevestiging van hun afwijzen van politieke allianties en mettertijd werden zij voor het anarchisme gewonnen.  Zij organiseerden zich op syndicale basis, concentreerden zich op centraal gecoördineerde stakingen en begonnen zich voor te bereiden op een revolutionaire opstand.  In 1873 zou dit enkele lokale insurrecties tot gevolg hebben.

Terwijl de internationalisten in de meeste landen, waaronder ook België, alle tijd en energie in de uitbouw van de plaatselijke beweging staken en met betrekking tot internationale problemen zich meestal beperkten tot het leveren van wat commentaar, voelde Franssprekend Zwitserland zich geroepen om internationaal de anarchistische stellingen te verspreiden.  Ook hier had dit veel te maken met de situatie in de eigen regio, waar de hogervermelde tegenstellingen sterk aanwezig waren.  Dit werd overduidelijk toen op 16 augustus 1869 het centraal comité van de secties van Genève weigerde de bakoenistische sectie als lid van de Internationale te erkennen en zelfs het been stijf hield toen de anarchistische kring principieel aanvaard werd door de haar toch vijandig gezinde Algemene Raad van Londen.  Op 4 april 1870 werd de anarchistische afdeling op het regionaal congres van La Chaux-de-Fonds met meerderheid aanvaard, maar de marxistische oppositie ging niet akkoord en trok zich terug.  Een scheiding voltrok zich en beide strekkingen deden beroep op de Algemene Raad te Londen. Al vlug bleek dat die Algemene Raad niet zo integer was als de federalisten verwacht hadden.  De raad negeerde bewust de beslissingen van de meerderheid van het regionaal congres, gaf haar centralistische medestanders te Genève het recht zich Comité fédéral romand te noemen en spoorde de meerderheid aan hier bij aan te sluiten.  Het geschil liep na de Conferentie van Londen uit op het ontstaan van een aparte anarchistische Jurafederatie binnen de Zwitserse Internationale.  Uiteraard was zij de Algemene Raad alles behalve toegenegen en met een wakend oog sloeg zij voortaan de Londense capriolen gade.  En dat was nog lang niet alles.  De Zwitserse anarchisten brachten de plaatselijke discussies over de nationale grenzen en verspreidden  ze in een mum van tijd over het Europese continent.  Zo vonden onder stuwing van de militanten van de Jura via haast ongekende kanalen de anarchistische principes een bestemming in België, Nederland, Parijs en Londen, en de libertaire sectie van Genève deed hetzelfde in Spanje, Italië en Zuid-Frankrijk.

6.6.2. De splitsing.

Achtergronden.
De Frans-Duitse oorlog deed het internationalisme van de Europese socialisten geen goed.  Congressen konden niet doorgaan en werden uitgesteld, nationale belangen kwamen op het voorplan en van de grote ‘pluralistische eenheid’ van weleer was in de praktijk nog amper iets te zien.  Toen daarbij de mislukking van de Commune van Parijs alle hoop op een spoedige sociale omwenteling deed vervliegen, heerste teleurstelling alom.  Dat gevoel werd nog aangewakkerd door het teruglopen van de arbeidersbeweging zelf.  Met de jaren zeventig brak een laagconjunkturele economische periode aan en wat er aan organisatie bestond bloedde snel dood in een reeks van mislukte stakingen.  De overheid liet zich bij deze ontwikkeling niet onbetuigd.  In de meeste landen trad zij openlijk in het offensief tegen de internationalisten en hun verenigingen.
In die situatie diende de ideologische strijd in de Internationale zich aan.  Zij was geen rechtstreeks gevolg van de economische crisis, maar was reeds lang latent aanwezig.  Nu trad zij op de voorgrond. De anarchisten waren binnen de Internationale in de meerderheid en in de minder geïndustrialiseerde zuiderse landen vergrootte hun aanhang nog.  Nochtans mag de omvang van de anarchistische beweging niet overroepen worden.  Het anarchistisch ideeëngoed, hoe mooi het door intellectuelen ook bevonden werd, bleek voor de arbeidersmassa slechts weinig te betekenen.  De arbeider begreep van al die hoogdravende woorden niet veel.  Hem was een sober lot beschoren en hij was hoogstens bereid zich te organiseren in het kader van een strijd voor directe sociale veranderingen.  De talrijke spontane stakingen van die dagen moeten vanuit dezelfde armoede, uitzichtloosheid en drang naar een beter leven worden begrepen.  Het anarchisme werd beleden door een kleine min of meer bewuste minderheid.  Na de mislukking van de Commune van Parijs zag ook zij een onmiddellijke Europese revolutie niet meer zitten.  Desondanks moest volgens hen elke mogelijkheid tot revolutionaire actie uitgebuit worden : “Elke opstand was een deel in het proces van revolutionaire opvoeding van de massa’s en een eerste stap in de richting van de opheffing van de bestaande sociale structuren.” Het marxisme was in die tijd nog minder bekend.  Met betrekking tot de Internationale kan men trouwens beter van autoritair-socialisten of centralisten spreken.  Het merendeel van deze autoritairen was niet duidelijk te situeren en je had slechts enkele ‘echte’ marxisten.  Herkenbaar waren anderzijds wel de blanquisten en vooral de Duitse sociaal-democraten.  Deze laatsten hadden de tijd mee.  Op termijn zou de sociaal-democratie immers een uitweg brengen in de chaos die in de jaren zeventig in socialistisch Europa was teweeg gebracht.  Zij ontstond onder impuls van gekende militanten uit de syndicale arbeidersverenigingen die na het failliet van de Internationale naar andere middelen op zoek waren.  Zij speelde in op directe verzuchtingen van de verpauperde bevolking en wist haar tegelijk een organisatie- en actiestrategie aan te bieden.  De strijd tussen Marx en Bakoenin moet in dit licht gezien worden.  Zij was van historisch belang omdat zij het einde van de Internationale inluidde en daarmee de deur opende voor nationale sociaal-democratische bewegingen die spoedig naar voor zouden treden als echte centralistische parlementair-politieke arbeiderspartijen.  Het voorbeeld van het Duitse socialisme werkte daarbij aanstekelig en zou in de toekomst een enorme invloed op het Europees socialisme uitoefenen.  Dat het dichter bij de ideeën van Marx dan bij het anarchisme stond, leidt geen twijfel.  Ook al bleef van het oorspronkelijk marxisme niet veel meer over : revolutie ruimde baan voor evolutie !

De feiten.
Na het congres van Bazel, in 1869, moest men twee jaar wachten op een nieuw internationaal treffen.  Het zou de geschiedenis ingaan als de Conferentie van Londen en valt volledig te situeren in de pogingen van de Algemene Raad van Londen om met de libertaire stromingen af te rekenen. Van alle aanwezigen waren de zes Belgen de enige echte vertegenwoordigers. De anderen waren hoofdzakelijk door de Algemene Raad aangeduid en die had er goed op gelet opposanten te weren.  Onder andere de autoritaire blanquisten werden binnengehaald. Blanquisten waren na de val van de Commune in groten getale naar Londen gevlucht.  Marx begreep onmiddellijk dat zij bruikbaar waren om in de Internationale zijn politieke standpunten te ondersteunen.  Hij wist met hen een alliantie te vormen, althans met enkele belangrijke personen waaronder Vaillant, Constant Martin en Regnard. Na 18 maart 1871 waren naar Londen gevluchte blanquisten er van overtuigd dat de Internationale nuttig kon zijn voor de verovering van de politieke macht.  De Internationale was voor hen van dan af de « indissoluble unité de l’action révolutionnaire du prolétariat ». Zij moest volgens hen op twee vlakken georganiseerd zijn.  Met het oog op een economische revolte moest zij de arbeiders in grote corporaties onderbrengen en denkende aan een politieke diktatuur moest de macht gecentraliseerd worden in handen van de avant-garde van het proletariaat.  De getrouwen zouden dan op het vastgestelde moment tot de insurrectie overgaan, en het georganiseerde volk zou de oproep volgen.  Marx had de blanquisten nodig om de federalisten dwars te zitten, maar hij vertrouwde ze niet al te veel.  Het deed denken aan “wolven in een schapenhok binnenhalen”.  Daarom zorgde hij er voor dat zij van de werkelijke macht in de Algemene Raad verstoken bleven.  Nog voor het congres van Den Haag (1872) zagen de blanquisten in dat het een illusie was te geloven dat hun ideeën via de Internationale konden verwezenlijkt worden.  De organisatie bleek niet echt revolutionair.  In hun ogen was zij dat enkel in woorden en schijn.  Weldra hielden zij de zaak voor bekeken en uiteindelijk trokken zij zich terug.  Op de Conferentie van Londen waren zij echter nog beste maatjes van Marx.  Vaillant nam tenslotte het initiatief om met een resolutie voor de dag te komen die de noodzakelijkheid van het vormen van een onafhankelijke politieke partij inhield. De resolutie werd na een kleine aanpassing gestemd.  Dat was voor de autoritair-socialisten echter nog niet genoeg : alle decentralistische voorstellen werden verworpen, de Alliantie van Bakoenin werd verboden en men haalde flink uit naar de Zwitserse opposanten van de Jura.

De federalisten die op de conferentie niet waren vertegenwoordigd, reageerden onmiddellijk op de genomen besluiten.  De federatie van Chaux-de-Fonds riep voor 12 november een regionaal congres samen te Sonvillier.  Acht secties waren er aanwezig.  Dit congres was determinerend voor de verdere gang van zaken in de Internationale.  Het was een ware opstand.  Men liet een onafhankelijke Fédération Jurasienne geboren worden.  Vervolgens werd een circulaire opgesteld die een oproep was tot rebellie tegen de autoriteit van de Algemene Raad te Londen.  Zij beschuldigde de Raad dat hij de Internationale wilde omvormen tot een hiërarchische en autoritaire organisatie en leverde kritiek op de beslissing van de conferentie om de verovering van de politieke macht centraal te stellen.  De Algemene Raad mocht volgens hen niet raken aan de autonomie van de afdelingen en moest zich beperken tot wat zij een bureau voor correspondentie en statistiek noemden. De circulaire van Sonvillier werd verstuurd naar alle federaties van de Internationale en deed heel wat stof opwaaien.  Dezelfde standpunten werden verspreid door de periodiek Bulletin de la Fédération Jurasienne.  Ook hier moest de Algemene Raad het ontgelden, zeker toen bekend werd dat het vijfde congres van de Internationale in Den Haag zou doorgaan. Op dit congres wilde Marx en zijn discipelen eens en voor altijd met de ‘bakoenisten’ afrekenen.  Of wilden zij - bewust van hun tanende invloed - de Internationale liquideren ?  Liever dat, dan dat ze in handen van de anarchisten kwam ?!  Wat er ook van zij, ook van anarchistische zijde betoonde men geen grote verdraagzaamheid meer.  Op 18 augustus 1872 hielden de Zwitsers een buitengewoon congres en stelden er Adhémar Schwitzguébel en James Guillaume aan als délégués voor Den Haag.  Zij waren gebonden door een imperatief mandaat dat afschaffing van de Algemene Raad en uitroeiing van elke autoriteit in de Internationale omvatte.  Indien hun voorstellen zouden worden geweigerd, moesten de beide afgevaardigden zich terugtrekken.
De breuk leek dus voor beide strekkingen onvermijdelijk en werd zelfs door velen gewenst.  Anderen hielden vast aan de federale autonomie als garantie voor een zeker pluralisme.  Maar de tijd van organisatorische eenheid was voorbij.  De verschillende stromingen bleken niet verenigbaar, juist omdat zij qua ideeën over organisatie zo tegengesteld waren.  In Den Haag werd de macht van de Algemene Raad vergroot.  Dat was het grote discussiepunt.  Al waren de tegenstellingen tussen de abstinentionistische anarchisten en zij die kozen voor politieke aktie evenzeer aanwezig.  Bakoenin en Guillaume werden uit de Internationale gesloten.  Er was geen weg terug meer...  In de minderheidsverklaring van Den Haag drukte men nog op de samenhorigheid, maar in de praktijk viel de Internationale nu snel uiteen.  Dat werd nog gestimuleerd door de verplaatsing van de Algemene Raad naar New-York.  Ver weg van de anarchisten en de blanquisten, maar ook ver weg van de Europese arbeidersbeweging.  Dit laatste gebeurde tegen de wil van de blanquisten die een potentieel revolutionair machtscentrum aan hun neus zagen voorbij gaan.

7.  DE ANTI-AUTORITAIRE INTERNATIONALE.

Onmiddellijk na het bewuste congres van Den Haag werd er een anarchistische Internationale opgericht.  Dat gebeurde in St. Imier.  Zij zou vijf jaar bestaan en in die periode werden vier internationale congressen gehouden : in 1873 te Genève, in 1874 te Brussel, in 1876 te Bern en tenslotte in 1877 te Verviers. 
Toch ging het niet goed met het socialisme.  In de meeste landen liep de arbeidersbeweging aan de grond.  De repressie na de Commune van Parijs drong de beweging in de illegaliteit en de economische crisis deed de rest.  Op Spanje na waren het slechts kleine kliekjes overtuigde militanten die de vlam brandend hielden.  Vrij  geïsoleerd van de massa ontwikkelde elk een eigen strategie die geënt was op de specifieke toestand in eigen land.  Gezien telkens weer de autonomie van de nationale federaties werd benadrukt, was deze verscheidenheid binnen de nieuwe Internationale aanvankelijk geen obstakel.  Maar op termijn kwamen de tegenstellingen terug aan de oppervlakte drijven.  Weer was het groot twistpunt het zich al of niet organiseren in een politieke partij.  Bovendien kreeg men nu te kampen met evolutionistische tendenzen, die zich spiegelden aan het ‘nieuwe’ socialisme dat in Duitsland tot ontwikkeling kwam.  De Duitse sociaal-democratie wist de massa’s te organiseren en was daarom voor velen een hoopvol en vooral haalbaar alternatief.  Zeker nu het voorbeeld van het Franse socialisme in repressie ten onder ging.

7.1. De samenkomst van St. Imier (15 september 1872).
De geschiedenis van de Anti-autoritaire Internationale is niet uitsluitend een verhaal van aftakeling en neergang.  In St. Imier werd entoesiast een solidariteitspakt gesloten.  Rond de tafel zaten vertegenwoordigers van de Jurafederatie, van Italië, Spanje en enkele Franse bannelingen.  Men stelde dat de strijd zich moest toespitsen op de economische realiteit en als gevolg werd de ‘compromisloze revolutionaire staking’ als aktiemiddel naar voor geschoven.  Het doel was - zoals steeds - de vrije economische federatie die arbeid en gelijkheid voor iedereen garandeerde en onafhankelijk was van elke politieke macht.  Ook al noemde die zich ‘tijdelijk’ of ‘revolutionair’.  Niet revolutionair dirigisme, maar spontane aktie van het ‘proletariaat’, georganiseerd in beroepsgroepen en communes, zou het bourgeoisjuk afwerpen.
Vanuit de vergadering te St. Imier werd de oproep gelanceerd om de Algemene Raad te New-York niet te erkennen en integendeel toe te treden tot de Anti-autoritaire Internationale.  De meeste nationale federaties beantwoordden de oproep positief.  De Italiaanse en Spaanse federaties bevestigden onmiddellijk de door hun afgevaardigden ingenomen standpunten.  Een korte tijd later volgden de Belgen.  Dan verscheidene délégués van Franse afdelingen die in Zwitserland als politiek vluchteling verbleven.  De Nederlandse federatie zond de internationalisten van de Jura een positief schrijven nadat zij wegens haar houding op het congres van Den Haag door de Algemene Raad uit de ‘marxistische’ Internationale was gegooid.  Zelfs de Engelsen zochten, ondanks hun opvattingen over de politieke kwestie, aansluiting.  Marx mocht dan al baas zijn in zijn Internationale, hij stond daar nu alleen.  Haast iedereen keerde hem de rug toe en wendde de schreden naar de Jura.  Deze kleine federatie wist heel Europa te begeesteren en haar ‘voormannen’ speelden een enorm belangrijke rol in de internationalistische beweging van die dagen.  De meest bekende was James Guillaume.   Hij gaf het invloedrijke Bulletin de la Fédération Jurasienne uit.  Max Nettlau zegt over hem : “Keiner verstand es, wie James Guillaume, alle lokalen Verhältnisse und die meisten andern Bewegungen zugleich im Auge zu behalten, stets bereit zum praktischen lokalen Kampf, ökonomischer oder politischer Polemik, sowie zum anarchistischen Kampf gegen den autoritären Sozialismus und zu theoretischer Diskussion der Anarchisten unter sich.  So überbrückt das “Bulletin” manche trübe Zeit, in der Verfolgungen, wie in den südlichen Ländern, oder wochsende Schwäche der Ueberzeugung, wie in Belgien, die Stimme der Anarchie fast zum Schweigen brachten.” Andere Zwitserse zwaargewichten waren ondermeer Adhémar Schwitzguébel en Spichiger.

7.2. Het congres van Geneve (1 september 1873).
De Anti-autoritaire Internationale werd aanzien als de natuurlijke verderzetting van de vroegere Internationale.  Haar eerste congres noemde men daarom het ‘zesde’ congres van de Internationale.  Er waren vertegenwoordigers uit Groot-Brittanië, Spanje, Nederland, Italië, Zwitserland, Frankrijk en uit België waren er onder andere de Brusselse anarchist Laurent Verrycken en zijn Waalse ideeëngenoot Victor Dave.  Volgens Nettlau waren in vergelijking met alle andere internationale congressen de beraadslagingen van dit congres de meest openlijke en eerlijke.  Niemand was gebonden, het autoritaire gevaar  was overwonnen en echt leidinggevende persoonlijkheden waren niet aanwezig. Hier, in Genève, werd de Internationale heringericht op basis van de toen geldende federalistische principes.  Met andere woorden, de complete autonomie van de nationale federaties werd afgekondigd en men schafte de Algemene Raad te New-York af.  In de toekomst zou men jaarlijks een internationaal congres organiseren.  Ondertussen zou een nationale federatie het federaal bureau - eigenlijk niets meer dan een correspondentiedienst - waarnemen en het eerstvolgend congres voorbereiden.  Met betrekking tot de autonomie van de nationale federaties ging men erg ver.  De internationalisten stelden dat er over inhoudelijke kwesties geen stemmingen meer mochten plaatsvinden.  Enkel nog omtrent administratieve zaken.  En in ieder geval waren de resoluties slechts bindend voor hen die ze aanvaardden.
Als actiemiddel kwam de ‘algemene staking’ op het voorplan.  Het werd ‘de’ hefboom tot de revolutie.  Stakingen op zich waren in hun ogen uiteraard niet voldoende : aan de omverwerping van de ‘bourgeoismaatschappij’ zou een burgeroorlog te pas moeten komen.  Als eerste stap naar de algemene staking poneerde het congres van Genève dat men de arbeiders moest organiseren in vakbewegingen, wat ten andere het bijkomend voordeel opleverde dat men een oogje in het zeil kon houden opdat de syndikale strijd niet zou verglijden in een strijd voor directe sociale verbeteringen.

7.3. Het congres van Brussel (7-13 september 1874).
Het zevende congres van de Internationale kwam in september 1874 samen te Brussel.  Er waren zestien délégués aanwezig.  Zelfs enkele Duitsers.  Joseph N. Demoulin vertegenwoordigde de Belgische federatie.  Andere landgenoten waren Desiré Brismée en Desiré Paterson voor de Brusselse afdeling, Maximilien Tricot en J.-B. Loriaux uit Charleroi, Richard Mayeu vertegenwoordigde Luik, Pierre Bastin kwam in naam van de Vesdervallei, Philippe Coenen was délégué van Antwerpen en tenslotte was er Jules De Blaye uit Gent.  Ook Laurent Verrycken, Eugène Steens en César De paepe waren op post.  Verrycken vertegenwoordigde de Cercle de propagande socialiste de Palerme.  Maar die stelde niet veel voor. In feite ging dit in tegen de beslissing van de Italiaanse federatie om geen vertegenwoordigers te sturen.  Bakoenin indachtig was voor hen de tijd van vergaderen voorbij.  Nu kwam de tijd van handelen !  Voor deze militante federatie had de Internationale als organisatie haar zin verloren omdat de socialistische beweging verscheurd was en het federatief principe toch nooit zou worden begrepen in de autoritair georiënteerde landen van het Noorden.  Het streven naar eenheid was in hun ogen daarom tijdverlies.  Meteen was het voor iedereen duidelijk dat ook het federalistische kamp niet onverdeeld was : terwijl men in de Jura een revolutionair anarcho-syndicalisme predikte, evolueerden de Italiaanse anarchisten reeds naar de ‘propaganda door de daad'. Op dit congres bleek dat er sinds Den Haag niet veel was veranderd.  De traditionele tegenstellingen manifesteerden zich opnieuw.  Weer stonden centralisten en federalisten lijnrecht tegenover elkaar.  Het enige wezenlijke verschil was dat de autoritairen niet langer revolutionaire marxisten of blanquisten waren, maar gematigde etatisten die zich steeds meer met de evolutionistische sociaal-democratische oplossingen verbonden voelden.  De discussie begon op het ogenblik dat het principe van de politieke abstinentie in vraag werd gesteld. Maar zoals steeds werd de controverse ondervangen door het principe van de nationale autonomie : elke federatie moest maar voor zichzelf beslissen welke middelen in eigen regio het meest relevant waren.  Dan was er, met betrekking tot de toekomstige federalistische samenleving, de kwestie van de publieke diensten.  Deze diensten overstegen immers het niveau van de plaatselijke communes en zo zat je terug bij het probleem van afvaardiging en centralisatie.  Niet iedereen wilde over dit onderwerp een gesprek voeren.  Voor mensen zoals Schwitzguébel was dit een probleem voor later, na de revolutie.  Anderen, zoals Guillaume, waren geneigd in de Internationale de basis van de te verwezenlijken samenleving te zien.  Vooral de syndicale arbeidersorganisaties kwamen in hun denken op de voorgrond.  César De Paepe hing een meer centralistische strekking aan.  In een lang rapport kwam hij op voor een “Etat anti-autoritaire” die de openbare diensten moest beheren.  Hij sprak zelfs van een tijdelijke staatsdictatuur die de beroepsgroepen moest verplichten zich te organiseren en te federeren.  Het gebruik van het woord “etat” viel uiteraard niet in goede aarde bij de Franse, Spaanse, Zwitserse en Belgische anarchisten.  Bijna instinctief werd het geassocieerd met autoriteit, klassendominantie, massaexploitatie en politiek centralisme.  Trouwens niet alleen De Paepe’s woordgebruik was ongelukkig.  Boven alles vonden de anarchisten dat hij het probleem van de openbare diensten verkeerd stelde.  Het getuigde van een autoritair denken ‘van boven naar onder’ en botste met hun federalistische opvattingen.  Erger nog werden de twee Duitse lassallianen en de Engelse délégué Eccarius bevonden, want zij propageerden openlijk het staatssocialisme.  Ondanks alles nam het congres geen duidelijke besluiten.  Het riep geen halt toe aan deze autoritaire standpunten, maar verschoof de discussie naar het volgende congres.

7.4. Het congres van Bern (26-30 oktober 1876).
In Bern waren de centralisten nauwelijks aanwezig.  Uit Groot-Brittanië en Duitsland was er geen enkele délégué komen opdagen en uit de ‘Nederlanden’ kwam enkel de eerder gematigde César De Paepe.  Hij herhaalde de standpunten die hij te Brussel had verdedigd, maar hij deed water in de wijn door het woord “état” door “publieke administratie” te vervangen.  De teneur van zijn betoog bleef echter dezelfde : de ‘volksstaat’ moest en zou er komen.  Toen hij namens de Vlaamse fractie van de Internationale het voorstel lanceerde om in 1877 in België een universeel socialistisch congres te houden, waar ‘alle’ stromingen zouden vertegenwoordigd zijn, werd dit met verdeelde gevoelens onthaald.  De Italiaanse anarchist Errico Malatesta waarschuwde voor verdere toenadering tussen centralisten en federalisten en beklemtoonde de anarchistische uitgangspunten. Hij verwierp elke autoriteit, of die nu op lokaal of landsvlak was.  Volgens hem bleven onderdrukking en uitbuiting bestaan zolang men binnen het kader van het autoritaire naar oplossingen zocht.  Malatesta riep op voor een constante oorlog tegen de bestaande ‘bourgeoisinstellingen’, voor een ‘permanente revolutie’.  Het voorstel van De Paepe werd toch aanvaard.  Hij kreeg de steun van de meer gematigde Zwitsers en Fransen die in tegenstelling tot de Italianen de Internationale als basisstructuur van de Europese arbeidersbeweging bleven beschouwen.

7.5. Het congres van Verviers (6-9 september 1877).
Zoals reeds werd genoteerd, was het met de socialistische beweging in Europa erg gesteld.  Aan de ene kant had je de Britse ‘trade-unionisten’, de Duitse sociaal-democraten en gematigde centralisten uit de Nederlanden, die allen naar maatschappelijke alternatieven zochten binnen de bestaande orde.  Aan de andere kant had je de federalisten uit de Romaanse landen, die echter op hun beurt verdeeld waren.  Het anarchisme ontwikkelde zich naar een nieuwe strategie die gericht was op de conspiratieve ‘propaganda door de daad’.  Vooral in Italië, Frankrijk en ten dele ook in Spanje, waar de Internationale verboden en de repressie enorm was, won de nieuwe actievorm aan aanhang en men moest er steeds minder van de Internationale weten.  Anderzijds waren er de traditionele internationalisten die zoals de militanten van de Jurafederatie tendeerden naar een revolutionair anarcho-syndicalisme.
Men kan stellen dat aan de vooravond van het laatste congres van de Internationale er eigenlijk nog maar weinige echte voorstanders van die Internationale waren.  Haast iedereen was bezig in eigen land, ontwikkelde eigen strategieën en ideeën, en stelde zich op internationaal vlak compromisloos op in de discussie centralisme - federalisme, politieke actie - abstinentie, evolutie - revolutie.  Het congres van Verviers moet tegen die achtergrond worden geïnterpreteerd.  Hier kwamen de anarchistische internationalisten voor het laatst samen om een eensluidend standpunt  te bepalen ten aanzien van de centralisten, die men enkele dagen later op het universeel congres te Gent zou ontmoeten.  Aanwezig waren : James Guillaume van de Jura, de Italianen Andrea Costa en Martini, de Fransen Paul Brousse en Jules Montels,  de Spanjaarden Soriano en Morago en in naam van de Duitse en Zwitserse afdelingen Otto Rinke en Emile Werner.  De gastfederatie van de Vesdervallei was vertegenwoordigd door Gérard Gérombou, Luron, Hubertine Ruwette, Simon, Pierre Montulet, Noël en Dompret.  Waarnemers met spreekrecht waren Peter Kropotkin, Emile Piette van L’Etincelle van Verviers en Malempré van Les Solidaires van Ensival.  Later kwam ook nog Delbau van de Cercle d’études socialistes van Luik.

Het congres verwierp politieke partijen en maakte daarbij geen onderscheid tussen socialistische en burgerlijke.  Politieke partijen waren gericht op het verwerven en centraliseren van macht, en dat was nu net wat de anarchisten overbodig achtten.  Wilde men de maatschappij veranderen, dan moest men zich volgens hen niet verliezen in de strijd om de politieke macht, want die stond of viel met de economische macht van de heersende burgerij.  Het was op het terrein van de economie dat de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal moest worden uitgevochten.  Ondermeer door de arbeiders te organiseren in revolutionaire syndicaten die opkwamen voor de afschaffing van salariaat en patronaat, en die de collectivisering van de productiemiddelen tot onmiddellijk doel stelden.  In de ogen van de anarchisten was syndicaal evolutionisme volledig af te keuren.

7.6. Het universeel congres van Gent (9-16 september 1877).
Op het congres van Gent waren alle strekkingen aanwezig.  Enerzijds de anarchistische délégués die van het internationaal congres van Verviers kwamen, waar zij gezamenlijk een revolutionair, federalistisch, a-politiek standpunt hadden ingenomen. Anderzijds de voorstanders van een - al of niet evolutionistische - politieke arbeiderspartij die streefde naar de verwerving van de politieke macht. Een tussenhouding werd ingenomen door de Belgen, al helden ook zij over naar de etatistische standpunten. Tenslotte waren er nog enkele délégués die nergens duidelijk onder te brengen waren.

De Belgen mochten met het organiseren van dit ‘universeel’ congres dan al de beste bedoelingen hebben, voor de buitenlandse afgevaardigden stond het pal boven water dat er van een verzoening niet veel in huis kon komen.  Dat bleek reeds bij de behandeling van het eerste agendapunt : “Des tendances de la production moderne au point de vue de la propriété”. Men ging globaal akkoord omtrent de collectivisering van de productiemiddelen, maar er ontstond een discussie over de wijze waarop men die gemeenschappelijke eigendom zou gaan beheren : de centralisten verdedigden de staatsidee, de anarchisten de economische federatie van vrije communes.  De Paepe was de spreekbuis van de Belgen en trok partij voor de etatisten die hierdoor in de meerderheid kwamen. Het tweede agendapunt ging over de houding die het proletariaat moest aannemen ten opzichte van politieke partijen.  Analoog met de besluiten van het congres van Verviers wezen de anarchisten het streven naar politieke macht af.  Ook wanneer de electorale campagnes niet zozeer bedoeld waren om de macht te grijpen, maar als propaganda of als middel om de arbeiders te organiseren.  Van een solidariteitspact kwam dan ook niets in huis.  Dit tot grote spijt van de Belgen Anseele, Bertrand, Coulon, De Paepe, De Witte, Paterson, Van Beveren  en Verbauwen, die trouwens even halsstarrig op hun partijpolitieke standpunten bleven staan. Wel kwam men overeen dat de verschillende stromingen elkaar met respect zouden behandelen en elkaar op een serene wijze zouden bekritiseren.  In een privé-vergadering sloten de centralisten dan een eigen solidariteitspact, met een correspondentiebureau te Gent.  De scheiding was daarmee definitief !  De Paepe deed nog een ultieme poging om de gebroken potten te lijmen en stelde op het einde van het congres voor dat men een internationaal bureau voor correspondentie en statistiek zou oprichten.  Op Costa, Brousse en Montels na werd dit voorstel aanvaard en het werd voorlopig ondergebracht te Verviers.
De Internationale liep nu heel snel naar haar einde toe.  Het federaal bureau was op het congres van Verviers aan België overgedragen en men liet het aan de Belgische federatie over haar zetel te bepalen.  Op het nationaal congres van 25-26 december 1877 te Brussel werd het in Brussel gevestigd, waarna het nooit meer van zich liet horen.  Toen in 1878 ook het geplande congres in Zwitserland niet kon doorgaan was het met de Internationale in feite afgelopen.  Elke federatie ging in ieder geval haar eigen weg.

In Groot-Brittannië waar de arbeiders waren georganiseerd in Trade Unions die opkwamen voor direkte sociale verbeteringen, had de Internationale al lang de geest gegeven. Ook in het Duitse rijk had de Internationale nooit veel betekend.  Er was stemrecht en de Sozialistische Arbeiterpartei Deutschlands, een samenvloeiing van lassallianen en marxisten, pakte in 1877 uit met een heuse kiescampagne.  Met  een sociaal-democratisch programma gingen zij de verkiezingen in en wisten 9 % van de stemmen en twaalf mandaten in de Reichstag te behalen.  Kanselier Bismarck was hiermee niet in zijn nopjes en voerde in 1878 de fameuze ‘socialistenwetten’ in.  Op slag was alles wat socialistisch was verboden : organisaties, meetings, vergaderingen, pers, enz...  Tot 1890 werden deze wetten om de twee jaar gestemd, wat de beweging verplichtte ondergronds te werken, maar op termijn een radicaliserend effect had. In Frankrijk was na de Commune van Parijs het socialisme grotendeels van de kaart geveegd.  Pas in 1877 gaf de Internationale er terug teken van leven : eind augustus kwamen in Chaux-de-fonds in Zwitserland enkele Franse internationalisten samen.  Paul Brousse en Jules Montels waren de grote bezielers van de nieuwe beweging en van 2 juni 1877 tot 2 december 1878 gaven zij met de hulp van Peter Kropotkin L’Avant Garde uit.  Deze heropleving was echter marginaal en van korte duur.  Naar het einde van de jaren zeventig toe zou Brousse trouwens een meer evolutionistische koers gaan varen en breken met de anarchistische internationalisten.  Hij werd voorstander van een politiek die gericht was op haalbare oplossingen en zijn volgelingen noemden zich de ‘possibilisten’.  Eigenlijk was dat niet zo verwonderlijk.  In de Franse republiek bestond sinds 1876 algemeen stemrecht en Jules Guesde wist al een hele tijd rond radicale sociaal-democratische standpunten militanten te organiseren.  En ook het ‘integralisme’ van Benoît Malon zag, naast de revolutionaire algemene staking, iets zitten in de parlementaire strijd. Met de Jurafederatie, de trekkers van de Internationale, ging het sinds het congres van Verviers bergafwaarts.  Deels door de crisis in de horlogeriesector waardoor de lokale afdelingen veel leden verloren.  Deels door interne verdeeldheid : terwijl de oude garde - vooral dan Guillaume - steeds sterker naar het anarchosyndicalisme ging overhellen, kwamen anderen zoals Werner, Rinke, Kropotkin en in het begin ook Brousse, in de ban van het Italiaanse anarchisme van de daad, dat zich grotendeels buiten de Internationale situeerde.  Toen dan in 1878 Guillaume de Jura verliet, en met hem de beruchte Bulletin verdween, brandde de Internationale in Zwitserland nog slechts op een laag pitje. In Italië was de Internationale nooit een grote beweging geweest.  Toen na de ‘Bologna-opstand’ van 1874 de schaarse actieve militanten werden gearresteerd, stortte zij volledig in elkaar.  Ook na de grote processen van 1875-1876, waar de internationalisten werden vrijgesproken, bleef de binnenlandse repressie van kracht.  Dit dreef de Italiaanse anarchisten naar de conspiratie en de insurrectie en het resulteerde in 1877 in de bekende ‘Benevento-opstand’. Spanje was het enige land waar de Internationale nog een stevige voet aan de grond had.  Ook al werd met de militaire monarchistische rebellie van 29 december 1874, die Alphonso VII op de troon bracht, de Internationale als publieke organisatie verboden.  Zij bleef in het geheim verder opereren en kwam voorlopig onder invloed van het Italiaanse anarchisme.

 

8. DE SOCIALISTISCHE BEWEGING IN BELGIË TEN TIJDE VAN DE ANTI-AUTORITAIRE INTERNATIONALE (1872-1878).

Vanaf het begin van de jaren zeventig van de negentiende eeuw teisterde een langdurige economische crisis de Europese industrielanden.  Zij gaf overal een stagnatie van de economische groei te zien.  In België liet de crisis zich snel voelen omdat met de Frans-Duitse oorlog de belangrijkste afzetmarkt grotendeels wegviel : Frankrijk was een bezet land !  Maar in tegenstelling tot de toestand in de meeste andere landen kende het economisch leven in België nog een korte heropbloei tussen 1871 en 1873.  Dat had rechtstreeks te maken met de kortstondige enorme Amerikaanse vraag naar staal, en zou het tij niet keren.
Met deze economische realiteit lijken de ontwikkelingen die de Belgische federatie van de Internationale in die tijd doormaakte in correlatief verband te staan.  Ondanks een korte inzinking in 1870 ging de beweging tot 1872 vooruit.  “De staking van de metaalarbeiders voor de 10-urendag in 1871 was een eerste algemene actie van het I.W.V. die zich van Verviers uitspreidde over Brussel, Gent en Wallonië, en ook de mijnwerkers van het bekken van Charleroi aantrok.  De overwinning van de stakers, mede te danken aan de gunstige economische omstandigheden, waardoor men geen arbeidskrachten kon missen, bracht een enorme opbloei van de vakverenigingen.” Andere belangrijke stakingen waren bijvoorbeeld deze van de sigarenmakers te Antwerpen en Brussel in 1871 en de vijf maanden lange succesvolle staking van de Brusselse marmerbewerkers in 1872.  Op het einde van dat jaar en begin 1873 spitste de sociale strijd zich toe op de eis van loonsverhoging.
In al deze stakingen speelde de Internationale een zekere rol.  Vanaf 1874 werd de beweging echter in het defensief gedrongen.  De economische recessie sloeg toe.  Veelvuldige mislukte stakingen volgden elkaar op en knaagden aan het leven van de beroepsverenigingen en de plaatselijke afdelingen van de Internationale.  Langzaam maar zeker brokkelde de massale aanhang - voor zover daarover überhaupt kan worden gesproken - af.  Uiteindelijk bleef er slechts een kleine groep gepolitiseerde militanten over.

8.1. Een anti-autoritaire wind (1872-1875).

Het beschrijven van fenomenen, gebeurtenissen, evoluties, enz... door middel van het aanduiden van tegenstellingen en het aantonen van eventuele polarisaties, is een gekend procédé dat zijn verdiensten heeft.  Maar het leidt vrijwel steeds tot veralgemeningen en het getuigt vaak van vooringenomenheid.  Dikwijls zijn er meer overeenkomsten dan verschillen vast te stellen en bovendien hoeven verschillen niet noodzakelijk tegenstellingen te zijn.  Het Belgisch socialisme tussen 1872 en 1875-76 is van dit laatste een uitstekend voorbeeld.  Het was ondanks regionale verschillen haast homogeen anti-autoritair, federalistisch en a-(partij)politiek.  De weinige tegenstellingen die er waren lagen in de houding die men aannam ten opzichte van de revolutie.
In de navolgende tekst wordt getracht dit uit de doeken te doen, en dit aan de hand van de vermelde ‘controversiële’ methodiek.  De reden is simpel :  dé autoriteit op het vlak van de geschiedschrijving van het socialisme voor de betreffende periode, Denise De Weerdt, gaat op die manier te werk en wij - die veelvuldig uit haar werk putten - doen gemakshalve hetzelfde.

Federalisme versus centralisme.
Het gros van de Belgische internationalisten was aanvankelijk nog voorstander van het federalistisch ideeëngoed. De Belgische federatie was eind 1872 tot de Anti-Autoritaire Internationale toegetreden en had centralistische organisatiestructuren en politieke activiteiten die gericht waren naar de bestaande staatsstructuren, zelfs indien die de verovering van de volledige staatsmacht beoogden, afgewezen.  Nochtans waren de meningen niet onverdeeld ! In Brussel woedde een intense discussie rond de organisatie van de openbare diensten. De antipoden De Paepe en Verrycken brachten dit probleem tijdens het congres van de Belgische federatie van augustus 1873 op het nationale niveau.  Op een volgend congres, een jaar nadien, werd in de lijn van het autonomieprincipe gemakshalve besloten elke afdeling vrij te laten in de opvulling van het vraagstuk.  De zaken werden er niet duidelijker om.
Buiten Brussel werden aan die moeilijkheden niet zo zwaar getild.  Het Belgisch socialisme was in die dagen sterk anti-autoritair.  Zeker in het Jura-georiënteerde Verviers dat volgens hun krant Le Mirabeau een op autonome communes gebaseerde maatschappij voorstond.  Die communes moesten onderverdeeld zijn in bedrijfsverenigingen en zouden zich federeren in kantons.  De economische zwaartekracht zou op dit niveau komen te liggen. Men dacht ondermeer aan de oprichting van een kantonnale bank. Men wilde op die manier het merendeel van de openbare diensten opvangen en wat er overbleef zou het probleem zijn van de producentenverenigingen en de ‘sociale contracten’ die tussen de verschillende kantons zouden worden gesloten.  Erg veel duidelijkheid werd er niet geschapen.  Maar dat werd in die tijd zo niet aangevoeld.  Eerst moest men de revolutie maken, en dan zou men wel zien !  In de overige gebieden van Wallonië en het grootste deel van Vlaanderen dacht men in dezelfde richting. Maar Verviers was het afgetekend middelpunt van waaruit ideeën over autonomie en federalisme verspreiding kenden.  Dat werd bevestigd en tevens versterkt  toen in januari 1874 de federale raad van België naar Verviers werd overgebracht en het - toen nog - anarchistische Le Mirabeau  L’Internationale als lijfblad van de federatie verving. Sindsdien bestond de raad slechts bij naam en als hij al van zich liet horen dan was dat om de revolutionaire autonome standpunten te bevestigen.
Een onmiddellijk gevolg van de anarchiserende tendens was dat elke afdeling - voorbereid of niet - terugviel op zichzelf.  Achteraf bleek dat vaak nefast voor hun verder bestaan, gezien de massale afval van de leden die zich van 1873-1874 - het begin van een economische recessie - voordeed.  Hier en daar konden kleine militantenkernen zich overeind houden, maar dat had meer te maken met persoonlijk idealisme en engagement dan met georganiseerde arbeidersstrijd.

