BAKOENIN VERSUS MARX

home
chronologie
Voor 1880

 

De Frans-Duitse oorlog van 1870 deed het internationalisme van de socialisten in Europa geen goed. Congressen konden niet doorgaan en werden uitgesteld, nationale belangen kwamen op het voorplan en van de grote 'pluralistische eenheid' van weleer was in de praktijk nog amper iets te zien. Toen daarbij de mislukking van de Commune van Parijs (1871) alle hoop op een spoedige sociale omwenteling deed vervliegen, heerste teleurstelling alom. Dat gevoel werd nog aangewakkerd door het teruglopen van de arbeidersbeweging zelf. Met de jaren zeventig van de negentiende eeuw brak een laagconjuncturele economische periode aan en wat er aan organisatie bestond bloedde snel dood in een reeks van mislukte stakingen. Ook de overheid liet zich bij deze ontwikkeling niet onbetuigd. In de meeste landen trad zij openlijk in het offensief tegen de internationalisten en hun verenigingen. Tegen deze achtergrond diende de ideologische strijd tussen centralisten en federalisten, verpersoonlijkt door respectievelijk Marx en Bakoenin, zich in de Eerste Internationale aan.

De federalisten waren binnen de Internationale veruit in de meerderheid en in de minder geïndustrialiseerde zuiderse landen vergrootte hun aanhang nog. Maar op de Conferentie van Londen in 1871 haalden de centralisten flink uit naar Alliantie van Bakoenin en de opposanten uit de Jura. En een jaar later op het internationaal congres van Den Haag (begin september 1872) waren de federalisten in de minderheid. Dat was geen toeval. Marx, die de Algemene Raad te Londen domineerde, had bewust het verre, noordelijke Den Haag als congresplaats laten kiezen juist om met de anarchistische Zuid-Europeanen te kunnen afrekenen.

In Den Haag waren de federalisten dus in de minderheid en werd op aansturen van de centralisten de macht van de Algemene Raad vergroot. Dat was het grote discussiepunt op het congres. Al waren de tegenstellingen tussen de abstinentionistische anarchisten en zij die kozen voor politieke actie evenzeer aanwezig. Vervolgens werden de anarchisten Bakoenin en Guillaume uit de Internationale gesloten. Er was geen weg terug meer...
In de minderheidsverklaring van Den Haag drukte men nog op de samenhorigheid, maar in de praktijk viel de Internationale nu snel uiteen. Dat werd nog gestimuleerd door de verplaatsing van de Algemene Raad naar New-York. Ver weg van de anarchisten, maar ook ver weg van de Europese arbeidersbeweging.

Enkele dagen later, op 15 september 1872, werd vanuit St. Imier in Zwitserland de oproep gelanceerd om de Algemene Raad te New-York niet te erkennen en integendeel toe te treden tot de Anti-autoritaire Internationale. De meeste nationale federaties beantwoordden de oproep positief. De Italiaanse en Spaanse federaties bevestigden onmiddellijk de door hun afgevaardigden ingenomen standpunten. Een korte tijd later volgden de Belgen. Dan verscheidene delegees van Franse afdelingen die in Zwitserland als politiek vluchteling verbleven. De Nederlandse federatie zond de internationalisten van de Jura een positief schrijven nadat zij wegens haar houding op het congres van Den Haag door de Algemene Raad uit de 'marxistische' Internationale was gegooid. Zelfs de Engelsen zochten, ondanks hun opvattingen over de politieke kwestie, aansluiting. Marx mocht dan al baas zijn in 'zijn' Internationale, hij stond daar nu alleen. Haast iedereen keerde hem de rug toe en wendde de schreden naar de Jura. Deze kleine federatie wist heel Europa te begeesteren en haar 'voormannen' speelden een enorm belangrijke rol in de internationalistische beweging van die dagen. De meest bekende was James Guillaume. Hij gaf het invloedrijke Bulletin de la Fédération Jurasienne (1872-1878) uit. Max Nettlau zegt over hem : "Keiner verstand es, wie James Guillaume, alle lokalen Verhältnisse und die meisten andern Bewegungen zugleich im Auge zu behalten, stets bereit zum praktischen lokalen Kampf, ökonomischer oder politischer Polemik, sowie zuym anarchistischen Kampf gegen den autoritären Sozialismus und zu theoretischer Diskussion der Anarchisten unter sich. So überbrückt das "Bulletin" manche trübe Zeit, in der Verfolgungen, wie in den südlichen Ländern, oder wochsende Schwäche der Ueberzeugung, wie in Belgien, die Stimme der Anarchie fast zum Schweigen brachten."

