PROPAGANDA DOOR DE DAAD

home
chronologie
1880 - 1914

 

Jacques Mesnil schreef in 1897 in zijn Le mouvement anarchiste : "Parler de propagande par le fait m'a toujours semblé naif! On ne tue pas par théorie : mais par une théorie on cherche à motiver intellectuellement son assassinat." Harde woorden mag je wel zeggen. En ook al steekt er veel 'waarheid' in, men mag niet vergeten dat toen Mesnil deze woorden neerschreef al lang gebleken was dat de terroristische strategie weinig/geen perspectieven bood. In de jaren zeventig van de negentiende eeuw echter, toen de ideeën omtrent de 'propaganda door de daad' ontwikkeld werden, was men uiteraard nog niet tot dit inzicht gekomen. De propaganda door de daad ontstond trouwens niet zo maar uit het niets. In de negentiendeëeuwse revolutionaire traditie had geweld altijd een belangrijke rol gespeeld en de Commune van Parijs bewees nog maar eens dat het volk enkel met geweld zijn rechten kon bevechten. Aan de andere kant waren er de oproepen van de grote bezieler van de anarchistische beweging, Bakoenin, om de daad bij het woord te voegen en in die zin werd in 1874 in Italië een revolte voorbereid. Zij ging de geschiedenis in als de 'Bologna-opstand' en was vooral het werk van organisator Andrea Costa. Het was de bedoeling om in de nacht van 7 op 8 augustus Bologna te overrompelen. Dit zou het teken zijn voor een opstand in heel het land. Costa geloofde dat de dag van de revolutie zeer nabij was en dat het volk enkel in beweging moest gebracht worden. Met overtuiging wist hij de voortrekkers van de Italiaanse Internationale Carlo Cafiero en Errico Malatesta voor het plan te winnen, maar de zaak lekte uit en Costa werd gearresteerd. Op de dag van de feiten liepen de straten van Bologna vol met soldaten en carabinieri en de meest invloedrijke anarchisten vlogen achter de tralies. Pas twee jaar later, in juni 1876, verschenen zij voor de rechtbank, waar zij bij gebrek aan bewijzen werden vrij gesproken. De hele affaire bezorgde het Italiaanse anarchisme een enorme reputatie in het buitenland en op het internationaal septembercongres te Bern kwam Malatesta in naam van de Italiaanse federatie verklaren dat met geweld een permanente revolutie tegen de 'bourgeoisie-instellingen' moest gevoerd worden. Enkele maanden later, in december 1876, werden deze woorden in de Bulletin de la Fédération Jurasienne herhaald. De Italiaanse internationalisten geloofden dat de daad van de opstand een prima propagandamiddel was en zij waren in navolging van Bakoenins voorhoededenken overtuigd dat door insurrectionele conspiratie het verpauperde volk het goede voorbeeld moest gegeven worden. Belangrijk is dat hun handelen rechtstreeks op het in beweging brengen van de massa's gericht was. Wij hebben hier met andere woorden nog niet te maken met de individuele aanslagen van enkele jaren later. Eerst moest nog de 'Benevento-opstand' plaatsvinden, de belangrijkste revolutionaire actie van het Italiaanse anarchisme in de jaren zeventig. In de zomer van 1877 trokken zesentwintig gewapende anarchisten naar het bergdorpje San Lupo. Hier stuitten zij op de geweren van de carabinieri, want weer was er verklikking in het spel. Na een kort vuurgevecht vluchtten de rebellen de Apenijnen in, om dan twee dagen later, op zondag 8 augustus, het dorpje Letino binnen te vallen, rode en zwarte vlaggen op kop. Cafiero verklaarde aan de samengestroomde boeren dat koning Victor Emanuel als afgezet mocht beschouwd worden en tot grote vreugde van de dorpsbewoners werden de papieren van de plaatselijke belastingsadministratie in brand gestoken. Fortini, de priester van Letino, was hiermee zo in zijn nopjes dat hij de anarchisten als "ware apostels door de heer gezonden om goddelijk recht te spreken" welkom heette. Een tijdje later werd hetzelfde scenario in het naburige dorpje Gallo herhaald. Maar de landarbeiders van Gallo bleven met de voeten op de grond. Uit vrees voor represailles van het leger weigerden zij de wapens op te nemen en hun 'vrijheid' te bevechten. Zij kregen gelijk. Anderhalf bataljon infanterie, twee squadrons cavaleristen en twee compagnies van 'Bersaghieri' werden ingezet. De opstandelingen vluchtten opnieuw de bergen in, maar deze keer werden zij achtervolgd en overrompeld.