Abstinentie versus politieke actie.
Wat de keuze van de actiemiddelen betreft huldigde het Belgisch socialisme in de eerste helft van de jaren zeventig van de negentiende eeuw een economische strijd en daarin hoorde het parlementair-politieke spel niet thuis.  Men stond op het standpunt van de abstinentie.  Ook de idee van een eigen politieke partij los van de burgerlijke partijen vond geen aanhang.  Buiten De Paepe, die in 1874 op het internationaal congres te Brussel een ‘volksstaat’ verdedigde, moest vrijwel niemand van politieke actie weten.

Revolutie versus evolutie.
Zoals eerder gesteld, was de houding die men ten aanzien van de autonomie van de afdelingen aannam niet dadelijk een breekpunt voor de socialisten van die dagen.  De onenigheid situeerde zich eerder rond de interpretaties die men aan het begrip ‘revolutie’ gaf. Voor militanten van anarchistische huize zoals de radikale Affranchis uit Brussel betekende het alles of niets.  Zij wilden een totale omverwerping van de bestaande maatschappij : de reactionaire steunberen ‘Kerk, Staat en Kapitaal’ moesten met de grond gelijk gemaakt worden en vervangen door een collectief federatief systeem waarvan vrijheid en gelijkheid de grondbeginselen waren.  Die historische taak was in hun opzicht voorbehouden aan het verdrukte volk.  Een algemene staking leek hen een uitstekende aanzet om de massa’s in beweging te brengen.  En dat aan de destructie van de oude maatschappij geweld zou te pas komen en men in de illegaliteit zou treden, werd als de normaalste zaak in de wereld beschouwd.
Maar de boer ploegde voort.  En de gewone man leidde zijn uitzichtloos leven verder, van dag tot dag.  De revolutie mocht dan wel een mooi ideaal zijn, het bracht vooralsnog geen brood op de plank.  Die vaststelling, versterkt door de achteruitgang van de beweging, zette veel militanten aan tot nadenken.  Was de grote omwenteling - na de mislukking van de Commune van Parijs - wel voor morgen ?!  Moesten de arbeiders niet eerst beter georganiseerd en bewust gemaakt worden ?  En zou dat niet makkelijker gaan als men inspeelde op hun dagelijkse noden ?  Kon men zich niet beter beperken tot legale actiemiddelen, zeker zolang de arbeiders nog niet rijp waren voor de revolutie ?  De repressie in Frankrijk en andere landen stemde immers tot voorzichtigheid !   Vragen in die aard leefden in de geesten van talloze Belgische internationalisten en mettertijd kwam een reeds lang latent aanwezig, a-politiek en syndicaal evolutionisme op het voorplan.  Dit mondde uit in een syndicale beweging die opkwam voor directe sociale verbeteringen.  De idee van een sociale revolutie leefde nog, maar de voltrekking ervan werd steeds meer op de lange baan geschoven.

Nu, aanvankelijk waren deze evolutionistische militanten weinig talrijk.  Maar de revolutionaire anarchistische beweging was al even marginaal.  Waarschijnlijk voelden veel individuen en groepen zich in geen van beide uitgesproken opinies echt thuis.  Iedereen dacht over de revolutie als het ware het zijne.  Zijn de inzichten en gedragingen van de individuele militanten tot op heden weinig of niet gekend, dat kan niet gezegd worden van de onenigheid die zich tussen de verschillende afdelingen van de Belgische Internationale manifesteerde.  Op de nationale congressen bleek hoe krachtig de verdeeldheid was met betrekking tot de revolutionaire gedachte.  Terwijl in april 1873 op het congres van Verviers de algemene staking als aanloop tot de sociale revolutie zonder tegenspraak kon voorgesteld worden, zien wij in juni van het zelfde jaar op het congres van Gohyssart dat de Brusselaar C. Bastin zich sterk verzette tegen wat hij een ‘burgeroorlog’ noemde.  De overwegend Waalse afdelingen stelden nochtans dat elk socialistisch programma een revolutionair karakter moest hebben.  Op het congres van Baume in april 1874 werd weer in dezelfde radicale termen over de algemene staking gepraat, maar van uit Antwerpen kwam er protest tegen een manifest van de Algemene Raad die in het anarchistische Verviers zetelde.  Het geschrift klonk volgens hen te revolutionair en zou de arbeiders eerder afschrikken dan tot organisatie aanzetten.  Hetzelfde jaar te Brussel wonnen de evolutionisten terrein toen De Paepe in discussie trad met Verrycken en met Pierre Bastin uit Verviers, al was het maar omdat de evolutionistische standpunten van dan af openlijker werden uitgesproken. Een jaar later, in 1875, werd te Jemappes door de Gentse afdeling zelfs een volledig politiek programma voorgesteld dat veel weg had van een reformistisch manifest.  Het werd om die reden door alle afdelingen verworpen, maar anderzijds vond de meerderheid van het congres het raadzaam om de Algemene Raad naar het minder revolutionaire Antwerpen te verplaatsen.

8.2. Regionale verschillen.

Gent.
De volksstaatgedachte vond wel steun in het Gentse, waar vanaf 1874 ondermeer Edmond Van Beveren en Edward Anseele de plaatselijke afdeling konden overtuigen van de noodzaak van een centralistische politieke arbeiderspartij, en dit naar het veel besproken voorbeeld van de Duitse sociaal-democratie.

Antwerpen.
In Antwerpen was men voorstander van een anti-autoritair socialisme. De weinige overgebleven militanten van het Volksverbond moesten van politieke actie niet weten en wantrouwden de progressieve liberalen en vrijmetselaars.  In de randgemeenten organiseerden zij campagnes om de arbeiders in weerstandsmaatschappijen te verenigen.  Zij beschouwden deze maatschappijen als cellen van de toekomstige samenleving en de dagelijkse syndicale praktijk kwam voor hen slechts op de tweede plaats.  De propaganda kende echter matig succes.  Enkel in Berchem kregen zij grond onder de voeten, en die was dan nog alles behalve vast. Vanuit dezelfde betrachtingen richtte het Volksverbond in oktober 1875 de Federatie der Antwerpse Werkliedenverenigingen op.   Maar ook dit was een verloren zaak.  De Antwerpenaars streden voor een nieuwe en betere samenleving.  In dat opzicht waren zij revolutionair.  Maar - en dat was het twistpunt - zij waren het oneens over het aanwenden van geweld. Velen onder hen waren nog aanhangers van een - zij het dan geherinterpreteerd - proudhonisme en sommigen evolueerden zelfs onbewust in sociaal-democratische richting. Men moest evenwel wachten tot 1876 voordat de parlementair-politieke centralistische ideeën echt opgang maakten.

Brussel.
In Brussel waren de meningen en houdingen zeer uiteenlopend.  De Cercle Populaire bleef revolutionair-anarchistische propaganda voeren, terwijl de afdeling van de Internationale haar gematigdheid beklemtoonde door al te revolutionaire actievoerders te weren. Nochtans was iedereen voorstander van een totaal andere maatschappij, maar het was niet duidelijk of de omwenteling onmiddellijk moest en kon plaatsvinden en of men hierbij op geweld een beroep zou moeten doen.  Buiten deze onenigheid zat de Brusselse sectie van de Internationale verveeld met een nog een ander, groter probleem : zoals in heel België liep ook hier het ledenaantal sterk terug en deze achteruitgang werd nog versterkt door tegenwind vanuit de vakbewegingen.  Militanten uit de ambachtelijk-syndicale milieus voelden zich onbehaaglijk met de dominantie van de ‘intellectuelen’ van de Internationale en zij gingen op zoek naar andere organisatievormen, los van de Internationale. Zij vonden steun bij radicale dissidenten zoals Coulon, Pellering en Rousseau die evenzeer de leiding van Brismée, De Paepe, Steens, Standaert,... best konden missen. Vanuit dit ongenoegen stuurde men aan op een federatie van weerstandskassen buiten de invloedssfeer van de Brusselse afdeling en in oktober 1873 zag een permanent bureau het licht.  In dit bureau zetelden de schrijnwerker Paterson en de schoenmaker Rousseau, beiden lid van de Cercle Populaire.  Verder de radicale schoenmaker Minne en de huisschilder Mahieu. Het initiatief kende echter geen succes.  Na een congres, twee maanden later, stierf het een stille dood.  Ondertussen waren de gematigde internationalisten niet stil blijven zitten.  Zij probeerden de marmerbewerkers aan zich te binden.  Zolang echter de Franse revolutionair Emile Flahaut deze werkersvereniging bezielde was er van gematigde standpunten geen sprake.  Flahaut was voor een revolutionair, autonoom syndicalisme dat gericht was op de verwezenlijking van een collectivistische maatschappij en zag in de algemene staking het ultieme middel om de sociale orde omver te werpen.  Maar de dingen waren in verandering.  In augustus 1874 werd opnieuw een poging ondernomen om de Brusselse werkersverenigingen te bundelen.  Ditmaal waren De Paepe, Arnould, De Greef  en Brismée van de partij en zij namen samen met Gustave Bazin en C. Bastin de leiding in handen. Ook de marmerbewerkers sloten aan.  Enkele maanden later ontstond hieruit de Chambre du Travail.  Zij had tot doel de materiële toestand van de arbeiders te verbeteren en hun geestelijke ontwikkeling te bevorderen. Men verliet daarmee het revolutionaire pad dat Flahaut met zoveel overtuiging had bewandeld en stelde een evolutionistisch syndicalisme in de plaats.  Dat gebeurde niet zonder slag of stoot.  De strijd werd publiek uitgevochten in het blad L’ami du peuple waar Flahaut en de revolutionaire Affranchis begin 1876 een polemiek voerden met Bazin en de nieuwe ‘leider’ in het evolutionistische kamp, Louis Bertrand. Van politieke strijd en centralistische organisatiestructuren was er in die dagen evenwel nauwelijks sprake, maar met de recente ontwikkeling op het syndicale vlak was een tendens ingezet. De Paepe en Steens hielden trouwens de idee van politieke actie levend en vanaf 1876 zouden zij daarmee succes hebben.

Verviers.
De Vervierse militanten waren de meest consequente verdedigers van de anarchistische standpunten.  Het is reeds gezegd, zij waren voor de autonomie van de groepen, voor syndicale, revolutionaire actiemiddelen en tegen het deviant gedrag van de Gentenaars en de Brusselaars.  In augustus 1874, op het nationaal congres te Gent, reageerde hun vertegenwoordiger zeer heftig tegen de centralistische voorstellen van De Paepe en op hun regionaal congres van 2 mei 1875 dachten de Vervierse revolutionairen er sterk aan de eigen federale raad door een administratief comité te vervangen. Hun afdeling mocht dan al als erg radicaal beschouwd worden, dat kan met nog meer reden gezegd worden van de Groupe de propagande révolutionnaire die het merendeel van de overtuigde leden van de afdeling verenigde. Toch liep niet alles van een leien dakje.  Ook in Verviers was er verdeeldheid.  Victor Dave, die van oktober 1872 tot maart 1873 het libertaire blad La Science Populaire had uitgegeven werd in september 1873 in eigenaardige omstandigheden uit de Vesderfederatie gestoten.  Wat hieraan ten gronde ligt is tot op heden niet echt geweten.  Le Mirabeau was de spreekbuis van de anarchisten. Pierre Bastin en Emile Piette hielden er de touwtjes in handen.  Tot 1876 schreef het blad dat de revolutionairen hun krachten moesten verenigen en dat de algemene staking het begin zou zijn van de totale omverwerping van het bestaande maatschappelijke systeem.

Henegouwen.
Gedurende de jaren zeventig verdwenen haast alle arbeidersorganisaties in de Henegouwse mijnbekkens.  Op sommige plaatsen kon men dit tijdelijk opvangen door het in leven roepen van vrijdenkersverenigingen, maar zij stonden zeer ver van de vroegere revolutionaire arbeidersbonden. De enkele afdelingen van de Internationale die zich konden handhaven waren medestanders van de Vervierse anarchisten. In 1873 sprak de federatie van het Centrum van Henegouwen - althans wat er nog van over bleef - zich zelfs uit voor de afschaffing van de Belgische Algemene Raad.

Namen.
In Namen had het aftakelingsproces zich nog sterker doen voelen.  Het streven naar organisatie was er verworden tot melancholisch gedroom.

Huy.
In Huy gingen de zaken beter.  Michel Thonar richtte er midden de jaren zeventig een evolutionistische Cercle d’études op die goede contacten met haar Brusselse geestesgenoten onderhield.  In 1877 verdween de kring.  Maar in 1878 werd hij heropgericht en ditmaal zou hij zeker tot in 1883 blijven bestaan.

Luik.
Ook in Luik waren er weinig militanten overgebleven.  Maar de lokale afdeling van de Internationale kon zich toch overeind houden en de meest radicale elementen wisten zich in 1873 in de Groupe socialiste révolutionnaire te verenigen.  Onder meer Emile Pierre en Charles Delfosse waren er actief. De Luikse socialisten gaven het blad L’Ami du Peuple uit en verkondigden hierin aan iedereen die het wilde lezen dat de arbeiders zich niet moesten verliezen in politieke actie. Volgens Max Nettlau stond het blad evenwel onder blanquistische invloed. De Luikse socialisten hoopten met betrekking tot de autonomie van de afdelingen en de discussie over de openbare diensten op een verzoening tussen de beide strekkingen.  Analoog hiermee namen zij een tussenhouding aan : zij waren voorstander van de autonomie én voor een beperkte mate van coördinatie.

 

9. DE TOESTAND IN 1877-1879.

9.1. De Brusselse afdeling van de Internationale.
De Brusselse sectie van de Internationale genoot in de Belgische arbeidersbeweging een zeker prestige.  Dit stoelde deels op het ‘roemrijke’ verleden van de Internationale zelf en vooral op de voorhoederol die de Brusselse afdeling in de loop der jaren hierin had weten te vervullen.  Toch ging het niet zo goed met de Belgische federatie en ook in de hoofdstad was dat te merken.  Zo vonden wij voor heel het jaar 1877 in het politiearchief amper een dertiental verslagen van vergaderingen terug.  En de gemiddelde aanwezigheid op deze bijeenkomsten bedroeg slechts 13,07.  Het merendeel van de leden waren evolutionisten en gematigde socialisten. Laurent Verrycken was trouwens de enige uitgesproken anarchist die van de partij was. Maar met de mislukte pogingen van de evolutionisten, in 1877-1879, om buiten de Internationale politieke partijen op te richten traden terug meer radikalen toe tot de Internationale. In 1878 waren gemiddeld 25,13 mensen op de vergaderingen present en sporadisch doken ondermeer de anarchisten Egide Spilleux, Leonard Dupaix, Egide Govaerts, Joseph Claeskens en Désiré Voglet, alsook andere revolutionairen op. Maar de evolutionisten Paterson, Brismée, Standaert en De Paepe bleven samen met de ‘twijfelaar’ Steens en de anarchist Verrycken de lakens uitdelen.  Al moest men ook steeds meer rekening houden met de radicaliserende Charles Debuyger, de uit Nederland afkomstige revolutionair J. Wagenaar en de anarchist Spilleux.  Het naar voor treden van deze drie figuren wijst in ieder geval op de tanende invloed van de evolutionisten. In 1879 zette deze tendens zich verder en ontpopte Debuyger zich als overtuigde anarchist en ook Steens trad ondanks zijn gematigdheid de anarchistische stellingen bij. Verder moeten we o.a. de anarchisten Achille Hertschap, Henri Peeters, J. Vandenabeele en Joseph Allecourt als nieuwkomers vermelden, alsook verscheidene revolutionairen. Van de evolutionisten wisten enkel Brismée en Standaert zich te handhaven. Paterson en De Paepe lieten zich nog amper opmerken. Wij noteren in 1879 trouwens een lagere gemiddelde aanwezigheid van 19,4 personen, wat allicht te maken heeft met het onstaan van socialistische verenigingen buiten de Internationale. En daarbij denken we niet zozeer aan de evolutionistische partijpolitieke experimenten, alswel aan nieuwe revolutionaire klubs die in de volgende jaren de toon zouden aangeven in het socialistisch verenigingsleven in de hoofdstad.

9.2. De Internationale buiten Brussel.
In het Vlaamse land bestond de Internationale haast niet meer.  De weinige nog levende socialistische verenigingen waren opgeslokt door de evolutionistische, partijpolitieke beweging die vanuit Gent werd gepromoot.  Alleen in Antwerpen bleef een kleine groep trouw aan de oorspronkelijke idealen.  En in de lente van 1878 ontstond er nog een nieuwe groep die evenzeer van gematigdheid niets moest hebben.  De revolutionaire steenhouwer Louis Calluwaert liet weten dat in het Antwerpse socialisme grote tegenstellingen bestonden en dat als gevolg daarvan een nieuwe sectie was ontstaan die veel radicaler was dan de vroegere.  Zij was een revolutionaire kring die zich niet bezig hield met petitionnementen en electorale strijd, maar of zij ook de anarchistische standpunten toegenegen was is minder duidelijk.

Buiten Antwerpen was er in Vlaanderen nauwelijks een teken van revolutionaire agitatie te bespeuren.  Allicht toch in Leuven waar de radicale Henri Petitjean een conferentie zou georganiseerd hebben met als sprekers de Brusselse anarchisten Achille Hertschap en Egide Govaerts.  In februari 1880 richtte hij ter plekke in elk geval een afdeling op en verder onderhield hij goede contacten met de Brusselse, blanquistische voorman Emmanuel Chauvière.

In Wallonië waren de kaarten anders geschud.  Hier was men overwegend revolutionair.  Althans voor zover er nog teken van leven bestond.  Dat laatste kan vooral gezegd worden van de drie mijnbekkens in Henegouwen, met name de Borinage in het westen, de streek rond Charleroi in het oosten en daar tussenin, rond La Louvière, het Centrum.  Haast alle afdelingen van de Internationale waren er verdwenen.  Dat wil niet zeggen dat er een rustiger sociaal klimaat heerste.  Vanaf 1877 waren de mijnbekkens het toneel van talloze spontane stakingen rond de offensieve eis van loonopslag.  De Brusselse internationalisten waren zeer geïnteresseerd in deze stakingsbewegingen.  De revolutie zou immers ingezet worden met een algemene staking en daarbij zou het Waalse proletariaat een beslissende rol te vervullen hebben.  Bij dat soort redeneringen was natuurlijk een aardige portie wishful thinking, maar het nam niet weg dat de Brusselaars geregeld naar le pays noir kwamen afgezakt om er op meetings de koolputters toe te spreken.  Wij denken aan Verrycken, Steens, Debuyger, enz... 
Maar ook gematigde leden van de evolutionistische Belgische Socialistische Partij waren in de mijnstreek te zien. Ter plaatse konden zij rekenen op de actieve steun van Leon Monniez uit Bergen en aanvankelijk ook van de meer radicale Ferdinand Monier.
Maar onder invloed van de stakingen zou deze laatste naar het revolutionaire kamp overlopen en eind 1879 zich zelfs ontpoppen tot een ware anarchist.
In het bekken van Luik was begin 1877 het socialisme haast onbestaand geworden. In de loop van de maand juli ontstond echter terug een groep, namelijk de Cercle d’Etudes et de Propagande Sociales.  Hij kwam elke maandag om 20.00 uur samen bij de uit Verviers afkomstige wolscheerder en revolutionaire federalist Joseph Dumoulin, au pont Saint Nicolas.  Op het internationaal congres dat van 6 tot 8 september in Verviers doorging vroeg de afgevaardigde Delbars of de nieuwe club tot de Internationale kon toetreden.  In principe stond men dit toe, maar een definitieve aansluiting liet men afhangen van de goedkeuring door de Belgische Federale Raad.  Dat gebeurde op het nationaal congres van 25 en 26 december te Brussel, waar de secretaris van de nieuwe sectie, Edouard Wagener, zijn zaak kwam verdedigen.  Hij zei dat men in Luik achter de standpunten van de Jurafederatie stond en hij kwam op voor een concreet plan voor het voeren van een revolutie.  Zo verwachtte hij zeer veel van een algemene staking in de vier Waalse bekkens als beginfase in het revolutionaire proces.  Wagener was samen met Richard Mayeu de toonaangevende persoonlijkheid in de Cercle d’Etudes et de Propagande Sociales.  Vanaf 1878 kwamen de leden van de kring elke zondagavond samen in café du Grand Cerf in de rue Féronstrée 64 waar weduwe Denin achter de tapkast stond.  Ondermeer Richard, Bons, Pierre Schlebach en de Fransman Maij.  In 1879 splitste de groep langzaam in twee.  Een gedeelte kwam voortaan samen in café des Arts, aux degrés de St. Pierre.  Misschien was het dezelfde kring als waar Le Mirabeau (10-8-1879, p. 4, kol. 3) melding van maakt.  Namelijk de Cercle Varlin die op 18 juni het levenslicht zag : « Nous sommes franchement révolutionnaires, ennemis de la caste et de l’état sous toutes ses formes.  Pour arriver à la Liquidation Sociale nous ne voulons aucun allié politique. (...)  Nous serons suivis d’un bien petit nombre, mais nous aurons l’avantage, en restant carrément révolutionnaires, de ne tromper personne et surtout de ne pas nous tromper nous-mêmes. »  Het is niet duidelijk of er tussen beide clubs tegenstellingen waren.  Men kan dit vermoeden.  De Cercle d’Etudes et de Propagande Sociales was misschien gematigder.  Aanwijzingen hiervoor vinden wij in het feit dat de reformistische La Voix de l’Ouvrier uit Brussel enkel haar samenkomsten aankondigde en in 1878 tekende deze kring in op een steunlijst voor socialistische propaganda rond de verkiezingen in Duitsland.  In die context zou de Cercle Varlin dan de veilige thuishaven van de radicale anarchisten zijn.  Maar aan de andere kant was de anarchist Wagener secretaris van beide organisaties.  En Maij had als delegee van de Cercle d’Etudes et de Propagande Sociales op de vergadering van de Belgische Federale Raad van 25 augustus 1878 in niet mis te verstane bewoordingen gezegd dat de Internationale zich niet met burgerlijke politiek moest bezig houden.  Iets wat nog geen maand later in een brief aan de Brusselse sectie werd bevestigd : electorale kwesties en het organiseren van petities was volgens de Luikenaars een bevestiging van het bourgeois-regime. 
Zeker tot het einde van 1879 bleef de Cercle d’Etudes et de Propagande Sociales even radicale standpunten innemen.  Zo schreef de club begin oktober een brief naar de Brusselse sectie met de vraag sprekers te sturen zodat door middel van conferenties en meetings “les differentes groupes disloqués” heropgericht konden worden.  In de brief werd uitdrukkelijk gezegd dat de sprekers de arbeiders vooral moesten aantonen dat er meer te winnen was met één geweerschot dan met duizend gesprekken.  De brief zorgde in Brussel voor algemene hilariteit.  En Steens stelde sarcastisch voor om een spreker te sturen “munis d’un fusil à 2 coups et d’un revolver américain de 14 coups”.  Maar wij weten inmiddels dat in Brussel niet iedereen de pacifistische mening van Steens deelde.  En de Luikenaars wisten dat ook.  Zij hadden mannen zoals Verrycken op het oog. De Luikse afdeling hield trouwens geregeld meetings om haar revolutionaire ideeën te propageren.  Bijvoorbeeld in augustus 1879 naar aanleiding van de expulsie van de Franse anarcho-communist Paul Brousse en de Duitse radikale socialist-anarchist Johann Most
Te Verviers, in de Vesdervallei, bestonden in de periode 1878-1879 nog negen weerstandsverenigingen, een twintigtal studie- en propagandagroepen, zeven vrijdenkersverenigingen, zeven onderlinge steunmaatschappijen en een aantal zang- en ontspanningsverenigingen.  In een brief van de burgemeester van Verviers aan de gouverneur van Luik van 15 november 1879 wordt gewag gemaakt van 5.425 aangesloten leden.  De Vesderfederatie had met andere woorden nog steeds een goed contact met de arbeidende bevolking, ook al kwam alsmaar minder volk naar de vergaderingen en samenkomsten.  Blijkbaar namen ook de internationalisten van Verviers en omstreken steeds meer afstand van de radicale standpunten van de plaatselijke anarchistenclub L’Etincelle.  Begin 1877 steunde de Vesderfederatie het verzoekschrift van de Gentenaars voor de reglementering van de kinderarbeid en in de zomer van 1878 werd naar aanleiding van de verkiezing van de werkrechtersraad op een congres de politieke agitatie als propagandamiddel officieel aanvaard.  Toch mag men niet denken dat zij daarmee onverdeeld in het voetspoor van de Vlamingen traden.  De internationalisten bleven gekant tegen de vorming van een politieke partij en zij zagen in de eis van algemeen stemrecht slechts een middel om revolutionaire propaganda te voeren.  De internationalist en voorzitter van L’Etincelle, Gerard Gerombou, had dan ook geen ongelijk toen hij begin 1878 in Le Travailleur (jan.-feb. 1878, p. 43-45) beweerde dat het merendeel van de Vervierse socialisten tegen politieke actie gekant was.  Anderzijds was de situatie niet zo rooskleurig als hij liet uitschijnen.  De beroepsgroepen, die in de Internationale de toon aangaven, waren steeds minder in hun schik met de Etincelle-aanhangers en op het zomercongres van 19 augustus 1878 besloot men zich formeel van Pierre Bastin, Emille Piette en de anarchistische L’Etincelle te distantiëren.  Waarom, is niet zo duidelijk.  Wellicht hebben niet alleen inhoudelijke argumenten meegespeeld in het nemen van deze beslissing want over Gerombou - die naast zijn engagementen als internationalist toch ook voorzitter van L’Etincelle was - werd met geen woord gerept.  Trouwens, er waren verschillende strekkingen in de Internationale aanwezig.  Zo had je bijvoorbeeld J.O. Ruwette, de secretaris van de plaatselijke afdeling te Verviers en tegelijkertijd militant van de lokale Groupe de Propagande Révolutionnaire en van L’Etincelle.  Verder had je iemand als Hubertine Ruwette die samen met Marie Mineur de bezielster was van de revolutionaire section des femmes.  Hubertine was goed bevriend met de vrouw van Gerombou en overtuigd anarchiste.  Over haar deed ondermeer het verhaal de ronde dat zij jaren de verloofde van de Franse politieke vluchteling Antoine Didier was, maar met hem weigerde te huwen omdat hij een ‘autoritair’ socialist was.  Dan was er het Vervierse boegbeeld Pierre Fluche, ooit overtuigd anarchist, maar steeds meer een middenfiguur.  In september 1877 zei hij nog : « Le parlementarisme (...) ne pourra jamais affrachir les travailleurs;  leur émancipation doit être l’oeuvre d’eux mêmes » en hij genoot het volste vertrouwen van internationaal vermaarde anarchisten zoals Kropotkin en Guillaume.  Maar Kropotkin liet zich allicht te sterk door het verleden leiden.  Fluche sprak op het universeel congres van Gent (9-15 september 1877) verzoenende taal en zou met de jaren meer gematigde standpunten gaan appreciëren.  In 1880 richtte hij En Avant op en al zei hij over het algemeen stemrecht : “pour moi, je ne croit pas à son éfficacité, il y a 15 ans que je sait que c’est la un leurre véritable”, dat belette hem niet om samen met Joseph Maigray en Charles Picraux propagandameetings voor algemeen stemrecht op touw te zetten, zij het op het gemeentelijk vlak.  Dit bracht het revolutionair-anarchistische La Persévérance er toe Fluche als volgt te omschrijven : « Nous ne nous formaliserons pas trop de ce que le compagnon Fluse puisse dire à une tribune, son changement de vue est si souvent prononcé, d’un jour au lendemain sa manière de voir est si souvent contradictoire, qu’il est inutile de prendre au serieux et ses belles phrases et ses beaux discours. » (La Persévérance, aug. 1881, p. 3, kol. 1.)

Peter Kropotkin onderscheidde in het toenmalige Verviers drie strekkingen.  Ten eerste de parlementaire strekking, waarmee hij de beroepsgroepen, die de Internationale domineerden, bedoelde.  Ten tweede de richting Fluche die hij de belangrijkste achtte en die hij deels ten onrechte tot het (syndicaal) anarchistische kamp rekende.  En tenslotte de aanhangers van L’Etincelle.  Hij had het niet zo voorzien op deze radicale kring omdat zij volgens hem niet veel voorstelde.  James Guillaume noemde L’Etincelle zelfs “eine separatistischen Gruppe, die durchaus unsere Allianz haben will”. (M. NETTLAU, Geschichte..., dl. II, p. 255.) L’Etincelle, cercle d’économie sociale werd op 1 november 1876 opgericht onder meer als reactie tegen het feit dat het blad Le Mirabeau in meer gematigde handen terecht gekomen was.  César De Paepe noemde het een revolutionaire en ultra-anarchistische groep. (C. DE PAEPE, Niederlände..., p. 240.) De voorzitter van de kring was Emille Piette, vanaf juli 1877 opgevolgd door Gerard Gerombou.  Andere leden waren ondermeer Pierre Bastin, Toussaint Malempré, Pascal Bodson, François Fils, F. Filo, J.O. Ruwette en Léon Troclet. De belangrijkste leden waren ontegensprekelijk Piette, Gerombou, Bastin en Malempré.  Emille Piette had zijn sporen verdiend in de Internationale en gold als één van de opmerkelijkste socialistische figuren in het Verviers van die tijd.  Bekend als hevig anarchist had hij talrijke contacten in binnen- en buitenland.  Zo was hij aanwezig op het internationaal congres dat van 6 tot 8 september 1877 in Verviers doorging.  Oorspronkelijk werkte hij als wever, maar vanaf het midden van de jaren zeventig kwam hij aan de slag als zelfstandig drukker, wat L’Etincelle in de mogelijkheid bracht om de revolutionair-anarchistische bladen Le Cri du Peuple en La Persévérance uit te geven.  Piette had voordien meegewerkt aan Le Mirabeau en in december 1876 verscheen van zijn hand onder de pseudoniem Prol Ether een kleine brochure waarin hij van leer trok tegen het reformisme dat in Verviers de kop op stak en hij pleitte voor een totale omwenteling. (PROL ETHER, Le pétitionnement pour l'abolition du travail des enfants jugé au point de vue révolutionnaire, Verviers, 10-12-1876. )  Zijn vriend Gerard Gerombou was lid van de Vervierse sectie van de Internationale en een tijdlang secretaris van de afdeling van Ensival en van de Cercle Rationaliste Disonais.  Als vaste medewerker van Le Travailleur, een Franstalig anarchistisch blad dat vanaf 1877 in Genève werd uitgegeven, was hij een bekende bij veel anarchisten in Europa.  Gerombou zou geregeld L’Etincelle en/of plaatselijke afdelingen van de Internationale vertegenwoordigen op nationale en internationale congressen.  Dan was er de wever Pierre Bastin, een ancien uit de Belgische Internationale.  Zo was hij op de internationale congressen van Brussel in 1868, van Bazel in 1869 en van Brussel in 1874, waar hij telkens getuigde van zijn bakoenistische sympathieën.  In 1874 was Bastin secretaris van de Belgische Algemene Raad en in ‘76 een korte periode uitgever van Le Mirabeau. Toussaint Malempré tenslotte was namens Les Solidaires van Ensival op het internationaal congres van Verviers in september 1877 en uitgever en hoofdredacteur van Le Cri du Peuple.
Nogmaals, L’Etincelle was buiten de Internationale tot ontwikkeling gekomen als verzet tegen de gematigde standpunten van die Internationale.  Zo publiceerde de kring op 14 januari 1877 (Le Mirabeau, 14-1-1877, p. 2, kol. 2 - p. 3, kol. 2.)
een brief tegen het reformisme van Résille (pseudoniem van Sellier) waarin evolutionistische eisen, die op directe sociale veranderingen gericht waren, verworpen werden.  Zelfs een ‘politieke’ revolutie werd van de hand gewezen omdat die slechts nieuwe meesters zou creëren.  Toen ook het blad van de Internationale, Le Mirabeau, meer en meer reformistische artikels opnam, ontstond bij de anarchisten de idee om een eigen krant uit te geven.  In Le Socialisme Progressif van 15 mei 1878 (p. 191) schreef Pierre Bastin dat het eindelijk zo ver was en hij zei dat de toekomstige krant "n'aura rien de commun avec le parti politique-socialiste-ouvrier; il sera donc anarchiste."  Le Cri du Peuple.  Organe socialiste-révolutionnaire zag het levenslicht op 7 juli 1878. Medewerkers waren de reeds vernoemde Malempré, Piette, Gerombou en Bastin, en verder ondermeer Plisse, Rambaut, Joseph Demoulin en de Fransen Dubié en Antoine Didier.  Het blad verscheen om de veertien dagen en zou het slechts een jaar volhouden.  De belangrijkste reden voor deze korte bestaansperiode was ongetwijfeld de precaire financiële toestand.  Bij gebrek aan voldoende abonnees werd Le Cri du Peuple vaak gratis verspreid en men trachtte het hoofd boven water te houden met individuele geldelijke steun van de leden van L’Etincelle en van sympathisanten.  Het blad had de vaste rubriek “Denier de la lutte révolutionnaire”, hetgeen een vaste intekenlijst betrof, en later zou met hetzelfde doel voor ogen een “Tombola de Livres” worden georganiseerd.  Dat dit niet kon blijven duren lag voor de hand.  En toen uitgever Malempré ook nog gerechtelijk vervolgd werd, was dit wellicht de spreekwoordelijke druppel die de emmer deed overlopen.  Het laatste nummer verscheen op 22 juni 1879.
Le Cri du Peuple is een ideale bron om zicht te krijgen op de visies en standpunten die door L’Etincelle werden gepropageerd.  De Vervierse anarchisten getuigden in hun blad van materialisme en ze waren tegen elke vorm van religie.  Verder waren ze als anti-autoritaire socialisten tegen een centraal staatsgezag onder welke vorm het zich ook aandiende.  Dus zowel tegen monarchale politieke systemen als tegen burgerlijke parlementaire democratieën of socialistische/communistische volksstaten.  Onder alle autoritaire politieke regimes bleef het volk uitgebuit en onderworpen aan de willekeur van de ‘leiders’, ook al noemden die zich “les sauveurs du peuple”.  Zo was Leopold IIde verpersoonlijking van een bedorven reactionaire staat, verrot door het geld en door extreme uitbuiting van alle productieve krachten in België”. (Visite du Roi à Verviers. - Le Cri du Peuple, 7-7-1878, p. 2, kol. 2.)  De republiek was al niet veel beter.  Zij was een oligarchisch machtsmiddel dat met de slogan ‘vrijheid en gelijkheid’ en op basis van ‘brood en spelen’ het volk in slaap wiegde en niet minder uitbuitte.  En ook de Icarische autoritair-communistische gemeenschappen in Noord-Amerika en de ideeën over centrale communistische staatsdictaturen moesten het ontgelden.  In de open rubriek  “Communisme, collectivisme, anarchie” liet men op 26 april 1879 de blanquist Alfred Breuillé een pleidooi houden voor een “dictature populaire”, maar de redactie becommentarieerde dat het anarchisme een politiek systeem was waarbij de samenleving zich regeerde zonder regering en waarbij de federatie van vrije autonome beroepsgroepen het uitgangspunt was.  En in het volgende nummer van Le Cri du Peuple mocht de Brusselse anarchist Hubert Delsaute het volgende kwijt : « que le peuple aie besoin d’une direction pour accomplir la démolition de la bourgeoisie, je ne le conteste pas, mais de là à avouer que le peuple doit se trouver sous la botte d’un ou de plusieurs maîtres, il y a loin. » (Le Cri du Peuple, 10-5-1879, p. 2, kol. 1.)  L’Etincelle was voorstander van een samenleving die georganiseerd was “van onder naar boven en niet van boven naar onder” en dit op basis van autonome lokale gemeenten.  In deze plaatselijke communes had iedere burger gelijke rechten en deze gelijkheid harmonieerde met ieders eigenbelang en persoonlijke interesses.  De individuele personen hadden de plicht tot arbeiden en waren vanuit deze hoedanigheid geassocieerd in beroepsgroepen die - doordrongen van het gemeenschappelijk belang - een belangrijke functie in de besluitvorming vervulden.  In het artikel « République et anarchie » vatte men samen : « Nous voulons l’anarchie : services publics organisés suivant la sience, par ceux qui la possèdent et pour l’avantage de tous;  formation de groupes égalitaires fondés sur la communauté d’interêts, la communauté de travaux; la fédération libre de ces groupes fixée par la nature des choses ou variable suivant les besoins, les circonstances;  dans la groupe élémentaire liberté réelle : pas plus l’oppression par la majorité d’une minorité ou même d’un individu, que l’oppression du grand nombre par le petit.  Dans la fédération les délégues sont réduites au role de messagers sans pouvoir, chargés sur un ou plusieurs points donnés (...), des congrès réguliers ou irréguliers, à l’insuffisance des correspondances par écrit de discuter les besoins des groupes et les moyens de leur donner satisfaction, l’application de ces moyens restant au mains des hommes civilisés et libres! » (République et anarchisme. - Le Cri du Peuple, 13-10-1878, p. 1, kol. 2-3.)  Een logisch gevolg van een organisatorisch concept dat zijn fundament in de plaatselijke economische bedrijvigheid zocht was een houding van abstinentie ten aanzien van het partijpolitieke gebeuren.  De politieke wereld was de autoritaire wereld van de bourgeoisie, en de arbeiders - die tot de klasse van de producenten behoorden - hadden daar niets te verwachten.  Het bestaande politieke systeem van parlementaire democratie was gecreëerd om de privilegies van de burgerij te beschermen.  Illustratief hiervoor was het cijnskiesrecht.  Maar ook het algemeen stemrecht dat men kende vanuit Frankrijk en Duitsland kon aan de belangen van de bourgeoisie niet raken.  De Vervierse anarchisten beschouwden de eis van algemeen stemrecht, die door de gematigde socialisten naar voor werd geschoven, dan ook als een knieval voor “la classe dirigente” en een inkapseling van de arbeidersstrijd in het bestaande politiek-economische systeem.  Om dezelfde redenen werd de strijd voor directe sociale verbeteringen afgewezen.  De anarchisten begrepen niet hoe je een eisenpakket waarvan de verwezenlijking afhing van de goodwill van de burgerij, socialistisch kon noemen.  Er waren geen compromissen mogelijk tussen kapitaal en arbeid, tussen de “voleurs”  en de “volés”.  Er was enkel de revolutie.  De “oude bedorven samenleving” moest tot in haar fundamenten vernietigd worden en op haar resten zou men dan de nieuwe collectivistische maatschappij grondvesten.  Men schreef : « Ce n’est pas au moment où la misère répand ses ravages alarmants sur le prolétariat du monde entier, qu’on doive (sic) venir nous chanter patience, espoir, opportunisme et suffrage universel. » (La Russe révolutionnaire. - Le Cri du Peuple, 26-4-1879, p. 1, kol. 2.) Men moest zich voorbereiden op een illegale gewelddadige revolutie.  Alle actiemiddelen zouden daarop gericht zijn, zowel de meetings, de stakingen, als de propaganda met het woord en met de daad.  Vooral het laatste kende veel bijval.  Men moest van alle mogelijkheden die zich voordeden profiteren “pour faire notre propagande par le fait, car le théorie est usée.” (La politique et la classe ouvrière. - Le Cri du Peuple, 7-7-1878, p. 2, kol. 1.)  Reeds in de prospectus van Le Cri du Peuple hadden de anarchisten van Verviers zich solidair verklaard met alle insurrectionele revolutionaire bewegingen in de wereld en in het blad werd ruim plaats voorzien voor een internationale rubriek waarin deze bewegingen en vooral de tactiek van aanslagen op staatshoofden uitvoerig werden belicht.  Toen op 28 juli 1878 koning Leopold II de afdamming van de Gileppe kwam bezoeken, verklaarde Le Cri du Peuple de sterke aanwezigheid van ordediensten als volgt : “pour cette fête si belle ne soit pas troublés par l’intervention d’un Hoedel ou d’un Nobiling.” (Visite du Roi à Verviers. - Le Cri du Peuple, 7-7-1878, p. 2, kol. 2.)  Max Hödel en de dokter Karl Nobiling hadden elk een (mislukte) aanslag op de Duitse keizer gepleegd.  En toen Nobiling enkele maanden later stierf, drukte Le Cri du Peuple in dikke letters omkaderd met een zwarte band over heel de breedte van de frontpagina een rouwbericht af.  Men becommentarieerde dat de verziekte samenleving een krachtig geneesmiddel nodig had, en dat de pillen van dokter Nobiling sterk aan te bevelen waren.  De ‘propaganda door de daad’ had tot doel de arbeiders wakker te schudden en tegelijkertijd gaf zij aan op welke manier het volk haar ontvoogding kon bevechten.  Niet met pacifistische actiemiddelen maar met geweld en insurrectie.  « Les uns supportent avec patience et espoir leur souffrance, tandis que d’autres, plus énergiques et plus fiers de leur amour-propre, réclament, le fer à la main ce qui leur est enlevé tous les jours : imprudents ! assassins !  crie-t-on, et ceux que l’on trouve morts de faim sont qualifiés d’ivrognes.  Le Peuple doit choisir : assassin ou ivrogne, tels sont les titres.  Nous, nous préférons le premier, parce qu’il est plus digne et les souffrances moins pénibles. » (La question sociale. - Le Cri du Peuple, 1-2-1879, p. 1, kol. 2.)
De aanhangers van L’Etincelle waren goed op de hoogte van de recente ontwikkelingen binnen het Europese anarchisme en zij introduceerden de nieuwe tendenzen in de Belgische beweging.  Op het vlak van de organisatiestructuur had men reeds in 1876 de trouwe anarchisten apart van de arbeidersbeweging samengebracht en wat de actiemiddelen betroffen kwam de ‘propaganda door de daad’ steeds meer op het voorplan.  Ideologisch hielden zij het voorlopig bij de oude anarcho-collectivistische standpunten, alhoewel anarcho-communistische visies ook bij hen langzaam begonnen door te sijpelen.  Het probleem dat zich hier stelde was dat communisme associaties opriep met autoritaire linkse stromingen.  Zo werden de communistische ikarische gemeenschappen vergeleken met het leven in een klooster, waar het ver zoeken was naar individuele vrijheden.  Maar men onderkende dat het communisme de oudste van alle socialistische strekkingen was - zij ging volgens hen terug tot Christus - en men apprecieerde haar devies : “de chacun selon ses forces, à chacun suivant ses besoins.” (Utopie et utopistes. - Le Cri du Peuple, 1-2-1879, p. 1, kol. 3 - p. 2, kol. 1.)  In het nummer van 10 mei 1879 werd in Le Cri du Peuple deze slogan tenslotte ook door de Vervierse anarchisten bijgetreden.  Opmerkelijk is verder hoe sterk Le Cri du Peuple blijk gaf van een antropocentrisch geloof in de vooruitgang.  De weldaden van de wetenschap werden geroemd omdat wetenschap leidde naar een grotere kennis van de wereld en vooral een rationele aanwending van natuurlijke grondstoffen mogelijk maakte.  En daar kwam het volgens hen op aan, want het gaf zicht op een verhoogde produktie van goederen en dus zicht op het einde van armoede.  Essentieel was uiteraard dat deze goederen ten dienste van alle mensen werden gefabriceerd.  De anarchisten waren daarom ook voor het gebruik van machines omdat dit de productie verhoogde.  Gezien het belang van de wetenschap was ook de overdracht van de wetenschappelijke kennis van grote betekenis.  Als collectivisten stelden zij dat de gemeenschap hier een bijzondere taak te vervullen had - gratis publiek onderwijs - maar in tegenstelling tot wat zij de communistische opvoeding noemden, speelde in hun visie ook de familiesfeer een educatieve rol. (Utopie et utopistes. - Le Cri du Peuple, 18-1-1879, p. 1, kol. 2-3;  L'Instruction. - Le Cri du Peuple, 13-10-1878, p. 1, kol. 3 - p. 2, kol. 2.)