Marx en zijn medestanders hadden met hun (manipulerend) optreden eigenlijk zichzelf de das omgedaan. De Algemene Raad was op hun aansturen naar New-York uitgeweken en was van geen invloed meer.  Enkele keren liet hij nog van zich horen om tegenstanders uit 'hun' Internationale te gooien, wat de anti-autoritaire argumenten slechts bevestigde.  In 1873, toen vrijwel alle nationale federaties bij de Anti-Autoritaire Internationale waren aangesloten, riep de Algemene Raad nog een internationaal congres bijeen.  Hij wou roet in het eten van de federalisten gooien en liet het congres op 8 september in Genève doorgaan, dezelfde dag en plaats als het concurrerend congres van de anti-autoritairen.  Maar het werd een fiasco.  Zelfs Marx moest dit toegeven.  Tenslotte zou de 'marxistische' Internationale op 15 juli 1876, ver weg in Philadelphia, zichzelf opheffen.

 De tegenstelling Marx - Bakoenin in België.

Toen de Internationale naar een splitsing evolueerde bevond de Belgische federatie zich op haar hoogtepunt. De onenigheid tussen de Algemene Raad te Londen en de Zwitsers hield volgens de Belgen een bedreiging van de organisatie in. De 'bakoenisten' van wie die dreiging leek uit te gaan, lagen hen dan ook niet nauw aan het hart. Temeer omdat men te Brussel, waar de nationale Federale Raad was gevestigd, reeds met anarcho-collectivistische dissidenten had af te rekenen. Zij noemden zich de affranchis. De verschilpunten lagen hier echter anders. Het ging in Brussel niet zozeer om een keuze tussen centralisme en federalisme of tussen abstinentie en de verovering van het staatsapparaat, maar wel tussen revolutie en evolutie. De Belgische internationalisten waren vrijwel allemaal federalisten, voorstander van economische actie en tegen de staat.

Maar er waren uitzonderingen. Iemand zoals César De Paepe nam hoe langer hoe meer een andere houding aan. Hij groeide naar de centralisten toe en onderhield zelfs goede contacten met Marx. De Paepe had reeds voor het congres van Bazel bij Marx steun gezocht voor zijn collectivisme en na het congres schreef hij hem dat hij meer en meer afstand nam van het proudhonisme. Een en ander had tot gevolg dat hij van de leden van de Belgische Federale Raad dacht dat zij op dezelfde hoogte zaten. Dat was nog zo gek niet bedacht, want op 16 januari 1869 drong de Belgische Raad bij Bakoenin aan om zijn Alliantie op te geven en zodoende de Internationale voor de ondergang te behoeden. De Paepe schreef een tijdje later aan de Algemene Raad te Londen dat de Belgische Raad zijn afkeurende houding deelde. De Belgen stonden echter veel dichter bij het programma van de geviseerde Alliantie dan men vermoedde en zij waren zeker niet - zoals De Paepe dacht - op de hand van Marx. Dit bleek overduidelijk in januari 1870 toen Hins met een scherpe brief antwoordde op een brief van de Algemene Raad (lees Marx) waarin Bakoenin werd beklad. Hins liet weten dat hij met kwaadsprekerij niet gediend was... en hij was niet de enige in België die er zo over dacht. Marx, die dacht dat Hins al een tijdje de Belgische federatie aan Bakoenin had verlapt, werd daarin nu bevestigd. Dat was niet licht overdreven want buiten Hins en De Paepe had enkel de gematigde Désiré Brismée Bakoenin ooit ontmoet. Marx onderschatte de proudhonistische traditie in België. Die was federalistisch en zo wie zo voor de autonomie van de afdelingen. De agitatie van de enkele aanhangers van Bakoenin speelde daar amper een rol in. Hins was bijvoorbeeld een anarchist en zelfs collectivist, maar hij onderscheidde zich toch duidelijk van de radikale affranchis.