Terwijl in de anarchistische kringen in Europa aanvankelijk vooral demonstraties en stakingen als 'daadwerkelijke' propaganda aanzien werden, schoof men vanaf het midden van de jaren zeventig de propagandistische waarde van gewelddadige opstandigheid naar voor. Beide mislukte revoltes in Italië waren bij deze koerswijziging toonaangevend. De anarchistische historicus Max Nettlau vatte samen : "...es kam immer ein Moment, in dem man sich sagen musste : Worte helfen nicht mehr, Taten sind notwendig." De ideeën moesten in daden omgezet worden en levende voorbeelden zijn voor het apathische volk. Maar dit werd niet langer verbonden met een onmiddellijke opstand van de massa's. Men zag het eerder als een permanente propagandistische agitatie van kleine groepjes en individuen, als een strategische overgang naar een revolutionaire illegaliteit, als een antwoord op de allesomvattende 'staatsterreur'. In die zin had Costa op 9 juni 1877 te Genève reeds een conferentie gegeven en in juli 1877 waren er twee artikels over de thematiek in de Bulletin de la Fédération Jurasienne verschenen. Zij waren van de hand van Peter Kropotkin. Hij gebruikte echter nog niet de terminologie. Het was Jules Montels die (bij toeval) op 9 juni in hetzelfde blad de woorden "La propagande par le fait" uit zijn pen liet vloeien en op 5 augustus verscheen in de Bulletin de la Fédération Jurasienne een artikel van Paul Brousse, getiteld : "La Propagande par le Fait".

Terwijl in de anarchistische pers deze artikels en oproepen verschenen, werd Europa opgeschrikt door een reeks spectaculaire aanslagen. Geen aanslagen in het kader van een of andere staking zoals in het verleden wel meer gebeurd was, maar fysieke aanvallen op politieke leiders, en dit onder het motto van de 'tirannenmoord'. Het begon in januari 1878 met de fameuze aanslag van Vera Zassoulitch op generaal Trepov, de brute chef van de tsaristische politie in Sint-Petersburg. 11 mei van hetzelfde jaar loste Max Hödel twee schoten op de Duitse keizer, Willem I, en een kleine maand later probeerde de dokter Karl Nobiling hetzelfde met een jachtgeweer. Willem I kreeg dertig hagelballetjes in het hoofd, de hals en de armen, maar zijn helm redde hem het leven. De Spaanse koning Alfonso XII werd op 25 oktober onder vuur genomen door Juan Oliva Moncasi en op 18 november 1878 werd koning Umberto II van Italië met een mes aangevallen door de kok Giovanni Passanante. De dagen nadien volgden er bomaanslagen in Firenze en Pisa. Dan was het twee jaar rustig. Enkel een aanslag op de tsaar op 2 april 1879, waarbij Leo Hartmann betrokken was, en de attentaat van Francesco Otero y Gonzalez op de Spaanse koning, op 9 januari 1880, doorbraken de relatieve stilte. De meest beruchte aanslag was die van 1 maart 1881 op tsaar Alexander II van Rusland. Vooral omdat hij lukte. In juni 1881 werd dan te Saint-Germain het standbeeld van de onderdrukker van de Parijse Commune, Thiers, opgeblazen en op 20 oktober trachtte Emile Florion de reactionaire Franse leider, Gambetta, uit de weg te ruimen. Met al deze aanslagen had de anarchistische beweging niet rechtstreeks te maken. Maar haar pers sprak vol lof en bewondering over deze martelaars van het volk, over deze 'helden' die de 'propaganda door de daad' in de praktijk brachten en het voorbeeld gaven hoe de nieuwe anarchistische strategie moest beleden worden.

