1945 - 2000

home
chronologie

 

I. DE HEROPBOUW VAN DE BEWEGING (1944-1952).

1.1. Les Cahiers socialistes, Revue indépendante de critique sociale.
Het Brusselse, franstalige Les Cahiers socialistes was geen uitgesproken anarchistisch tijdschrift, maar zoals in de ondertitel wordt aangegeven stelde het zich politiek onafhankelijk op ten aanzien van de toenmalige politieke partijen en bewegingen. Bovendien werkten verscheidene anarchisten mee aan het blad, waaronder de anarchist Ernest Tanrez (alias Ernestan) allicht het meest in het oog sprong.
Het tijdschrift was reeds opgericht naar het einde van de Tweede Wereldoorlog door een groep studenten aan de U.L.B. en spoedig werkten er ook enkele 'oudere' socialistische militanten aan mee. Aanvankelijk verscheen Les Cahiers socialistes maandelijks, maar vrij vlug moest men deze frequentie laten varen en sinds 1950 liepen nog amper 3 nummers per jaar van de persen.
Het blad was sterk anti-dogmatisch en sprak zich uit tegen zowel linkse als rechtse autoritaire regimes. (Men was dus niet alleen anti-fascistisch, ook het stalinisme moest het in hun ogen ontgelden.) Verbonden in een globale houding van anti-totalitarisme focuste de redactie op kwesties zoals 'echte democratie', vrijheid en menselijke waardigheid. Het totalitaire werd beschouwd als een afgesloten historische periode en voortaan kwam het er op aan een anti-kapitalistische, basisdemocratische 'socialistische beweging' te creëren die zich vooral richtte naar zelfbeheer en pacifisme... en tegelijk het vermeende fainéantisme en individualisme van het anarchisme bestreed.
Door haar kritische ingesteldheid kon Les Cahiers socialistes
rekenen op een breed lezerspubliek : linksen, marxisten, anarchisten, syndicalisten, radicalen, vrijdenkers, geëngageerde kristenen, enz...

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article30)

1.2. Pensée et Action.
Deze openlijk anarchistische kring stond symbool voor de wederopstanding van het na-oorlogse anarchisme in België.
Hij werd op 28 maart 1945, na een conferentie van Marcel Dieu alias Hem Day, opgericht om de autoritaire strukturen in de samenleving te bestrijden, dit ter ontwikkeling van het individu :"Il faut [...] mettre l'accent sur l'individu. Là est l'essentiel, là est notre but." (
Men richtte zich met andere woorden niet zo zeer naar de massa.) Wekelijks kwam men bijeen in de Brusselse Brasserie Flamande, nabij het Beursgebouw en vaak werden er conferenties op touw gezet over allerhande onderwerpen en waarop steeds een dertigtal toehoorders aanwezig waren, soms zelfs een honderdtal. Kringleden waren naast Hem Day en Ernestan ondermeer Joseph De Smet, Jean De Boë, George Simon, de dokter Jean Cordier, Georges Lorphèvre, Louis Bonfanti, Jean Van Lierde en verder een aantal Spaanse en Italiaanse politieke vluchtelingen zoals bijvoorbeeld Corrado Perissino. Verder lieten ook Franse anarchisten zoals Bernard Salmon en Léo Campion zich soms opmerken. (Trouwens, van de dertig vaste leden van de kring waren om en bij de helft van buitenlandse oorsprong.)
De kring Pensée et Action kon rekenen op een zekere sympathie vanuit de vrijdenkerij en de vrijmetselarij, waarbij verscheidene anarchisten waren aangesloten (o.a. Hem Day, Léo Campion en Ernestan). Bovendien waren er historische en filosofische raaklijnen tussen anarchisme en vrijdenkerij. De 'mens' stond bij beide centraal, alsook de 'individuele vrijheden' en de 'rede'.
Eind 1945 ging Hem Day met de hulp van Georges Simon van start met een maandblad dat eveneens Pensée et Action als titel had. Hiermee bezorgde hij de kring een persorgaan waarin de ideeën en standpunten van de groep meteen publiek verkondigd werden. Het tijdschrift bevatte biografieën van internationaal bekende anarchisten (Sébastien Faure, Han Ryner, Eugène Humbert, Francisco Ferrer, Max Nettlau, Gandhi, Krisnamurti, Runham Brown, Etienne de La Boëtie, enz... ), artikels over de geschiedenis van sociale bewegingen (1 mei, de Commune van Parijs, ...), artikels over kunst en cultuur (existentialisme, surrealisme, Zola, Balzac, ...) en bijvoorbeeld ook kritische, politieke bijdragen over bijvoorbeeld het staatscommunisme en de Sovjet-Unie. En niet te vergeten : pacifistische standpunten kregen een prominente plaats toegewezen. Het blad vond vooral verspreiding in het franstalige landsgedeelte van België, maar er was een afzet van nummers in heel Europa : in Frankrijk, Zwitserland, Italië, Nederland, Engeland, Denemarken, Zweden, ... Zelfs buiten Europa, in de U.S.A., Costa Rica, Uraguay, Vietnam, ... trof je Pensée et Action aan. Van september 1945 tot december 1952 verschenen zesenveertig nummers, maar wegens financiële moeilijkheden werden de nummers steeds dunner en verschenen ze onregelmatiger. Men was begonnen als maandblad, maar spoedig moest men overgaan naar een tweemaandelijks blad. En toen in 1952 Hem Day ziek werd moest het tijdschrift Pensée et Action worden stopgezet. (Tot 1970 verscheen nog een vervolg (Les Cahiers de Pensée et Action.) dat werd samengesteld met bijdragen van gast-auteurs.)