Op de Conferentie van Londen mocht de Algemene Raad rekenen op de steun van de Belgische federatie die een Internationale binnen de Internationale best kon missen : de Alliantie van Bakoenin werd verboden. Anders zat het met de stemming over het al of niet aanwenden van politieke actiemiddelen. De Antwerpenaar Coenen en de Brusselse anarchist Laurent Verrycken stelden dat politieke kwesties ondergeschikt waren aan de economische strijd en steunden de oppositie, terwijl Eugène Steens en Alfred Herman een lans braken voor de voorstellen van de Algemene Raad. Er heerste verdeeldheid en er waren twijfels in de Belgische rangen. Meer bepaald over de intenties van de Algemene Raad te Londen.

Terug in België wisten de anarchisten hun ideeën door te zetten. Onder leiding van Hins werden op het kerstcongres van 1871 alle onduidelijkheden weggevaagd. Men besloot : "De Internationale is niets anders dan een vereniging van volstrekt autonome federaties" en men gaf de Federale Raad te Brussel opdracht om een ontwerp van nieuwe statuten op te stellen. In die nieuwe statuten werd het bestaansrecht van de Algemene Raad op de helling gezet en de landelijke federaties kregen het recht autonoom met elkaar te corresponderen. Dit standpunt loog er niet om ! En het blad L'Internationale voegde het zijne er nog aan toe door te verklaren dat de Internationale een anarchistische federatie van arbeidersverenigingen was. In feite zat men dus op dezelfde lijn als de anarchisten van de Jurafederatie. Op het nationaal congres van 19-20 mei 1872 besprak men de voorbereide statuten en men keurde ze grotendeels goed. Maar het bepalen van een definitief standpunt werd uitgesteld tot het congres van 14 juli. Hier moesten de anarchisten gas terugnemen : met tien tegen acht werd de Algemene Raad behouden. Anderzijds hield men een autonome houding aan en eind juli werd de Duitse sectie van Verviers zelfs uit de beweging gestoten omdat zij tijdens de statutendiscussie onvoorwaardelijk de zijde van Londen had gekozen.

Analoog met de besluiten van het julicongres kregen de Belgische afgevaardigden voor het internationaal congres van Den Haag, begin september 1872, het volgende mandaat mee : behoud van de Algemene Raad, met beperking van zijn bevoegdheden. (De delegees waren Eberhard voor de Belgische Federale Raad, Herman uit Luik, Désiré Brismée uit Brussel, Roch Splingard van Charleroi, Pierre Fluche namens de Vesderfederatie, de Antwerpse voorman Coenen en zijn stadgenoot H. Van Den Abeele die Gent vertegenwoordigde.) Op dit congres waren de Belgen gekant tegen het centralisme van de Algemene Raad en zij steunden de anti-autoritaire standpunten. Brismée zei dat "de Belgische federatie de macht van de Algemene Raad fel beknot wenste te zien. Indien hij zijn uitgebreide macht bleef behouden, zouden de Belgen zich inrichten zoals de Spanjaarden, de Italianen en de Zwitsers. Er waren weliswaar nooit moeilijkheden geweest tussen de Belgische afdeling en de Algemene Raad maar zij was het niet eens met zijn bemoeiingen in de inwendige aangelegenheden van andere landen". Alfred Herman lichtte de Belgische houding toe : elk land moest vrij zijn eigen actiemethoden kunnen toepassen en de Algemene Raad mocht daarin geen richtlijnen geven. De bevoegdheden van deze Raad moesten beperkt worden tot een administratief correspondentiecentrum, een statistisch bureau en tot het innen van de bijdragen. De Vesdervallei, zo zei Herman, was zelfs voor de totale afschaffing van de Algemene Raad. Bij de stemmingen waren de Belgische afgevaardigden dan ook unaniem tegen de uitbreiding van de macht van de Algemene Raad en op Splingard na waren allen tegen de uitsluiting van Bakoenin, Guillaume en Schwitzguébel. Enkel rond de verplaatsing van de zetel van de Algemene Raad was er verdeeldheid in het Belgische kamp.