9.3. De Belgische federatie van de Internationale.
Op het nationaal congres van 25-26 december 1877 werd de Algemene Raad van de Belgische federatie van Antwerpen naar Brussel overgebracht.  Deze Conseil Fédéral Belge kwam voor het eerst terug samen op 25 augustus 1878.  Het bureau werd voorgezeten door Désiré Paterson en Charles Debuyger was secretaris.  Andere bureauleden waren Camille Standaert en Eugène Steens namens de Brusselse federatie, J. Letondeur voor Verviers, de Fransman Maij en Bons vertegenwoordigden Luik en Louis Calluwaert Antwerpen.  Twee punten domineerden de gesprekken.  Ten eerste de situatie in Verviers.  L’Etincelle had - gezien haar onenigheid met de Vesderfederatie - aan de Algemene Raad de vraag gesteld om apart tot de Internationale te mogen toetreden.  Letondeur verzette zich met alle kracht tegen dit voorstel. Verrycken nam het echter voor de Vervierse anarchisten op.  Hij zei dat ze uit de Internationale gestapt waren in plaats van uitgesloten.  Men besloot dan maar de kwestie uit te stellen tot het eerstvolgende congres.  Typisch was de houding van Steens die van de gelegenheid gebruik maakte om uit te halen naar het gewelddadige radicalisme van “individus exaltés” zoals Delsaute en de leden van L’Etincelle.  En ook Le Cri du Peuple moest het ontgelden.  Opmerkelijk was dat Steens opriep om de Internationale terug op te bouwen en dit tegenover de Vervierse anarchistenkring stelde, terwijl deze laatste toch duidelijk gevraagd had om tot diezelfde Internationale toe te treden.  Was dit stemmingmakerij ?  Of moet men dit interpreteren vanuit spontane wrevels die ontstonden tussen twee varianten van het anarchisme : enerzijds het traditionele anarcho-syndicalisme dat zich van oudsher richtte naar de arbeidersmassa en anderzijds de ontluikende conspiratieve ‘propaganda door de daad’ die gevoerd werd door individuen en kleine groepen ten dele los van de arbeidersbeweging ?  Het tweede punt op de dagorde was de houding van de Internationale ten aanzien van andere (evolutionistische) groepen.  Eensgezind werden alle bewegingen die buiten de Internationale  ontstonden en die niet volgens haar principes handelden, afgekeurd.  Samenwerking met burgerlijke politieke partijen en petitieacties aan het parlement waren absoluut uit den boze.  Maar omtrent de eis van algemeen stemrecht waren de meningen verdeeld.  Steens was eerder pro, terwijl de Antwerpenaars en de Luikenaars zich uitspraken voor de abstinentie.

Op 1 november 1878 ging het jaarlijks congres van de Belgische Internationale door in café De Zwaan op de Grote Markt te Brussel.  De zittingen vingen aan om 15.00 uur.  Jean Pira werd tot voorzitter verkozen, J. Wagenaar tot vice-voorzitter en Désiré Paterson tot secretaris.  Afgevaardigden uit de provincie waren Henri Van Erp en Louis Calluwaert voor Antwerpen, Pira en Ferdinand Mahieu namens Brussel, Joseph Maigray voor de Algemene Raad van de Vesderfederatie en Gerard Gerombou van L’EtincelleSteens en Standaert waren als lid van de nationale Algemene Raad present en tenslotte waren ook de Luikse vertegenwoordigers Maij en Dumoulin aanwezig.  Weer stond de toetreding van L’Etincelle en de houding ten aanzien van andere politieke groepen op de dagorde.  Beide discussiepunten liepen gedurig door elkaar.  Gerombou betoogde nochtans dat L’Etincelle alle principes van de Internationale onderschreef, maar niet bij de Vesderfederatie wilde aansluiten omdat “...ce dernière veut marcher trop pacifiquement, alors que le peuple Vervietois n’aspire qu’a la révolution et veut marcher radicallement.” ( Stadsarchief Brussel, Politiefonds, Kt.195, congres Internationale, 1-11-1878.)  Gerombou benadrukte de autonomie van de groepen en stelde dat de Internationale alle strekkingen behoorde te aanvaarden.  Verder zei hij dat het niet de bedoeling was om met de Vesderfederatie te rivaliseren.  Zeker niet op inhoudelijk vlak.  De Vesdervallei was federalistisch en L’Etincelle anarchistisch en beiden streefden met alle middelen naar een spoedige revolutie.  Alleen wilden de leden van L’Etincelle niet weten van enige erkenning van de overheid en in navolging daarvan zagen zij geen heil in petitionnementen en soortgelijke activiteiten.  Dit laatste kende bijval vanwege Calluwaert en Verrycken, die meteen van leer trokken tegen de evolutionistische Brabantse Socialistische Partij en de Brusselse Chambre du Travail.  De afgevaardigde van de Vesderfederatie, Maigray, bevestigde het revolutionaire karakter van de Internationale.  Maar hij vond dat men samen moest blijven.  De vesdervallei kon - gezien haar teruglopend ledenaantal - best wat steun gebruiken en in die zin stelde hij voor dat L’Etincelle zich bij de plaatselijke federatie aansloot.  Wat was anders nog de zin van dergelijke regionale overlegstructuren, betoogde hij.  Maigray kreeg steun van Wagenaar en Pira die een hechte federale organisatiestructuur benadrukten.  De toetreding van L’Etincelle werd uiteindelijk niet aanvaard en ook het compromisvoorstel van Calluwaert om, in het geval er twee secties uit één lokaliteit tot de Internationale willen toetreden, tenminste het individueel lidmaatschap te aanvaarden, werd verworpen.  Met betrekking tot het evolutionisme verklaarde Maigray dat men vanuit propagandistisch oogpunt van alle mogelijkheden moest profiteren en hij sloot daarbij de reformistische eisen niet a priori uit.  Het congres besloot echter dat alle secties zich aan de algemene statuten moesten houden en de Algemene Raad kreeg de opdracht een scherpere formulering van die statuten uit te werken tegen het volgende congres.
In 1879 echter, zouden zowel de samenkomsten van de Belgische Algemene Raad als het nationale congres op zich laten wachten.  Nergens in de archieven vinden wij een spoor van nationale reünies.  Op papier vond de Algemene Raad nog steeds een onderkomen in Brussel, maar in de praktijk was het de plaatselijke afdeling die een aantal taken op zich nam.  Deze beperkten zich tot het onderhouden van gestructureerde contacten met de provincie.  De hoofdstedelijke sectie fungeerde dus min of meer als een correspondentiebureau..  De taken waren als volgt verdeeld : Wagenaar correspondeerde met Antwerpen, Verrycken met Verviers, Steens stond in verbinding met de Borinage en Pira had contacten in Leuven en Mechelen.

9.4. Anarchisme en vrijdenkerij in Brussel.
In de ontstaansgeschiedenis van het socialisme in Brussel hebben de vrijdenkersverenigingen steeds een belangrijke rol gespeeld.  Socialisme was meer dan het streven naar sociale gelijkheid.  Het stond ook voor een samenleving van vrije autonome mensen die hun zekerheden niet uit een godsgeloof putten, maar uit het streven naar kennis, uit een rationele analyse van de wereld waarin men leefde.  De vrijdenkerij was daarvan de concretisatie, al beperkte zij zich vaak tot een atheïstische cultusbeleving : naast het op touw zetten van filosofische conferenties ging veel tijd en energie naar de organisatie van burgerlijke begrafenissen.
In de tweede helft van de jaren zeventig van de negentiende eeuw bestonden in Brussel een aantal belangrijke rationalistische kringen.  Zo had je L’Affranchissement en Les Solidaires en in 1875 kwam daar Les Cosmopolitains bij.  Verder was er Les Libre Penseurs d’Ixelles en de liberaal-progressistische La Libre Pensée. Buiten deze laatste waren alle clubs door het socialistisch ideeëngoed geïnspireerd.  Maar - en dat is hier van belang - elke kring was min of meer terug te voeren tot één bepaalde strekking binnen dit socialisme. Zo had je L’Affranchissement dat duidelijk de anti-autoritaire, abstinentionistische, revolutionaire richting was toegenegen. Belangrijke leden waren ondermeer de anarchisten Hubert Delsaute en zijn broer Victor, Leonard Dupaix, J. Vandenabeele, Joseph Pellering en Laurent Verrycken.

In het pamflet “Matérialiste, Athée et Révolutionnaire” (Stadsarchief Brussel, Politiefonds, Kt.194) wijdde L’Affranchissement in 1877 uit over haar filosofische grondslagen.  De titel van het vlugschrift laat al vermoeden in welke richting die moeten gezocht worden.  Alles was ‘materie’ en ‘natuur’ : een op zichzelf bestaand proces van beweging dat begin noch einde kende en dat creatief noch destructief was.  Het was het ‘universele leven’.  De menselijke hersenactiviteit was in wezen een observation de phénomènes, zintuiglijke waarnemingen van particuliere zaken die omgevormd werden tot ideeën.  Het combineren en vergelijken van deze ideeën noemde men de verstandelijke activiteit.  Dit leidde naar kennis en in uitwisseling met de kennis van andere individuen naar wetenschap.  Essentieel daarbij was de experimentele onderzoeksmethode.  Alle waarheden moesten geënt zijn op zintuiglijke waarnemingen.  In die zin werd het bovennatuurlijke als ‘on-redelijk’ van de hand gewezen en noemde men zich ‘atheïst’, waarmee men zich afzette tegen alle vormen van godsgeloof : van pantheïsme over deïsme tot mono- en polytheïsme. 

Centraal in hun denken stond de onafhankelijkheid van de menselijke rede.  Maar men zag in de samenleving ‘autoritaire’ krachten aan het werk die de evolutie naar meer rationaliteit tegenwerkten.« ...en se civilisant l’autorité s’est perfectionnée, elle a inventé, contre le droit, les sophismes les plus audacieux, dont elle a fait le code de la morale publique (...) c’est en vertu de cette doctrine d’état que les pères de la raison ont de tout temps été persécutés depuis les Encyclopédistes jusqu’a P.L. Courrier, jusqu’a Proudhon, jusqu’a Liebknecht, etc... (...)  Pour rendre encore plus efficace cette pénalité dictatoriale de l’entendement, l’autorité s’est servi du culte, elle a fait intervenir les dogmes, la théologie dans l’enseignement... » (Le Mirabeau, 18-11-1877, p. 2 kol. 1.)
Staat en kerk gingen daarbij - aldus L’Affranchissement - hand in hand : « ...enfin, ces actions ont pour résultat, sous le masque de liberté, d’eterniser la domination sacerdotale, guerrière et judiciaire, et de faire fleurir le despotisme terrien, capitaliste, industriel et bancocratique, dont les consequences sont l’avillissement de la science, la suppression de l’autonomie humaine, le paupérisme, la destruction des peuples, enfin la décadence et la ruine des sociétés et la dégradation de l’humanité. » (Le Mirabeau, 18-8-78, p. 2 kol. 3.) De conclusie van de tekst was dat elk rechtgeaard materialist en atheïst moest rebelleren tegen autoritaire ideologieën en zich zodoende een echte revolutionair kon noemen.
Dat L’Affranchissement het met haar radicale standpunten echt meende bleek in augustus 1878 toen zij in Le Mirabeau protesteerde tegen de inhoud van het jaarrapport van de rationalistische verenigingen van Brussel, waarin gepleit werd voor algemeen stemrecht.  Men liet weten : « Le paupérisme établi et voulu par la bourgeoisie trouve sa consécration dans la loi qui doit disparaitre, ce n’est donc pas à elle que nous devez demander le remède, nous avez donc à cesser de faire de la politique bourgeoise, réactionnaire, et nous avez à faire oeuvre de socialistes révolutionnaires. » (Le Mirabeau, 18-8-1878, p. 1 kol. 4 - p. 2 kol. 1.)  De ideologische onenigheid met de andere rationalistische clubs nam in de daarop volgende weken zulke proporties aan dat het uitliep op een regelrechte breuk.  In Le Cri du Peuple van 13 oktober 1878 liet Hubert Delsaute weten dat L’Affranchissement op 17 september had besloten uit de Brusselse federatie van rationalistische verenigingen te stappen.  De federatie werd met name verweten antirevolutionair te zijn en Delsaute riep andere, radicalere organisaties en burgers op zich te verenigen en de ‘plebejische krachten te bundelen’.  Sindsdien ging L’Affranchissement grotendeels haar eigen weg, ook al bleef zij minimale contacten onderhouden met zowel de regionale als de nationale federatie.

In 1880 vergaderde L'Affranchissement officieel elke eerste dinsdag van de maand om 21.00 uur in L'Epéronnier, rue des epéronniers 40 (Le Drapeau Rouge, 1-2-80, p. 4 kol. 3), maar er kwam zelden veel volk opdagen. In 1879 gaf de kring ter ere van haar vijfentwintigjarig bestaan nog een “Histoire des sociétés rationalistes de la Belgique” uit.  Deze publikatie telde 24 pagina's  (Le Mirabeau, 28-9-79, p. 4 kol. 1.) en was van de hand van de inmiddels meer gematigde Nicolas Coulon. Als reactie hierop schreef de anarchist Verrycken de brochure “Extraits de documents pour servir à l’histoire du rationalisme en Belgique par un libre penseur socialiste.”

Ook bij de revolutionaire vrijdenkerskring Les Cosmopolitains waren een aantal anarchisten betrokken. Ondermeer Joseph en Victor Claeskens, Egide Govaerts, Charles Debuyger, Achille Hertschap, Henri Peeters en J. Vandenabeele.  De vrijdenkers van Les Cosmopolitains erkenden de bestaande overheid niet omdat de ‘gekozen’ parlementsleden het volk niet vertegenwoordigden.  Nochtans stonden zij niet achter de ‘zuiver’ anarchistische standpunten zoals die ondermeer door L’Affranchissement werden verkondigd.  Les Cosmopolitains wees de parlementaire democratie an sich niet af en was voorstander van het algemeen stemrecht, zij het uit tactische overwegingen.  De eis van algemeen stemrecht werd gezien als mobilisatiethema en het werd gekaderd in de voorbereiding op een totale omwenteling.
Maar Les Cosmopolitains was in de eerste plaats toch een vrijdenkerskring en dat betekende concreet het ontplooien van rationalistische activiteiten.  Belangrijk waren de maandelijkse filosofische avonden en een jaarlijks hoogtepunt was het herdenkingsfeest ter ere van de oprichting van de kring dat gecombineerd werd met een hulde aan de Commune van Parijs.  Blijkbaar vonden atheïsme en revolutionaire ingesteldheid elkaar in de dagelijkse socialistische cultuurbeleving.  In het anarchistisch blad Le Drapeau Rouge werd zo een huldebijeenkomst beschreven. (Le Drapeau Rouge, 28-3-1880, p. 4 kol. 2-3, 14-3-1880, p. 4 kol. 3.)  Zij ging door op 21 maart 1880 à la Colline en er waren een veertigtal mannen en vrouwen aanwezig. Egide Spilleux, alias Egidius, hield er een hevige speech over de Parijse révolution de 18 mars die bij het publiek bijzonder goed in de smaak viel.  « Le temps n’est pas loin où le peuple de Paris se réunira de nouveau sous la couleur écarlante du drapeau libérateur ! » zei hij en wist daarmee gevoelige snaren te raken.  Daarna was het de beurt aan Charles Debuyger die het had over de rationalistische propaganda.  Le Drapeau Rouge vatte zijn uiteenzetting als volgt samen : « ...les temps sont passés ou l’on ne s’occupait exclusivement que de propagande anti-religieuse; aujourd’hui, cette propagande ne suffit plus parce que, pour faire règner la justice et la fraternité sur la terre, la propagande intellectuelle ne suffit pas : il faut la Révolution sociale ! » (Le Drapeau Rouge, 28-3-1880, p. 4 kol. 3.)  En Le Drapeau Rouge becommentarieerde dat de revolutionaire vrijdenkerij elk ‘bourgeois-element’ uit haar rangen moest weren.  Na beide toespraken werden filosofische en democratische liederen gezongen waarbij het kinderstemmetje van de twaalfjarige Jeanne, de dochter van de anarchist Joseph (of Victor) Claeskens velen in vervoering bracht.
De vereniging had een vrij horizontale organisatiestructuur. Er was bijvoorbeeld geen vaste voorzitter.  Bij de aanvang van elke vergadering werd hij telkens opnieuw verkozen en het mocht nooit iemand zijn die reeds lid van het administratief comité was.  Dit om centralisatie van macht tegen te gaan.  Toen tijdens de vergadering van 27 augustus 1878 toch iemand voorstelde een vaste voorzitter te verkiezen was er veel tegenstand. Opvallend was ook het groot aantal functies.  Wij tellen er minimum twintig.  Het kumulverbod dat tussen het merendeel van deze taken bestond, leidde onvermijdelijk naar een grote spreiding van verantwoordelijkheden.  Het was waarschijnlijk een gevolg van de beperkte vrije tijd waarover negentiende-eeuwse handarbeiders beschikten, maar het had als voordeel dat de betrokkenheid van de individuele leden werd gestimuleerd.  Bovendien was het een rem op machtsconcentratie, iets waarvan de leden van Les Cosmopolitains maar al te goed beseften wat dat betekende.  Vandaar de toepassing van het roulatieprincipe op het voorzitterschap en in beperkte mate op het lidmaatschap van het administratief comité en van de commission d’enquête. Vandaar ook de vereiste tweederde meerderheid bij de verkiezing van de leden van deze twee organen.  En opmerkelijk was überhaupt het bestaan van een commission d’enquête die de interne democratische besluitvorming controleerde.

9.5. Politieke vluchtelingen.
Europa bestond in die dagen overwegend uit semi-autocratische regimes waar de ontluikende socialistische bewegingen er met harde hand werden ondergehouden.  Dat was bijvoorbeeld het geval in de Franse derde republiek, het koninkrijk Italië, het Duitse keizerrijk, de Donaumonarchie en in tsaristisch Rusland.  De vervolgingen brachten een stroom politieke vluchtelingen op gang die zich vestigde in landen waar de burgers een relatief grotere vrijheid genoten.  Bekende toevluchtsoorden waren Zwitserland en België.  En indien men het daar te gortig maakte, week men uit naar Engeland of Amerika, soms naar Nederland.
In België bevonden zich - gezien haar geografische ligging - vooral Fransen en Duitsers.  Toch waren er ook andere nationaliteiten terug te vinden.  Onder andere Italianen, Russen, Roemenen, Spanjaarden, enz...  Vaak waren het studenten van goede komaf en het is niet duidelijk of het altijd echt ook om politieke vluchtelingen ging, al valt hun radicalisme niet te betwisten.

Deze overvloedige aanwezigheid van buitenlanders had effect op de revolutionaire beweging in de Belgische hoofdstad.  Ex-communards kwamen getuigen van hun radicalisme en vele Duitsers die op de vlucht waren voor de socialistenwetten van Bischmark deden hetzelfde. De contacten tussen autochtonen en nieuwkomers waren vrij intens.  Men zag mekaar vooral thuis, in de privé-sfeer, en op café.  Zo kwamen in de loop van de jaren zeventig Franse vluchtelingen vooral bij militanten van de Internationale en van de anarchistische Cercle Populaire over de vloer.  Het bezoeken van elkaars vergaderingen gebeurde daarentegen slechts sporadisch.  De buitenlanders moesten zich gedeisd houden, omdat inmenging in de binnenlandse politiek meestal uitliep op een expulsiebevel van de Belgische koning.  Vandaar dat politiek actieve migranten zich meestal terugtrokken in het eigen verenigingsleven en publieke contacten met de Belgische democratische clubs meden.  De enige uitzondering op deze gang van zaken waren de vrijdenkersverenigingen, waaraan men als vreemdeling zonder al te veel risico’s kon deelnemen.
Van invloed op de revolutionaire beweging in België was verder de buitenlandse pers die samen met de inwijkelingen werd geïmporteerd en door Belgische militanten werd gelezen.  De Belgische socialistische bladen namen bovendien geregeld artikels over en becommentarieerden gebeurtenissen in het buitenland.

Voorts werkten buitenlanders mee aan de Belgische democratische pers.  Van de voormalige communards Ernest Vaughan en Jean Baptiste Clement is geweten dat zij hun bijdrage leverden aan de satirische bladen La Bombe en La Trique en aan de evolutionistische La Voix de l’Ouvrier.  En tal van Fransen waren actief bij revolutionaire kranten.

De concentratie van revolutionairen te Brussel had ook tot gevolg dat bekende buitenlandse socialisten er tijdens hun reizen passeerden.  We denken aan Jules Valles, de anarchisten Paul Brousse en Johann Most en de sociaal-democraat Wilhelm Liebknecht die in 1879 de hoofdstad aandeden.  In 1880 mochten de Brusselse socialisten de Italiaanse anarchist Errico Malatesta en de radicale reichstag-afgevaardigde Wilhelm Hasselmann ontvangen.
Tot slot kan hier melding gemaakt worden van Belgen die een tijdlang in het buitenland verbleven, daar in contact traden met de revolutionaire beweging, om dan met de opgedane ideeën en ervaringen naar Brussel terug te keren en er in de plaatselijke verenigingen actief te worden.  Ex-communards waren onder andere Charles Debuyger en Joseph Huart.  Andere socialisten en anarchisten die gedurende een periode in Frankrijk verbleven hadden waren Nicolas Coulon, Hubert Delsaute, Leonard Dupaix, Ferdinand Monier en de minder bekende anarchisten Heyvaert en Vandriesche.  Verder had men bijvoorbeeld de advocaat Georges Lorand die als student in het Italiaanse Bologna met voorstanders van het anarchisme van de daad had kennis gemaakt.

De belangrijkste allochtone gemeenschap in de Belgische hoofdstad was de Franse.  Na haast elke - mislukte - opstand die in de negentiende eeuw in Parijs plaats vond, waren vluchtelingen massaal naar België uitgeweken en de repressie die volgde op de Commune van Parijs had eenzelfde effect.  Tijdens de jaren zeventig van de negentiende eeuw kende Brussel daarom een bloeiend verenigingsleven van ex-communards en vervolgde internationalisten.  Er leefden een 1.500 Franse politieke vluchtelingen.  Naar het einde van de jaren zeventig nam dit aantal als gevolg van enkele amnestiemaatregelen drastisch af.  Maar inmiddels was het zaad uitgestrooid en had de aanwezigheid van Franse politieke vluchtelingen haar invloed laten gelden.  Zeker voor het ontstaan van een revolutionaire beweging in Brussel in 1879-1880 was dit van belang.  De Franse radicalen waren enerzijds de anti-autoritaire revolutionaire krachten komen verstevigen en zij introduceerden anderzijds het autoritaire blanquisme in het Brusselse milieu.
De aanwezigheid van de bannelingen liet zich in eerste instantie voelen in de dagelijkse praktijk.  Via meetings en concerten en met steun van de vrijdenkerskringen werd constant geld ingezameld voor de Franse bijstandsverenigingen en elk jaar werd rond 18 maart de Commune van Parijs herdacht, wat vaak uitgroeide tot waarlijke revolutionaire manifestaties met hevige speeches en radicale liederen.  Ook sommige burgerlijke begrafenissen van Fransen waren momenten van revolutionaire propaganda.  Traditiegetrouw werd de lijkkist met een rode vlag bedekt en gedragen door politieke medestanders.  Op het kerkhof aangekomen, werd zij ter aarde besteld en dan volgde een revolutionaire afscheidsspeech die meestal eindigde onder het roepen van slogans zoals “Vive la Commune !”.  Deze wijze van begraven werd niet alleen toegepast ten aanzien van vroegere communards.  Zij werd vrij algemeen in het Brusselse revolutionaire vrijdenkersmilieu.  Bijvoorbeeld op de begrafenis van de Fransman J. François Grégoire, die op 22 oktober 1876 was gestorven, spraken de anarchisten Hubert en Victor Delsaute namens L’Affranchissement de grafrede uit.  Grégoire was immers jarenlang de secretaris van die vrijdenkersvereniging geweest en op 14 mei 1877 werd hij hiervoor nogmaals door de kring gehuldigd.  Een stoet van meer dan honderdvijftig mensen trok naar zijn graf en er werd een insigne tumulaire op de tombe geplaatst.  Vervolgens las Victor Delsaute zijn testament voor en daarna hielden zijn broer Hubert, Nicolas Coulon en Jean Claes een afscheidswoord.  De anarchist Leonard Dupaix besloot : « Nous jurons sur cette tombe de pousser à la révolution par tous les moyens qui sont en notre pouvoir : la parole, la presse et les exemples, et que jusqu’au jour du triomphe notre existance soit un apastolat. »
De solidariteit tussen Belgen en Fransen liet zich nog het meest voelen met betrekking tot de expulsie van bepaalde vluchtelingen.  Elk jaar werden immers mensen om hun politieke activiteiten uit het land gezet. De meesten hielden zich nochtans niet met de Belgische politiek bezig.  De reden van hun expulsie kan gezocht worden in de druk die vanuit Frankrijk en Duitsland op de Belgische regering werd uitgeoefend.  Geëxpulseerd werden bijvoorbeeld in 1877 de Fransman François Jourde, in 1879 de Duitsers Johann Most, Friedrich Osang en de Fransman Paul Brousse, in 1880 de Duitsers Karl Klein en Balthasar Hohn, in 1881 de Fransen Antoine Boisson, Arsène Crié, Jules Retis, de Spaanse anarchist Figria en de Duitser Karl Schneidt, in 1883 de Fransen Antoine Cyvoct en Antoine Didier, enz...
In 1874, 1877 en 1879 gaven de expulsies aanleiding tot acties van de Brusselse socialisten tegen de vreemdelingenwet van 1835.  Eind 1876 richtten de bannelingen François Jourde, Ernest Vaughan en Gustave Bazin een Société de prévoyance contre les expulsions op met de bedoeling de uitgewezenen financieel te ondersteunen.  Aanvankelijk was het de bedoeling om te reageren tegen de landuitzettingen maar reeds op 18 april 1877 werd besloten het te houden bij een bijstandskring en de vereniging noemde zich van dan af La Prévoyance.   Zij bestond alleen uit ex-communards en vergaderde A la Bourse, Grote Markt 19.  Er was geen vaste voorzitter.  Tabaraud was archivaris en Vaughan secretaris, later opgevolgd door Alexandre Désiré Maillard.  De maandelijkse ledenbijdrage bedroeg 1 fr.  Het ledenaantal van de club hebben wij niet kunnen achterhalen, maar sprekend was het concert en bal dat begin november 1878 in de Salle St. Michel, Rue d’or 15, doorging en waar meer dan 400 personen aanwezig waren.  Ondermeer ook de Brusselse anarchisten Claeskens en Delsaute.
Hiermee zijn wij beland bij de Franse migrantenverenigingen zelf.  Vooral belangrijk waren de Société de Prêt Mutuel et de Solidarité en L’Egalité die respectievelijk in 1872 en 1875 het levenslicht zagen.  Ook zij waren in eerste instantie bijstandsmaatschappijen.  Dit betekende concreet dat de betalende leden bij ziekte gratis konden beschikken over een dokter en medicamenten, en steun mochten verwachten wanneer zij werkloos waren of kwamen te overlijden.  Verder waren deze verenigingen  een revolutionair trefpunt.  Hier werden de politieke ontwikkelingen in Frankrijk uitvoerig besproken en men maakte daarbij geen keuze voor één of andere stroming, zoals bijvoorbeeld het blanquisme of het anarchisme.  De solidariteit voerde de boventoon en in die zin was men permanent bezig met het collecteren van geld voor de communards die naar de strafkolonie Nieuw-Caledonië waren gedeporteerd. 

De Société Française de Prêts Mutuels et de Solidarité was onmiskenbaar de grootste.  Tijdens haar hoogdagen telde zij meer dan tweehonderd leden, waaronder ook Belgen zoals Verrycken, Colignon, De Paepe, Debuyger en Paterson.  Op 8 november 1877 telde de groep nog vierenveertig leden en op 15 maart 1879 nog tweeëntwintig.  Ondanks dit dalende ledenaantal bleef de groep met zijn concerten honderden sympathisanten bereiken.   Voor de periode van januari 1878 tot juli 1879 vonden wij achtentwintig politieverslagen van vergaderingen en zij geven een goed beeld van het interne leven van de vluchtelingenkring.  Meestal waren slechts een vijftiental leden op de samenkomsten aanwezig.  De belangrijkste waren : Paterson, de anarchist Laurent Verrycken die zeer in aanzien stond bij de ex-communards, Antoine Didier, de borstelmaker Adolphe Henri Bouit, Jules Alfred Sassin, Julien Morel, Louis Vivier, Ernest Vaughan, François Taillade, Alexandre Désiré Maillard, Moïse Wooge, Felix Dubus, Alfred Alphonse Lemaire, de hevig revolutionaire Baillon, Esgonière, Eugène Delphis, Bourgeon, Delcroix, de revolutionaire, anti-etatistische Jérôme Leroudier, Victor Elie Gellynck en Alphonse Donat.  Het intern beleid werd gevoerd door een verkozen administratieve commissie die ondermeer bestond uit een vaste secretaris, een schatbewaarder en een archivaris.
Daarnaast waren er maandelijkse vergaderingen die open stonden voor alle leden.  Hier was geen vaste voorzitter of secretaris, want die werden telkens bij de aanvang van de vergadering verkozen.  Beide overlegorganen kwamen samen Au Cygne, Grote markt 9.  Niet alle leden waren voortvluchtig wegens hun betrokkenheid met de Commune van Parijs, maar vanaf december 1878 werd dit een streng selectiecriterium bij aanvaarding van nieuwe leden.  Toen met de amnestiemaatregel van maart 1879 veel leden naar Frankrijk terugkeerden werd dit een probleem en kwam het voortbestaan van de club in het gedrang.  De leegloop ging zo snel dat men twee maanden later in een politieverslag noteerde dat de vereniging alle belang verloren had.  Intern gaf deze neergang niet alleen organisatorische problemen.  Zij zorgde ook voor de nodige politieke discussies.  Ondermeer Sassin en Leroudier verweten hen die vertrokken lafheid en zij betoogden dat men solidair moest wachten tot een algemene amnestie werd afgekondigd.  Maar de exodus was niet meer te stoppen en in Le Prêt Mutuel, L’Egalité, La Prévoyance, La Fraternelle Française en de plaatselijke afdeling van de Internationale circuleerden intekenlijsten voor steun aan hen die have en goed achterlieten en naar het land van herkomst terugkeerden.
Uiteindelijk zouden in juli-augustus 1879 Le Prêt Mutuel en L’Egalité samensmelten tot één organisatie. De vluchtelingenkring L’Egalité zou in 1875 ontstaan zijn na interne onenigheid in Le Prêt Mutuel en zij telde spoedig een vijfenveertigtal leden.  Die waren « exclusivement des victimes de nos principes politiques » en zowel vrouwen als mannen : "Les citoyennes peuvent entrer dans la nouvelle société aux mêmes titres que les citoyens." (StB.Kt.193, L'Egalité, 5-5-1876) Zo nam de concubine van Paul Dubus, de hevige Celiste Louise Ovaire, zeer vaak het woord op de vergaderingen. Ovaire genoot bovendien faam als zangeres van republikeinse liederen en "...c'est elle qui a organisé le club des femmes dans l'église St. Eustache à Paris pendant l'insurrection."  (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.193, L'Egalité, 24-4-1878.) Verder was ook de bekende Arsène Crié lid van de migrantenkring. Deze Franse anarcho-communist zou zich eind 1879-1880 ontpoppen als een van de centrale figuren van de revolutionaire beweging in de hoofdstad.
L’Egalité werd zoals Le Prêt Mutuel geleid door een administratieve commissie en belangrijke functies waren de secretaris, de adjunkt-secretaris en de schatbewaarder.  Elke zaterdag van 21.00 tot 23.00 uur hielden zij zitting Au Cygne, Grote markt 9.  Verder was er een permanente afgevaardigde die de groep vaak bij samenkomsten in België en Nederland vertegenwoordigde.  In 1878 was dit Adolphe Terrier.  Op de maandelijkse plenaire vergaderingen was geen vaste voorzitter en er waren nooit meer dan 15 personen aanwezig.   Maar met haar concerten wist de club in 1877 toch vierhonderd en in 1878 tweehonderd mensen te bereiken.

Zoals gezegd ging met de uittocht van de Franse bannelingen L’Egalité samen met Le Prêt Mutuel.  De nieuwe kring noemde zich La Société Française la Solidarité et l’Egalité.  Beide verenigingen hadden voordien reeds nauwe contacten met elkaar en zij hadden af en toe samen concerten georganiseerd.  Een fusie lag voor de hand.  De nieuwe kring bleef zeker tot september 1881 bestaan,  maar hij kende  - vooral na de algemene amnestie van juli 1880 - slechts een bescheiden leven.  Men hield zich hoofdzakelijk met bijstandsverlening bezig.  De revolutionaire geest bleef aanvankelijk nog wel domineren, maar mettertijd vervoegden degenen met politieke aspiraties de Belgische verenigingen, vooral dan de plaatselijke afdeling van de Internationale.

Illustratief voor die zogenaamde revolutionaire sfeer - die in 1879-1881 toch vrij verbreid was - waren veelvuldige geëxalteerde gesprekken in de talrijke Brusselse cafés.  Bijvoorbeeld de Franse kroeghouder Dornelle sprak zijn klanten als volgt toe : “Je voudrais vous brouiller, votre Bruxelles, comme nous avons brouillé Paris en 1871 !  Votre noblesse, le richissime devrait être écrasé et foulé aux pieds, principalement votre clique des ministres ! »  Enkele Fransen die in de café aanwezig waren raakten door zijn propagandataal zo opgewonden dat zij spontaan begonnen te roepen “Vive la Commune !”  Dergelijke taferelen speelden zich in die tijd dagelijks af en de politieverslagen staan er bol van.