BIBLIOGRAFIE :

Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article11)

 

1.3 L'Action Commune Libertaire (A.C.L.)

Toen de vlam van de groep Pensée et Action op een lager pitje ging branden ging dat natuurlijk ten koste van de propaganda.
Daarom deed Joseph De Smet in april 1952 een oproep tot gemeenschappelijke anarchistische actie en hieruit ontstond de groep L'Action Commune Libertaire. De eerste vergadering vond plaats op 1 mei te Brussel, in het Café de la Paix. De kringleden hadden geen formele mandaten, maar we kunnen samenvatten dat Alfred Lepape van Dour de propaganda coördineerde en de verantwoordelijke uitgever was van de publicaties, Guy Badot van Charleroi het secretariaat en de administratie op zich nam, de correspondentie werd verzorgd door Hem Day van Brussel, Georges Simon van Quaregnon, Joseph De Smet van Gent, Luis Broecke van Antwerpen en Jean-Baptiste Schaut alias Adamas van Luik.
Het beleid van de L'Action Commune Libertaire werd gevoerd vanuit een comité waarin alle bovenstaande heren zetelden en die wanneer nodig samenkwam. Verder vond er minimum één keer per jaar een algemene vergadering plaats waarop alle leden werden uitgenodigd.
Op die eerste bijeenkomst, van 1 mei 1952, lanceerde men een appel "aux amis et camarades libertaires, [et] à tous les esprits libres" waarin werd opgeroepen om tot de kring toe te treden en zodoende hun libertaire idealen te laten triomferen. Dit appel werd gepubliceerd in de bevriende, internationale pers en kende enig succes : men ontving ondersteuningsbrieven, ondermeer van anciens zoals Camille Mattart, en een voorstel tot samenwerking van een anarchistengroep uit Rijsel.
Maar niet alles verliep even eensgezind : geregeld waren er discussies tussen individualisten enerzijds (o.a. Hem Day en Joseph De Smet) en communisten anderzijds (o.a. Guy Badot en Georges Simon) en in 1954 hield de groep op te bestaan.

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article14 en www.dissidences.net/compl_vol7/Inghels.pdf)


1.4. L'Internationale des Résistants à la Guerre (I.R.G.), de Belgische sectie van de War Resisters International (W.R.I.).