De federalistische minderheid van het congres was zeer verbolgen over de centralistische resoluties en in een verklaring brak zij met de Algemene Raad. Deze verklaring werd door zeventien delegees ondertekend, waaronder ook de Belgische. Naderhand werd de houding van de Belgische afgevaardigden door alle Belgische afdelingen bekrachtigd en L'Internationale schreef : "Na Den Haag denken wij met Bakoenin dat de Internationale Werkliedenvereniging geen zin heeft indien zij niet beslist streeft naar de afschaffing van de staat." En Le Mirabeau besloot relativerend : "cette évolution ne fut pas une catastrophe. Comme le disait Proudhon, le christianisme aussi avait connu dés ses débuts des sectes et plus tard, le grand schisme et la réformation. La révolution française avait ses Jacobins, Girondins et constitutionalistes" Op het Belgische kerstcongres van 1872 werd de houding van de afgevaardigden nogmaals goedgekeurd. De beslissingen van Den Haag werden verworpen en de Algemene Raad te New-York werd niet erkend.

Dit congres verliep echter niet zo eensgezind als de aangenomen resoluties laten vermoeden. "Une proposition d'abolir le conseil général belge provoqua une discussion : Verviers, le centre Hainaut et Verreycken soutenaient pareille resolution, tandis que Brismée, De Paepe, Steens et Warnotte etaient contre." Uiteindelijk werd het voorstel van Brismée aanvaard : acht delegees, aangesteld door de verschillende locale Belgische federaties-afdelingen zouden in het vervolg de Federale Raad van België uitmaken. Dit was in het voordeel van de radicale militanten van de Internationale omdat de 'gematigde' Brusselse dominantie gedeeltelijk werd teruggeschroefd. Met andere woorden, de revolutionaire Waalse federalisten kregen meer zeggingskracht. Zij waren, net zoals enkele radicale medestanders uit het Brusselse, duidelijk tot dezelfde inzichten gekomen als de indertijd afgescheurde Affranchis. Wij kunnen besluiten dat anno 1872 de Belgische federatie van de Internationale in de greep van een revolutionair anarcho-collectivisme kwam.

 Marxistische geschiedschrijving.

In de geschiedschrijving van het socialisme wordt de invloed van de autoritaire socialist Karl Marx traditioneel sterk overroepen. Zeker met betrekking tot de geschiedenis van de Eerste Internationale (1864-1872) kan dit gezegd worden. Marx wist in 1872 formeel de zaak naar zijn hand te zetten en Bakoenin uit de Internationale te gooien, maar - en dat wordt in de historiografie veel minder belicht - hij isoleerde daarmee vooral zichzelf. Zoals gezegd liet het merendeel van de internationalistische federaties Marx voor wat hij was en zij verenigden zich na de breuk in een anti-autoritaire Internationale. Ik verwijs in dit kader expliciet naar het artikel van Rudolph De Jong dat in 1983 in De As verscheen. Hij geeft daarin een mooi relaas van hoe latere marxisten de verhouding tussen Marx en Bakoenin, en het anarchisme in het algemeen, beschreven hebben. Dat gebeurde niet altijd even sereen.