De Deutscher Leseverein zag het licht in de zomer van 1878.  Karl Schneidt schreef hierover in 1890 : “Es wurde jedoch in diesem Verein, der einem so harmlosen Namen führte, weniger gelesen, als geredet, agitirt und konspirirt.” (Die Hintermänner..., p. 121. ) en hij sloeg met deze opmerking de bal niet mis.  Op 4 augustus werden de statuten van de kring gestemd en uit deze stichtingsdocumenten blijkt dat het een mantelorganisatie was van een zekere Fédération Socialiste Allemande à Bruxelles.  Het doel was de propaganda van “les pricipes du socialisme démocratique” onder de eigen leden en zelfs daarbuiten.  Dit door middel van de organisatie van lessen, debatten en conferenties, door de verspreiding van socialistische literatuur en door de financiële ondersteuning van kringleden met inkomensproblemen.  In de praktijk kwam de vereniging elke maandag om 21.00 uur samen Im Eisernen Kreuz, Rue des Bouchers 47.  Daar werd dan gepraat over de toestand in Duitsland en er vonden socialistische lezingen plaats.  De macht was in handen van een verkozen comité dat bestond uit een secretaris, een onder-secretaris, een schatbewaarder, een bibliothecaris, twee commissarissen, een voorzitter en een onder-voorzitter.  Het vergaderde elke veertien dagen en om de drie maanden bracht het verslag uit op een algemene vergadering, waar tevens de mandaten werden bevestigd of vernieuwd.  De financiële inkomsten van de vereniging bestonden hoofdzakelijk uit verplichte individuele bijdragen van 0,5 BEF per maand.  Eén derde van de gelden werd besteed aan propaganda, meer bepaald aan drukkosten van pamfletten e.d. en aan de aankoop van socialistische geschriften voor de bibliotheek, die door alle leden vrij raadpleegbaar was.  Een ander derde van de fondsen werd besteed aan bijstand van werkloze leden die bewezen (hadden) dat zij meewerkten aan de opbouw van de socialistische partij.  En tenslotte werd volgens de oprichtingsstatuten één derde van het geld - opmerkelijk genoeg - doorgestort aan de Vlaamse socialisten van Sint-Jans-Molenbeek.  De Deutscher Leseverein was in aanvang blijkbaar sterk gelieerd met deze Vlaamse evolutionisten.
Nochtans waren niet alle leden overtuigde evolutionisten.  Verschillende opinies kwamen in de vergaderingen aan bod en de discussies verliepen open en vrij, zonder blokvorming rond één welbepaalde visie.  Hierin kwam verandering met het verschijnen van het blad Die Freiheit dat in Londen door de revolutionair Johann Most werd uitgegeven.  Zeker nadat in april 1879 de invloedrijke anarchist Franz Ehrhart het Kanaal was overgestoken en in Brussel de nieuwe radicale strekking kwam propageren.  Volgens hem was de revolutie zeer nabij en hij vond de energie die de Duitse sociaal-democraten in de parlementaire democratie staken tijd- en geldverspilling.  Ondanks - of dank zij - zijn autoritaire manier van doen wist Ehrhart het merendeel van de leden van de Leseverein voor zich te winnen en spoedig gold hij als de informele leider van de Duitse socialisten in Brussel.
Onder zijn impuls werd in de schoot van de Leseverein een geheim Agitationskomitee opgericht dat de werkelijke macht in de kring naar zich toe trok.  Het comité werd gefinancierd door de Leseverein, maar het moest geen verantwoording afleggen, zelfs niet aan de algemene vergadering.  De enige controle bestond in de benoeming van de leden van dit comité, maar Ehrhart droeg er zorg voor dat politieke tegenstanders werden geweerd.  Op 5 mei 1879 waren de leden van het geheim comité Ehrhart zelf en verder Balthasar Hohn, Karl Pabst, Jan Kaiser en Friedrich Osang : allen revolutionairen en/of anarchisten.  En Ehrhart stuurde aan op een confrontatie met de evolutionisten.  Toen de oprichting van het geheim comité niet in Die Lanterne werd afgedrukt, greep hij die gelegenheid aan om met de ondertussen uit België verbannen Hirsch af te rekenen.  Ehrhart pleitte op de vergadering van 12 mei 1879 dat hervormingen enkel met geweld konden afgedwongen worden en hij haalde uit naar de gematigde socialistische reichstagafgevaardigden Bebel en Liebknecht en zelfs naar de toch radicalere Hasselmann.  Hij riep op tot revolutie en oogstte daarmee veel applaus bij de Duitsers van de Leseverein.  Men besloot de resoluties van de kring in de toekomst in Die Freiheit te laten afdrukken en men verzond verschillende brieven naar groepen in Duitsland waarin gesteld werd dat Die Lanterne niet langer als blad van de partij kon worden beschouwd.  De revolutionaire opstelling van de Deutscher Leseverein was daarmee een feit.  Zelfs in La Voix de l’Ouvrier verscheen een artikel waarin de onenigheid bij de Duitse socialisten werd uitgelegd.  Ehrhart hield het trouwens niet alleen bij een interne machtsgreep.  Op 26 mei 1879 gaf hij in het lokaal van de Leseverein een publieke conferentie : een twee uur durende “apologie du socialisme” waarin hij van leer trok tegen de politiek van Bismarck en pleitte voor een meer directe democratie.  Hij kwam op voor gratis onderwijs en verzette zich tegen de vrouwen- en kinderarbeid : “Les femmes dans les menages et les enfants dans les écoles.”  Vertrekkende van de directe noden en problemen van het volk, stelde hij dat enkel een algemene revolutie verlossing kon brengen. (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.195, Leseverein, 26-5-1879)

Met de installering van het geheim Agitationskomitee en de liquidatie van de evolutionistische Die Lanterne, sloop ook de ruzie in de Leseverein.  Gematigde socialisten zoals Westhus, Tronz en Brock bleven zich verzetten tegen de intolerante houding van Ehrhart, Sturz, Pabst, Osang, Hohn, enz...  Vooral het eigengereide handelen van het geheim comité moest het in hun ogen ontgelden.  Maar zij waren in de minderheid en op de algemene vergadering van 28 juni 1879 werd de revolutionaire Die Freiheit als enig orgaan van de Duitse socialistische partij in de statuten van de kring ingeschreven. (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.195, Leseverein, 30-6-1879, Statuts..., 28-6-1879)  De wrevels waren daarmee natuurlijk niet van de baan.  Integendeel, Tronz en Westhus bleven reageren en nu en dan schoven zij de sociaal-democratische standpunten naar voor.  De revolutionairen van hun kant waren onderling niet zo eensgezind.  Zij vormden wel blok tegen de gematigde opposanten, maar op de achtergrond speelde de tegenstelling tussen autoritairen en anti-autoritairen.  Anderzijds werd de revolutionaire strekking geregeld versterkt door medestanders die op doorreis waren.  Denk maar aan de grote voorman Johann Most die in augustus 1879 Brussel bezocht en vroegtijdig door de Belgische overheid uit het land werd gezet. De expulsie van deze voormalige reichstagafgevaardigde had protestacties van Belgische socialisten tot gevolg en hierbij waren vrijwel alle leden van de Leseverein aanwezig.  Ehrhart zou tijdens een protestmars zelfs het volk toegesproken hebben en onder de pseudoniem Frankenstein zou hij Most ook vervangen hebben op een meeting in Gent.
Eind augustus, begin september 1879 kwam het dan tot een openlijke ruzie tussen Ehrhart, Hohn, en hun aanhangers enerzijds en Tronz, Westhus en Brock anderzijds.  Hohn eiste het ontslag van de drie tegenstanders en er kwam een geschillencommissie aan te pas.  Uiteindelijk werden Tronz en Westhus wegens verraad uit de kring gestoten en Brock draaide voorlopig bij.  Maar toen eind september Ehrhart Brussel verliet en Hohn hem als informele leider opvolgde, maakte Tronz van de machtswissel gebruik om terug naar voor te treden, waarbij hij de revolutionaire aanhang als een minderheidsstrekking in het Duitse socialisme trachtte te minimaliseren.  De revolutionairen stonden echter sterk en nieuwe radicale militanten traden naar voor, ondermeer Friedrich Junck, Karl Klein en Maximilian Höcht.  De revolutionairen evolueerden trouwens steeds meer in anarchistische richting.  Hohn riep op een bepaald ogenblik zelfs op om de vergaderingen van de Brusselse anarchisten te volgen en hun rangen te versterken.  Dit anarchisme van de meerderheid van de Duitse Leseverein zou de evolutionisten te veel worden en zou uitmonden in een openlijk schisma.  Tronz verzette er zich hevig tegen en hij wilde Die Freiheit vervangen zien door Der Sozialdemokrat, het evolutionistisch blad dat sinds 28 september 1879 door Georg Von Vollmar in Zurich werd uitgegeven.  Op de algemene vergadering van 12 januari 1880 verliet hij met 10 andere ontevredenen de zaal toen hij door een meerderheid van revolutionairen weggestemd werd en hij richtte nog diezelfde avond, iets verder, Au Vrai Romain, Rue de Bouchers, een aparte kring op.  De belangrijkste revolutionairen waren op dat ogenblik Balthasar Hohn, Karl Klein, Nicolas Rottmeyer, Joseph Saelzawka, Jins Jensen, Fritz Kirschner, Hermann Kirchhoff, Jan Kaiser, Hermann König, Heinrich Jacob, Karl Söhnle, Friedrich Junck, Hermann Keyenburg, Emil Reinicke, Wilhelm Sturz, Friedrich Trebus en Esser.  Zij waren maar al te blij met het vertrek van Tronz en consoorten en in een brief wenste Most hen geluk met de doorgevoerde “reinigung”.  Toch zou de scheuring nog een staartje krijgen.  Tronz eiste in een brief de helft van de bibliotheek en van het geld op en hij schakelde de evolutionistische Vlaamse sectie van St. Jans Molenbeek in om als jury op te treden.  Frans Goetschalck zou Hohn zelfs aangemaand hebben zich te onderwerpen aan dit “tribunal de séparation”. Maar de radicale Duitsers negeerden de aanspraken van Tronz, waarop deze een bekladdend artikel over Die Freiheit en de Brusselse Leseverein in Der Sozialdemokrat liet plaatsen. Uiteindelijk, nadat Tronz in februari-maart 1880 Brussel verlaten had, zochten beide clubs terug toenadering tot elkaar.
In april 1880 werd met de hulp van de Leseverein vanuit propagandistisch oogpunt een aparte Duitse vrouwengroep opgericht.  Dit was hoofdzakelijk het werk van de vrouw van de radicaal Röllöphs.  De vrouwengroep telde spoedig een 17-tal leden. Voordien reeds, toen op 28 juni 1879 de statuten van de kring waren gewijzigd, was toegevoegd dat zowel vrouwen als mannen tot de Leseverein konden toetreden. (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.195, Leseverein, 23-3-1880, 19-4-1880; Statuts..., 28-6-1879)
Wij moeten hier toch even stil staan bij dat geheime Agitationskomitee.  Het was gelieerd met soortgelijke comités in Antwerpen, Verviers, Luik, Aken, enz... en onderwierp zich aan het centraal comité te Londen.  Een en ander had te maken met de illegale verspreiding van Die Freiheit en andere socialistische literatuur van Londen over België naar Duitsland.  De geheime structuur diende om infiltratie door politiediensten te voorkomen en men hoopte zich tegelijkertijd te beschermen tegen mogelijke expulsies.  Naar buiten toe was er immers niets aan de hand.  De Leseverein  was officieel een lees- en discussieclub.  De tendens om een geheim netwerk op touw te zetten werd bovendien gevoed door een sterk geloof in een spoedige revolutie. Deze overtuiging resulteerde spontaan in het plannen van een opstand en daarmee zat je zo in het conspiratieve denken en handelen.  Vanaf het voorjaar van 1880 duiken in de politieverslagen over de Leseverein geregeld gesprekken op over conspiratieve organisatiestructuren.  Daarbij bleek men zich te spiegelen aan de Russische nihilisten.  Vooral Klein, Sturz, Jensen, Junck en Saelzawka lieten zich in die zin opmerken en hun sympathie voor de tirannenmoord, de individuele propaganda door de daad, staken zij evenmin onder stoelen of banken.

Op 29 mei 1880 verscheen in Die Freiheit een protestbericht van de Leseverein over de uitsluiting van de radicaliserende Hasselmann uit de redactie van Der Sozialdemokrat.  De Leseverein, die ondanks alles geen scheuring in de partij wilde, riep op voor een groot Duits congres waar alle onenigheden konden uitgepraat worden.  Van een verzoening was echter al lang geen sprake meer en de sociaal-democraten planden een congres in Zwitserland waar zij Most en Hasselmann uit de partij zouden zetten.  De Leseverein zond geen vertegenwoordiger naar dit congres, maar zij gaven aan Heinrichs uit Aken, die wel ging, een protestbrief mee.  Begin augustus bezocht de dissidente socialistische afgevaardigde in de Duitse Reichstag Wilhelm Hasselmann (Bremen, 29-5-1844 - ...) samen met Karl Schneidt de Belgische hoofdstad.  Op 2 augustus spraken zij de aanhangers van de Leseverein  toe en zij gingen tekeer tegen het evolutionisme van Bebel, Liebknecht en hun Sozialdemokrat.  Als gevolg van dit alles koos de Leseverein openlijk partij voor de strekking Most-Hasselmann.  De kring getuigde publiekelijk van zijn revolutionaire ingesteldheid en liet zich officieel vertegenwoordigen op het Belgisch revolutionair congres dat op 19 september in Brussel plaatsvond.  Binnen het revolutionaire denken koos de kring  trouwens voor de anti-autoritaire, anarchistische variant.  Dit bleek nog maar eens op de vergadering van 20 september 1880, toen Balthasar Hohn een exposé  hield over de revolutionaire principes van Bakoenin. 
Inmiddels was het ledenaantal van de vereniging fors geslonken.  Begin oktober 1880 bestond de groep uit een vijftiental actieve leden, waarvan slecht zes à zeven regelmatig naar de vergaderingen kwamen.  Toen dan op 7 november Hohn op bevel van de koning uit het land werd gezet, kwam dit aan als een genadeslag.  Joseph Saelzawka en Fritz Kirschner werden de nieuwe informele leiders, maar het zou nooit meer worden zoals voorheen.  De angst voor meerdere expulsies had een imploderend effect en het verdere bestaan van de vereniging werd slechts kunstmatig gerekt toen bekend werd dat in de zomer van 1881 in Londen een revolutionair wereldcongres zou worden georganiseerd.  Dit congres moest door de plaatselijke groepen worden voorbereid en gaf de Leseverein voorlopig een reden om verder te bestaan.  Men besloot elkaar elke zaterdag in het geheim te ontmoeten en zodoende mogelijke agendapunten voor het komende congres te bespreken.  Hierbij kreeg de reorganisatie van de revolutionaire groepen veel aandacht.  Men ging zich inspireren aan het piramidale, conspiratieve “système de Blanqui”, dat beducht was voor infiltratie en spionage door de politiediensten.  De Duitse revolutionairen van Brussel lieten zich in het verlengde van de voorbereiding van het wereldcongres nog vertegenwoordigen op het Belgisch nationaal revolutionair congres dat op 25 december 1880 te Verviers doorging.  Maar dat was slechts uiterlijke schijn.  In de loop van 1881 kwam de groep nauwelijks samen en op de vergaderingen van 28 maart en 4 april werd formeel besloten de organisatie op te heffen.  Van dan af zag men elkaar enkel in het geheim en er werden in navolging van het fameuze “système de Blanqui” her en der ‘nihilistische’ comités opgericht.  Verder bleef men zich bezig houden met de verspreiding van Die Freiheit, wat misschien wel de enige overgebleven band tussen de revolutionaire Duitsers in Brussel was.  Alhoewel, in juni 1881 werden terug een tweetal vergaderingen gehouden om een delegee voor het bewuste congres van Londen aan te duiden.  Kirschner werd tegen zijn zin verkozen, maar vertrok toch en terug te Brussel bracht hij op een vergadering op 28 juli verslag uit.  Hij vatte samen : « Le congrés a adopté comme unique principe revolutionnaire l’anarchie. » (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.195, Leseverein, 28-7-1881.)  Sinds die dag werd door de politie van Brussel maar weinig meer over de Duitse revolutionairen genoteerd.  Al bleven zij elkaar in het geheim ontmoeten en Die Freiheit verspreiden.
Misschien wel de belangrijkste activiteit van de Duitsers in Brussel was de verspreiding van dit Duitse revolutionair-anarchistische blad.  Dat gebeurde niet alleen in de eigen, plaatselijke migrantengemeenschap, ook in andere Belgische steden, zoals Antwerpen, Gent, Aalst, Leuven, Charleroi, Luik en Verviers, werd het Duitse milieu bewerkt.  Bovendien schonk men extra aandacht aan het smokkelen van socialistisch propagandamateriaal naar groepen in Duitsland.  Meestal gingen beide acties hand in hand.  Met het oog op het voeren van plaatselijke propaganda werd de oprichting van lokale comités in Verviers, Luik en Antwerpen gestimuleerd en dat had op zijn beurt betere en veiligere smokkelroutes tot gevolg.

Aanvankelijk werden de illegale bladen en vlugschriften rechtstreeks vanuit Brussel aan de Duitse grenssteden geleverd.  Later verliep de smokkel niet meer rechtstreeks van uit Brussel.  In Verviers werd een tussenstap gemaakt.  Eind 1878 zou hier reeds een kring van Duitse socialisten bestaan hebben en zeker vanaf mei 1879 trachtte Albin Schüster er de Duitsers bij elkaar te brengen.  Dat lukte tamelijk goed en in het voorjaar van 1880 was er een vaste groep met zeventien leden, waaronder Franz Gross die door Hohn voor het anarchisme werd gewonnen en tegelijk lid van de Leseverein in Brussel was. De kring stond achter de strekking Most en hield zich intens bezig met het transporteren van Die Freiheit, vooral naar Keulen waar zij contacten had met een zekere Hubert Heinrichs, Krüger en Schumacher.  Verder vond men afzet in Aken, Herberthal, Malmedy en Eupen. 
Ook vanuit Luik werden nieuwe smokkelwegen opgezet.  In deze stad kwamen zeker vanaf 30 januari 1879 een vijftiental Duitse socialisten samen in Café du Grand Cerf, Rue Féronstree 64, het lokaal van de radicale Cercle d’Etudes et de Propagande Socialiste, waarmee zij een nauwe band hadden.  De Luikse kring noemde Deutscher Arbeiterbildungsverein, was de revolutionaire standpunten genegen en kende weldra een groot succes.  Een jaar later telde hij reeds meer dan veertig leden, waaronder Maximilian Höcht die tegelijkertijd lid van de Leseverein te Brussel was. (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.195, Leseverein, 16-2-1880.) 
 
In Antwerpen werd begin 1879 een permanente groep opgericht.  Dat was vooral te danken aan de agitatie van Baum.  De kring noemde Rauchklub, telde in het voorjaar van 1880 meer dan twintig leden waaronder Schlüter en de lithograaf Carl Hermann Weber, die voordien bij de groep in Brussel was aangesloten. De groep in Antwerpen was revolutionair van inslag en gezien zijn geografische ligging hield hij zich niet erg bezig met het smokkelen van propagandamateriaal naar Duitsland. (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.195, Leseverein, 24-2-1879, 5-2-1880, 16-2-1880, 23-2-1880, 26-5-1880.)
De drie groepen in Verviers, Luik en Antwerpen werden min of meer vanuit Brussel geleid.  In ieder geval werd hun oprichting vanuit de Leseverein gestimuleerd en het Agitationskomitee volgde hun interne leven op de voet.  Met het oog op een verzekerde revolutionaire propaganda werden op kritieke momenten reizen naar de provincie gemaakt om orde op zaken te stellen.  Bijvoorbeeld in maart 1880 besloot de Antwerpse kring een meer autonome koers te gaan varen en hij stelde tot grote teleurstelling van de revolutionairen in Brussel voor om een nationaal hulpcomité voor de geëxpulseerde Duitsers in het leven te roepen.  De Brusselaars waren tegen de organisatie van een bijstandsvereniging los van de politieke clubs omdat dit de dag van de revolutie niet zou bespoedigen en Hohn trok naar Antwerpen om de afvalligen terug op het juiste pad te brengen.  Vanaf de zomer van 1880 waren er in Luik en Verviers soortgelijke problemen.  Weer trok Hohn er op af en toen hij terug in Brussel kwam wist hij te vertellen : “Tout va bien maintenant, mais il était temps que j’y aille.” (H. WOUTERS, Documenten..., p. 1633.)  Meestal verliep de samenwerking echter zonder problemen.  Het had veel te maken met het bestaan van een gezamenlijk doel : de illegale verspreiding van het verboden socialisme in het Duitsland van keizer Willem I en zijn kanselier Bismarck.  Een hoogtepunt was een conferentie te Luik, waar op 13 juni 1880 een twintigtal vertegenwoordigers van gelijkgezinde groepen uit Keulen, Aken, Elberfeld, Barmen, Verviers, Seraing, Brussel, de Borinage, enz... mekaar ontmoetten.  Eensgezind werd er gepraat over de redactie en verspreiding van een revolutionair pamflet.
De Deutscher Leseverein had van bij haar ontstaan goede contacten met de sectie van St. Jans Molenbeek van de evolutionistische Belgische Socialistische Partij.  De drijvende kracht achter deze Vlaamse afdeling was François Goetschalck die de Duitsers graag aangesloten wilde zien.  De Deutscher Leseverein steunde aanvankelijk deze Vlaamse socialisten financieel en stuurde zelfs afgevaardigden naar de evolutionistische congressen en manifestaties, maar met de radicalisering die in de Duitse vluchtelingengroep plaatsvond groeide er een ideologische verwijding.  Hohn ging nog naar samenkomsten van de Belgische evolutionisten, maar overtuigd van de juistheid van zijn revolutionaire opvattingen wilde hij de Vlamingen overhalen om zich te bezinnen over de tactiek van de Duitse radicalen.  In die zin werden de Vlamingen uitgenodigd op de toespraak die Johann Most op 10 augustus 1879 in Brussel zou geven.
De BSP organiseerde na de expulsie van Most een protestmanifestatie.  Denk echter niet dat de Duitsers in hun opzet waren geslaagd.  De houding van de Belgische evolutionisten werd ingegeven vanuit hun solidariteitsgevoel.  Meer moet men er niet achter zoeken.  Uiteraard werd dit door de Duitsers erg geapprecieerd, maar in oktober 1879 uitte Sturz op een vergadering van de Leseverein openlijk kritiek op het organisatievermogen van diezelfde BSP, dit naar aanleiding van een gewelddadig legeroptreden bij stakingen in Charleroi.   En enkele dagen later wist Höcht zonder tekenen van blijdschap te vertellen dat het Belgisch socialisme erg verdeeld was en velen niet achter de revolutionaire standpunten stonden.
De Duitse Leseverein werd naar het einde van 1879 steeds radicaler en anarchistischer.  Hohn zei dat bannelingen geen vaderland hadden en daarom politiek actief moesten worden in het land waar zij verbleven. Hij riep de Duitsers op de vergaderingen van de Brusselse anarchisten te bezoeken en Emil Reinicke viel hem bij en betoogde dat de leden van de Ligue Collectiviste Anarchiste dezelfde ideeën als Most verkondigden. Ook Sturz en König waren voorstander voor een intensere samenwerking met de anarchisten van Brussel.  Sturz zei dat de anarchisten altijd naar de feesten van de Leseverein kwamen en dat zij hetzelfde moesten doen, ook al verstonden zij de Franse taal niet.  De anarchisten konden extra inkomgeld best gebruiken voor hun propaganda.  Met het taalprobleem voor ogen stelde König voor een vaste delegee aan te duiden, die de vergaderingen van de Brusselse anarchisten zou volgen en verslag uitbrengen.  En verschillende Duitsers namen een abonnement op Le Drapeau Rouge, het blad van de Brusselse anarchisten, ondermeer Hohn, Reinicke, Weissenberg, Jacob, Kaiser, de vrouw van Dreier en EsserEsser had bovendien contact met redactielid Egide Spilleux in verband met vertalingen van Duitse krantenartikels.
In de loop van 1880 en 1881 zou de band tussen beide groepen  nog hechter worden. Zo organiseerden de Duitsers samen met de Brusselse anarchisten op 19 december 1880 een concert.  Bij de Belgische anarchisten liepen de contacten vooral via de Nederlandssprekende Achilles Hertschap en Xavier Stuyck, die o.a. op 31 december 1880 als spreker op een Duits eindejaarsfeest optradVerder ook met Laurent Verrycken, die in 1881 Die Freiheit voor hen in Brussel ontving. 
In januari 1880 stapten de gematigde Duitsers uit de Leseverein en richtten een eigen kring op.  Zoals reeds gezegd werd, verliep dit niet zonder slag of stoot.  Belangrijk is hier dat de Vlaamse sectie van St. Jans Molenbeek haar evolutionistische geestesgenoten ter hulp schoot.  Want dit had als indirect gevolg dat de revolutionaire Leseverein de bruggen met de Brusselse reformisten opblies.  Eind maart 1880 weigerde de Deutscher Leseverein Hohn nog als afgevaardigde naar de vergaderingen van de Chambre du Travail te sturen, waarop dit overleg van beroepsgroepen liet weten dat de Leseverein uit de “parti flamand” gegooid werd.  Hierop verbraken de Duitse revolutionairen alle contacten met de Vlaamse evolutionisten en zochten toenadering met de radicalere Vlaamse Vryheidsbond. Hohn nodigde op 17 mei 1880 de leden van de kring uit op een feest van de Vryheidsbond nadat de groep op 5 april verhuisd was naar het stamlokaal van diezelfde Vryheidsbond : Au Lion de Flandre, Rue des Brasseurs 1.  Illustratief voor de onenigheid tussen de Duitsers en de Vlaamse evolutionisten was het feit dat de vluchtelingen het jaarlijks herdenkingsfeest van de Commune van Parijs niet meer bij de "parti flamand" doorbrachten, maar bij de Franse bannelingenkring L'Egalité : "Tous répondent, 'Egalité', nous ne voulons plus du parti flamand."  (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Individueel Dossier 569 : Hohn, uittreksel uit een politieverslag van 18-3-1880.)  Hohn, Klein, Trebus, Junck, Kirchhoff, Sturz, enz.. trokken na het feest al zingend door de stad.  Zij zongen de Marseillaise en toen zij voor het koninklijk paleis kwamen riepen zij : "A bas les despotes !  Vive la commune !  Vive la république !" (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Individueel Dossier 569 : Hohn, uittreksel uit een politieverslag van 22-3-1880.) En in Les Droits du Peuple van 27 juni 1880, p 4, kol. 1 schonken ze publiekelijk klare wijn.  Ze schreven bijvoorbeeld over de Gentse evolutionisten die in de Volkswil .Most een verklikker genoemd hadden : "Ceux-ci, déjà, chefs suprême de ce qui s'appelle 'le parti socialiste belge', bien qu'ils n'en soient qu'une fraction, avaient exclu les sections révolutionnaires allemandes et aujourd'hui, sans plus de raison, ils insultent un des notres, nous ne l'oublierons pas."
Het revolutionaire ideeëngoed van de Deutscher Leseverein ontwikkelde zich zoals wij weten in anti-autoritaire richting.  Typerend voor de anarchistische ingesteldheid was hun aversie ten aanzien van het blanquisme.  Niet dat zij iets hadden tegen de conspiratieve organisatiestructuur - al werkten zij zelf minder piramidaal - maar het formele leiderschap en autoritaire handelen van een man als Chauvière lag hun niet.  De Duitsers vonden trouwens dat de militanten van de Cercles Réunis te veel water in de wijn deden.  Zij begrepen niet dat de Brusselse revolutionairen bleven vasthouden aan de eis van het algemeen stemrecht.  Maar Hohn ging namens de Leseverein toch naar het nationaal revolutionair congres dat op 19 september 1880 in Brussel plaatsvond en dat was een initiatief van diezelfde Cercles Réunis.
Wij kunnen besluiten dat de Duitse socialistische gemeenschap in Brussel vrij goed op de hoogte was van het doen en laten van de Belgische socialistische stromingen.  De interne strijd tussen radicalen en gematigden die in en rond de Deutscher Leseverein plaats vond, was vergelijkbaar met wat zich onder de Brusselse socialisten manifesteerde.  Uiteindelijke vonden Duitse en Belgische radicalen zich in het anarchisme, ook al bleven zij gezien de taalproblemen afstand houden.

Tot slot willen wij hier nog aanstippen dat de socialistische pers in België uitvoerig over de toestand in Duitsland verslag gaf.  De gematigde De Volkswil en de radicale Le Mirabeau, het anarchistische Le Cri du Peuple, en het revolutionaire Les Droits du Peuple hadden een vaste buitenlandrubriek waarin de situatie in Duitsland geregeld aan bod kwam.  Het anarchistische Le Drapeau Rouge becommentarieerde de tegenstellingen in Duitsland tussen sociaal-democraten en revolutionairen en stak daarbij haar voorkeur niet onder stoelen of banken. Het satirische La Trique hekelde naar aanleiding van de landuitzetting van Most de invloed van Bismarck op de Belgische regering.   En ook La Sentinelle schreef over de revolutionaire beweging in Duitsland.  Zelfs het evolutionistische blad La Voix de l’Ouvrier nam de Leseverein op in zijn overzicht van Brusselse socialistische organisaties. 
A. Zacher beschreef de houding van de Belgen ten aanzien van het Duits socialisme als volgt : « Les socialistes allemands étaient tenus en haute estime par leurs frères belges, à cause de leur conduite méthodique et de leur persévérance. » (A. ZACHER, L'Internationale..., p. 145.)

9.6. La Ligue Collectiviste Anarchiste.
Deze vereniging ontstond in september 1879.  Vermoedelijk was de belangrijkste reden voor dit nieuwe initiatief dat men ongemoeid klare wijn wilde schenken, zowel ten aanzien van de evolutionisten als ten opzichte van revolutionairen die niet echt het anarchisme beleden.  Dit laatste gold zeer zeker met betrekking tot de Brusselse afdeling van de Internationale, waar aan de ene kant de anarchisten de touwtjes in handen hadden, maar waar men anderzijds de anarchistische a priori’s toch in vraag bleef stellen.  De meeste internationalisten waren federalisten, maar zij hadden geen duidelijk afgelijnde, wel overwogen, coherente visie en dat maakte dat bepaalde discussies tot in den treure moesten worden overgedaan.  Bijvoorbeeld over het al of niet gebruik van geweld bij de revolutionaire actie.  De drang naar een eigen anarchistische groep werd bovendien versterkt toen in juli-augustus 1879 naast de Internationale een andere socialistische vereniging op het voorplan kwam, namelijk Le Cercle Démocratique.  In deze kring waren talloze anarchisten actief, maar hij was evenzeer het actieterrein van evolutionisten zoals Duverger en Bartholomeus en vooral van nieuwe (nog minder bekende) revolutionairen zoals Emmanuel Chauvière, Ferdinand Monier, Joseph Milder, Xavier Stuyck, Jean Boisson, enz...  De anarchisten van Brussel moeten zich tamelijk onwennig gevoeld hebben in de nabijheid van deze onbesproken radicalen, waarvan sommigen ongemeen autoritair bleken.
Met de oprichting van de Ligue Collectiviste Anarchiste creëerden de anarchisten een veilige thuishaven van waaruit zij naar believen ten strijde trokken tegen autoritaire opposanten in het Brusselse socialistische milieu.  Dit laatste deden zij ten eerste door een permanente agitatie op vergaderingen en activiteiten van andere clubs, ten tweede door het op touw zetten van eigen propagandameetings en ten derde door de uitgave van een veertiendaags blad, Le Drapeau Rouge. In het Zwitsers anarchistisch blad Le Révolté wordt hun afkeer van dat autoritaire socialisme mooi beschreven : « Il (Verrycken) explique ensuite la raison de la création de la Ligue anarchiste en Belgique.  Il y a deux ans, dit-il, un Parti Socialiste Belge a été fondé à coté de l’Internationale; ce parti a pour but déterminé la politique legale et parlementaire  et la création d’un Etat ouvrier qui, évidemment, en tant qu’Etat, ne saurait subsister qu’en conservant les institutions actuelles, telles que magistrature, police, armee, etc..., tandis que nous devons chercher à les démolir, un Etat qui, en cherchant toujours à donner au peuple des gouvernants, créerait nécessairement au-dessous de soi une classe encore plus misérable que le prolétariat actuel.  C’est contre les tendances funestes du Parti Socialiste, dit il, que nous voulons réagir, et c’est pourquoi nous avons voulu former un groupe particulier qui se déclarât franchement révolutionnaire, combattant  toutes les autorités quelles qu’elles soient; un nouveau groupe par lequel nous aurons nos coudées franches, afin de ne plus continuer à faire en quelque sorte une propagande bâtarde. » (Le Révolté, 15-11-1879, p. 2, kol. 3.)  Wij beschikken trouwens over een ongedateerd stichtingspamflet, ondertekend door de secretaris-correspondent Laurent Verrycken. (Ligue Collectiviste Anarchiste, Groupe de Bruxelles, Brussel, z.d. (1879), 1 p.) Hierin worden de standpunten van de kring op een rij gezet : « Nous sommes des collectivistes;  Nous sommes des anarchistes;  Nous sommes des révolutionnaires; Nous voulons la liberté, l’égalité, la solidarité. »  Met deze woorden werd afstand genomen van het toen bestaande economische en politieke bestel en de anarchisten riepen op tot een totale omwenteling van de maatschappelijke structuren.  De economische crisis leidde volgens hen naar grote armoede voor arbeiders en betekende het einde voor vele kleine landbouwers en middenstanders.  Hun collectivisme stond voor een volledige andere manier van economie bedrijven.  De grondstoffen en werktuigen waren volgens hun leer eigendom van de mensheid als geheel en door arbeid - eveneens een gemeenschappelijk gebeuren - werd die collectieve eigendom omgevormd tot produkten.  Elk individu had volgens hen in overeenkomst met de gepresteerde arbeid recht op een deel van die produktie : “...l’effort personnel, la force de travail que chaque homme dépense dans l’acte de la production doit lui être restituée en equivalent.”

Le Drapeau Rouge

Merk op dat de Ligue Collectiviste Anarchiste, zoals de naam overigens te kennen geeft, nog geen voorstander was van het anarcho-communisme dat vanaf 1876 vanuit Zwitserland en Italië verspreiding vond. (Enkel Hubert Delsaute stond op de anarcho-communistische standpunten.)  De Brusselse anarchisten verzetten zich verder tegen een politiek systeem dat het produkt was van een systeem van economische ongelijkheid en dat deze ongelijkheid bestendigde.  De belangrijkste functie van de macht, die in de staat was gecentraliseerd, was volgens hen mensen respect voor (ongelijke) privé-eigendom bijbrengen.  De overheid stimuleerde dit op subtiele wijze door middel van steun aan de godsdienst en de organisatie van de opvoeding van de kinderen.  En indien nodig traden de regeringen repressief op.  Wetten, die de bescherming van de individuele eigendom tot hoofddoel hadden, werden aan de bevolking opgedrongen door een apparaat van rechters, gendarmen, cipiers, soldaten en verklikkers.  De anarchisten waren voorstander van een ander politiek systeem : « Nous sommes franchement partisans de la souveraineté populaire par l’administration de tous sans aucun pouvoir central;  nous affirmons que le libre groupement des travailleurs, dans la commune collective, fédérative et autonome, sera le point de départ des progrès sociaux, allant en augmentant avec le développement intégral des individus; développement qui doit être garanti socialement. » (Ligue Collectiviste Anarchiste, Brussel, stichtingspamflet uit 1879, kol. 1.)
De Brusselse Ligue Collectiviste Anarchiste was geen grote kring.  Van zestien vergaderingen vonden wij politieverslagen terug en dit laat ons toe om een overwogen schatting te maken van het ledenaantal.  Men kwam aan een gemiddelde aanwezigheid van 9,9 personen en er waren er nooit meer dan vijftien tegelijk present. De belangrijksten waren Laurent Verrycken, Hubert Delsaute, Charles Debuyger, Egide Govaerts, Egide Spilleux, Achille Hertschap, Eugène Steens, Joseph Claeskens, B. Frémineur en Désiré Voglet. Andere leden waren Joseph Thierry, Adolphe Rogge, Henri Peeters, J. Vandenabeele, Victor Delsaute, Victor Claeskens, Joseph Allecourt, Jean  Huyskens, Joseph Pellering en waarschijnlijk ook Eugène Sibile, Vandenheuvel, Vandriessche en Huart.
Wie waren nu deze mensen ?  Eerst en vooral kunnen er enkele algemeenheden naar voor worden gebracht.  Zo waren de leden van de Ligue Collectiviste Anarchiste haast allen ambachtslieden.  Meestal werkten zij echter niet op een zelfstandige basis, wel voor een ‘patron’, in een atelier of gewoon thuis.  Dit had ondermeer te maken met de beperkte aanwezigheid van grootindustrie in de Brusselse agglomeratie.  Een ander opmerkelijk punt was de leeftijd van de militanten.  Als men 1880 als referentiejaar neemt, dan blijkt dat de actieve leden dertigers en veertigers waren.  Enkel Eugène Steens was de vijftig gepasseerd, maar hij stond een beetje buiten de kring.  De Brusselse anarchisten waren met andere woorden noch jonge haviken, noch uitgebluste anciens.  Zij waren rijpe, volwassen militanten, die aan de ene kant konden terugblikken op enkele jaren radicale socialistische agitatie en anderzijds nog een groot deel van het leven voor zich hadden, waardoor zij hun revolutionaire aspiraties hoopten te verwezenlijken.  In de Ligue Collectiviste Anarchiste was het Frans de voertaal.  Dit nam niet weg dat het merendeel van de leden de ‘Vlaamse’ taal verstond en kon praten. Zeker van Verrycken en Delsaute is geweten dat zij de Vlaamse taal machtig waren. Hertschap, Voglet en Allecourt waren trouwens Vlaming van geboorte en Huyskens was een Nederlander.  De vertrouwdheid met het ‘Nederlands’ zou van belang blijken voor het leggen en onderhouden van contacten met Vlaamstalige groepen in Brussel en de provincie en met Duitse migranten. Zoals de naam van de vereniging aangeeft waren de meeste leden overtuigde collectivisten en enkelen onder hen, zoals Hubert Delsaute, tendeerden reeds naar communistische opvattingen.
Men zou kunnen vermoeden dat een vereniging met een relatief klein aantal leden een sterke organisatorische structuur overbodig maakte.  Bovendien was de Ligue Collectiviste Anarchiste een libertaire vereniging, en ook dat zou kunnen wijzen op minder formele afspraken.  Het tegendeel was echter het geval.  Officieel bestond er in de schoot van de kring een Comité d’organisation dat de praktische gang van zaken beheerde en er was een vaste secretaris-correspondent, schatbewaarder en archivaris, respectievelijk Verrycken, J. Claeskens en Frémineur.
Anderzijds kan men niet langs het feit dat de ancien Laurent Verrycken de centrale figuur was.  Hij had meer macht dan zijn mandaat formeel toestond.  Als initiatiefnemer bij de oprichting van de vereniging, controleerde hij zonder veel inspraak de uitgave van het kringblad Le Drapeau Rouge. Een ander voorbeeld van zijn eigengereid handelen was het beheer van de financies.  Officieel was er een schatbewaarder, maar Verrycken voerde met de préfinanciering van Le Drapeau Rouge een politiek van voldongen feiten.  Met andere woorden, vooraleer de kringleden het goed beseften zaten zij met een serieus deficit.  Het hoeft geen betoog dat dit voor de nodige wrevels zorgde.  De vergaderingen verliepen nochtans ongedwongen en op basis van gelijkwaardigheid.  Iedereen kon vrij het woord nemen en er was geen vaste voorzitter, want die werd telkens bij de aanvang van de vergaderingen verkozen  Toch moet ook hier gezegd worden dat bepaalde personen meer het voorzitterschap waarnamen dan anderen, wat evenzeer wijst op het bestaan van vormen van informeel leiderschap.  Wij denken hier vooral aan Hubert Delsaute die één op vier vergaderingen voorzat. Andere in het oog springende figuren waren Spilleux, Debuyger, Steens en Rogge.
De Ligue Collectiviste Anarchiste vergaderde elke maandag in het Maison des Tanneurs, Grote markt 15, waar ook de samenkomsten van de Internationale en Les Solidaires plaats vonden.  Meestal erg laat op de avond, om 21.30 uur.  Meetings en conferenties gingen in hetzelfde lokaal door.  Dergelijke publieke bijeenkomsten werden voorgezeten door een speciaal voor zo een avond samengesteld bureau.