De opname van de nieuwe actiemiddelen door de anarchistische beweging liet zich ook voelen op de verschillende congressen die in die periode plaatsvonden. Door het ontbreken van geregelde internationale samenkomsten gingen de toonaangevende reünies door in Zwitserland waar bij tijd en wijle de meest radicale anarchistische militanten vertoefden. Ondermeer Brousse, Kropotkin, Costa, Malatesta, Cafiero en Reclus. De Franse internationalisten spraken zich reeds op 19 en 20 augustus 1877 op hun congres te La Chaux-de-Fonds uit voor de propaganda door zowel het boek, de krant, de brochure als de daad. Het gebruik van legale actiemiddelen werd bestempeld als collaboratie met de gevestigde machtsorde en er werd opgeroepen tot deelname aan revolutionaire stakingen en massabewegingen. Van 3 tot 5 augustus 1878 hield de Jurafederatie een congres te Freiburg waar Kropotkin en Brousse vol vuur betoogden dat 'alle' propagandamiddelen moesten worden aangewend. Het congres aanvaardde een soortgelijke resolutie en een jaar later, op 12 oktober 1879 te La Chaux-de-Fonds, werd dit bevestigd. Kropotkin deed hier een oproep om zich in alle ernst te bezinnen over de tactiek die moest gevolgd worden om de anarchistische doelstellingen te bereiken. Op 12 september 1880, op een samenkomst te Vevey waar 32 vooraanstaande anarchisten aanwezig waren, werd daarvan werk gemaakt. Men stelde het volgende programma op :

1. De integrale destructie van de bestaande bourgeoisinstellingen.
2. Met alle kracht de revolutionaire idee en de geest van opstand propageren.
3. Het verwerpen van legale actiemiddelen : enkel illegale wegen leiden naar de revolutie.
4. De studie van chemie en technische wetenschappen als verdedigings- en aanvalsmogelijkheid.
5. De autonomie van de groepen en individuen.

De Franse revolutionair-anarchisten kwamen op hun congres van 25 tot 29 mei 1881 te Parijs tot dezelfde eindsom en uiteindelijk werd het programma van Vevey in definitieve besluiten gegoten op het internationale revolutionaire congres van 14 juli 1881 te Londen. Een jaar later, op 13 en 14 augustus 1882, zouden deze resoluties op een internationale anarchistische samenkomst te Genève worden bevestigd. In de doorstroming van de nieuwe actiemiddelen naar de lokale militanten speelden naast de uitstraling van de congressen en uiteraard de 'daden' zelf persoonlijke kontakten een belangrijke rol. Wij denken aan meetings, toespraken, briefwisselingen, enz... Ook de anarchistische pers moet hier genoemd worden. In die dagen was dat de gekende Bulletin de la Fédération Jurasienne, verder L'avant Garde en Le Révolté in Zwitserland, La Révolution Sociale te Parijs, Freiheit te Londen en verder een groot aantal regionale bladen zoals bijvoorbeeld de anarchistische lectuur van Lyon tussen 1881 en 1884.

Niet iedereen was gelukkig met de nieuwe gang van zaken. Meer syndicaal ingestelde mensen zoals de Zwitser James Guillaume en de Spaanse federalisten maakten nogal wat voorbehoud ten aanzien van de gewelddadige Propaganda door de Daad. Kropotkin nam een tussenhouding aan. Hij steunde de directe gewelddadige actie maar anderzijds bleef hij de revolutionaire staking als een belangrijk wapen beschouwen. In tegenstelling tot de 'anarcho-syndikalisten' beschouwde hij echter de vakverenigingen niet als doel op zich, want ook de syndicaten zouden in de toekomstige samenleving verdwijnen. Deze zienswijze hing nauw samen met zijn anarcho-communistische principes. Anderen, zoals Malatesta, Emile Gautier en Sébastien Faure gingen verder. Zij kozen onomwonden voor de Propaganda door de Daad. Toch waren ook zij in principe akkoord met stakingen die op de revolutie gericht waren, maar dergelijke stakingen moesten volgens hen met geweld en bomaanslagen gepaard gaan, zoals dat in 1882 in Monceau-les-Mines, in Frankrijk, het geval was. Deze radicale militanten stelden bovendien meer vertrouwen in kleine hechte groepen van overtuigde activisten dan in syndicale massaorganisaties. Wij kunnen samenvatten dat begin jaren tachtig van de negentiende eeuw veruit het merendeel van de anarchisten voorstander werd van de directe gewelddadige actie. Ongeduld, haat en onmacht, en de frustraties die daar het gevolg van waren, dreven hen expliciet naar de terroristische "Propaganda door de Daad".