In eigen land moeten wij hier de marxistische auteur Leo Michielsen vernoemen. Wat hij in het eerste deel van zijn naslagwerk over de Europese arbeidersbeweging van pagina 109 tot 111 schrijft, tart werkelijk elke verbeelding. En zelfs een gerenommeerde historica als Denise De Weerdt wil zich - in haar later werk - al eens laten verleiden. In haar artikel Karl Marx en de internationale..., p. 27 schrijft zij : "...is de politiek van Bakoenin geslaagd; de breuk is er gekomen en de minderheid van Den Haag was groot genoeg om de val van de Eerste internationale een feit te maken." De Weerdt schrijft met andere woorden de neergang van de Internationale grotendeels toe aan de daden van Bakoenin en zijn aanhangers. Volgens ons doet zij dit onterecht. De vraag is of hier überhaupt de schuldvraag moet worden gesteld. Centralisten en federalisten hadden elk een eigen visie op hoe de internationale arbeidersbeweging moest georganiseerd worden en beiden trachtten in die zin de Internationale naar hun hand te zetten. De Weerdt maakt de fout om de standpunten van de Algemene Raad (Marx) als uitgangspunt te nemen. Het ontstaan van de anti-autoritaire Internationale van St. Imier (1872) en het feit dat haast alle nationale federaties de Algemene Raad in de steek lieten en tot de nieuwe organisatie toetraden, is het bewijs van het isolement van diezelfde Algemene Raad en dus ook van Marx. In welke studie wordt trouwens op basis van historische bronnen aangetoond dat Bakoenin de Internationale zo nodig wou kelderen?! In hetzelfde artikel, op pagina 10, vinden wij nog een uitschuiver. Omtrent de arrestatie van leiders van de Internationale, naar aanleiding van een staking te Seraing, weet De Weerdt te vermelden : "Het gerechtelijk apparaat treedt in werking op een beschuldiging die uitgaat van dissidenten, aanhangers van de 'Alliantie' van Bakoenin." In feite was de brief aan de procureur geschreven door een zekere Coudroy, die wel contacten met anarchistische dissidenten in Brussel had, maar die men bezwaarlijk een aanhanger van de Alliantie van Bakoenin kan noemen. De bewering van De Weerdt dat aanhangers van Bakoenin als verklikker optraden, kan niet met bronnenmateriaal onderbouwd worden en is daarom op zijn zachtst gezegd suggestief.

BIBLIOGRAFIE.

Voor een bondige initiatie in de strijd tussen Marx en Bakoenin - en hun respectievelijke aanhang - verwijzen wij naar L. KOLAKOWSKI, Geschiedenis van het Marxisme..., dl. I, p. 294 e.v., F. MEHRING, Karl Marx..., p. 416-450 en vooral A. LEHNING, La lutte des tendances au sein de la première internationale.

Een onverholen anarchistische kijk op Marx en zijn leer vind je terug in de brochure die naar aanleiding van zijn honderdjarige dood uitgebracht werd : De dood van Marx. - De As, nr. 61, januari-maart 1983. Zeker Rudolph DE JONG, Haalt Marx 1984 ?... is interessant.

Lezenswaardig is ook D. GUERIN, Marxism and anarchism…; J. MAITRON, Le Mouvement Anarchiste en France..., dl. I, p. 61-65; G. COLE, A history..., dl. II, p. 197, 201; M. DOMMANGET, Les blanquistes dans l'internationale..., p. 141-149. Over de anti-autoritaire Internationale heb je : M. ENCKELL, La Fédération jurasiennne, p. 80-81, 84, 102 en M. NETTLAU, Geschichte der Anarchie, dl. II, p. 223.

Over de situatie in België verwijzen wij naar : M. OUKHOW, Anarchisme in België..., p. 161, 162, 163, 164; J. KUYPERS, Het vroegsocialisme..., p. 91; C. OUKHOW, Documents relatifs..., p. IL.; D. DE WEERDT, K. Marx en de Belgische Internationale..., p. 9, 15, 17, 19-21; D. DE WEERDT, De Belgische ..., p. 31-32,35-36; A. LEHNING, La lutte des tendances..., p. 337; A. LEHNING, Bakoenin. Een biografie..., p. 288 en K. VAN ISACKER, De Internationale te Antwerpen..., p. 97-98.

Over te toestand in de verschillende landen heb je de volgende literatuur : G. COLE, A history of socialist..., dl. II, p. 175, 183, 184, 188-189, 192, 193; L. KOLAKOWSKI, Geschiedenis van het marxisme..., dl. I, p. 298; W. DREES, Lasalle en Marx..., p. 63; L. MICHIELSEN, Geschiedenis..., dl. I, p. 115-119; J. DROZ, L'histoire du socialisme..., p. 137; J. MAITRON, Le Mouvement Anarchiste en France..., dl. I, p. 56-59; C. OUKHOW, De historiografie van de Commune..., p. 14-15 en M. OUKHOW, Anarchisme in België..., p. 159.