De Ligue Collectiviste Anarchiste vertoonde maar weinig gelijkenissen met de vroegere Internationale die in eerste instantie de arbeiders had trachten te organiseren.  Zij was een anarchistische propagandaclub en haar leden waren autodidacten die op politiek vlak weinig voeling hadden met de arbeiderswereld.  In die zin was de kring een perfecte illustratie van de toenmalige libertaire beweging in Europa, die zich vooral wilde affirmeren ten aanzien van socialistische concurrenten.  Men richtte zich dus naar andere socialisten in de hoop hen voor het anarchisme te winnen.  In theorie lagen de objectieven natuurlijk ruimer, en met de uitgave van Le Drapeau Rouge bereikte men ook een breder publiek, maar een groot deel van de energie ging naar de ‘broederstrijd van het grote gelijk’.
De Ligue Collectiviste Anarchiste organiseerde tijdens haar korte bestaan één meeting, drie conferenties en één feestavond.  De meeting ging door op 27 oktober 1879.  Het onderwerp van de samenkomst was het revolutionaire gedachtengoed en een protest tegen het repressieve optreden van de overheid te Chatelineau, naar aanleiding van stakingen.  Ondermeer Verrycken, Debuyger en Steens namen het woord.  Zij hekelden het programma van de Belgische Socialistische Partij en riepen op tot revolutie, waarbij veel aandacht werd geschonken aan het belang van een kleine, gewapende, resolute groep die bijvoorbeeld te Chatelineau het geweld van het leger op ‘gepaste’ wijze had kunnen beantwoorden en de mijnwerkers tot opstand had kunnen aansporen.  Daarna hield Delsaute een exposé over de anarchistische principes.   De toespraak van Delsaute was volgens de politieverslagen voor het merendeel van het publiek vermoeiend en haast onbegrijpelijk, maar Le Révolté meldde daarentegen: "Le citoyen Hubert Delsaute prend la parole et lit un grand discours, applaudi maintes fois, sur l'anarchie politique et économique" (Le Révolté, 15-11-1879, p. 2, kol. 3). 
Op 17 november 1879 gaf Verrycken een conferentie en op 14 december deed hij het nog eens over.  Het thema was : ‘revolutie en evolutie’.  Verrycken zei ondermeer : « on ne peut obtenir de réformes sérieuses qu’en descendent dans la rue avec un fusil. »  Delsaute nam daarna het woord en had het over de ‘weldaden der anarchie’.  Ook Huart, Debuyger en Monier lieten van zich horen en zij bekampten het pacifisme van de evolutionisten.  Maar ook de gematigde socialisten waren present en zij beten van zich af.  Bertrand betoogde dat het volk eerst moest worden opgevoed en ook Duverger en De Paepe waren voorstander van een langzame evolutie naar een socialistische samenleving. (H. WOUTERS, Documenten..., p. 1424-1427.)  Een dag later, op 15 december 1879, hield de evolutionist Duverger een conferentie over algemeen stemrecht.  Hier kwamen de anarchisten weerwerk leveren, o.a. Debuyger, Verrycken, Steens, Huart en Pellering.  Zij hekelden de evolutionaire weg die door Duverger gepromoot werd en zij kwamen op voor revolutie. 
Algemeen stemrecht was de centrale eis van de gematigde socialisten.  In de loop van 1880 voerde de evolutionistische Belgische Socialistische Partij hier rond in Brussel een verhoogde propaganda.  Belangrijke momenten waren het congres van 1 februari 1880, waar het Comité Central pour l'Obtention du Suffrage Universel werd opgericht, de deelname van vier arbeiderskandidaten aan de parlementsverkiezingen van 8 juni en de betoging van 15 augustus.  Revolutionairen - waaronder ook anarchisten - namen deel aan deze activiteiten, ofwel om ze te radicaliseren, ofwel om ze te boycotten.    Bijvoorbeeld op de evolutionistische meeting die op 15 september 1879 te Laken doorging kwam Delsaute weerwerk leveren en op de meeting van 12 januari 1880 in café De Zwaan kwamen de anarchisten Spilleux, Claeskens, Verrycken, Hertschap, Huyskens en Huart zich roeren.  En op 9 mei waren de anarchisten als groep aanwezig op een verzoeningsvergadering tussen revolutionairen en evolutionisten.  Verder waren Spilleux, Huyskens en Debuyger aanwezig op het jaarlijks congres van de BSP dat op 16 en 17 mei te Brussel plaatsvond.  Debuyger, Stuyck, Hertschap, Huart, Seconde,... lieten zich ook opmerken op meetings van het Comité Central pour l'Obtention du Suffrage Universel.  En op het congres van 4 juli 80 dat handelde over een manifestatie voor algemeen stemrecht waren eveneens verschillende anarchisten aanwezig. 
En de anarchisten hielden ook zelf bijeenkomsten. Op 5 januari 1880, hield de anarchist Egide Spilleux een conferentie over het algemeen stemrecht. Hij gaf toe dat stemrecht een natuurrecht was - alle mensen waren tenslotte gelijkwaardig - maar hij stelde onmiddellijk dat het nooit de problemen van het ‘proletariaat’ zou oplossen.  Mocht het de socialisten ooit lukken om afgevaardigden naar het parlement te sturen, dan zou - aldus Spilleux - vlug blijken dat de ‘bourgeoisie’ hen er niet au sérieux nam.  Spilleux verwees onder andere naar de toestand in Duitsland waar ondanks de aanwezigheid van socialisten in de Reichstag de repressieve socialistenwetten waren gestemd.  Samengevat, zoals zo veel anarchisten in die tijd zag Spilleux niet in hoe men via een partijpolitieke strategie, die gericht was op machtsverwerving en zich daarenboven compromitteerde door deelname aan het burgerlijke parlementaire spel, kon komen tot een samenleving van vrijen en gelijken.  De ontvoogding van het verpauperde volk had volgens hem niets met politiek van doen.  Het moest - en dat was essentieel -  een economische bevrijding zijn, of anders gezegd : het in de praktijk brengen van de anarcho-collectivistische idealen.  Spilleux hield het trouwens niet alleen bij een kritiek op de parlementaire democratie.  Ook arbeidersregeringen moesten het in zijn anarchistische ogen ontgelden :  “On a essayé de ce dernier avec les principes de Proudhon, de Fourrier, des Phalanstères, etc.  Tous les partisans de ces idées, en se déclarant de prime abord anti-étatistes, en sont toujours revenus à la formation d’un état, d’un gouvernement.  Ceux donc qui disent anarchistes, doivent être les ennemis de toute espèce de gouvernement. » (H. WOUTERS, Documenten..., p. 1445-1446.)  Daarna lichtte zoals steeds Delsaute de anarchistische principes in het kort toe.  Interessant was verder de interventie van de revolutionair Xavier Stuyck die opkwam voor de blanquistische eisen van algemeen stemrecht, verkozenen met imperatief mandaat en gewapende burgerwachten.  Deze drie eisen maakten in die dagen opgang in de revolutionaire Les Cercles Réunis waarvan Stuyck lid was.   De anarchisten waren echter geen beste maatjes met de autoritaire blanquisten en vice versa.  Stuyck was bijvoorbeeld de auteur van een lezersbrief in Le Prolétaire waarin hij, als reactie op de publikatie van het stichtingspamflet van de anarchisten, een pleidooi hield voor revolutionair centralisme (Le Prolétaire, 3-1-1880, p. 6, kol. 1-2.) en de blanquistische voorman Emmanuel Chauvière trachtte anarchiserende revolutionairen van de Ligue Collectiviste Anarchiste los te wekenen en naar de eigen clan over te halen.  Tegen Hertschap zei hij : « Tu te dis anarchiste et tu ne sais même pas ce que tu es.  Votre cercle collectiviste anarchiste se compose d’environ 30 membres et pas un d’entre eux ne manifeste la même opinion.  Viens chez moi, je t’instruirai mieux que les Verrycken, les Steens, les Debuyger et Delsaute, qui ne s’entendront jamais.  Vous me prenez tous pour un étatiste, parce que je suis partisan du suffrage universel; mais si nous l’obtenions comme je l’entends, le grand pas serait fait et nous saurions dès lors à quoi nous en tenir.  Il est inutile de crier sur les toits ce que nous, communistes et collectivistes, nous revendiquerions alors. » (H. WOUTERS, Documenten..., p. 1460.)  Het is duidelijk dat de bezigheden en opinies van de blanquisten bij de anarchisten niet in goede aarde vielen.  Verrycken wuifde de voorstellen van Stuyck dan ook weg en na de bijeenkomst bleef men bij Hertschap thuis tot in de vroege uurtjes napraten.  Spilleux zei hier : « Je ne veux d’aucun gouvernement quelqu’il soit : ni république, ni monarchie, pas plus qu’empire ou états fédéraux. »  En in het politieverslag bekommentarieerde men : « Les idées communistes centralisatrices de l’autoritaire Chauvière et sa bande ne lui sourient pas plus.  L’anarchie seule résoudra la question sociale et il consacra sa vie à en propager les principes. » (H. WOUTERS, Documenten..., p. 1443.)

Terwijl de anarchisten zich in Zwitserland en Italië wendden naar de ‘propaganda door de daad’, bleef de Ligue Collectiviste Anarchiste een open kring die de propaganda met het woord en de pen voerde.    Toch mag men niet denken dat men in Brussel geen weet had van de evolutie die het anarchisme in andere landen doormaakte.  Daarvoor waren de internationale contacten en correspondenties te omvangrijk en bovendien was er de buitenlandse pers, vooral dan het libertaire blad Le Révolté.  Het had tot gevolg dat de ideeën over de ‘propaganda door de daad’ langzaam in het Brusselse milieu doorsijpelden.  Wij wezen reeds op het belang dat de anarchisten hechtten aan de agitatie van een kordate, gewapende groep revolutionairen met betrekking tot stakingen.  En toen eind december 1879 tijdens een staking in de Borinage een drietal bomaanslagen plaatsvonden, kon Verrycken niet nalaten zijn sympathie voor het gebruik van dynamiet te betuigen.  Spilleux voegde er aan toe : « Attendez (...) que moi, je monte un coup et vous verrez si je tremblerai pour faire sauter, non pas une tête de poupée comme celle de Léopold, mais toutes ces têtes d’aristots, qui s’endorment sur les bancs de la chambre et du sénat et de tous ceux qui sont cause que nous devrions en arriver là.  Nos amis politiques ne diront plus alors que les anarchistes sont des fous, qui demandent l’impossible et nous leur ferons voir comment dansent nos oppresseurs. » (H. WOUTERS, Documenten..., p. 1436.)  Vanaf begin 1880 doken dergelijke uitspraken geregeld op tijdens gesprekken tussen anarchisten.  Men had het echter nog niet over de individuele op zich zelf staande daad.  Meestal werd een duidelijke link gelegd naar een op til zijnde opstand.  De aanslag was dan de spreekwoordelijke druppel die de emmer moest doen overlopen en de massa’s in beweging brengen.  In die optiek moeten de volgende woorden van Egide Govaerts worden begrepen toen hij met Spilleux, J. Claeskens en Hertschap praatte over het gebruik van geweld : “Je me ferais moins de scrupule de tuer un agent de police qu’un chien enragé.  J’espère prouver ce que j’avance à un moment donné.  Si nous pouvions proclamer la Commune à Bruxelles, quelle leçon nous infligerions aux Parisiens ! » (H. WOUTERS, Documenten..., p. 1483.)  Aan de andere kant waren niet alle anarchisten voorstander van het gebruik van geweld.   Van Steens is dit genoegzaam geweten, maar ook Joseph Pellering relativeerde het nut van aanslagen.  Hij zei ondermeer dat indien in België al een revolutie mocht plaats vinden, de buitenlandse legers er als de kippen zouden bij zijn om het land in te nemen en onder elkaar te verdelen.  Pellering wilde daarom niet te veel tijd steken in stakingen en geweld.  Volgens hem was de enige weg naar de sociale revolutie de opvoeding van de massa’s : enkel als dit gebeurd was kon men “l’anarchie universelle” proclameren.
De Brusselse anarchisten werden dus meer en meer voorstander van gewelddadige actiemiddelen.  Zij gingen zich echter nog niet verstoppen in geheime comités en organiseerden integendeel publieke bijeenkomsten.  Bijvoorbeeld op 18 maart 1880 werd Au Tanneur de heroïsche Commune van Parijs met een feestavond herdacht.  Toch waren er - met de introductie van ‘de propaganda door de daad’ - tekenen die wezen op conspiratieve verzuchtingen.  Reeds in november 1879 stelde Egide Govaerts voor om geheime groepen “à l’instar de la Marianne” op te richten.  Hier kwam voorlopig weinig respons op maar men moet dergelijke uitspraken zien als een voorbode van wat later zou komen.  Trouwens, het belang van de conspiratie in de Franse revolutionaire traditie en het feit dat via politieke vluchtelingen deze traditie ook in Brussel voet aan de grond kreeg, kan niet genoeg in de verf worden gezet.  Ondermeer de opkomst van het blanquisme was daarvan een gevolg en ook ten aanzien van de anarchisten zouden de conspiratieve methodes aanstekelijk werken.  Verder mogen wij de invloed die uitging van gewelddadige agitatie in het buitenland niet onderschatten.  Anderzijds moet hier gewezen worden op de relatieve waarde van politiebronnen.  De politiediensten - van nature geïnteresseerd in komplotten en aanslagen - overriepen de zaken een beetje.  Zeker toen op 2 maart en op 25 mei 1880 aanslagen op de koningin plaatsvonden.  De eerste aanslag vond plaats toen de koningin per koets terugkeerde van een voorstelling in de muntschouwburg.  “Deux planches, quatre pétards et un couvercle de pétard” werden onder de koets tot ontploffing gebracht.  De tweede aanslag gebeurde toen zij eveneens in een koets gezeten terugkwam van een wandeling in Terkameren Bos.  Een deftig geklede, vijftien à achttien jarige jongeman gooide een zware steen naar het gezelschap in de koets en de koningin werd aan de schouder getroffen.  Onmiddellijk werd gedacht aan een internationale samenzwering en de administratie van de openbare veiligheid, het parket en de hoofdstedelijke politie kwamen verbazend snel in actie om het anarcho-revolutionaire milieu door te lichten.  Na enkele dagen moesten zij echter schoorvoetend toegeven dat de Brusselse radicalen niet waren geïnteresseerd in de dood van de koningin. De dader van beide aanslagen bleef evenwel onvindbaar, maar toen het onderzoek in de richting van het hof wees werd het prompt stopgezet. (Algemeen Rijksarchief Brussel, KR.733, "Attentat contre la vie de S.M. la Reine à Bruxelles dans la soirée du 2 mars 1880.", KR.735, "Attentat contre la personne de Sa Majesté la Reine à Bruxelles le 25 mai 1880.";  H. SNEYERS, Politiefichering..., p.44-45.) 
Denise De Weerdt schrijft in haar doctoraal verhandeling : “De genese van die anarchistische en sociaal-revolutionaire groepen eind 1879 is zeer verward, daar haar leden en theorieën door elkaar liepen, samen met die van de oud-communards en de Internationale”. (D. DE WEERDT, Het ontstaan..., p. 143.  Dit citaat werd grotendeels overgenomen in D. DE WEERDT, De Belgische..., p. 103.)  Blijkbaar is het voor haar niet duidelijk hoe de informele machtslijnen en contacten liepen.  Dit kan bijvoorbeeld verklaren waarom zij zegt dat de Ligue Collectiviste Anarchiste op een vergadering van 25 oktober 1879 contact nam met de Cercle Démocratique en met mannen van de Internationale om hen uit te nodigen mee te werken aan een internationale anarchistische federatie.  Het contradictorische van deze bewering is namelijk dat die mannen - Debuyger, Hertschap en Voglet - actief lid van alledrie de kringen waren.  Uit het gedetailleerde onderzoek dat wij ten aanzien van de verschillende verenigingen en personen voerden, blijkt dat De Weerdt de invloed van de anarchisten onderschat.  De Ligue Collectiviste Anarchiste was namelijk geen geïsoleerde groep.  Vanuit deze kring had men de touwtjes in handen in de Internationale en in L’Affranchissement en haar leden waren individueel actief in andere vrijdenkerskringen, in Le Cercle Démocratique, Les Cercles Réunis, de Vryheidsbond en in verschillende beroepsgroepen.  Verder hadden zij nauwe contacten met de Franse en Duitse vluchtelingengroepen.  Ook met medestanders buiten Brussel werden goede relaties onderhouden.  Vooral met de anarchisten en internationalisten van Verviers, die de uitgave van Le Drapeau Rouge toejuichten en financieel steunden.  In Antwerpen kende men Louis Calluwaert en men had contacten in Luik, Dours, de Borinage en Dinant.
De Ligue Collectiviste Anarchiste ging reeds in april-mei 1880 ter ziele.  Uit de politieverslagen kunnen wij opmaken dat het een rechtstreeks gevolg was van financiële moeilijkheden met de uitgave van Le Drapeau Rouge.  Spilleux had reeds in januari 1880, nog voor het eerste nummer van het blad verschenen was, gewaarschuwd voor de financiële implicaties van de uitgave van een krant en preventief opgeroepen om de individuele ledenbijdrage gevoelig te verhogen.  Vrij snel bleek zijn waarschuwing gegrond.  De inkomsten verliepen niet zoals men had verwacht en men zat half maart met een schuld van 72 frank bij drukker Brismée.  Op 18 maart kwam men in spoedvergadering bijeen om voor de liquiditeitsproblemen naar een oplossing te zoeken.  Spilleux stelde voor om de veertiendaagse uitgave van Le Drapeau Rouge voorlopig te staken en in november opnieuw te beginnen met een weekblad op groter formaat.  De vergadering besliste echter om het blad verder te drukken en pas op een volgende samenkomst de stopzetting te overwegen.  Die bijeenkomst ging door op 22 maart 1880.  Delsaute gaf een overzicht van de uitgaven en inkomsten en er werd besloten nog een laatste nummer uit te geven.   Een week later, op 29 maart, stelde Spilleux echter voor om Le Drapeau Rouge toch verder te laten verschijnen en hij herhaalde zijn voorstel om de leden van de kring een vaste wekelijkse bijdrage te laten betalen.  Maar de zaak ging op de lange baan.  Dat had niet alleen te maken met de financiële problemen.  Bij de stopzetting van de uitgave van Le Drapeau Rouge speelden onderhuids persoonlijke tegenstellingen en wrevels een meer dan belangrijke rol.  Dat hield verband met de informele machtsstructuren in de vereniging.  Vooral Laurent Verrycken, Charles Debuyger en Hubert Delsaute hadden het voor het zeggen, en zij controleerden de uitgave van Le Drapeau Rouge.  Het merendeel van de leden had daar geen problemen mee, maar het was niet naar de zin van een man als Eugène Steens.  Die leverde kritiek op de gang van zaken en zeker Verrycken moest het in zijn ogen ontgelden.  Op 15 maart 1880 viel Steens tijdens een vergadering Verrycken openlijk aan.  Het niveau van de discussie kan best met een citaat geïllustreerd worden : “Vous, Verrycken, vous avez publié dans Le Drapeau Rouge des articles remplis de fautes de style et d’orthographe, qui vont faire de nous la risée de toute la FranceC’est lâche et dégoutant de brûler des correspondances.  Ce manque de confiance indique assez que vous nous prenez, nous, vrais républicains, pour des mouchards.  Eh bien ! sachez que cette graine n’a pas encore pris racine parmi nous ! » (H. WOUTERS, Documenten..., p. 1482.)  Verrycken voelde zich natuurlijk persoonlijk aangevallen en hij legde al zijn functies neer.  Enkele dagen later zou hij zich net zoals Debuyger uit de Ligue Collectiviste Anarchiste terugtrekken.  Ook Egide Govaerts, die dergelijke ruzies kon missen als kiespijn, gaf zijn ontslag.  Het verlies van deze drie kopstukken betekende het einde van Le Drapeau Rouge, waarvan nog een laatste nummer op 28 maart verscheen.  Van dan af ging het snel bergafwaarts met de Ligue Collectiviste Anarchiste.  Delsaute trachtte nog te redden wat er te redden viel.  Maar dat was niet veel.  Met het verdwijnen van het verenigingsblad had de groep zijn gezicht verloren en de ruzies hadden het onderling vertrouwen geschaad.  De Ligue Collectiviste Anarchiste was met andere woorden niet meer die veilige thuisbasis, en van gezamenlijke propagandistische acties kwam dan ook niet veel meer in huis.  Opmerkelijk bij dit alles was de persoon van Steens.  Als men - wat betreft de teloorgang van de anarchistenclub - iemand met de vinger wil nawijzen, dan is hij het wel.  Steens was - al dan niet bewust - de oorzaak van het vertrek van Verrycken en Debuyger, waardoor Le Drapeau Rouge op Delsaute na haar twee belangrijkste redacteurs verloor.  Wij wezen in dit kader op de persoonlijke tegenstellingen tussen Steens en Verrycken.  Maar er was meer.  Ideologisch bekeken was de ancien Steens een buitenbeentje.  Hij was een anarchist, dat wel, maar in tegenstelling tot de anderen erg gematigd, zeker wat het gebruik van geweld betreft.  Hij had in het verleden verschillende watertjes doorzwommen en voelde zich nog het best thuis in de Brusselse afdeling van de Internationale.   In die zin was hij eerder als internationalist actief in de Ligue Collectiviste Anarchiste dan omgekeerd.
In juni kwam de anarchistengroep terug bij elkaar.  Dit had te maken met het bezoek van een internationaal bekende anarchist.  28 mei 1880 arriveerde in Brussel Errico Malatesta, samen met Apostola Paolis, Charles Fiorini en Leonard Dupaix.  Zij kwamen van Parijs, waar het gerecht hen op de hielen zat. Malatesta vond in Brussel tijdelijk onderdak bij de Italiaanse student in de rechten Francesco Ginnasi en zou reeds enkele dagen later doorreizen naar Londen. Hij was één van de grote theoretici van ‘de propaganda door de daad’ en van het ‘anarcho-communisme’.  Op 1 juni sprak hij Au Tanneur een vergadering van de anarchisten toe en de dag nadien was hij te gast bij Les Cercles Réunis, waar hij praatte over de Commune van Parijs.  De politie-informant schreef : « Il a exposé l’anarchie d’une telle façon que personne n’a pu lui répondre, ni le contredire.  Il paraît que c’est un homme capable, qui sait capter la sympathie de son auditoire. » (H. WOUTERS, Documenten..., p. 1551.)  Na het vertrek van Malatesta werd het terug rustig bij de Brusselse anarchisten.  Formeel bestond de groep nog maar iedereen ging zowat zijn eigen gang. 

Le Drapeau Rouge.
Reeds in september 1879 had Laurent Verrycken plannen om een blad uit te geven.  In oktober-november, toen de Ligue Collectiviste Anarchiste tot bloei kwam, werd dit voornemen concreet.  Aanvankelijk dacht men aan de naam L’Anarchie of La Révolte, maar eind november werden intekenlijsten verspreid voor een krant met de naam Le Drapeau Rouge.  Het blad verscheen om de veertien dagen en had een oplage van meer dan duizend exemplaren.  Van het eerste nummer drukte men zelfs een grotere hoeveelheid omdat een aantal exemplaren als promotie gratis werden verdeeld.  Verrycken was de coördinator en hij kon rekenen op de actieve steun van Ch. Debuyger en H. Delsaute.  Andere medewerkers waren J. Claeskens, E. Govaerts en E. Steens.  Spilleux hield zich op de vlakte.  De krant werd gedrukt bij Désiré Brismée.  Die verwachtte ten laatste woensdagavond de artikels en vrijdag in de namiddag rolden de eerste nummers reeds van de persen.  Zondag 1 februari 1880 kwam Le Drapeau Rouge voor het eerst officieel uit.  Hij bevatte veel buitenlands nieuws.  De redactieploeg las hiervoor vele niet-Belgische kranten en liet indien nodig artikels in het Frans vertalen.  Verder had men de beschikking over verschillende correspondenten in binnen- en buitenland.  Ondermeer Emile Piette te Verviers, Paul Brousse te Londen, Leonard Dupaix in Parijs en er waren contacten met onder andere Andrea Costa in Italië en A. Chardon in de Borinage.  Zij gaven informatie over plaatselijke toestanden en bovendien ronselden zij abonnées.  Ook in Brussel gebeurde dit laatste via tussenpersonen.  Wij weten bijvoorbeeld dat de anarchist Arsène Crié een aantal abonnementen aanbracht en dat via de Deutscher Leseverein verschillende abonnées werden gewonnen. 
Le Drapeau Rouge kende een vroegtijdig einde.  Er verschenen slechts vijf nummers.  Niet zonder spijt deelde men in de laatste uitgave, van 28 maart 1880, mee : « Avec le present numéro, pour des raisons indépendance de notre volonté, le Drapeau rouge suspend momentanement sa publication, pour reparaître bientôt plus vigoureux que jamais. »
(Le Drapeau Rouge, 28-3-80, p. 1, kol. 1.)  De abonnées konden indien zij er op stonden hun geld terugkrijgen en men gaf daarvoor een nieuw administratieadres op.  Aanvankelijk was men echt van plan om opnieuw een blad uit te geven.  In die zin deed men in het laatste nummer een oproep naar de niet-actieve leden van de kring om de reorganisatie van Le Drapeau Rouge te bespreken.  Helaas... de afgang van de Ligue Collectiviste Anarchiste was om uiteenlopende redenen niet meer tegen te houden. En daarmee verdween ook het anarchistisch blad.

9.7. Le Cercle Démocratique.
In augustus 1879 duikt in de politiearchieven plots een nieuwe socialistische kring op. De vereniging noemde zich Le Cercle Démocratique en was aanvankelijk een radicale studentenkring waarin ook enkele evolutionisten actief waren. Spoedig wekte zij de aandacht van radicalere elementen uit het Brusselse socialisme.  Vooral de naam Emmanuel Chauvière moet hier worden genoemd.  Deze ingeweken Fransman wist een aantal revolutionairen - anarchisten en blanquisten - rond zich te verzamelen in een Cercle d’Etudes Sociales, van waaruit men eensgezind optrad in Le Cercle Démocratique.   Dit mondde vrij snel uit in een strijd met de evolutionisten.
De interne machtsstrijd in Le Cercle Démocratique kan doorgaan voor een haast perfecte illustratie van wat er in die dagen tussen de verschillende socialistische stromingen in Brussel gebeurde.  Ter herinnering sommen wij deze strekkingen nog even op.  Aan de ene kant had je de evolutionisten die zich verenigd hadden in de BSP en La Chambre du Travail en die de krant La Voix de l’Ouvrier uitgaven.  Verder gold hun invloed vooral in de vrijdenkersvereniging Les Solidaires.  Aan de andere kant waren er de revolutionairen, die op hun beurt een hele waaier van standpunten en stromingen omvatten met als belangrijke uitersten de anti-autoritaire anarchisten en de autoritaire blanquisten.  Midden 1879 waren vooral de anarchisten van tel.  Zij ontmoetten elkaar in de Brusselse afdeling van de Internationale en vooral in de vrijdenkerskring L’Affranchissement.  Vanaf september 1879 kwamen zij met een eigen Ligue Collectiviste Anarchiste op de proppen.  Revolutionairen hadden ook de touwtjes in handen in de vrijdenkersvereniging Les Cosmopolitains en zij konden rekenen op steun vanuit de Franse en Duitse vluchtelingenkringen.  Uitgesproken blanquisten verschenen pas ten tonele met de komst van Chauvière.  Vanaf september-oktober 1879 zou hij van wal steken met de fameuze Les Cercles Réunis.  Chauvière had van bij zijn aankomst de bedoeling om in Brussel een revolutionaire beweging naar blanquistisch model op touw te zetten.  In die optiek richtte hij Le Cercle d’Etudes Sociales op en werd hij actief in Le Cercle Démocratique. Chauvière besloot trouwens de vergaderingen van Le Cercle Démocratique en petit comité voor te bereiden.  Er waren immers ook evolutionisten zoals Arthur Duverger en Louis Bertrand op de samenkomsten aanwezig en dat was voor de Brusselse revolutionairen op zich al voldoende reden om weerwerk te gaan leveren.  Op de vergadering van 13 augustus 1879 was het hek meteen van de dam toen Bertrand protesteerde tegen de toetreding van de anarchist Charles Debuyger.  Dat zorgde voor het nodige tumult.  Onmiddellijk bleek dat de evolutionisten de zaak niet wisten te domineren want Debuyger werd aanvaard en met hem traden ook de anarchisten Spilleux en Hertschap toe.  Ferdinand Monier stelde de cruciale vraag : « ...sommes-nous des socialistes, des démocrates, des révolutionnaires ? » en gaf zelf het antwoord.  Hij riep op tot geweld en revolutie, gaf het voorbeeld van de revoluties van 1789, 1793, 1848 en 1871, en spiegelde zich aan de vastberadenheid van de Russische nihilisten.  Debuyger viel hem bij en zei dat men zich moest onderrichten en organiseren en dat men moest komplotteren voor de universele revolutie.
(H. WOUTERS, Documenten..., p. 1329-1330.)
Weldra had Chauvière de touwtjes in handen en Le Cercle Démocratique groeide uit tot een revolutionaire club, ook al bleven sommige gematigde socialisten present.   Le Cercle Démocratique was zeker geen anarchistische club.  Er waren wel heel wat anarchisten individueel actief, maar de boventoon werd gevoerd door de blanquist Chauvière.  Blijkbaar gingen anarchisten en autoritaire revolutionairen tot op zekere hoogte hand in hand.  Zij vonden elkaar in hun verzet tegen het evolutionisme.
Achteraf beschouwd heeft Chauvière Le Cercle Démocratique vooral gebruikt als verspreidingskanaal voor zijn blanquistische ideeën.  Le Cercle Démocratique kwam voor hem als geroepen : het was een club met radicale leden die tot dusver grotendeels los van de bekende socialistische stromingen tot ontwikkeling was gekomen.  Le Cercle Démocratique had iets van een onbeschreven blad waarop ‘beroepsagitator’ Chauvière met grote gretigheid de inkt liet vloeien.  Onrechtstreeks heeft Le Cercle Démocratique ook als recruteringsbasis voor Les Cercles Réunis gediend.  Vele radicalen die met interesse kwamen luisteren naar de hevige, duidelijke speeches van Chauvière raakten in de ban van zijn woorden en gingen zich engageren in Les Cercles Réunis, ondermeer Xavier Stuyck, Ferdinand Monier, Modeste Winandy en Joseph Milder.
Le Cercle Démocratique telde een relatief groot aantal leden.  Volgens een politieverslag van 22 augustus 1879 waren er honderdenacht ingeschrevenen.  Een verslag van eind oktober geeft er een tachtigtal.  Het waren hoofdzakelijk jonge mensen, aanvankelijk zelfs veel studenten.  Verder kwam je er vooral arbeiders-ambachtslui, typografen en enkele bedienden en handelsreizigers tegen.  De groep draaide in feite rond een dertigtal actieve leden, waarvan het merendeel radicalen en revolutionairen waren. We hebben twee uitgesproken blanquisten, zes anarchisten  en een aantal radicalen, die nog geen expliciete keuze tussen anarchisme of blanquisme gemaakt hadden, kunnen traceren en slechts een viertal evolutionisten.  Met name de blanquisten Emmanuel Chauvière en Xavier Stuyck, de anarchisten Achille Hertschap, Charles Debuyger, Laurent Verrycken, Egide Spilleux, Joseph Thierry en Egide Govaerts, en ondermeer de revolutionairen Ferdinand Monier, Joseph Milder, Modeste Winandy en Gilles. Evolutionisten waren Arthur Duverger, Hubert Verhaelebeke, Guillaume Bartholomeus en Raymond Serrure.
Zoals reeds gezegd werd, bereidden de revolutionairen de vergaderingen van Le Cercle Démocratique voor.  Chauvière had een Cercle d’Etudes Sociales opgericht en hier werden strategieën bepaald om de evolutionisten te bekampen, vooral dan Duverger.  Op 31 augustus moest Chauvière tijdens zo een samenkomst toegeven dat Duverger nog steeds een zekere invloed in de Cercle Démocratique had.  Een logisch gevolg was dat in Le Cercle Démocratique de aanvallen van de revolutionairen bleven aanhouden.  In die zin bekampte Chauvière tijdens de vergadering van 4 september 1879 de idee van coöperatieven en syndicale weerstandsverenigingen : “...c’est entraver le progrès, c’est former des ennemis qui nous combattent, c’est retarder l’avénement de la révolution.  (...)  Pour arriver à notre but, il nous faut donc rejeter tous les moyens pacifiques.  C’est par la violence que nous vaincrons.” (H. WOUTERS, Documenten..., p. 1348.) Tijdens een volgende vergadering herhaalde Debuyger deze zienswijze.  Vooral de maatschappijen van onderlinge bijstand moesten het in zijn ogen ontgelden.  Zij trokken arbeiders aan die belust waren op persoonlijk voordeel en verder niet in het socialisme geïnteresseerd waren.  De anarchist Debuyger zei dat de revolutionaire beweging zich moest organiseren, maar dat zij daarbij geen beroep mocht doen op arbeiders die uit waren op geldelijke steun, noch op ongeletterde arbeiders.
Tijdens dezelfde vergadering werd ook Joseph Thierry tot vaste secretaris verkozen.  Dit was een consolidatie van de toegenomen macht van de revolutionairen.  Thierry was een gekend anarchist, maar onbesproken genoeg om voor een meerderheid van revolutionairen aanvaardbaar te zijn.  De evolutionist Duverger bleef wel adjunct-secretaris maar tijdens de samenkomst van 25 september bleek dat hij van plan was zich terug te trekken.  Duverger was verbolgen over het feit dat velen hem als reactionair aanzagen. Zijn aftreden geeft nog maar eens aan dat de invloed van het evolutionisme in Le Cercle Démocratique sterk aan het tanen was.  En we kunnen besluiten dat eind september 1879 de revolutionairen het in Le Cercle Démocratique voor het zeggen hadden. Het moet ons dan ook niet verwonderen dat amper een halve maand later, tijdens de vergadering van 16 oktober, werd besloten om een collectebus te kopen met de inscriptie : “Cercle des Démocrates révolutionnaires”. Tijdens de vergaderingen van de vereniging hield men zich vooral bezig met het plannen van propaganda.  Opmerkelijk hierbij is dat de groep zich niet alleen richtte naar het inteeltwereldje van gekende socialisten rond de Grote Markt, maar daadwerkelijk pogingen ondernam om de revolutionaire idee te verspreiden tot in de buitenwijken van de stad en in de randgemeenten.
Ondanks de suksesvolle inpalming van Le Cercle Démocratique waren de Brusselse revolutionairen toch niet zo eensgezind. Uitgesproken anarchisten, ondermeer Debuyger en Verrycken, waren met de blanquistische agitatie uiteraard niet echt opgetogen, maar zo lang de blanquisten niet aanstuurden op een eigen organisatie troostten zij zich met de gedachte dat zij allen streden voor de revolutie en tegen het evolutionisme.  Wij moeten hier trouwens opmerken dat gezien de federalistische tradities de meeste Brusselse radicalen waarschijnlijk geen onderscheid maakten tussen revolutionaire ingesteldheid en anarchisme.  Beide waren synoniem en allicht werd het ideeëngoed van de blanquistische nieuwkomers aanvankelijk door velen als een variant van dit revolutionaire anarchisme aanzien.  Had Blanqui zelve immers niet ooit de leuze “Ni Dieu, Ni Maître” gelanceerd ?!  Met andere woorden, het merendeel van de Brusselse revolutionairen wist (aanvankelijk) geen duidelijk onderscheid te maken tussen anarchisme en blanquisme en dit gaf de blanquisten de gelegenheid om de goodwill ten aanzien van het revolutionaire anarchisme als katalysator te gebruiken in de verspreiding van ‘hun’ revolutionaire gedachte en de uitbouw van hun macht.  Dat deze ogenschijnlijke symbiose tussen anarchisme en blanquisme niet rimpelloos verliep zal wel niemand verwonderen.  Maar het is toch opmerkelijk dat er aanvankelijk slechts sporadisch kritiek kwam en dan nog enkel van ‘overtuigde’ anarchisten.  Eind 1879 kan men zeker niet spreken van diepe tegenstellingen.  Voor ons blijft zowel de duur als de intensiteit van de samenwerking tussen autoritaire en anti-autoritaire revolutionairen hoe dan ook een opmerkelijk feit.  Anderzijds levert de oprichting van een aparte anarchistische kring - reeds in september 1879 - toch stof tot nadenken.
Vanaf oktober-november 1879 luwde langzaam het enthousiasme van de leden van Le Cercle Démocratique.  Van de tachtig ingeschrevenen waren slechts een dertigtal geregeld op de vergaderingen aanwezig.   En dit is nog een rooskleurige voorstelling.  In feite draaide de kring rond niet meer dan tien à twaalf leden, wiens engagementen bovendien voor een stuk buiten de vereniging lagen. In ieder geval hielden een aantal anarchisten het na een tijdje voor bekeken.  Het meest in het oog springend was het ontslag van Charles Debuyger, tijdens de vergadering van 6 november, en van Egide Spilleux, op de samenkomst van 13 november.  Algemeen kan men trouwens stellen dat nadat de revolutionairen Le Cercle Démocratique hadden ingepalmd, zij één voor één de vereniging zouden verlaten en aansluiting zouden zoeken bij politiek meer uitgesproken revolutionaire clubs zoals La Ligue Collectiviste Anarchiste en Les Cercles Réunis.

9.8. De Vryheidsbond.
In het najaar van 1879 zag te Brussel nog een nieuwe socialistische vereniging het licht. Zij noemde zich de Vryheidsbond en richtte zich naar Vlaamstalige arbeiders. De kring kwam elke zondag van 14 tot 18 uur samen in haar stamlokaal. Dat was aanvankelijk in La Croix de Fer, rue des Bouchers 47,  maar de uitbater van deze café, een bankbediende, werd onder druk gezet door politie, burgemeester, schepenen en patroon om socialistische samenkomsten in zijn etablissement te weren. Vanaf 20 oktober 1879 gingen de bijeenkomsten daarom door in Den Leeuw van Vlaanderen in de Brouwerstraat 1 achter het stadhuis van Brussel. De Vryheidsbond was officieel een sectie van de Afdeeling Voorsteden-Brussel van de evolutionistische Belgische Socialistische Partij, maar hij richtte zich vooral naar Vlaamstaligen van alle slag. Weldra omvatte de kring een tiental leden waaronder ook de anarchisten Hertschap en Huyskens. Het was in ieder geval niet de ideologische eenheid die aan de basis van de oprichting van de Vryheidsbond lag.  Want, terwijl in Brussel manifest sprake was van tegenstellingen tussen evolutionisten en revolutionairen, hield de Vryheidsbond zich voorlopig buiten deze polarisatie. Zo kwam op 10 oktober 1879 Van Cauwenbergh midden in een wespennest terecht toen hij namens de Vryheidsbond aanwezig was op het Brussels overleg van socialistische groepen dat na de expulsie van Most en Brousse de gemeenschappelijke socialistische akties coördineerde.  Maar hij hield zich op de achtergrond en tijdens de vergadering van de Vryheidsbond van 12 oktober deed hij verslag van de discussies, waarna men besloot om de aangekondigde protestmanifestatie financieel te ondersteunen. Naar leeftijd toe kan men evenmin spreken van een homogene groep.  Anderzijds was wat de beroepsstructuur betrof er een duidelijke aanwezigheid van schrijnwerkers.  Het gemeenschappelijk hoofdkenmerk van de leden was evenwel - naast een globaal socialistisch ideeëngoed - het gebruik van de Vlaamse taal, al moet men dit niet eng-flamingant interpreteren want liefst twee leden, Huyskens en de revolutionair Wagenaar, waren allochtonen van Nederlandse origine.  Wij denken dat men met de oprichting van de Vryheidsbond een socialistische propagandaclub boven de doopvont wilde houden die zich speciaal zou richten naar de Vlaamse bevolking van de hoofdstad.
Nu, veel moet men zich daarbij niet voorstellen want na enkele maanden ging kring reeds ter ziele. Dat had allicht te maken met de beperkte energie die in de propaganda werd gestoken.  De leden van de kring waren zich bewust van dit zieltogende bestaan.  Amper drie maanden na de oprichting van de club - stond men reeds stil bij het beperkte ledenaantal en de lage opkomst bij de vergaderingen. 