Dit alles staat in schril contrast met de praktijk zelf. Terwijl de anarchistische beweging het nieuwe actiemiddel in congresbesluiten opnam en via haar pers, brochures en meetings propageerde, kwam men in de loop van de tachtiger jaren vrijwel nergens tot effectieve daden. De Propaganda door de 'Daad' werd haast enkel met het 'woord' beleden. Zoals in het verleden vonden er wel aanslagen plaats, maar de meesten konden niet geliëerd worden met de toenmalige anarchisten. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de acties van Kammerer en Stellmacher tegen de Habsburgse politie in 1884. Anderzijds was er wel de conspiratie van de anarchist August Reinsdorf. In Elberfeld, Zuid-Duitsland, wist hij een aantal mensen rond zich te verzamelen en hij smeedde met hen plannen om keizer Willem I, de kroonprins en leden van de hogere adel te dynamiteren, dit bij gelegenheid van de inhuldiging van een monument te Niederwald op 28 september 1883. Voorbereidingen werden getroffen, maar toen het ogenblik daar was bleek een en ander mis te gaan. Uiteindelijk belandde de groep in de gevangenis en Reinsdorf werd op 7 februari 1885 naar het schavot gesleurd. Terwijl de beul het bijl omhoog hief zei hij nog : "Ik sterf voor de mensheid, weg met de barbarij, leve de anarchie !" waarna romp en hoofd van elkaar gescheiden werden. De gewelddadige agitatie van Reinsdorf was evenwel uitzonderlijk. Grosso modo kan men stellen dat de anarchisten in de jaren tachtig de Prapaganda door de Daad nooit echt in de praktijk brachten. Eind jaren tachtig - begin jaren negentig begonnen de ideëen over actie voeren trouwens te schuiven. De Prapaganda door de Daad verdween naar de achtergrond en andere actievormen zoals het syndicalisme kwamen terug meer naar voor.

Maar het zaad van geweld was gestrooid. Tussen 1892 en 1894 zal vooral Frankrijk het toneel worden van bloedige aanslagen waarvan de uitvoerders zich bovendien op het anarchisme beriepen. Niet de propaganda voor een nieuwe samenleving was hun belangrijkste drijfveer, maar wel wraak voor het geweld gepleegd door de burgerlijke staat. De anarchisten herinnerden zich maar al te goed de bloedige repressie die na de Commune van Parijs had plaatsgevonden en sindsdien had de Franse overheid geen kansen laten liggen om de anarchistische beweging te infiltreren en te bestrijden. Denken we maar aan het Parijse anarchistenblad La Révolution Sociale dat in 1880-1881 door de uit Brussel afkomstige anarchist en politieinfiltrant Egide Spilleux met geld van de politieprefectuur van Parijs werd uitgegeven. Denken we ook aan de vervolgingen na de stakingen te Lyon.

Het negentiende eeuwse Europa kenmerkte zich als een burgerlijke samenleving die zich beriep op vrijheid en gelijkheid maar die deze waarden selectief toepaste. Politie en repressie t.a.v. sociale bewegingen was een permanent gegeven, zeker wanneer die culmineerden in stakingen en politieke bewegingen die het voor de armen opnamen.

(Illegalisme : cfr. Moulaert , vervloekte, p. 35.)

BIBLIOGRAFIE :
J. MESNIL, Le mouvement anarchiste, Brussel, 1897, p. 19; A. CONSTANDSE, Anarchisme van de daad..., p. 70-88; G. COLE, A History..., dl. II, p. 315-321, 323, 327, 346, 355-357; J. MAITRON, Le Mouvement..., dl. I, p. 75-78, dl. II, p. 82-83, 94-95, 113-114, 153-155; M. NETTLAU, Geschichte..., dl. II, p. 263-264, 276-278, 289-294, dl. III, p. 45-46, 77; 241-244, 261; G. WOODCOCK, Anarchism..., p. 281-283, 316-322, 444-445; J. JOLL, The anarchists..., p. 101-106; A. CARLSON, Anarchism in Germany..., dl. I, p. 249-257; A. LEONETTI, Mouvements ouvriers et socialistes. Chronologie et bibliographie. L'Italie. Des origines à 1922, p. 54-56; M. NETTLAU, La première Internationale en Espagne..., p. 314; J. MOULAERT, De vervloekte staat..., p. 31-32; G. WOODCOCK & I. AVAKUMOVIC, The anarchist prince..., p. 167-168, 173, 177-181; M. FLEMMING, The anarchist way..., p. 204-205; A. FORDIJN, Politieke aanslagen in België, Duitsland en Frankrijk..., dl. I, repertorium; M. SCHÜTTE, August Reinsdorf und die Niederwald-Verschwörung, Berlin, 1983, 29 p.