Ook de ideologische tolerantie die de begindagen van de Vryheidsbond kenmerkte, kwam spoedig onder druk te staan.  Dat had in eerste instantie te maken met de invloed die uitging van de revolutionaire clubs in de hoofdstad.  Zo verhoogden in oktober en november de informele contacten met revolutionairen toen Le Cercle Démocratique besloot om - zij het tijdelijk - in hetzelfde lokaal als de Vryheidsbond te gaan vergaderen. En via Hertschap liepen er directe bindingen met de anarchisten.  Op 27 oktober stuurde La Ligue Collectiviste Anarchiste twee afgevaardigden, waaronder Laurent Verrycken, naar een meeting van de Vryheidsbond en Seconde vertaalde die zelfde dag de toespraken op een meting van de anarchistenkring. Ook met de groep rond de blanquist Chauvière intensifieerden de relaties.  Zij stuurden 9 november drie afgevaardigden naar een bijeenkomst van de Vryheidsbond die op zijn beurt Bogaerts en Seconde delegeerden naar een meeting van de revolutionairen.  Bogaerts zei op 30 november tijdens een gesprek over de situatie in de Henegouwse mijnbekkens : “Chauvière attire l’attention sur l’Internationale qui’se reveille et devient plus terrible que jamais vu qu’elle est renforcée par les anarchistes qui n’ont pas l’air d’y aller de main morte.  D’un autre côté les socialistes belges font tout ce qu’ils peuvent pour faire parler d’eux.  Il en resulte que les ouvriers borains, ceux du centre et ceux du bassin de Charleroi ne savent plus à quoi s’en tenir.” (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.194, Vryheidsbond, 18-1-1880.) En men besloot om Massin met Chauvière mee naar Châtelineau te sturen.  Dat was een zeer duidelijke keuze.  En zij was des te opmerkelijker omdat de Vryheidsbond van bij haar ontstaan toch een sectie van de Afdeeling Voorsteden-Brussel van de Belgische Socialistische Partij was.  Een en ander wordt helder als men weet dat de relatie met de evolutionisten van Molenbeek al een tijdje vertroebelde.  In een politieverslag van 24 november lezen we het volgende : “La disordre s’étand établie entre le Vryheidsbondt et la section de Molenbeek-St. Jean à propos de l’expulsion de la dite section de quelques membres du Vryheidsbondt qui y auraient contracté des dettes.” (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.194, Vryheidsbond, 23-11-1879.)  De leden van de Vryheidsbond waren zeer verbolgen over de manier van handelen van de evolutionistische kring en men besloot hen een brief te brengen waarin aangemaand werd “…de bien vouloir réhabiliter les membres du Vryheidsbondt qu’ils ont accusés arbitrairement.” (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.194, Vryheidsbond, 23-11-1879.) De brief werd volgens de politieverslaggever ondertekend door alle leden van de Vryheidsbond.  Twee weken later lieten de twee afgevaardigden van de kring, die de brief besteld hadden, weten dat zij door de Molenbeekse sectie heel slecht ontvangen waren.  Men had hen gezegd dat de protestbrief niet zou beantwoord worden.  De militanten van de Vryheidsbond vonden dit bijzonder irritant en zij besloten om ‘met alle middelen’ te ijveren voor het eerherstel van de betrokkenen.  In die zin werd een tijdlang de piste van een “tribunal d’honneur” bewandeld en namens de Vryheidsbond verzochten Hertschap en Seconde de revolutionaire Les Cercles Réunis om afgevaardigden te sturen naar dit tribunaal.  Maar op de samenkomst van 14 december werd dan toch een brief van de afdeling van St. Jans Molenbeek voorgelezen.  Hierin werd gesteld dat men nooit de Vryheidsbond had willen blameren en dat zij niet verantwoordelijk was voor “querelles privées qui pouvaient avoir eues lieu entre membres des deux sociétés.” (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.194, Vryheidsbond, 14-12-1879.)  Maar het venijn zat in de staart want in hun brief verweten de evolutionisten de Vryheidsbond dat ze zich met zulke futiele zaken wilden bezighouden in plaats van iets voor het socialisme te doen.  Dat was de nagel op de kop, maar ondermeer Huyskens voelde zich sterk beledigd. De affaire liet bij velen een onbehaaglijk gevoel achter en het lag voor de hand dat dit op een scheuring zou uitlopen.  Temeer omdat er sinds enige tijd ook sprake was van inhoudelijke onenigheden.  Half september had Allecourt tijdens een bijeenkomst van de evolutionistische sectie van Molenbeek uitgehaald naar de standpunten van voorman Dewit.  Dewit eiste gehoorzaamheid aan het centraal comité van de BSP te Gent, terwijl Allecourt in de lijn van de anti-autoritaire principes pleitte voor de autonomie van de groep.  Ook Hertschap had reeds gesuggereerd dat men beter afstand kon nemen van het “Comité Central” en op 21 december werd op zijn voorstel de scheiding goedgekeurd.  Tegelijkertijd werd de samenwerking met Les Cercles Réunis structureler : op 3 januari 1880 verscheen in Le Prolétaire  een brief van de blanquist Xavier Stuyck die naast lokale groepen van Les Cercles Réunis ondertekend was door de Vryheidsbond.  Spoedig zou de Vryheidsbond nu gaan fungeren als een echte basisgroep van de revolutionaire Les Cercles Réunis.
Voorlopig echter, nam de radicalisering niet weg dat de Vryheidsbond inging op het appel van de Belgische Socialistische Partij om deel te nemen en bij te dragen aan het congres dat de evolutionistische partij op touw zette met betrekking tot de eis van algemeen stemrecht.  De verhoogde aandacht voor de eis van algemeen stemrecht en het zicht op een grote betoging deed blijkbaar genoeg water in de wijn vloeien om het gestemde schisma te negeren.  Bogaerts zei dat de Vryheidsbond toch nog altijd een sectie van de Belgische Socialistische Partij was en Massin betoogde : “Notre programme socialiste comprend en première ligne le suffrage universel seul moyen par lequel nous parviendrons à révendiquer notre droit d’égalité.  Le reste viendra après.  Il est donc juste que nous prenions une large part au mouvement qui se prépare dans l’intérêt du parti…” (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.194, Vryheidsbond, 28-12-1879.) Opmerkelijk blijft toch dat de deelname aan de beweging voor algemeen stemrecht unaniem aanvaard werd.  Alhoewel, men kon deze eis net zoals de revolutionairen van Les Cercles Réunis op een radicale manier interpreteren.  Emmanuel Chauvière en Arsène Crié kwamen dit op de vergadering van 11 januari 1880 persoonlijk toelichten.  Zij hadden het naar gewoonte over algemeen stemrecht gekoppeld aan imperatieve mandaten èn volksbewapening.  Seconde liet zich meeslepen en zei dat indien zij het algemeen stemrecht niet zouden ‘krijgen’, zij het zouden ‘nemen’.  Dit gezegd zijnde kon iedereen zich zonder gewetenswroeging achter de eis van algemeen stemrecht scharen.  Zelfs de anarchist Hertschap kon zich hiermee klaarblijkelijk verzoenen.  Alleen voor Huyskens werd het teveel.  Hij zei : “Je vois que le Vryheidsbond aura de la peine à se maintenir en tenant ses séances de la sorte et afin de ne point devoir assister à des disputes comme dimanche dernier dont j’ai à me plaindre personellement je donne ma démission sur le champs.” (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.194, Vryheidsbond, 18-1-1880.) En hij verliet de zaal.  Tijdens die vergadering van 18 januari werd nogmaals beslist om mee te doen met de beweging voor algemeen stemrecht en Seconde, Massin en Van Cauwenbergh werden gekozen als afgevaardigden voor het op til zijnde congres.  Op dit congres waren verschillende radicale groepen aanwezig maar zij waren in de minderheid.  Seconde zou zich op het congres vrij heftig gedragen hebben en hij werd nadien door de evolutionisten geweerd uit de beweging voor algemeen stemrecht.  Hij bleef desondanks de steun van zijn kring genieten.  De Vryheidsbond ging vanaf dan steeds militanter worden.  Dat kan men het best volgen aan de hand van de evolutie die de individuele leden doormaakten.  Seconde, Van Cauwenberg en Bogaerts ontpopten zich in de loop van 1880 als ware revolutionairen en zelfs de gematigde Massin en Poffé werden radicaler.  En Bogaerts werd om zijn standpunten - algemeen stemrecht mèt imperatieve mandaten - uit La Chambre du Travail gesloten.  Met de radicalisering werden de individuele leden steeds actiever in andere clubs.  Huyskens had zijn heil gezocht in de Ligue Collectiviste Anarchiste en Bogaerts, Seconde, Van Cauwenbergh en Massin vonden aansluiting in Le Cercle Démocratique en Les Cercles Réunis.  Dat ging echter ten koste van hun inzet voor de Vryheidsbond.  De samenkomsten werden nog nauwelijks bezocht en gingen meestal niet door.  Op 12 april 1880 schreef een politieverslaggever : “Le Vreyheidsbond (…) se composent de menuisiers presque tous illettrés; la société compte encore environ dix individus, qui discutent et Dieu sait comme, les élucubrations des Cercles réunis.” (H. WOUTERS, Documenten…, dl. III, p. 1505.)

9.9. L’Association des Menuisiers de Bruxelles.
In oktober-december 1879 zag in Brussel een nieuwe kring het licht.  Het was een beroepsvereniging die de timmerlieden groepeerde en die zich vooral - maar niet uitsluitend - naar Vlaamstalige arbeiders richtte.  In die zin waren de belangrijkste leden ook lid van de radicale Vryheidsbond : Arthur Bogaerts was de vaste voorzitter, Edmond Van Cauwenberg de secretaris-schatbewaarder en andere leden waren ondermeer Charles Massin, de anarchist Jean Huyskens, Louis Seconde en Charles Willems, allen lid van de fameuze Vryheidsbond.   Maandag 1 december kwam de groep voor het eerst samen in Le Lion de Flandre, in de rue des Brasseurs nr. 1, achter het Brusselse stadhuis waar ten andere weer diezelfde Vryheidsbond haar zetel had.  En van dan af kwam men wekelijks om 18.00 uur samen.  De eerste en de derde maandag van de maand waren het besloten privé-vergaderingen, de tweede en de vierde maandag waren de bijeenkomsten publiek.
In een pamflet liet men weten : “Menuisiers, vous qui avez la conviction que notre sort s’empire de jour en jour, venez (…), enfin de vous unir à l’association déjà existante ayant pour but de se secourir mutuellement en cas d’inactivité, de maintenir notre salaire et d’apporter toutes les améliorations possibles dans notre métier.(Association des Menuisiers (Bruxelles), z.p. (Brussel), z.d. (december 1879), 1 p.)  Zoals men van een beroepsvereniging kan verwachten ging het hier in de eerste plaats om de organisatie van onderlinge hulpverlening.  De maandelijkse bijdragen van 0,6 fr. resulteerden voor twee derden in een weerstandskas, waaruit men kon putten bij stakingen, en voor een derde in een hulpkas, die tussenkwam wanneer individuele leden werkloos werden.  Het jaar werd afgesloten met 17,70 fr. in kas.
De groep was uitgesproken socialistisch maar distantieerde zich uitdrukkelijk van de evolutionistische Chambre du Travail. Men stelde zich aanvankelijk autonoom op, maar de voorkeur voor een meer radicaal socialisme had toch de boventoon.  De club sloot zich aan bij de beweging voor algemeen stemrecht die in 1880 van zich liet horen en zij was op 1 februari vertegenwoordigd op het congres van de evolutionistische BSP, maar met name Seconde verdedigde hier de eis van algemeen stemrecht mèt imperatieve mandaten, een eis die opgang maakte in de revolutionaire Les Cercles Réunis.  Op de bijeenkomst van 23 februari werd het standpunt van Seconde besproken en unaniem bevestigd.  Ook de bekende revolutionaire voorman Emmanuel Chauvière was op die vergadering aanwezig en hij lichtte de revolutionaire standpunten uitgebreid toe.  Toch zouden sommige menuisiers zich de volgende maanden meer in de evolutionistische kiesrechtbeweging engageren dan men van ‘rasechte’ revolutionairen kan verwachten.
De meningen waren trouwens niet altijd even onverdeeld.  In januari 1880 kwam de hulpkas ter discussie.  De revolutionaire Seconde betoogde dat dit tegen de socialistische principes was : “…le jour n’est plus si éloigné où l’ouvrier n’aura plus besoin de secours de personne et qu’il sera assuré de son avenir.” (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.194, Menuisiers, 26-1-1880.) En hij wilde dat er meer energie in de propaganda werd gestoken.  Maar de centrale figuur Bogaerts en verder ook Dewit waren openlijke voorstanders van een hulpkas.  Zij stelden zelfs voor om de maandelijkse bijdragen te verhogen met 0,25 fr.  De kwestie raakte niet uitgepraat en zou later terug op de agenda komen.
De kring kende al bij al een bescheiden leven.  Meestal waren slechts een zevental leden aanwezig en tijdens de publieke samenkomsten kon dit oplopen tot een twintigtal.  In december 1879 werden een vijfhonderd pamfletten gedrukt en verspreid in ateliers, cafés en op straat.  Maar nadien namen de propaganda-activiteiten gevoelig af, althans volgens de politieverslagen.  Vanaf mei 1880 komen wij de kring vrijwel niet meer tegen in de archieven.  Toch bleef hij formeel bestaan want in november organiseerde hij samen met de Vryheidsbond een meeting te Sint-Jans-Molenbeek en midden december 1880 wordt de revolutionair Seconde nog steeds genoemd als een van zijn prominente leden.

9.10. Les Cercles Réunis.
Van deze vereniging konden wij voor de periode van maart tot september eenentwintig politieverslagen achterhalen en na lezing lijken ons de belangrijkste leden : Chauvière, Crié, Claes, Milder, Monier en Stuyck.  Mindere goden waren François Verbrugghen, Balthasar Lebrun, Modeste Winandy, Alexandre Colignon, Nicolas Baily, Arthur Bogaerts, Gabriel Brodkom, Marius Retis, Isidore Sermon, Louis Seconde, Edmond Van Cauwenbergh, Detroch, Wahl en Hertschap.  Verder Egide Spilleux, Guillaume Deroy, Raymond Serrure, Etienne Constant, Michel Coët en  J. Vandenabeele.   Vrijwel allen waren radikale socialisten.  Een minderheid  - Chauvière, Stuyck, Claes en Baily - was overtuigd blanquist en een al even kleine minderheid was van uitgesproken anarchistische huize, met name Colignon, Hertschap, Spilleux en  Vandenabeele.  Ook Crié en Monier waren anarchistisch geïnspireerd, maar zij waren opmerkelijk tolerant ten aanzien van andere revolutionaire stromingen.  De overige leden van de kring zijn ideologisch moeilijker te definiëren.  Milder, Verbrugghen, Lebrun, Winandy en Seconde waren in ieder geval revolutionairen en ook Sermon, Van Cauwenbergh en Constant lieten zich geregeld van hun radicale kant zien.
Verhelderend in deze kontekst kan het lidmaatschap zijn van andere klubs.  Wij weten inmiddels dat de meesten lid waren geweest van de radicale Le Cercle Démocratique.  Verder was er een beperkte overlapping met de overwegend anarchistische Brusselse afdeling van de Internationale.  Aangesloten waren ondermeer Chauvière, Crié, Milder, Winandy, Bogaerts, Seconde, Constant en Hertschap.  Maar zij waren - op Hertschap na - eerder achtergrondfiguren in die Internationale.  Waarschijnlijker oefende de Internationale, met haar roemrucht verleden, een zekere aantrekkingskracht uit op revolutionairen van alle slag en omgekeerd werden ook revolutionaire internationalisten aangezogen door de succesvolle agitatie van de militanten van Les Cercles Réunis.  Anderzijds is merkwaardig dat vrijwel niemand lid was van een vrijdenkersvereniging. Enkel Jean Claes en Achille Hertschap waren in 1880 nog actief in een vrijdenkersvereniging.  Claes was prominent lid van Les Cosmopolitains en Hertschap was aanwezig op de samenkomsten van de drie Brusselse klubs.  Een nauwere band bestond zoals hoger vermeld met de radikale Vlaamse Vryheidsbond.  Lid waren onder andere Arthur Bogaerts, Edmond Van Cauwenbergh, Isidore Sermon, Louis Seconde, Modeste Winandy en Achille Hertschap.  En dubbellidmaatschap met gematigde klubs was eerder marginaal.

Wij kunnen samenvatten dat de militanten van Les Cercles Réunis slechts beperkt aanwezig waren op samenkomsten van andere Brusselse verenigingen.  Bovendien was op enkele uitzonderingen na hun rol in deze klubs vrij minimaal.  Deze vaststelling sluit bijzonder goed aan bij het eerdere gegeven dat de revolutionairen van Les Cercles Réunis mollenwerk verrichtten in de Brusselse arbeiderswijken en los van de bestaande organisaties gestaag doortimmerden aan de uitbouw van de eigen kring.  In de lente van 1880 verschenen zij als een coherente, slagvaardige en relatief omvangrijke beweging en spoedig werden hun meetings en samenkomsten ‘the place to be’ voor iedereen die zich socialistisch èn revolutionair noemde.

Les Cercles Réunis
werd geleid door een Centraal Comité, waarvan wij de belangrijkste tenoren ondertussen kennen.  Meestal waren op de bijeenkomsten van dit comité zo’n 25 à 30 militanten aanwezig.  Die waren op hun beurt dan weer actief in lokale straatgroepen.  Gezien wij over deze plaatselijke klubs vrij weinig weten is het heel moeilijk om een getrouwe raming te doen van de totale aanhang van Les Cercles Réunis.  Het aantal straatgroepen was eind maart 1880 zevenentwintig en eind september vijfendertig.  Als wij uitgaan van een minimaal ledenaantal van vijf per groep komen wij toch al gauw aan  honderdvijfendertig à honderdvijfenzeventig militanten.  Dan waren er de sympatisanten.  Hun aantal is nog moeilijker in te schatten.  Op de verschillende meetings waren meestal een dertig à veertig toehoorders.  Gezien die in de plaatselijke wijken werden georganiseerd kan je met wat goede wil de sympatisanten ramen tussen de acht à veertienhonderd.  Maar het blijft gissen !   Een goede indikatie is anderzijds de oplage van het kringblad Les Droits du Peuple.  Zij werd in april 1880 door de politie geraamd op duizendvijfhonderd, waarvan een vierhonderdtal abonnementen. Konkreet betekent dit een lezerspubliek van minimum zesduizend mensen, maar een deel van dit publiek situeerde zich in de provincies.  Feit is dat Les Cercles Réunis in de lente van 1880 in ‘groot Brussel’ veruit de grootste socialistische beweging was.  In een politienota van 14 april 1880 staat zwart op wit : “Il y a à Bruxelles un Parti socialiste et Chambre de Travail, qui est contre la révolution, l’internationale, qui veut la faire, mais pas tout de suite, les anarchistes qui voudraient bien se battre, mais ils ne sont pas assez forts pour en avoir peur et les Cercles réunis, qui arrangent toute une révolution et qui ont déjà plus de monde ici et ailleurs, que tous les autres ensemble.” (H. WOUTERS, Documenten..., dl. III, p. 1509.)
De kernleden van Les Cercles Réunis waren relatief jong, zowel de trekkersfiguren als de subtop.  In 1880 was Chauvière 30, Crié en Claes 27, Monier 26 en Stuyck 24.   Verder was Hertschap 30, Brodkom 29, Lebrun 28, Winandy en Colignon 25 en tenslotte Sermon en Deroy 23 jaar.  Seconde was ouder, namelijk 47, en ook Verbrugghen was niet meer zo jong.   Ook de straatgroepen bestonden hoofdzakelijk uit jonge mensen.  Er waren zelfs uitgesproken jongerengroepen die onder tieners rekruteerden.  Men kan gerust stellen dat Les Cercles Réunis in 1880 niet alleen op de voorgrond trad als nieuwe revolutionaire organisatie, maar dat zij ook bestond uit ‘nieuwe’ mensen, uit jongeren die vaak voor de eerste keer het politieke pad bewandelden.  Dit lag anders bij de anarchisten, die vooral dertigers waren, en zeker bij de Internationale waar alle leeftijden voorkwamen maar waar vooral de plus-veertigers de lakens uitdeelden.  Allicht heeft ook dit laatste meegespeeld in het sukses van een revolutionaire groepering zoals Les Cercles Réunis naast de Internationale.  Op zijn minst moet zij voor jonge nieuwkomers, die de inertie van de alwetende ‘anciens’ van de Internationale niet zagen zitten, als een attractief alternatief zijn overgekomen. Wat de sociale stratificatie van de leden betreft waren er natuurlijk geen verschillen met de andere socialistische klubs.  Ook hier ging het om arbeiders/ambachtslieden, met een relatief lage scholingsgraad en een navenant inkomen.  Een aantal had zelfs geen vast werk, ondermeer Monier en Colignon.  Zij konden de touwtjes nog moeilijker aan elkaar knopen, maar hadden wel meer tijd om politiek actief te zijn.  Met betrekking tot Monier kan dit laatste niet genoeg beklemtoond worden.  Anderzijds behoorden een aantal belangrijke leidersfiguren niet echt tot de aangeven sociale groep.  Chauvière was van goede komaf en had een gedegen opleiding gehad.  In Brussel verdiende hij eerst een korte tijd de kost als bediende om dan als zelfstandig drukker en uitgever aan de slag te gaan.  Ook Crié was niet onbemiddeld geboren.  Hij kreeg een klassieke humanioraopleiding en studeerde daarna enkele jaren geneeskunde.  In Brussel werkte hij aanvankelijk als handelsreiziger en daarna als leraar.  Verder hebben wij Stuyck.  Over zijn voorgeschiedenis weten wij vrijwel niets.  Maar hij had het ‘betere’ beroep van verkoper-magazijnbediende en dat wijst toch in een andere richting dan de doorsnee militant.  Stuyck zal trouwens in de revolutionaire pers (beperkt) journalistiek actief worden.  Ten aanzien van de geschiedenis van Les Cercles Réunis kan men niet langs de intellectuele en organisatorische capaciteiten van deze drie voormannen.  Vooral de invloed van Chauvière en Crié is van zeer groot belang geweest.
Wij willen hier trouwens een korte tijd stilstaan bij de rol die de Franse anarchist Arsène Crié speelde.  Men kan hem moeilijk overschatten.  De evolutionist Louis Bertrand schreef in zijn geschiedenis van het Belgisch socialisme : “Le mauvais génie de ce groupe était un professeur français nommé Crié” (L. BERTRAND, Histoire..., dl. II, p. 339.) en hij herhaalde twintig jaar later nog eens dezelfde woorden in zijn memoires. (L. BERTRAND, Souvenirs..., dl. II, p. 203.)  Blijkbaar wekte de herinnering aan deze onwrikbare revolutionair na al die tijd nog steeds weerzin op.  Dit is enigszins begrijpelijk als je weet met welke verbetenheid Crié in 1880 van leer trok tegen het evolutionisme. En het bleef daarbij niet alleen bij woorden.  In een handgemeen op de Grote Markt zou Crié aan Bertrand rake klappen hebben uitgedeeld.  (Algemeen Rijksarchief Brussel, Individueel Dossier 336596 : Crié, krantenknipsel : La Révolution Sociale, 3-7-1881.)
Crié werd een van de boegbeelden van de revolutionaire beweging van 1880-1881, met name van Les Cercles Réunis en van de latere nationale Union Révolutionnaire.  Zijn invloed werd zo sterk dat men gerust de vraag mag stellen of hij naar het einde van 1880 ‘leider’ Chauvière niet overschaduwde. Zo vermeldt een politieverslag van 27 september 1880 : "Chauvière perd un peu de son influence d'autrefois et l'on croit qu'il décampera un de ces jours.  C'est Crié qui est actuellement l'âme des Cercles Réunis." (H. WOUTERS, Documenten..., dl. III, p. 1623.)  In ieder geval waren beiden mekaar waard.  Crié was een minder goed spreker, maar een prima organisator en hij had een vlotte pen.  Hij wist medestanders te enthousiasmeren en stond hoog in achting.  Van rivaliteit tussen de twee trekkersfiguren was totaal geen sprake en dat is des te merkwaardiger gezien de ideologische verschillen : Crié was eerder anti-autoritair en Chauvière zoals we weten autoritair.  Alhoewel, Crié was een onwrikbare revolutionair maar geen anarchistische fundamentalist. (Hij koppelde het anarchistische denken aan praktische eisen zoals bijvoorbeeld het algemeen stemrecht.  Maar net zoals bij de blanquisten was voor hem de agitatie rond algemeen stemrecht slechts een middel om de massa's te mobiliseren in het kader van een op til zijnde revolutie.)  In die zin waren Crié en Chauvière twee handen op dezelfde revolutionaire buik.  Hun ideologische verscheidenheid had veeleer een positief effekt op de groei van de revolutionaire beweging.  Want, de aanwezigheid van een man als Crié droeg bij tot een anti-autoritaire goodwill ten voordele van Les Cercles Réunis en dit stond garant voor een zekere drainage van anarchisten richting de klub, zeker na het ter ziele gaan van La Ligue Collectiviste Anarchiste in de lente van 1880.  De invloed van Crié is in de bestaande literatuur haast onbesproken.  Ten onrechte wordt vrijwel alles toegeschreven aan de - onmiskenbaar - grote energie van Chauvière. (Geen woord over Crié in D. DE WEERDT, De Belgische... en D. DE WEERDT, Het Ontstaan...  Evenmin in M. OUKHOW, Cesar De Paepe... en A. MOMMEN, De Belgische...  In A. MOMMEN, Reformisten en revolutionairen..., p. 23, voetnoot 43 wordt eenmaal de aliasnaam H. Laurent genoemd (zonder te verduidelijken dat het over Crié gaat).  Alleen J. PUISSANT, L'évolution..., p. 199 weet Crié enigszins naar waarde  te schatten : "l'éminance grise de Chauvière".  Maar hij gebruikt voorwaar een rare beeldspraak om een zevenentwintigjarige te situeren (Chauvière was in 1880 dertig).)  De totstandkoming van een revolutionaire beweging in Brussel was nochtans het werk van vele militanten en Arsène Crié was een van de belangrijkste.  Vooral dan achter de schermen.  Als migrant riskeerde hij expulsie en daarom hoedde hij zich om in het openbaar te verschijnen : "Crié en sa qualité d'étranger ne prenait jamais la parole dans les conférences publiques, mais il était le principal orateur dans les conférances privées des cercles, où il dominait en maître." (Algemeen Rijksarchief Brussel, Individueel Dossier 336596 : Crié, 16-1-1881.) Vanaf april-mei 1880 trad hij openlijker naar voor.  Zo zei hij naar aanleiding van de betoging van 8 juni 1880 : “Certainement plusieurs d’entre nous (...) sont exposés à se voir appliquer des arrêtés d’expulsion.  Je suis du nombre.  Est-ce là une raison pour rester inactif.  (...)  il est impossible à un homme qui a du sang dans les veines de ne pas prendre part au mouvement projeté et je vous promets que j’y serais et pas au dernier plan. J’aurais de quoi répondre aux mouchards, que je rencontrerais et si le mouvement donne lieu à une émeute ou à une révolution, je vous assure que je ferai mon devoir.” (H. WOUTERS, Documenten..., dl. III, p. 1550.) 
Crié
was ook journalistiek actief.  Vooral bij de eigen revolutionaire krant Les Droits du Peuple. Verder onder andere als Belgisch korrespondent voor de anarchistische La Révolution Sociale van Parijs en hij zou ook meegewerkt hebben aan de liberale krant La Liberté.  Zijn artikels zijn voor ons een ideale bron om zicht te krijgen op zijn denken.  Zij zijn weinig van theoretisch-filosofische aard, daarentegen wel praktisch-strategisch van inslag.  In die zin onderbouwde hij de eisen van de beweging met achtergrondartikels.  Bijvoorbeeld algemeen stemrecht met imperatief mandaat zou men volgens hem nooit cadeau krijgen.  Daarvoor was een revolutie nodig.  In afwachting van de grote dag moest men zich organiseren, bewapenen en een staat in de staat creëren.  Met dit laatste sloot men aan bij het oude actiethema van een arbeidersparlement uit de gloriejaren van de Internationale, want in feite wilde men vanuit propagandistisch oogpunt niets anders dan - naast de officiële burgerlijke beleidsstructuren - publiekelijk een eigen arbeiders-schaduwstaat oprichten.  In wezen stelde men daarmee de fundamentele gelijkwaardigheid van alle mensen tegenover de ongelijkheid die door de burgerlijke parlementaire democratie werd in stand gehouden.  Tegelijkertijd konden de arbeiders en militanten - dromend van hun arbeidersstaat - reeds proeven van de toekomstige socialistische maatschappij.  Crié had in zijn artikels veel aandacht voor de sociale wantoestanden.  Hij verbond economische ongelijkheid met religieuze onderworpenheid en pleitte voor vrijheid, gelijkheid en revolutie.  Revolutie (het middel) kwam voor hem op de eerste plaats, vrijheid  (het doel) pas op de tweede.  In die zin nam hij soms zelfs een loopje met anarchistische principes.  Hij zei : “Il n’est pas toujours nécessaire (...) que le peuple sache de quoi il s’agit; il se laisse aller, il suit le courant; trois ou quatre hommes décidés et courageux suffisent pour entraîner les foules qui peuvent devenir ensuite les instruments inconscients d’un soulèvement sérieux.  Je suis certain (...) que si, en 1872, lorsque les bourgeois sont allés au palais insulter notre Mannequin (Leopold II), les Cercles Réunis avaient existé, ils auraient mis ce mouvement à profit et auraient réussi.” (H. WOUTERS, Documenten..., dl. III, p. 1614.)  Crié was overtuigd van de anarchistische uitgangspunten, maar weinig principieel als het over concrete strategieën en acties ging.  Hij kon goed opschieten met de Brusselse anarchisten - hij steunde Le Drapeau Rouge zelfs met driehonderd frank - maar hij trad niet toe tot de Ligue Collectiviste Anarchiste en werkte niet mee aan de anarchistische krant.  Crié was een conspirator en voelde zich erg behaaglijk in Les Cercles Réunis met haar geheime, semi-piramidale organisatiestructuur en met haar concrete voorbereiding van de revolutie.  Hij was een hevig voorstander van bewapening van de plaatselijke groepen en greep elke gelegenheid te baat om tegen de politiediensten en haar infiltranten van leer te trekken.  Zo oogstte hij veel applaus toen hij tijdens een herdenking van de Commune zei dat hij hoopte : “avant de mourir, pouvoir tuer au moins un mouchard” (H. WOUTERS, Documenten..., dl. III, p. 1484.) en tijdens de betoging voor algemeen stemrecht van 15 augustus 1880 ging hij waarachtig de ordediensten te lijf.  Crié was evenwel geen individuele bommenlegger.  De propaganda voor de revolutionaire daad was duidelijk gelieerd met insurrectie van de arbeidersmassa’s.  Mettertijd zou Crié zoals zo vele revolutionairen meer en meer anarchist worden.  In maart-april 1881 zou hij het volgende schrijven : “...être anarchiste, c’est être partisan de la suppression de toutes les tyrannies, de tous les despotismes; c’est vouloir, comme Blanqui, qu’a aucun point de vue, il n’y ait plus de maître, et s’il vous faut une autorité bourgeoise pour vous prouver que les mots d’anarchie et de révolution sociale ont toujours été regardés comme synonymes, j’irai chercher jusqu’a dans La Bruyère, qu’on n’accusera pas, je l’espère, d’être un ennemi du programme minimum, et qui écrivait dès le XVII siècle : l’egalité des possessions et des richesses entraine une véritable anarchie universelle.” (Algemeen Rijksarchief Brussel, Individueel Dossier 336596 : Crié, krantenknipsel : La Révolution Sociale, 27-3-1881)Crié was geen aanhanger van Proudhon maar hij gaf toe toch een en ander schatplichtig te zijn.  Hij zei dat Proudhon over het anarchisme het volgende gezegd had : “l’homme cherche la justice dans l’egalité; la société cherche l’ordre dans l’anarchie” en hij becommentarieerde : “Toute la question est là : elle est dans l’union intime de ce deux termes, dans l’alliance indissoluble de la liberté individuelle  et de l’egalité sociale.  Voilà pourquoi je suis anarchiste !” (Algemeen Rijksarchief Brussel, Individueel Dossier 336596 : Crié, krantenknipsel : La Révolution Sociale, 27-3-1881)Crié situeerde zichzelf bij de anarcho-communisten : “Je suis anarchiste, parce que tout me prouve que le mot anarchie, joint au mot communisme dont nous ne le séparons jamais, est l’expression de la révolution sociale la plus complète que nous puissions rêver aujourd’hui. (...)  Je suis anarchiste, parce que si je veux que la société me mette à même de produire selon mes facultés, selon mes forces, et de consommer selon mes besoins...” (Algemeen Rijksarchief Brussel, Individueel Dossier 336596 : Crié, krantenknipsel : La Révolution Sociale, 24-4-1881.)  De vooruitgang, met zijn ontwikkeling van nieuwe machines, stond borg voor een overvloed aan consumptiegoederen en zou op termijn zelfs resulteren in arbeidsduurvermindering.  Crié was begin 1881 tegen  de autoritaire bourgeois-staat en ook tegen autoritaire revolutionairen.  Hij aanvaardde slechts één vorm van dictatuur : “La dictature populaire, pourvu qu’il s’agisse de la dictature temporaire de la masse et non de la dictature d’un seul !” (Algemeen Rijksarchief Brussel, Individueel Dossier 336596 : Crié, krantenknipsel : La Révolution Sociale, 24-4-1881.) De revolutie was voor hem geen een of andere nationale oorlog, maar een internationale “lutte des classes”.  Daarom was hij tegen elke alliantie met de burgerij, tegen het parlementarisme en ook tegen het evolutionisme.  Hij verzette zich halsstarrig tegen elke samenwerking met de gematigde socialisten : “il est impossible de former une entente entre les révolutionnaires et les évolutionistes.  Le jour où nous cèderons aux Bertrand, aux Duverger ou à un Depaepe, qui est le Janson de demain, nous aurons désorganisé le parti révolutionnaire.” (H. WOUTERS, Documenten..., dl. III, p. 1524.)  Deze woorden sprak hij uit op een interne vergadering in mei 1880.  Ongeveer tegelijkertijd recenseerde hij in Les Droits du Peuple de brochure van Arthur Duverger over de geschiedenis van de Belgische Socialistische Partij.  Uiteraard in negatieve bewoordingen, want de revolutionaire beweging in Brussel en de provincies werd in de brochure doodgezwegen.  Twee maanden later riep hij in Les Droits du Peuple op om de ruzies bij te leggen en samen op te stappen.  Maar dat was een ironische reactie op soortgelijke voorstellen van de andere zijde.  Trouwens, Crié spoorde de evolutionisten aan om zich tot de revolutie te bekeren.  Van gematigdheid was geen sprake. (H. LAURENT, Au parti socialiste belge. - Les Droits du Peuple, 4-7-1880, p. 1, kol. 1-4.)  Wij kunnen samenvatten dat Crié begin 1880 in het radicale Brusselse milieu verscheen als een overtuigde revolutionair en een vage anarchist.  Naarmate het jaar passeerde kwam zijn anarchisme meer naar voor en vanaf begin 1881 ging hij als overtuigd anarchist door het leven.  Tot slot nog iets over zijn contacten buiten Brussel.  Crié had zeer goede contacten in de Borinagestreek.  Geregeld ging hij er spreken op meetings en manifestaties.  Hij onderhield briefwisselingen met medestanders in Bergen, Charleroi, Luik en Verviers.  Ook in het buitenland en vooral dan in Parijs had hij contacten. (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Individueel Dossier 519 : Crié, 11-2-1881.)  Bekende namen waren  Emille Piette (Verviers), Emille Gauthier (Frankrijk), Louise Michel (Frankrijk) en Figuéras (Spanje-Londen). (Politiearchief Parijs, Individueel Dossier B a/1022 : Crié, Demandes faites par Monsieur le Juge d'Instruction de Chalon-Sur-Saone et auxquelles le né Crié est invité a répondre (1882).)  Verder vonden vele radicale Franse bladen via hem verspreiding in Brussel.  Zelf was hij een van de vaste Belgische correspondenten van het Parijse anarchistenblad La Révolution Sociale.  Ook na zijn expulsie, in maart 1881, bleef Crié goede contacten met zijn Belgische strijdmakkers onderhouden.
In Brussel waren buiten Les Cercles Réunis vooral anarchistisch geïnspireerde revolutionairen actief, zowel in de plaatselijke afdeling van de Internationale als daarbuiten.  Wij zien in de eerste helft van 1880 een toename van individuele contacten tussen hen en de militanten van Les Cercles Réunis.  Die contacten waren aanvankelijk weinig formeel van aard.
De toenadering had verschillende oorzaken.  Om te beginnen was er de gemeenschappelijke evolutionistische concurrent.  Zowel vanuit de Internationale als vanuit de Ligue Collectiviste Anarchiste werd deze in hun ogen burgerlijke variant van het socialisme al een hele tijd met grote verbetenheid bekampt.  Vanaf maart 1880 kregen zij steun van Les Cercles Réunis, waardoor een zekere revolutionaire verbondenheid met elkaar ontstond.  Verder zien wij in diezelfde periode binnen Les Cercles Réunis een aantal militanten anarchiseren en naar voor treden.  Wij denken hierbij in de eerste plaats aan de trekkersfiguren Arsène Crié en Ferdinand Monier en verder aan Alexandre Colignon, Arthur Bogaerts, J. Vandenabeele en Guillaume De Roy.  Samen met Achille Hertschap stonden zij binnen Les Cercles Réunis garant voor een zekere openheid naar een anti-autoritair en vrij socialisme.  Als dan in april-mei de Ligue Collectiviste Anarchiste ter ziele ging, en met haar het blad Le Drapeau Rouge, verhoogde dit nog de aantrekkingskracht van Les Cercles Réunis en hun orgaan Les Droits du Peuple.  Toch waren de gekende Brusselse anarchisten, zoals Hubert Delsaute, Egide Govaerts, Charles Debuyger en de meer gematigde Eugène Steens, niet onmiddellijk bereid zich formeel te engageren.  Pas met de oprichting van de nationale Union Révolutionnaire, in september 1880, zullen zij toetreden tot de gemeenschappelijke revolutionaire beweging, en dan nog beperkten Delsaute en Debuyger zich tot louter een formeel engagement in dit landelijk overleg van geestesgenoten.  Verder kunnen wij stellen dat het streven van de aanhangers van Les Cercles Réunis naar een regionaal en landelijk revolutionair platform wel hand in hand moest gaan met een toename van tolerantie ten aanzien van het anarchisme.  Want op de mijnwerkersverenigingen in Henegouwen na waren de meeste revolutionaire organisaties in de provincies het anarchisme erg toegenegen, en ook de koolputtersorganisaties waren van oudsher voorstander van de federatieve principes.  Met andere woorden, indien de revolutionairen van Les Cercles Réunis een nationaal overleg wilden uitbouwen, dan waren zij wel genoodzaakt om het anarchisme (deels) te omarmen.

Anderzijds kunnen wij niet stellen dat dit alles erg bewust gebeurde.  In ieder geval nemen wij afstand van de standpunten van André Mommen.  Als Mommen het in zijn doctoraatsverhandeling heeft over Les Cercles Réunis dan identificeert hij deze kring haast uitsluitend met blanquistische concurrentie ten aanzien van de evolutionisten.  Hij noemt daarbij slechts één naam : Chauvière.  De blanquist Chauvière zou dan als een ware strateeg een bondgenootschap gesloten hebben tussen Les Cercles Réunis en de anarchisten.  Chauvière zelf wilde dit wel, en in die zin kunnen wij ons nog enigszins vinden in de stelling van Mommen, maar wij zijn de mening toegedaan dat het leiderschap van Chauvière, en met hem het blanquisme, minder absoluut was dan Mommen aangeeft.  Mannen zoals de anarchiserende Crié en Monier eisten hun plaats op en daardoor evolueerden Les Cercles Réunis spontaan richting anarchisme. Trouwens, wij hebben uit de bronnen slechts een viertal namen van blanquisten met relatieve zekerheid kunnen traceren : Chauvière, Claes, Stuyck en Baily.  Er zullen er nog wel geweest zijn, maar in ieder geval veel te weinig om van een hechte blanquistische beweging te spreken.  Blanquistische invloeden, ja dat wel, maar de invloeden van federatieve anti-autoritaire socialismen waren in die dagen onnoemlijk veel groter, ook in Les Cercles Réunis.  Dat wordt door Mommen manifest verzwegen.  Mommen loopt niet hoog op met de anarchisten en hij is er als de kippen bij om de minder fraaie kanten van anarchisme onder het vergrootglas te leggen.  Zo beklemtoont hij ten aanzien van de Brusselse anarchisten al te graag de politiebindingen van Egide Spilleux.  Hij noemt hem onomwonden een spion.  Wij hebben reeds aangegeven dat dit - zeker wat Spilleux’ Brusselse periode betreft - kan betwijfeld worden.  Mommen gaat zo ver dat hij de neergang van de revolutionaire beweging deels toeschrijft aan de ontmaskering van Spilleux in 1881 en hij beroept zich voor deze uitspraak op de mémoires van Louis Bertrand, … toch niet echt de meest objectieve bron ! (A. MOMMEN, Reformisten en Revolutionairen…, p. 11, 16; A. MOMMEN, Het Belgisch Socialisme…, dl. 1, p. 44 e.v.)  In onze ogen is zijn stelling dan ook controversieel.  Vooral omdat wij van de weerklank van die ontmaskering vrijwel niets in de bronnen terugvinden.  Trouwens, wij betwijfelen of Spilleux reeds in 1881 werd ontmaskerd.  Internationaal was er discussie over zijn persoon, dat wel, maar de meningen waren toen nog verdeeld.  En in België genoot hij in die dagen een vrijwel onbesproken reputatie.
In Brussel traden de revolutionairen van Les Cercles Réunis pas vanaf eind april 1880 echt in het offensief.  In het frontartikel van Les Droits du Peuple van 25 april verweet Crié dat de evolutionisten met hun petitieactie en hun invulling van de eis van algemeen stemrecht een knieval deden voor de burgerij : “…ils semblent implorer une concession - presque une grâce - du parti doctrinaire, et ils se laissent entraîner jusqu’à adresser des pétitions aux représentants de la bourgeoisie.” (Les Droits du Peuple , 25-5-1880, p. 1, kol. 1-2.) De evolutionisten riepen daarom in La Voix de l’Ouvrier van 2 mei op om de strijdbijl te begraven, maar zij voegden er snerend aan toe : “Il importe qu’on sache enfin, si l’entente si nécessaire en ce moment est impossible, de quel côté viennent les résistances.” (La Voix de l’Ouvrier, 2-5-1880, p. 2, kol. 3.)  Een dag later, op een meeting te Etterbeek, viel nu ook Chauvière de evolutionisten in alle hevigheid aan.  Vooral de geplande petitieactie moest het ontgelden.  Nog twee dagen later, op de samenkomst van het Centraal Comité van Les Cercles Réunis, werd een brief van de BSP voorgelezen waarin eens te meer werd gevraagd de zaken bij te leggen, dit tijdens een bijeenkomst van La Chambre du Travail op zondag 9 mei.  Chauvière werd in de brief evenwel terecht gewezen : “omdat hij verdeeldheid zaaide onder de rationalistische partijen”.  Crié reageerde : “il est impossible de former un entente quelconque entre les révolutionnaires et les évolutionnistes.  Le jour où nous cèderons aux Bertrand, aux Duverger ou à un Depaepe, qui est le Janson de demain, nous aurons désorganisé le parti révolutionnaire…” en hij werd bijgetreden door Etienne Constant, voor de Internationale van Verviers, door Spilleux namens de anarchisten en door Hertschap in naam van de Brusselse afdeling van de InternationaleChauvière bedankte de Ligue Collectiviste Anarchiste en de Internationale voor de steun die zij voor Les Cercles Réunis betuigden en hij zei : “Nous marcherons ensemble (…) vers la révolution universelle.  On a recherché mes antécédents et mes moyens d’existence : je ferai comme Blanqui en 1832, je dédaigne les viles accusations.” (H. WOUTERS, Documenten…, dl. III, p. 1524.)
Als wij het bronnenmateriaal onder de loep nemen dan valt op dat Les Droits du Peuple vanaf de zomer van 1880 uitgesproken anarchistische artikels opnam.  In juli ontstond een nieuwe anarchistische groep, Le Cercle des Anarchistes Bruxellois, en zijn stichtingsmanifest werd volledig afgedrukt. (Les Droits du Peuple, 25-7-1880, p. 2, kol. 4,  1-8-1880, p. 3, kol. 2-3,  8-8-1880, p. 3, kol. 1-2.)  Interessant is de redactionele commentaar : “Nous recevons communication de l’article suivant que nous insérons parce qu’il émane d’un groupe révolutionnaire, et parce que, comme nous l’avons répété bien souvent, les Droits du Peuple ne sont pas le journal d’une coterie ou de deux ou trois personnalités.  Toutefois, nous devons déclarer que nous ne prenons pas la responsabilité de l’article et qu’une partie des idées qui sont y équisés, sont en contradictions avec les nôtres, surtout au point de vue de la période fatalement violente qui doit séparer l’Etat ancien de la société nouvelle.  Nous ne répondrons pas - en ce moment - à cet article.  Les anarchistes sont comme nous de bons révolutionnaires et nous avons assez à tirer contre les évolutionistes.  Mettons-nous d’accord sur le terrein de la Révolution : le lendemain de la victoire nous reprendrons nos idées et théories personelles.” (Les Droits du Peuple, 25-7-1880, p. 2, kol. 3.)  Denk nu niet dat dit citaat een bevestiging is van het discours van Mommen, ook al werd deze commentaar allicht door Chauvière zelf geschreven.  Want het gaat hier eerder om een persoonlijk standpunt dan om de visie van Les Cercles Réunis.  Wij zeggen dit op basis van de talrijke bronnen die door onze handen zijn gegaan.  Zij geven duidelijk aan dat de autoritaire variant van het revolutionaire socialisme zeker niet de boventoon voerde.  In Les Droits du Peuple komen wij trouwens verschillende standpunten tegen, al naar gelang de auteur van de bijdrage.  Zo beschreef de anarchist Egide Spilleux op 1 augustus in “Lettre Parisienne” de strijd die tijdens een revolutionair congres in Frankrijk gevoerd werd tussen etatisten en anarchisten, waarbij hij duidelijk stelling koos voor de betogen van de anarchisten. (Les Droits du Peuple, 1-8-80, p. 2, kol. 4 - p. 3, kol. 1.)  En veertien dagen later sprak hij zijn dank uit ten aanzien van de redactie omdat zijn anti-etatistische standpunten hun weg hadden mogen vinden naar de kolommen van Les Droits du Peuple. (Les Droits du Peuple, 15-8-80, p. 3, kol. 1-2.)  Eigenlijk komen wij in het blad heel weinig dergelijke uitgesproken standpunten tegen.  Blijkbaar voelde men in die dagen niet echt veel behoefte om over ideologische tegenstellingen te schrijven en te praten.  Het merendeel van de Brusselse revolutionairen was opgegroeid in een federalistische traditie en lag niet wakker van de verschilpunten tussen blanquisme en anarchisme.  Weinigen noemden zich openlijk anarchist en slechts enkelen beriepen zich op het blanquisme.  Zoals het citaat aangeeft voelden de Brusselse radicalen zich vooral revolutionair !  Die enkelen die er dan toch een duidelijke mening op nahielden en daarbij een keuze maakten tussen anarchisme en blanquisme waren meestal wel leidende figuren, maar men mag hun invloed - zeker met betrekking tot die keuze - niet overroepen.  In die zin was een man als Chauvière erg populair bij de Brusselse radicale socialisten om zijn revolutionaire overtuiging, antiklerikalisme, spraakvaardigheid en organisatietalent, maar niet zo zeer om zijn blanquistische opvattingen.  Anders gezegd, blanquistische invloeden waren in Brussel eerder beperkt van tel.  Men zou ze kunnen ontwaren in de cellenstructuur van de organisatie, of in het voorhoededenken van sommige trekkersfiguren, maar met hetzelfde gemak kan men stellen dat dit schatplichtig was aan het anarchisme, dat tendeerde naar besloten comités en ‘propaganda door de daad’. Les Cercles Réunis waren gebaseerd op straatgroepen die elk een afgevaardigde stuurden naar het centraal comité.  Opmerkelijk is dat het niet echt om een piramidaal gestructureerde organisatie ging.  De machtslijnen liepen eerder van onder naar boven dan omgekeerd.  M.a.w., de federatieve invloeden waren duidelijk aanwezig.  
De invloed van het blanquisme van Chauvière en co. komt anderzijds nog het best tot uiting in het eisenplatform van Les Cercles Réunis.  Voor overtuigde anarchisten moet dit bevreemdend en misschien wel te gematigd zijn overgekomen.  Hier moet volgens ons de belangrijkste verklaring gezocht worden voor het niet onmiddellijk aansluiting vinden van de gekende anarchisten, die blijkbaar meer dan de anarchisten binnen Les Cercles Réunis op hun ideologische zuiverheid stonden.
Les Cercles Réunis was dus een eerder tolerante, ondogmatische, revolutionaire organisatie.  En in een overgrote meerderheid van artikels in haar krant Les Droits du Peuple sprak men zich niet uit over mogelijke verschillen tussen anarchisme en blanquisme.  Als men het al over revolutionaire theorieën had, dan beklemtoonde men de overeenkomsten en vooral de gezamenlijke strijd tegen burgerij en evolutionair ‘burgersocialisme’.  Sprekende voorbeelden hiervan waren de oproepen voor deelname aan het revolutionair congres in september. (Les Droits du Peuple, 25-7-1880, p. 4, kol. 2,  8-8-1880, p. 1, kol. 4 - p. 2, kol. 1,  15-8-1880, p. 1, kol. 4 - p. 2, kol. 1,  22-8-1880, p. 1, kol. 4 - p. 2, kol. 1, 5-9-1880, p. 1, kol. 1-3.)  En op 26 september, een week na het congres, liet Arsène Crié triomfantelijk weten : “Il y a six mois, nous étions tous divisés en Belgique; étatistes, autoritaires, anarchistes, communistes, collectivistes, individualistes, s’attaquaient, se combattaient et trop souvent s’injuriaient à outrance;  aujourd’hui il n’en est plus ainsi : nous gardons notre autonomie, nous conservons nos idées et nos théories particuliers, mais nous sommes tous réunis sur le grand terrain de la Révolution sociale.” (Les Droits du Peuple, 26-9-80, p. 1, kol. 1-2.) Dit citaat vat de interne evolutie van het revolutionair socialisme in Brussel goed samen.  Het was een verhaal waarin toenadering en respect de boventoon voerden.  Tot september 1880 betroffen het vooral informele contacten, daarna - met de oprichting van de nationale Union Révolutionnaire werd er structureel samengewerkt.
Wij willen hier even de radicale groepen in de hoofdstad overlopen.  Naast de hierboven aangehaalde linken met de anarchisten, waren het vooral militanten van de plaatselijke afdeling van de Internationale waar men over de vloer kwam.  De Brusselse sectie was overwegend revolutionair-anarchistisch van inslag en in de loop van 1880 radicaliseerde zij verder.  Symptomatisch was dat naar aanleiding van de kandidaatstelling van Brismée op de evolutionistische arbeiderslijst bij de verkiezingen van 8 juni, werd gepoogd hem uit de kring te zetten.   Aanvankelijk beperkte de samenwerking tussen de activisten van Les Cercles Réunis en de Brusselse Internationalisten zich hoofdzakelijk tot persoonlijke contacten, ook al was Chauvière in april reeds bereid om een fusie aan te gaan.  In de praktijk was enkel de anarchist Achille Hertschap echt actief in beide verenigingen.  Pas in het najaar, na de oprichting van de nationale Union Révolutionaire, kwam er intensere samenwerking.


9.11. De Internationale in 1880.
In de literatuur is zeer weinig terug te vinden over het wel en wee van de Internationale in 1880.  Dat geldt zowel voor de uitgegeven, hoofdzakelijk evolutionistische, getuigenverslagen uit die tijd als voor de geschiedschrijving zelf.  Voor Louis Bertrand bestaat in 1880 de Internationale in Brussel in ieder geval niet meer. (Noch in zijn Histoire de la Démocratie… noch in zijn Souvenirs… vinden wij een woord over de Brusselse internationale in 1880 terug.) En ook Arthur Duverger beperkt zich in zijn geschiedenis van de Belgische Socialistische Partij tot een paar zinnen : “…il y a d’autres associations qui croient impossible la lutte sur le terrain légal et déclarent hautement qu’elles chercheront à réaliser leurs programmes par la force.  L’Internationale semble sortir de son assoupissement…” (A. DUVERGER, Le Parti Socialiste Belge…, p. 18.)  César De Paepe bericht iets ruimer in het Jahrbuch für Sozialwissenschaft dat in 1879-1881 door Karl Höchberg, alias Ludwig Richter, in Zurich werd uitgegeven.  Eind 1879 - begin 1880 beschouwde hij de Internationale, naast de BSP en de vrijdenkersgroepen nog als een van de grotere bewegingen, al had zij in zijn ogen veel van haar pluimen verloren.  De Paepe zag de BSP als kernbeweging en de Internationale als haar oppositionele linkerflank, waarbij hij discussies meldde over evolutie en revolutie. (C. DE PAEPE, Niederlände…, p. 300-301, 305.)
In het zog van de getuigenissen van deze drie evolutionisten laten ook de historici de Internationale grotendeels links liggen.  Dat geldt zowel voor Denise De Weerdt (D. DE WEERDT, Het ontstaan van de BSP…) en André Mommen (A. MOMMEN, Het Belgisch Socialisme…  In tegenstelling tot de meeste andere historici focust Mommen niet op de evolutionisten, maar op de blanquisten.) als voor Bernard Dandois (Entre Marx et Bakounine…, p. 17-49.), Luc Peiren (L. PEIREN, César De Paepe…) en Pierre Van den Dungen (P. VAN DEN DUNGEN, La foi du marbier Louis Bertrand…).  Alleen Michel Oukhow weet de Brusselse afdeling van de Internationale voor een stuk te duiden.  Hij gaat in op de uitsluiting van César De Paepe en de agitatie tegen Désiré Brismée, en verder focust hij op de revolutionaire samenwerking in Brussel tegen de evolutionisten.  Maar al steekt het doctoraat van Oukhow kop en nek boven de anderen uit, toch gaat ook zijn werk niet specifiek over de geschiedenis van de Internationale. (M. OUKHOW, César De Paepe…, p. 420-422, 431-438.)
Begin 1880 was de Brusselse afdeling van de Internationale zoals eerder gezegd in anarchistische handen.   Daarin zou in de verdere loop van het jaar geen verandering komen.  Wel integendeel, de secretaris en centrale figuur was de anarchist Charles Debuyger en andere belangrijke anarchistische militanten waren Eugène Steens, Egide Govaerts, Achille Hertschap, Laurent Verrycken, Egide Spilleux, Joseph Claeskens, Désiré Voglet, Henri Peeters en vanaf juni Jean Huyskens.  Verder waren er de revolutionair Prosper Gietzen, de radicalen Nicolas Cammaert en Ferdinand Delporte, de meer gematigde schatbewaarder Jean Pira, de wat radicalere Ferdinand Mahieu, de evolutionist Camille Standaert en tenslotte de ideologisch moeilijk te situeren Limbourg en Philippe Melchior. Andere leden die zich slechts sporadisch lieten opmerken waren onder meer de anarchisten Joseph Allecourt, Hubert Delsaute, Joseph Huart en Leonard Dupaix, de revolutionair Polydore Saccasyn en de radicalen Pierre-Louis Pieterse en Louis Seconde.
Van de grote evolutionistische voormannen was, na de uitsluiting van De Paepe, in januari 1880, op Standaert na nauwelijks nog een spoor te bekennen.  Zo liet de ancien Désiré Brismée tot november niet meer van zich horen en ook zijn uitsluiting was op een bepaald ogenblik het voorwerp van gesprek. Désiré Paterson werd door de politieverslaggevers nog amper twee keer opgemerkt.  De laatste keer was dat op de vergadering van 26 januari.  Ook de vroegere anarchist Nicolas Coulon gaf er de brui aan.  Zijn aanwezigheid werd een laatste maal genoteerd op 12 april.  En het eenmalig bezoek van Arthur Duverger, op 29 februari, zou uiteraard het tij niet keren. 
Het waren evenwel niet alleen evolutionisten die de Brusselse afdeling van de Internationale verlieten.  Ook een aantal radicalen lieten haar achter zich, bijvoorbeeld de anarchisten Laurent Verrycken, Egide Spilleux en Désiré Voglet.  Zij werden respectievelijk op 12 april, 15 mei en 14 juni voor de laatste keer in een politieverslag vermeld.  De revolutionair J. Wagenaar liet zich op 12 januari een laatste maal zien en ook zijn geestesgenoten Jean-Baptiste Trappeniers en Joseph Milder komen we na 12 juli niet meer tegen.  Toch was er op de vergaderingen niet echt minder volk aanwezig dan in 1879.  Dat had te maken met een aantal nieuwkomers zoals de revolutionair Antoine Didier, de radicalen Pierre Louis Pieterse en Etienne Sermon en de ideologisch minder uitgesproken figuur Minne.  En er waren passanten die zich slechts één, twee keer lieten opmerken, onder andere de anarchist Arsène Crié, de radicale Luikenaar Etienne Constant en de blinde anarchist Prosper Voglet.
Anarchisten hadden dus de touwtjes in handen.  Dat zie je ook al aan de vele dubbellidmaatschappen met La Ligue Collectiviste Anarchiste.  We noemen hier Charles Debuyger, Eugène Steens, Egide Govaerts, Achille Hertschap, Jean Huyskens, Laurent Verrycken, Egide Spilleux, Joseph Claeskens, Henri Peeters, Désiré Voglet en Hubert Delsaute.  Maar wij moeten nuanceren.  Het waren niet zozeer de voortrekkers van La Ligue Collectiviste Anarchiste - Delsaute en Verrycken - die het hoge woord voerden in de Internationale.  Wel meer gematigde anarchisten zoals Debuyger en Steens.  Het valt trouwens op dat de meeste internationalisten hun lidmaatschap niet combineerden met dat van de anarchistische vrijdenkerskring L’Affranchissement.  Hun voorkeur ging uit naar de meer gematigde vrijdenkersvereniging Les Solidaires en vooral naar de radicale Les Cosmopolitains.  Allicht had dat te maken met het zieltogende bestaan van L’Affranchissement, maar toch… niet alle internationalisten waren zulke rabiate anarchisten als een Hubert Delsaute.  De relatieve gematigdheid van de toonaangevende anarchisten in de Internationale verklaart voor een deel ook waarom, toen in april 1880 La Ligue Collectiviste Anarchiste ter ziele ging, de aanhangers van de anarchistenkring geen aansluiting zochten bij de Internationale en eerder uitzwermden richting vrijdenkersorganisaties en het revolutionaire Les Cercles Réunis.  Een aantal onder hen zouden trouwens terug op zoek gaan naar een eigen bedding en eind 1880 - begin 1881 zou de kring Les Anarchistes Bruxellois het licht zien.
Contacten met de andere radicale clubs in de hoofdstad waren vrij marginaal.  In ieder geval bleven de dubbellidmaatschappen beperkt.  Enkel de anarchisten Debuyger, Hertschap en Spilleux waren tegelijkertijd aangesloten bij de radicale Le Cercle Démocratique en aanvankelijk lieten alleen Hertschap, Spilleux en de radicaal Ferdinand Delporte zich zien op bijeenkomsten van de revolutionaire Les Cercles Réunis.  Vanaf mei en zeker in het najaar, toen de nationale Union Révolutionnaire was opgericht, zou er meer toenadering komen.  Ook de leidende internationalisten Steens en Govaerts manifesteerden zich voortaan in Les Cercles Réunis en samen met secretaris Debuyger werden zij actief in het Centraal Bureau van die Union Révolutionnaire.
Na de ontslagname van Louis Bertrand en de expulsie van César De Paepe, en met het wegblijven van Désiré Brismée en andere evolutionisten, werd de hegemonie van de anarchisten in de Brusselse afdeling van de Internationale dus een feit.  Dat vond zijn bekrachtiging in de hernieuwing van de mandaten van het administratief comité dat de interne macht in handen had.  Op 12 januari 1880 werd Charles Debuyger in zijn functie van secretaris hernieuwd, Pira werd schatbewaarder en verder stelde men Govaerts, Steens, Joseph Claeskens, Hertschap, Allecourt, Mahieu en Verrycken aan als lid van dit centraal comité.  Op de gematigde Pira en de radicale Mahieu na waren het allemaal anarchisten.  Maar de anarchisten mochten dan al de touwtjes in handen hebben, veel stelde de Internationale in Brussel niet meer voor.  De sectie had geen structurele banden meer met de beroepsverenigingen en was in feite een studie- , actie- en  propagandakring geworden.  En zelfs dat stelt de zaken nog verbloemd voor want ook van studie, actie en propaganda was in 1880 amper sprake.  Eigenlijk was de afdeling verworden tot een kleine club waarvan weinig animo uitging.
De internationalisten zaten in theorie om de veertien dagen samen aan tafel.  Op papier vond er afwisselend een administratieve interne vergadering en een publieke propagandabijeenkomst plaats, respectievelijk de tweede en vierde maandag van de maand en dit om 21.00 uur in het Maison des Tanneurs aan de Grote Markt. In de praktijk liep het anders.  In het politiearchief vonden wij voor 1880 slechts zestien verslagen van vergaderingen, waarvan er dan nog twee gaan over buitengewone samenkomsten.  Er werd met andere woorden maar af en toe vergaderd en als we gaan kijken naar de data dan kunnen we zeggen dat er ook onregelmatig vergaderd werd.  Bovendien kan je niet altijd spreken van een ‘echte’ samenkomst.  Bijvoorbeeld op de publieke bijeenkomst van 26 januari waren slechts een zevental personen aanwezig en door deze beperkte opkomst werd er bij een pint bier wat los over en weer gebabbeld.  De agenda van de vergadering kon nochtans tellen : de houding van de Internationale ten aanzien van de verschillende politieke bewegingen.  Om halftien kwam De Paepe nog toe, maar hij werd - gezien zijn uitsluiting uit de kring - erg koeltjes ontvangen.

9 februari was een interne vergadering.  Zij werd voorgezeten door Steens en nadat hij melding gemaakt had van het overlijden van Jeanne Costaguia, de vrouw van Brismée, stelde hij voor om uit respect voor de overledene en haar nabestaanden geen discussies te voeren over onderwerpen die de afwezige Brismée konden aanbelangen.  Allicht alludeerde hij op de ideologische tegenstellingen in het Brusselse socialisme.  Toen echter het verslag van de vorige interne vergadering doorlopen werd kwam de expulsie van De Paepe terug ter sprake. De Paepe had een brief geschreven waarin hij protesteerde tegen zijn uitsluiting en vroeg om zich te kunnen verdedigen.  Govaerts begon onmiddellijk over het ‘verraad’ van De Paepe in detail te treden, maar Steens blokte hem af.  Steens herinnerde hem aan de afspraak die in het begin van de vergadering gemaakt was.  Hij wees op de afwezigheid van Brismée en anderen die het misschien voor De Paepe zouden kunnen opnemen.  De evolutionist Paterson maakte van Steens’ reactie gebruik om een buitengewone vergadering over het geval De Paepe voor te stellen.  Maar Steens, bijgestaan door secretaris Debuyger, wilde ook daar niet van weten.  Over veertien dagen was er immers terug een publieke zitting en zeker op de administratieve vergadering van volgende maand kon de zaak aan bod komen.  De zaak De Paepe kon daarmee als afgedaan beschouwd worden.  Verder werd op deze vergadering niet veel beslist.  Men had het over propaganda in cafés die vaak door internationalisten bezocht werden en de evolutionist Paterson werd aangeduid om de dag nadien de Brusselse sectie van de Internationale te vertegenwoordigen op de begrafenis van de vrouw van Brismée.
Het agendapunt van de publieke bijeenkomst van maandag 23 februari was ‘het algemeen stemrecht en de grondwet’.  Op Duverger na sprak iedereen zich uit tegen algemeen stemrecht en vooral tegen pacifistische actiemiddelen zoals het petitionnement.  Volgens de anarchisten Delsaute, Steens en Verrycken kon enkel de revolutie soelaas bieden. “L’ouvrier ne conquerra ses droits qu’en descendant dans la rue, les armes à la main.  La bourgeoisie qui détient tous les pouvoirs, ne cèdera jamais qu’a la force.  Le suffrage universel en Belgique n’est qu’une dérison…”  Duverger wilde de revolutionaire standpunten milderen.  Hij pleitte voor een langzame, geweldloze strategie die het moest hebben van volksopvoeding en eveneens zou leiden naar een nieuwe maatschappij.  Hij gaf toe dat indien de burgerij in dat proces de macht niet vrijwillig zou afstaan er op termijn misschien geweld nodig was, maar voorlopig waren in zijn ogen evolutionistische actiemiddelen (zoals een petitie) meer aangewezen.  De gematigde taal van Duverger stoorden de revolutionaire anarchisten enorm.  Zelfs de toch eerder ‘pacifistische’ Steens kon zich niet meer in toom houden.  “Si l’orateur, s’écrie Steens, était né quelques années plutôt et surtout il s’était occupé du mouvement socialiste, il aurait maintenant d’autres idées et ne prétendait plus que l’on fait des révolutions en se croisant les bras.”  En hij kreeg bijval van de andere revolutionaire anarchisten.  “Pour eux, la société doit être organisée sur de nouvelles bases;  les pouvoirs actuelles et la bourgeoisie doivent disparaître pour faire place à un gouvernement démocratique…”…“Ce but ne sera atteint qu’en organisant le peuple pour le moment de l’action.  Il faut des faits et plus de phrases.”  Verrycken poneerde de stelling dat gedurende het 50 jarig bestaan van de Belgische grondwet de situatie van de arbeider er alleen maar was op achteruitgegaan.  “…le salut du travailleur n’existe que dans la force.  Un soulèvement général mettra seul fin à ses souffrances.  Il faut, s’écrie l’orateur en terminant, que l’année 1880 vit sa page dans l’histoire.  Ondanks de fundamentele bezwaren ten opzichte van de eis van algemeen stemrecht zouden - aldus het anarchistische Le Drapeau Rouge - toch verschillende internationalisten zich in de beweging voor algemeen stemrecht engageren.  Maar spoedig zou blijken dat zij er vooral oppositie gingen voeren tegen de evolutionisten. (Le Drapeau Rouge, 14-3-1880, p. 2, kol. 2-3;  H. WOUTERS, Documenten…, dl. III, p. 1470;  Politiearchief Parijs, Individueel Dossier B a/1291 : Verrycken, uittreksel uit een verslag van 26-2-1880 over de Internationale.)
Pas een goede maand later, op 12 april 1880, zaten de Brusselse internationalisten terug rond de tafel.  Deze keer was het een interne, administratieve samenkomst.  Eens te meer werd een brief van César De Paepe voorgelezen.  Dit keer een brutale brief waarin hij de beslissing tot uitsluiting betwistte.  Hij voerde twee argumenten aan.  Ten eerste wilde hij zijn achterstand aan lidgeld onmiddellijk betalen en ten tweede hekelde hij de geldigheid van een stemming tot uitsluiting na 11 uur ‘s avonds.  De anarchist Spilleux stelde dat de geëxpulseerde De Paepe te veel aandacht en tijd in beslag nam : “Il y a plus de huit mois que ce vilain monsieur, ce traître, ce jésuite devrait être exclu de nos rangs.  Il est trop lâche pour venir se défendre des accusations formulées contre lui.”  Steens deed er nog een schepje roddel bovenop en op voorstel van Spilleux werd de volgende resolutie gestemd : “Attendu que C. De Paepe a agi en plusieurs circonstances d’une manière fausse et jésuitique et qu’il a tenté d’organiser un mouvement contraire à notre programme, l’assemblée du 12 avril confirme le vote de celle du 8 janvier, qui exclut De Paepe de l’Internationale pour trahison et non pour dettes.”  De uitsluiting van De Paepe was hiermee een onomkeerbaar feit. (H. WOUTERS, Documenten…, dl. III, p. 1507.)
Als we de socialistische beweging in Brussel wat van op een afstand bekijken, dan lijkt de royering van De Paepe eerder een achterhoedegevecht.  De frontale strijd met de evolutionisten werd sinds april vooral gevoerd door de aanhangers van de revolutionaire Les Cercles Réunis, niet door de internationalisten.  Maar sinds 5 mei 1880 genoten zij de steun van de InternationaleHertschap, die lid was van beide clubs, kwam dat die dag publiek vertellen op een bijeenkomst van Les Cercles Réunis.  Vier dagen later namen de anarchisten Joseph Huart en Hubert Delsaute namens de Brusselse sectie publiek hetzelfde standpunt in op een vruchteloze verzoeningsvergadering waar de revolutionaire en evolutionistische protagonisten elkaar met weerzin in de ogen keken. (H. WOUTERS, Documenten…, dl. III, p. 1524, 1527;  Les Droits du Peuple, 9-5-80, p. 4, kol. 2.)
Dan was het weer een maand stil.  Alhoewel, Steens, Debuyger, Huart en Trappeniers gingen 25, 30 en 31 mei in eigen naam weerwerk leveren op bijeenkomsten die de evolutionisten naar aanleiding van de verkiezingen van 8 juni op touw zetten.  Debuyger zei op 30 mei dat hij zich niet verzette tegen de beweging voor algemeen stemrecht, maar “…comme il est certain qu’il aboutira à rien, il trouve que la révolution violente seule amènera de l’amélioration dans la situation de l’ouvrier.”  Een dag later stelde Steens zich tactischer op.  Hij zei dat hij met plezier  de beweging voor algemeen stemrecht zag groeien maar tegelijkertijd noemde hij zich een zoon van een revolutionair en stelde hij dat de gekozenen het vertrouwen van de kiezer niet waard waren.  Hij trok van leer tegen de Brusselse liberalen, die eenmaal verkozen hun kiezers de rug toe keerden en een eigen agenda volgden.  Alleen voor Léon Defuisseaux maakte hij een uitzondering.  Steens besloot dat de revolutionaire partij sterker was dan ooit en verenigd in heel het land. (H. WOUTERS, Documenten…, dl. III, p. 1535-1537, 1542-1545;  Les Droits du Peuple, 30-5-1880, p. 4, kol. 1;  6-6-1880, p. 4, kol. 2;  La Voix de l’Ouvrier, 6-6-1880, p. 2, kol. 1-2.)
8 juni, de verkiezingsdag zelf, werd er door de socialisten in de straten van Brussel betoogd.  De internationalisten Hertschap, Steens, Debuyger, Trappeniers en Huart trokken samen op met de revolutionairen van Les Cercles Réunis.  Later op de avond, tijdens een meeting à la Colline, nam Trappeniers het woord.  Hij verzette zich tegen het voorstel van De Paepe om een alliantie met de liberale burgerij aan te gaan.  En Steens hemelde de revolutionaire beweging van Chauvière op.  Hij vergeleek haar met de Internationale tijdens haar gloriejaren. Enkele dagen later, op 13 juni tijdens een meeting van Les Cercles Réunis, stelde de internationalist Joseph Huart voor om meer samen te werken en de revolutionaire propaganda in de Borinage te verhogen. (H. WOUTERS, Documenten…, dl. III, p. 1553-1554, 1556.)

De gezamenlijke agitatie van aanhangers van de Internationale en revolutionairen van Les Cercles Réunis stond in contrast met de werking van de sectie zelf.  Pas op 14 juni kwamen de internationalisten terug samen in hun stamlokaal, Au Tanneur.  Bewust van het marginale karakter van de eigen werking had men het over de reactivering van de beweging.  Volgens Steens bevond de Internationale zich al vier jaar in een staat van lethargie en hij wilde haar nieuw leven inblazen door de verspreiding van een manifest in heel het land. Maandag 21 juni kwam men samen in buitengewone zitting maar er was te weinig volk aanwezig om daadwerkelijk te vergaderen.  Steens lichtte dan maar zijn ontwerp van manifest toe.  Het was een oproep aan alle bestaande en in oprichting zijnde groepen om de revolutionaire krachten in het land te bundelen. En hij viel expliciet de evolutionisten van La Voix de l’Ouvrier aan. (H. WOUTERS, Documenten…, dl. III, p. 1564, 1630.)
Tijdens de bijeenkomst van 12 juli 1880 werd het bewuste manifest van Steens goedgekeurd.  Verder lanceerde de revolutionair Jean-Baptiste Trappeniers het voorstel om na De Paepe ook Désiré Brismée en Guillaume Brasseur uit de Internationale te stoten.  Beiden hadden gefungeerd als evolutionistische kandidaten bij de parlementsverkiezingen van 8 juni en zij werden hiervoor door Trappeniers van verraad beschuldigd.  Volgens de politieverslaggever zou Chauvière achter de voorstellen tot uitsluiting van Brismée en Brasseur gezeten hebben, omdat hij de weg wilde effenen voor een fusie tussen de Internationale en Les Cercles Réunis.  Wat er ook van zij, de uitsluiting bleef bij een voorstel.  En ook van de gesuggereerde fusie kwam voorlopig niets in huis.  Wel groeide de samenwerking tussen de leden van beide clubs.  Allicht had dat veel te maken met het zieltogende bestaan van de Internationale waardoor de aantrekkingskracht van de jonge, succesvolle revolutionaire beweging rond Les Cercles Réunis spontaan toenam.  Les Cercles Réunis was succesvol gebleken in haar wijkrecrutering en bovendien toonde het zich erg combattief tegenover de gehate evolutionisten.  Verder was er de uitgave van het blad Les Droits du Peuple en met de aankondiging van een landelijk congres in september stelden de jonge revolutionairen een hernieuwde nationale revolutionaire beweging in het vooruitzicht.  De harten van de in het slop zittende Brusselse internationalisten zouden van minder sneller gaan slaan. (H. WOUTERS, Documenten…, dl. III, p. 1575.)

Het was twee maanden wachten, tot 13 september, voordat de Brusselse afdeling van de Internationale terug samenkwam.  Ondertussen had men niet stil gezeten.  Er was door de Belgische algemene raad samen met de Brusselse sectie een pamflet gedrukt en verspreid waarin, naast de uitnodiging voor de vergadering van 13 september, alle secties in het land werden opgeroepen om aanwezig te zijn op het revolutionair congres dat op 19 september, in Brussel door Les Cercles Réunis werd op touw gezet.  Volgens het pamflet wilde het congres : “…réunir dans un même faisceau toutes les forces du prolétariat, sans distinction de nuances, à l’effet de constituer pratiquement une indissoluble union révolutionnaire. (Association Internationale des Travailleurs… (aug.-sept. 1880);  Les Droits du Peuple, 12-9-1880, p. 2, kol. 3.) De vergadering van 13 september stond volledig in het teken van dit congres.  Debuyger, Govaerts en Huyskens werden aangeduid als afgevaardigden.  Steens, die naar het congres ging namens de nationale Algemene Raad, becommentarieerde : “Nous devons reconnaître que Chauvière est devenu un personnage marquant et que tout le pays wallon obeit à sa voix.  C’est un agitateur actif et infatigable dont la propagande a été favorable au relèvement de l’Internationale.  Il est d’ailleurs prêt à se joindre à nous si l’association était purifiée de quelques uns de ses membres.  En attendant il se contentera de nous seconder.” (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.194, Internationale, 13-9-1880.)  Veel onderscheid werd tussen beide verenigingen blijkbaar niet meer gemaakt.  Eigenlijk kan je stellen dat de samenwerking met Les Cercles Réunis op deze samenkomst haast een formele bevestiging vond.  Het initiatief van Les Cercles Réunis om de revolutionaire krachten bijeen te brengen in een landelijk congres en te verenigen in de nationale Union Révolutionnaire beantwoordde zoals eerder gezegd perfect aan de verzuchtingen van de Brusselse internationalisten die daarin de heropstanding van de Internationale zelf ervoeren.  Steens zei op het congres : “Citoyens, je suis heureux en ce moment parce que je vois qu’il n’existe aucune antipathie entre l’internationale et les cercles réunis dont notre ami Chauvière est le fondateur.  Il a compris ce que la majorité de l’Internationale ne voulait pas comprendre, à savoir qu’il fallait fusionner toutes les forces révolutionnaires dans un seul réseau tout en laissant une certaine autonomie à chaque groupe pour faire de la propagande comme il l’entend.  En verder : “Jamais de ma vie je n’ai éprouvé autant de satisfaction qu’aujourd’hui car nous avons obtenu un résultat grandiose.  Oui l’oeuvre de l’Internationale a été accomplie.  Nous venons de poser la première pierre de la grande révolution.” (StB.Kt. 194, Congrès socialiste révolutionnaire, 19-9-80;  La Révolution Sociale, 26-9-80, p. 3, kol. 4 - p. 4, kol. 1.) De lokale afdeling van de Internationale in Brussel schakelde zich in elk geval in in de propaganda voor de nieuwe nationale Union Révolutionnaire.  In die zin werd op de bijeenkomst van 13 september besloten om na het congres overal in het land meetings, conferenties en feesten te organiseren met het doel de lokale secties van de Internationale te doen herleven.  Het identificatieproces van de Brusselse sectie van de Internationale met de revolutionaire beweging ging de volgende maanden gestaag verder.  Terwijl de Brusselse afdeling zelf nauwelijks nog van zich liet horen gingen haar voortrekkers zich voluit engageren in de revolutionaire clubs.  Steens en Govaerts manifesteerden zich voortaan in Les Cercles Réunis en samen met Debuyger en Hertschap werden zij van in het begin actief in het centraal bureau van de Union Révolutionnaire. Hier maakten zij werk van de uitbouw van de revolutionaire beweging.  Buiten Brussel gingen zij plaatselijke groepen ondersteunen en zij werkten intensief mee aan de voorbereiding van een nieuw nationaal congres dat in december in Verviers zou doorgaan. (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt. 194, Congrès socialiste révolutionnaire, 19-9-1880;  Les Droits du Peuple, 26-9-1880, p. 2, kol. 3-4.)
Het is echt merkwaardig hoe snel en vlot de internationalisten zich inschakelden in de revolutionaire beweging en haar propaganda.  4 oktober vond er terug een administratieve bijeenkomst van de Internationale plaats.  Enkel de vier bovenvermelde anarchisten plus Pira waren aanwezig.  Steens zat de vergadering voor en eens te meer ging hij in op het door hem geschreven manifest.  Het is verwonderlijk dat hierin nog werd opgeroepen voor eenheid tussen de twee rivaliserende socialistische stromingen onder de vlag van de Internationale, dit zelfs in respect voor ieders eigenheid.  Maar de oproep was weinig overtuigend want in de tekst werd eerst neerbuigend gedaan over de evolutionistische aktiemiddelen en de compromissen die de evolutionisten al bijna tien jaar lang trachtten te sluiten met de burgerlijke politieke structuren.  Het manifest van Steens was in feite een appel gericht aan de oude secties van de Internationale met de bedoeling de organisatie nieuw leven in te blazen en te heroriënteren in een uitgesproken revolutionaire richting.  Steens had het over de aanhang en propaganda in de Waalse provincies en verwees naar het werk dat geleverd werd door de militanten van Les Cercles Réunis.  Misschien moest er vanuit propagandistisch oogpunt in Henegouwen wel een tussentijds congres georganiseerd worden.  Dit als aanloop naar het congres van Verviers, dat op zijn beurt gericht was op het revolutionair wereldcongres dat in de zomer van 1881 in Londen zou doorgaan. (H. WOUTERS, Documenten…, dl. III, p. 1629-1630.)
Een week later, op 11 oktober, werd beslist dat Steens en Debuyger naar Henegouwen zouden gaan om de aldaar ingeslapen secties wakker te schudden en ze te enthousiasmeren voor het revolutionaire decembercongres.  Eens te meer stak Steens een lofrede af voor Les Cercles Réunis die volgens hem vele nieuwe jonge militanten had weten te recruteren voor de goede zaak, en dit “tout en déplorant l’espèce de sommeil léthargique dans lequel semble être plongée une grande partie de l’Internationale.”  Een andere illustratie van de integratie van de Brusselse afdeling van de Internationale in de ‘nieuwe’ revolutionaire beweging was het feit dat het hoofdagendapunt van de vergadering - de voorlezing van het verslag van het revolutionair congres van 19 september - werd afgevoerd met de argumentatie dat alle aanwezigen in eigen persoon het congres hadden meegemaakt. (H. WOUTERS, Documenten…, dl. III, p. 1633-1634.)
Het was een maand wachten, tot 8 november, voordat de internationalisten terug samenkwamen.  Met negentien kompanen hielden ze een administratieve bijeenkomst.  Veel werd er niet besproken.  Hertschap gaf een verslag van het mijnwerkerscongres van Mons, dat 31 oktober plaats gevonden had en dat hij had gepoogd te bezoeken samen met Steens, Debuyger, Govaerts en de bekende revolutionair, anarchist en bekamper van het evolutionisme, Ferdinand Monier.  Verder las hij een brief van Brismée voor waarin die vroeg om de aanvaarding van de kandidatuur van dezelfde Monier, als lid van de Internationale uit te stellen tot een volgende vergadering.  Brismée had blijkbaar de intentie om oppositie tegen deze kandidatuur te komen voeren.  De vergadering stemde in met het uitstel, maar het lidmaatschap van Monier zou niet meer ter sprake komen omdat hij half november door de Belgische overheid werd verplicht het koninkrijk te verlaten.  Voor het overige werd tijdens de vergadering besloten om naar Johann Most in Londen een brief te sturen waarin men hem alle macht toezegde om in 1881 in Londen een internationaal revolutionair congres op poten te zetten.  De voortrekkers Debuyger, Hertschap en Steens deden verschillende voorstellen om ter voorbereiding van dit congres de propaganda te verhogen.  Maar men raakte er niet uit en de discussies werden naar een volgende samenkomst verschoven. (H. WOUTERS, Documenten…, dl. III, p. 1646.)

Die vond zes dagen later, op 14 november 1880, plaats.  Het centraal agendapunt - het internationaal congres - moest evenwel wijken voor meer actuele feiten. Drie bekende revolutionairen werden door de Belgische justitie verplicht het land te verlaten.  Het waren de genoemde Ferdinand Monier van Les Cercles Réunis, Balthasar Hohn, de voorman van de anarchistische migrantenkring Deutscher Leseverein, en de Duitse anarchist (van de daad) Karl Klein.  De Brusselse internationalisten waren fel geschokt door de repressieve acties van de overheid.  Onmiddellijk gingen stemmen op om een protestmeeting te organiseren.  Govaerts zei dat zijn huis openstond voor de geviseerde bannelingen en dat hij zich er met de revolver in de hand zou verzetten tegen hun arrestatie.  Debuyger uitte ware bedreigingen aan het adres van koning Leopold II : “als hij nog eens zijn handtekening onder een arrest tot landuitdrijving zette dan tekende hij meteen ook zijn doodvonnis.  De koning moest begrijpen dat…plus d’une tête couronnée de sa famille est tombée, que les Nobiling et les Hödel ont des partisans en Belgique…”  Beide voormannen kregen van de kring het mandaat om de week nadien een protestbijeenkomst te organiseren. (H. WOUTERS, Documenten…, dl. III, p. 1648-1649, 1650;  Stadsarchief Brussel, politiefonds, Individueel Dossier 4149 : Govaerts Egide, uittreksel uit rapport van 18-11-1880 over de Internationale.)
De meeting ging op maandag 22 november door A la Grande Ruche en was op touw gezet in samenwerking met de inmiddels opgerichte Cercle des Anarchistes Bruxellois en Les Cercles Réunis.  Op de muren van Brussel hing namens de Fédération Socialiste Révolutionaire een aankondigingsaffiche die ondertekend was door Debuyger en Govaerts namens de Internationale, door Laurent Verrycken en Hubert Delsaute voor de anarchisten en door Raymond Herman en Jean Claes vanwege de revolutionaire Les Cercles Réunis.  De zaal zat stampvol, tot in de gangen en de vestibule toe.  Meer dan honderd militanten en sympathisanten waren komen opdagen.  Debuyger zat de bijeenkomst voor en in hevige toespraken werd het staatsoptreden gehekeld en opgeroepen tot revolutie.  Eén na één namen de volgende sprekers het woord : de internationalisten Debuyger, Steens, Govaerts en Jean-Baptiste Trappeniers, de anarchisten Delsaute en Verrycken, de revolutionairen Louis Seconde en Gabriel Brodkom en de blanquisten Xavier Stuyck en Emmanuel Chauvière.  Zij oogstten veel applaus.  Chauvière besloot : “Eh bien !  assez de paroles, passer aux actes.  Tous les moyens sont bons, quand on sait les appliquer.  (…)  Révolution ! Voilà notre cri de ralliement.” (H. WOUTERS, Documenten…, dl. III, p.1650-1651;  La Persévérance, december 1880, p. 2, kol. 3 - p. 3, kol. 1;  La Révolution Sociale, 28-11-1880, p. 3, kol. 1.)  De landuitzettingen waren op termijn natuurlijk geen goede zaak voor de beweging, want hierdoor verloor zij belangrijke trekkersfiguren.  Maar in november 1880, toen de revolutionaire beweging op volle toeren draaide, hadden de protestbetuigingen eerder een mobiliserend effect en zij verstevigden in ieder geval de groeiende eenheid tussen antiautoritaire en meer autoritaire revolutionairen.  In de Vervierse anarchistische krant La Persévérance lezen wij over de protestmeeting van 22 november : “En somme, pour la première fois, excluant toute idée de réforme partielle, le meeting s’est prononcé d’une façon nettement révolutionnaire et a préconisé l’organisation sur ce terrain comme seul moyen efficace pour arriver à une solution sérieuze.” (La Persévérance, december 1880, p. 2, kol. 3 - p. 3, kol. 1.) En Arsène Crié zat in zijn commentaar in het Parijse anarchistische blad La Révolution Sociale op dezelfde toonhoogte.  Hij riep op tot revolutionaire eenheid, actie en propaganda, en meer specifiek tot massale aanwezigheid op het komende revolutionair congres van Verviers. Illustratief voor de groeiende eenheid tussen de Brusselse revolutionairen is dat in de nasleep van de landuitzettingen een aantal solidariteitsbijeenkomsten werden georganiseerd waarop militanten van de verschillende clubs met elkaar verbroederden.  Zo zette de Leseverein op 19 december samen met de anarchisten en met aanhangers van Les Cercles Réunis een concert op touw.  En op 23 januari 1881 werd het initiatief nog eens overgedaan.  Weer waren verscheidene afgevaardigden van de Internationale, Les Cercles Réunis, de anarchisten en van de vrijdenkersverenigingen Les Cosmopolitains en Les Solidaires present. (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.178bis, 20-12-1880;  Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.195, Leseverein, 1-2-1881; La Révolution Sociale, 28-11-1880, p. 3, kol. 1; H. WOUTERS, Documenten…, dl. III, p. 1656-1657, 1662-1663, 1667-1668.)
Op haar aanwezigheid op het revolutionair congres van Verviers na, hebben wij voor de rest van het jaar 1880 over de Brusselse afdeling van de Internationale niets meer te melden. 

De Belgische Algemene Raad en de contacten buiten Brussel.
Het landelijk overleg binnen de Internationale was sinds het nationaal congres van november 1878 een dode letter gebleven.  Op papier zetelde de Algemene Raad van de Internationale van België nog steeds in Brussel en officieel was Eugène Steens de secretaris.  Maar in de feiten kwam het overleg niet meer samen.  Uitzonderlijk - bij bijzondere gebeurtenissen - liet de Raad nog eens van zich horen.  Zo was de evolutionist Camille Standaert op 10 februari 1880 namens de Belgische federatie als spreker aanwezig op de begrafenis van de vrouw van de oude voorman Désiré Brismée.  En ook naar aanleiding van de nationale revolutionaire congressen in september en december liet de Algemene Raad nog eens van zich horen. Voor het septembercongres liet de Raad samen met de Brusselse sectie een aankondigingspamflet drukken dat door secretaris Steens was ondertekend.  Steens was trouwens namens de nationale federatie aanwezig op het congres zelf en hij riep er op voor revolutionaire eenheid en actie. (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.194, Internationale, 13-9-1880;  Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt. 194, Congrès Socialiste Révolutionnaire, 19-9-1880;  Les Droits du Peuple, 26-9-1880, p. 2, kol. 1;  La Révolution Sociale, 26-9-1880, p. 4, kol. 1.) 
In november verscheen in het blad van de Vervierse anarchistenkring L’Eincelle het bewuste manifest dat Steens had geschreven en hij ondertekende het als secretaris van de van de Algemene Raad van de Internationale.  Zoals gezegd werden hierin alle secties ten lande opgeroepen tot revolutionaire actie.  En de Brusselaars voegden de daad bij het woord :“…le Conseil général belge et la section bruxelloise à la demande de plusieurs sections de province ont décidé de commencer une série de conférences et de meetings, en vue d’organiser un Congrès belge dans le courant du mois de novembre et de participer également au Congrès révolutionnaire qui se tiendra à Verviers en décembre prochain, et au Congrès international qui siègera à Londres, dans le premier semestre de 1881.  Steens was erg geestdriftig en optimistisch : “Comptant sur votre dévouement et votre vaillance, nous vous crions de tout coeur : Debout!  Compagnons!  le moment est venu, il est on ne peut plus propice!  Des quatre points de l’horison le réveil s’accentue et les adhésions se manifestent enthousiastes et fermes.”  Hij besloot : “Réunissez donc vos sections, inculquez leur feu sacré qui vous a toujours embrasé, et que le futur congrès désillant les moins clairvoyants, montre à nos adversaires comme à nos oppresseurs que le grand jour de justice approche aux révendications humanitaires de l’Association Internationale des Travailleurs, qui déploie son drapeau rouge avec ses emblèmes du travail comme le symbole de l’extinction de la misère et des guerres fratricides.” (La Persévérance, november 1880, p. 2, kol. 2.)
In de loop van de maand december verspreidden de Brusselse internationalisten opnieuw in heel het land een pamflet waarin de Belgische Federale Raad in samenspraak met de sectie van Brussel en andere secties alle Belgische afdelingen opriep om zich te laten vertegenwoordigen op het revolutionair congres dat 25 en 26 december te Verviers doorging.  Eigenlijk stelde men voor om het congres van de Belgische secties op dezelfde tijd en plaats als het revolutionair congres te laten doorgaan zodat in de feiten een samensmelting en hernieuwing van de revolutionaire beweging zou plaatsvinden.  “Il est temps que nous nous mettions résolument à l’oeuvre;  jamais une meilleure occasion ne s’est présentée pour rendre à l’Internationale sa force et son prestige qui ne sont que trop amoindris.”  Het pamflet was ondertekend door Egide Govaerts die inmiddels Debuyger als secretaris van de Brusselse afdeling was opgevolgd.  Hij liet weten dat lokale secties die niet in de mogelijkheid waren om een afgevaardigde te sturen, gerust een beroep konden doen op leden van de Brusselse afdeling en dat ze voor de aanduiding van dergelijke mandaten met hem moesten contact opnemen. (Association Internationale des Travailleurs.  A toutes les Sections belges…)
Op het fameuze congres las Govaerts een verslag voor over de werkzaamheden van de nationale Algemene Raad van de Internationale.  Hij vertelde niets opzienbarends.  Het bureau van de Algemene Raad had enkel gefungeerd als informatiecentrum en als verbindingsorgaan tussen de aangesloten groepen.  Slechts een keer had het actie ondernomen zonder eerst de lokale verenigingen te raadplegen, met name toen de overheid had besloten een aantal socialistische medestanders uit het land te zetten.  Het bureau had toen onmiddellijk een protestmeeting georganiseerd.  Verder liet Govaerts weten dat de financies in orde waren.  Het enige opmerkelijk aan zijn exposé was dat, toen hij het had over de aansluiting van nieuwe groepen, hij opeens niet meer sprak over de Internationale maar over de Union Révolutionnaire.  Blijkbaar ervoeren internationalisten en revolutionairen die nieuwe Union Révolutionnaire als de logische verderzetting van de oude, gekoesterde Internationale.  De Union Révolutionnaire was voor hen met andere woorden de door ‘iedereen’ gewilde, concrete reorganisatie van de Internationale. Zijn kompaan Charles Debuyger vertegenwoordigde op het revolutionair congres de Brusselse sectie van de InternationaleDebuyger zetelde in het bureau van het congres en tijdens de middagbijeenkomst bracht hij namens de Brusselse afdeling een rapport naar voor.  Hierin verklaarde hij dat de hoofdstedelijke sectie met overtuiging koos voor de algemene revolutie als enig actiemiddel om de arbeiders te emanciperen.  De Brusselse internationalisten verzetten zich dus expliciet tegen elke vorm van compromis met de bestaande machthebbers.  “…les détenteurs de la propriété ne cèderont qu’à la force.  (…)  les réactionnaires s’unissent pour nous dominer, le peuple doit s’unir pour les renverser.” (La Persévérance, januari 1881, p. 2, kol. 2.)  Debuyger pleitte voor een bundeling van alle revolutionaire krachten in een hernieuwde, gereorganiseerde Internationale.  ‘s Avonds hield hij een opgemerkte toespraak waarin hij nogmaals opkwam voor revolutie en internationale strijd : “…nous devons être organisés internationalement afin de tendre la main aux mouvements qui se produisent à l’étranger, de manière que si nous commencons le notre, nos frères nous viennent en aide et que le XXe siècle voit la vraie république universelle fruit de révolution sociale.”  Debuyger oogstte applaus.  In zijn revolutionaire puurheid wees hij op het gevaar van toegevingen te doen aan de republikeinse burgerij die, zoals tijdens de Commune van Parijs nog gebleken was, op cruciale momenten steeds aan de andere kant stond. (Stadsarchief Brussel, politiefonds, Kt.194, Congrès révolutionnaire de Verviers…La Persévérance, januari 1881, p. 1, kol. 1 - p. 4, kol. 2, februari 1881, p. 1, kol. 1-2.)
Verder komen we voor 1880 in de bronnen de Belgische Algemene Raad van de Internationale niet meer tegen.  Maar zoals hierboven al blijkt namen de aanhangers van de Brusselse sectie eigenlijk de nationale taken over.  Veel moeten we ons daarbij niet voorstellen.  Het beperkte zich tot sporadische contacten met al dan niet georganiseerde medestanders in de provincies.  Erg talrijk waren die niet.  Ondanks de hernieuwde energie van de Brusselaars was overal in het land het vuur van de Internationale al een aantal jaren aan het doven.  Hier en daar restte nog wat smeulende as waarvan af en toe kleine vlammetjes tijdelijk oplaaiden.

In het Vlaamse land bleef eigenlijk enkel in Antwerpen nog een kleine radicale groep rond Louis Calluwaert zich roeren.  De rest van Vlaanderen was wat revolutionair socialisme betreft haast braak terrein geworden.  In Gent trokken de evolutionisten aan de touwtjes en van hieruit werd met verschillende socialisten ten lande contact gehouden. Maar in Gent waren vermoedelijk ook revolutionairen actief want in februari ging de anarchist Egide Govaerts er zijn contacten opzoeken.  19 oktober 1880 ging de niet minder anarchistische Achille Hertschap naar Zuid-Limburg, met name naar Hoepertingen, nabij Sint-Truiden en Borgloon.  Hier probeerde een zekere Gentil Delaunais een sectie van socialistische arbeiders op te richten.  Delaunais gaf zichzelf echter weinig kans op slagen “dans un endroit que l’on considère comme une citadelle du catholicisme.” (H. WOUTERS, Documenten…, dl. III, p. 1637-1638.)
Ook in Wallonië konden op Verviers na slechts enkele plaatselijke secties in Luik en Henegouwen met moeite het hoofd boven water houden.  In de stakingsbeweging die eind december 1879 en begin januari 1880 door de Henegouwse mijnstreek joeg waren de Brusselse internationalisten haast volledig afwezig.  Al werd er in de hoofdstad wel over gepraat omdat de stakingsgolf wees op het revolutionaire potentieel van de Borinage.  Maar hier moeten de standpunten genuanceerd worden.  Anarchisten zoals een Govaerts, Verrycken en Spilleux waren geënthousiasmeerd door het radicalisme van de koolputters toen ze hoorden dat de staking met verschillende bomaanslagen gepaard ging.  Steens van zijn kant moest van geen geweld weten en hij stelde dat de arbeiders zich beter konden organiseren.  Tijdens deze staking zou vooral de Brusselse revolutionair Ferdinand Monier, die was aangesloten bij Le Cercle Démocratique en Les Cercles Réunis, zich als stakingsleider ontpoppen.  Onder zijn impuls wisten de Brusselse revolutionairen in de loop van 1880 de invloed van de evolutionisten in Henegouwen grotendeels terug te dringen.  Onder meer om die reden steunden de Brusselse internationalisten globaal de revolutionaire agitatie in de mijnbekkens, maar van henzelf was ter plaatse haast geen spoor te bekennen.  Een enkele keer, op 23 mei, was de anarchist Hertschap, die als internationalist tegelijkertijd ook lid was van bovenstaande revolutionaire verenigingen, op bezoek in de Borinage.  Hij was samen met de internationalist Huart en met militanten van Les Cercles Réunis in Frameries gearriveerd om er deel te nemen aan een massamanifestatie en werd hartelijk ontvangen door Fabien Gérard, de secretaris-generaal van de plaatselijke afdelingHet is evenwel opmerkelijk dat de vice-voorzitter van de lokale sectie, Jules Delaunois, de Brusselse revolutionairen uitnodigde om in een restaurant te gaan eten en enkel de kosten van de mannelijke aanhangers van Les Cercles Réunis voor zijn rekening nam.  De internationalisten Hertschap en Huart hoorden daar blijkbaar niet bij.  Zij konden zelf voor de rekening opdraaien.
De militanten van de Internationale in Brussel lieten de propaganda in de provincies dus grotendeels over aan de revolutionaire ‘medestanders’ van Les Cercles Réunis.  Niettemin waren zij zich bewust van de noodzaak en het belang ervan, zowel in de Waalse industriële centra als in grote steden zoals Antwerpen en Gent.  Pas met de oprichting van de nationale Union Révolutionnaire, op het revolutionair congres van Brussel van 19 september 1880, en het engagement van de voortrekkers van de Brusselse afdeling van de Internationale in dit landelijk overleg, gingen ook zij terug propaganda voeren in de provincie.  4 oktober 1880 wist Steens het volgende te vertellen : “Le Centre est à nous, tout le Borinage, sauf quatre sections, Liège, Seraing, Verviers.  A Frameries, où siège le conseil général borain, les membres de la commisson portent encore les signes de l’Internationale.  Si nous allions dans ces différentes régions, nous pourrions faire de la bonne besogne.  Moi, je me charge du bassin de Charleroi et du Centre, où je vais deux fois pas semaine.  Que nos amis Debuyger et Hertschap aillent secouer l’inertie des quatre sections du Borinage et cela marchera tout seul.  Les Cercles Réunis, de leur côté, nous prêteront leur concours.” (H. WOUTERS, Documenten…, dl. III, p. 1630.)  En op de vergadering van 11 oktober van de Brusselse sectie werd beslist dat Steens en Debuyger samen naar Henegouwen zouden gaan om de ingedommelde secties van de Internationale wakker te schudden en hen voor te bereiden op het komende revolutionair congres.  Vanuit die betrachting zouden Steens, Debuyger, Govaerts en Hertschap in oktober-december nog naar de Borinagestreek gaan.  Bijvoorbeeld op 31 oktober organiseerden zij samen met Ferdinand Monier van Les Cercles Réunis in Mons een radicale meeting waar volgens Les Droits du Peuple meer dan vierhonderd koolputters aanwezig waren.  De meeting was een reactie op het mijnwerkerscongres dat op aansturen van de Brusselse evolutionisten diezelfde dag in dezelfde stad plaatsvond.  De vier radicale internationalisten uit Brussel werden van het congres geweerd, maar toen bleek dat de zaal waar het evolutionistisch evenement doorging te klein was om de talrijk opgekomen mijnwerkers op te vangen, besloten zij in allerijl om in een ander lokaal aan de Grande Place, in Café du Commerce, een tegenmanifestatie op touw te zetten.  Om halfdrie in de namiddag stroomde het volk toe.  Toen ook Monier, die in de Borinagestreek goed gekend was, met een grote groep koolputters naar de meeting kwam afgezakt, zaten zaal, gang, biljartplaats en café afgeladen vol.  Enkele mijnwerkers kwamen vertellen dat men op het evolutionistisch congres de Brusselse revolutionairen aan het bekladden was.  Steens reageerde met overtuiging : “Nous, (…) membres du comité de l’Association Internationale des Travailleurs, nous venons à vous, compagnons, pour vous ouvrir franchement notre coeur et nous entendre au sujet de vos griefs.  Jamais le drapeau de l’Internationale n’a tremblé dans nos mains; jamais nous n’avons trempé dans les tripotages ni les compromis; toujours nous sommes restés fidèle à nos principes, et ce sont ces principes que nous venons affirmer devant vous.” (La Persévérance, november 1880, p. 3, kol. 3.) Hij had het verder over de verwerpelijkheid van patronale bijstandskassen - het hoofdagendapunt van het evolutionistisch mijnwerkerscongres - en schetste de geschiedenis van de InternationaleSteens besloot : “Aujourd’hui (…) nous croyons avoir assez longtemps attendu; nous voyons l’inanité de tous ces mouvements et nous vous invitons à rentrer dans les rangs de l’Internationale, car, ne vous y trompez pas, c’est internationalement qu’une association doit être organisée si vous voulez qu’elle soit sérieuse.” (La Persévérance, november 1880, p. 3, kol. 3.)  Dan nam Debuyger het woord.  Hij had het onder meer over de overal aan de gang zijnde reorganisatie van de Internationale en hij riep de mijnwerkers op om niet achter te blijven en zeker aanwezig te zijn op het komende revolutionaire congres.  Het was echter vooral de populaire Monier die de show stal.  “Dans un magnifique improvisation” trok hij van leer tegen de evolutionisten die hem ‘s morgens tijdens het congres de mond hadden trachten te snoeren.  “Compagnons, s’écrie-t-il, ce rapport que l’on ne m’a pas laissé lire, je vais vous en faire part ici non devant une coterie mais devant une assemblée publique de travailleurs houilleurs; à vous de me dire si j’ai bien ou mal traduit vos aspirations; à vous de me juger et de me dire si j’ai encore votre confiance.” (La Persévérance, november 1880, p. 4, kol. 1.)  Er volgde een explosie van bravo’s en ook daarna, tijdens zijn lezing van het rapport werd hij geregeld onderbroken door uitbundig applaus.  Monier bespeelde als een vakkundig redenaar zijn geestdriftig publiek.  Heel de zaal stak als één man de hand omhoog toen hij vroeg of ze met zijn rapport instemden.  En op de vraag of hij nog steeds het vertrouwen van de koolputters genoot, werd door het enthousiaste applaus heen spontaan vanuit verschillende kanten “Oui, oui” geroepen.  “Eh bien! compagnons, on me fait un crime d’être révolutionnaire; moi je revendique hautement ce titre.  Oui, je suis révolutionnaire et je termine en criant : ‘Vive la Révolution’.” (La Persévérance, november 1880, p. 4, kol. 2.)  Dat was de apotheose.  Heel de zaal riep hem ‘onbeschrijfelijk’ luid “Vive la révolution” na, aldus de verslaggever, Egide Govaerts, in La PersévéranceGovaerts becommentarieerde : “Ceux qui comme nous ont pu voir l’enthousiasme des mineurs borains, seront tranquille désormais sur le résultat des sourdes menées des bavards évolutionistes.  Aussi fut-ce le coeur rempli d’espérance en l’avenir révolutionnaire, que nous levâmes le meeting, heureux de l’immence réussite de notre entreprise hardie.” (La Persévérance, november 1880, p. 4, kol. 2.)  En als anarchist voegde hij er aan toe dat de meeting was doorgegaan zonder voorzitter of bureau en “que nul n’en à éprouvé le besoin.” (H. WOUTERS, Documenten…, dl. III, p. 1634, 1635.)
Al bij al was de aanwezigheid van Brusselse internationalisten in de Hengouwse mijnbekkens vrij beperkt.  En hetzelfde kan gezegd worden met betrekking tot de overige provincies in het land.  Steens liet op 4 oktober 1880, in zijn uiteenzetting op een administratieve bijeenkomst van de Brusselse afdeling van de Internationale, niettemin weten: “E. Piette s’occupe déjà à Verviers et Delfosse à Liège.”  Daarmee gaf hij goed aan wie de medestanders in beide steden waren.  Steens onderhield met Emile Piette een briefwisseling.  En er waren ook contacten met de centrale figuur Pierre Fluche, wiens woning sinds januari 1879 het redactieadres was van Le Mirabeau, het officiële orgaan van de Waalse secties van de Internationale.  Samen met Piette beveelde Fluche de Luikse internationalist Etienne Constant, die naar Brussel verhuisd was, aan als lid van de hoofdstedelijke Internationale.  Reeds in april was Etienne Constant in Brussel.  In naam van de Vervierse sectie van de Internationale kwam hij op 19 april tijdens een bijeenkomst van La Ligue Collectiviste Anarchiste de spijt van de internationalisten van Verviers overbrengen wegens het verdwijnen van het anarchistische Le Drapeau Rouge“La section de Verviers en envoyant 50 francs pour soutenir le journal, a cependant outrepassé ses moyens.” (WOUTERS, Documenten…, dl. III, p. 1513.) Fluche liet trouwens weten dat Constant een mandaat kreeg om de sectie van Verviers te vertegenwoordigen tijdens de verzoeningsvergadering tussen revolutionairen en evolutionisten van 9 mei.  Constant steunde hier de revolutionaire strekking.  Later, bijvoorbeeld op het evolutionistisch congres van 4 juli 1880, zou Constant de revolutionaire kaart blijven trekken.  Eind 1879 schatte de burgemeester van Verviers de aanhang van de Internationale nog steeds op een vijfduizendtal leden, maar dat was allicht een overschatting want het ging er helemaal niet goed met de beweging.  Fluche typeerde in april 1880 de Vesderfederatie als enkele groepen die weinig invloed hadden op de arbeidersbevolking.  En in mei ging Le Mirabeau zelfs ter ziele.  Ideologisch waren de Vervierse boegbeelden overwegend radicaal tot revolutionair en anarchistisch, maar een man zoals Fluche stond ook open voor meer gematigde standpunten zoals de agitatie voor algemeen stemrecht, al bleef hij ook radicale actiemiddelen hanteren : “tout en parlant du suffrage, rien ne m’empêche de parler du socialisme révolutionnaire”. (F. JORIS, Pierre Fluche…, p. 118-119.)  Konkreet liet hij toe dat in Le Mirabeau ook gematigde visies aan bod kwamen, wat op zijn minst een verwijding met de anarchisten van L’Etincelle tot gevolg had. Maar zoals gezegd moest Le Mirabeau in mei het bijltje er bij neerleggen.  L’Etincelle zag zijn kans schoon en vanaf augustus 1880 gaf de kring het nieuwe blad, La Persévérance, uit.  In het septembernummer deed de anarchist Gérard Gérombou een oproep om af te zien van de evolutionistische actiemiddelen en de Internationale in België te reorganiseren en terug in te richten op radicale, revolutionaire basis.  In oktober herhaalde hij die oproep op de frontpagina van het blad. (La Persévérance, september 1880, p. 3, kol. 3 - p. 4, kol. 1.2; oktober 1880, p. 1, kol. 1-3.)  In brieven die de Brusselse anarchist Egide Govaerts uit Verviers ontving, werd in november gemeld dat 26 december te Luik een vergadering zou doorgaan waar de reorganisatie van de secties van de Internationale van de Vesdervallei op de agenda stond.  En begin december wist Piette volgens Govaerts te melden dat in de Vesdervallei inmiddels terug alles op wieltjes liep.

In Luik bestonden in 1879 twee verwante radicale groepen, met name de Cercle d’Etudes et de Propagande Sociales en de Cercle Varlin.  Sinds februari maakte beide verenigingen deel uit van de ‘overkoepelende’ Cercle d’Etude et de Propagande Socialiste die samen met de Deutscher Arbeiterbildungs Verein de plaatselijke sectie van de Internationale vormde.  De anarchist Edouard Wagener bleef er de secretaris.  Andere leden waren Richard Mayeu, Thirion, Raoul, A. Vrebos en Dehousse.  Volgens de politie werden de vergaderingen bezocht door een vijftigtal Belgen, Fransen en Duitsers.  Historicus A. Schaner heeft het over een honderdtal leden.  Zij betaalden geen lidgeld, maar tijdens de bijeenkomsten werden boeken en kranten verkocht en deed men een geldinzameling om onder andere het lokaal te betalen.  De volgende bladen werden door de kring verspreid : Le Mirabeau, het Waalse blad van de Internationale dat in Verviers werd uitgegeven maar in mei ophield te bestaan, Les Droits du Peuple van de revolutionaire Les Cercles Réunis van Brussel, Freiheit dat vanuit Londen door Duitse revolutionairen werd verspreid, het Duitse evolutionistische blad Der Sozialdemokrat uit Zurich en tenslotte de radicale Parijse krant L’Egalité. De samenkomsten vonden twee keer per week plaats. (Algemeen Rijksarchief, Brussel, Frère-Orban.192, p. 2-4;  A. SCHANER, Contributions…, p. 55-56.)

9.12. Le Cercle des Anarchistes Bruxellois (1880).
Met het ter ziele gaan van La Ligue Collectiviste Anarchiste en haar krant, Le Drapeau Rouge, in maart-april 1880, waren de Brusselse anarchisten formeel niet meer georganiseerd.  Toch betekende dat niet dat ze van het toneel waren verdwenen.  Velen van hen bleven individueel actief in de andere revolutionaire clubs van de hoofdstad en hielden contact met medestanders in de provincies en het buitenland.  Trouwens,  in de loop van 1880 zouden de anarchisten elkaar sporadisch ook rond de tafel blijven treffen.  Bijvoorbeeld op 1 juni ontving een tiental van hen de Parijse vluchtelingen Malatesta, Paolis, Fiorini en Dupaix in hun (voormalig) stamlokaal La Maison des Tanneurs op de Grote Markt nr. 15. Aanwezig waren o.a. : Spillieux, Steens, Crié, Hertschap, Victor Delsaute, Winandie en twee dames. 
Op 15 november 1880 verscheen dan in Le Révolté, het anarchistisch blad van Genève, het “pacte fédéral” van een nieuwe kring, genaamd Le Cercle des Anarchistes Bruxellois.  Hierin stond het volgende vermeld :

« Considérant que l’autonomie et l’indépendance de l’homme sont la première condition de son émancipation; 
Que tout règlement ou contrat ne doit servir qu’à ériger dans un certain ordre ces principes en fait ; 
En se réunissant, les membres du Cercle des Anarchistes bruxellois n’ont eu en vue que de consolider leurs forces pour arriver à la vraie égalité dans l’humanité.   Dans cet esprit les membres du cercle ont adopté le contrat ci-dessous.  (…) 
Le cercle propagera au moyen de la presse et des réunions publiques les principes sociaux anarchistes; il s’unira aux travailleurs du monde entier sur le terrain de la solidarité dans la lutte du travail contre le capital,  qui doit aboutir au complet affranchissement du travail.  
Le cercle se réunit en assemblée une fois par semaine. 
Toute décision, pour être définitive, doit être prise en assemblée à la majorité des membres présents.  Le vote se fera par appel nominal. 
Le cercle peut en vue d’objets spéciaux nommer des commissions spéciales. 
Un règlement particulier sera établi par le cercle pour chaque entreprise, dont il décidera l’exécution.  Tout citoyen, qui est adhérent au but du cercle, peut être reçu membre. 
Les membres payeront chacun une cotisation minimum de 5 centimes par semaine. 
Tout membre qui laissera passer 2 mois sans payer sa cotisation, est considéré comme démissionnaire, sauf le cas de force majeure, comme le chômage et la maladie.   
Tout candidat sera présenté par un membre par un membre du cercle.  Cette admission se fera quinze jours après sa présentation, s’il n’y a pas d’objection.
En cas d’objection, le candidat sera invité pour être reçu membre à annuler les objections présentées.
Tout citoyen coupable d’actes entâchant son honneur, pourra être mis en accusation.  Il en sera de même d’un membre compromettant pour l’existence du cercle.
Une assemblée à laquelle tous les membres seront spécialement convoqués, statuera.
Le présent contrat est toujours révocable.
La demande de révision sera déposée dans une première assemblée, si elle est prise en considération, une autre assemblée sera spécialement convoquée à ce sujet.
Les commissions nommées aujourd’hui sont celles de comptabilité et de propagande. »
(H. WOUTERS, Documenten…, p. 1647-1648.)

Maar buiten dit ‘federaal pakt’ komen we voor de rest van het jaar 1880 over de Brusselse anarchisten nauwelijks nog iets tegen in de archieven.  Alhoewel, een week na de verschijningsdatum, op maandag 22 november, ging A la Grande Ruche een meeting door van de Fédération Socialiste Révolutionaire, wat een samenwerkingsverband was van de Brusselse afdeling van de Internationale, Les Cercles Réunis en de Cercle des Anarchistes Bruxellois.  De aankondigingsaffiche werd namens de anarchisten ondertekend door  Laurent Verrycken en Hubert Delsaute en ook de vertegenwoordigers van de Internationale,  Charles Debuyger en Egide Govaerts, waren gekende anarchisten.  Met het nationaal revolutionair kongres van Verviers in het vooruitzicht (25 december 1880) bleef de toenadering onder de Brusselse revolutionairen groeien.  En op 19 december ging in Brussel in solidariteit met slachtoffers van recente landuitzettingen op initiatief van de Deutscher Leseverein een concert door waar opnieuw internationalisten, anarchisten, blanquisten en vrijdenkers verbroederden.  Tot slot dan het revolutionair kongres van Verviers : in een politierapport van 16 december staat dat er een twintigtal Brusselse anarchisten van plan waren om naar het kongres te gaan.  En in het elf leden tellend federaal bureau van het kongres zetelden zes van hen, met name Achille Hertschap, Hubert Delsaute, Charles Debuyger, Eugène Steens, Egide Govaerts en Ferdinand Monier.  Op Monier na waren deze anarchisten allemaal lid (geweest) van La Ligue Collectiviste Anarchiste en van de Brusselse afdeling van de Internationale.   In de loop van november werd Monier, samen met de Duitse anarchisten Balthasar Hohn en Karl Klein, echter door de Belgische justitie verplicht het land te verlaten, zodat hij uiteindelijk niet op het congres aanwezig kon zijn.

9.13. De nationale revolutionaire congressen van september en december 1880 en  L’ Union Révolutionnaire.
Onder stuwing van vooral de Brusselse revolutionairen van Les Cercles Réunis vond op 19 september 1880 in de hoofdstad een landelijk revolutionair congres plaats. De bedoeling was klaarblijkelijk om de revolutionaire boodschap in heel het land te laten klinken. Volgens Max Nettlau waren op dit congres afgevaardigden van lokale secties van de Internationale van Verviers, Luik, Dison, Baume, Jumet en Antwerpen aanwezig.  (M. NETTLAU, Geschichte…, dl. III, p. 178.)  In het politieverslag van het congres heeft men het niet specifiek over secties van de Internationale en houdt men het vaag bij een vertegenwoordiging uit de verschillende provincies.  Met naam worden enkel de Vervierse anarchisten Emile Piette en Toussaint Malempré en de revolutionaire Luikenaar Charles Delfosse genoemd.  (Stadsarchief Brussel, Politiefonds, Kt.194, Congrès Socialiste Révolutionnaire, 19-9-1880.)  In het verslag van het congres, in het revolutionaire blad Les Droits du Peuple (26-9-1880, p. 2, kol. 1-2), worden enkel internationalistische secties uit Verviers (Vesdervallei) en Dison expliciet genoemd.
Wat er ook van zij, op het congres werd in ieder geval een Union Révolutionnaire boven de doopvont gehouden die spoedig radikale socialisten uit heel het land wist te groeperen. En een drietal maanden later zaten ze terug bij elkaar op een revolutionair congres in Verviers.

 

HET INTERNATIONAAL CONGRES VAN LONDEN (14 juli 1881).

J. MOULAERT, Rood en Zwart, p. 41 e.v. en p. 48-51.
Compte-Rendu du Congrès révolutionnaire de Londres tenu le 14 Juillet
, Bruxelles, 1881, 15 p.
http://www.flwi.ugent.be/btng-rbhc/pdf/BTNG-RBHC,%2023,%201992,%201-2,%20pp%20131-182.pdf
http://dissertations.ub.rug.nl/FILES/faculties/arts/1997/p.o.r.van.der.mark/h6.pdf
http://recollectionbooks.com/bleed/Encyclopedia/IRCongress.htm

 

London, 1881
Reinstated the International Working People's Association -- the "Black International."

Lausanne 1882