Net zoals bij de "Les Cahiers socialistes" was de "Internationale van Oorlogs-Weerstanders", de I.R.G., geen anarchistische organisatie. Wel waren er vele anarchisten bij aangesloten en ook ideologisch waren er overeenkomsten : ondermeer een pacifisme dat bovendien niet gebaseerd was op een godsdienstige overtuiging.
Een bekende persoon in die dagen was Jean Van Lierde (Charleroi, 15 februari 1926 - Brussel, 15 december 2006) die vanuit een Christelijke inspiratie openlijk getuigenis aflegde van anti-militarisme en geweldloosheid en met betrekking tot de militaire dienstplicht een houding van gewetensbezwaarde propageerde. Zo kreeg hij enige bekendheid toen hij in 1949 het bevel tot militaire dienstplicht naast zich neerlegde. En in die dagen trok hij op met de Brusselse anarchist Marcel Dieu alias Hem Day die eveneens een bekende pacifist en dienstweigeraar was. Zo kwam hij in contact met het 'vrije, revolutionair-socialistische' gedachtengoed wat hem weerbaar maakte tegen autoritair-communistische ideeën. Samen met Hem Day werd Van Lierde een trekkersfiguur binnen de War Resisters International die niet van een religieuze dan wel van een libertaire visie doordrongen was. Met zijn dienstweigering trachtte Van Lierde de "bezwaring van het geweten" op de politieke agenda te krijgen om het uiteindelijk een wettelijke basis te geven. Drie processen voor militaire rechtbanken en een effectieve gevangenisstraf van 15 maanden later kwam men in 1952 tot een compromis : een soort vervangende legerdienst door in de steenkoolmijn van Le Bois du Cazier te Marcinelle te gaan werken.
De I.R.G., de Belgische sectie van de War Resisters International (W.R.I.), telde een honderdtal leden en werd spoedig een plaats waar vele anarchisten elkaar troffen, ondermeer een flink aantal militanten van Pensée et Action. Zij organiseerde geregeld bijeenkomsten, debatten en conferenties waarbij meestal vijtien tot dertig personen kwamen opdagen. En Hem Day en Jean Van Lierde vervulden samen het secretariaatswerk van de W.R.I.
Verder gaf de I.R.G. een contactblad met de titel "Non-violence et Société" uit dat verstuurd werd naar alle Belgische leden en sympathisanten.
In 1959 ontstond er binnen de rangen van de vereniging een debat over deelname aan verkiezingen. De standpunten van de anarchisten hierover waren gekend. Hem Day bijvoorbeeld wees elke deelname aan verkiezingen resoluut af : "Toute la gangrène du parlementarisme a ravagé les esprits, même chez ceux qui ont gardé un semblant de raison, voire de bon sens dans cette superstition du nombre (...) oubliant que dans cette terre du pacifisme et de l'anti-militarisme des Domela Nieuwenhuis, des Barthélemy De Licht ont été farouchement des anti-parlementaires." Als anarchist en pacifist propageerde Hem Day de geweldloze 'directe actie' van een grote massa-beweging die zich richtte op de verandering van de samenleving.
Via de I.R.G. wisten de anarchisten in bredere kringen propaganda te voeren voor hun (pacifistische) ideeën. Dat ging van anti-kolonialisme tot een staatsvrije, geweldloze samenleving. En men werkte bij momenten samen met andere politieke groepen, bijvoorbeeld met de Jeunes Gardes Socialistes ter gelegenheid van de "Fusil-Brisé"-manifestatie op 15 oktober 1961 in La Louvière : onder het roepen van de slogans "Non à l'armée, non à l'OTAN, non à la guerre" kwamen meer dan 7.000 jonge mensen samen voor de vrede.
Maar de meeste aandacht bleef toch gaan naar de strijd voor het statuut van gewetensbezwaarde en een vervangende burgerdienst. Dit terwijl meer fundamentalistische anarchisten het als een knieval voor de staat bleven beschouwen.

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article12)

1.5. Solidarité Internationale Anti-fasciste (S.I.A.).

Naast pacifisme en anti-militarisme schonken de na-oorlogse anarchisten veel aandacht aan het anti-fascisme. Zo waren in de schoot van de Belgische afdeling van de internationale organisatie Solidarité Internationale Anti-fasciste (S.I.A.) heel wat anarchisten actief.
De S.I.A. was reeds in juni 1937 in Spanje opgericht tijdens de burgeroorlog en een kleine tien jaar later, op 18 mei 1946, ontstond de Belgische afdeling die zich inrichtte als v.z.w. Volgens de statuten was het de bedoeling "secourir les individus et les organisations anti-fascistes dans la mesure du possible et sous tous les aspects que peut revêtir la solidarité". In de praktijk kwam het vooral neer op financiële en juridische steun. In het begin werd de kring gecoördineerd door de anarcho-syndicalistische secretaris Jean De Boë, boekhouder Joseph De Smet en kassier François Koeck. Formeel hadden aanvankelijk deze drie anarchisten binnen de vereniging de macht in handen en samen, in comité, namen zij de belangrijkste beslissingen. Nochtans kwamen, op het stalinisme na, vrijwel alle linkse strekkingen bij de leden voor. Ook een aanzienlijk aantal (politieke) vluchtelingen ving men op en de kring trachtte hun asielaanvragen te regelen. Uiteraard waren velen onder hen Spaans van herkomst en voormalige leden van de anarcho-syndicalistische C.N.T.
Vanuit Spanje vluchtten meer dan 800 volwassenen en een 3.000 (adoptie-)kinderen naar België. Deze Spaanse, (politieke) migratie verklaart ondermeer het ontstaan van verschillende anti-franquistische organisaties in België. Verder verscheen in 1950 een publicatie van de S.I.A. die volledig gewijd was aan de Spaanse politierepressie ten aanzien van anarchisten, o.a. over de moord op de anarchisten Luciano Alpuente, Wenceslao Gimenez, Francisco Martinez en José Sabate. Deze S.I.A.-publicatie was grotendeels geschreven door secretaris Jean De Boë.
In die dagen kon de S.I.A. rekenen op ruim 300 leden, maar het aantal actieve leden nam dag na dag af en eind januari 1958 gaf de club (Jean De Boë) een manifest uit waarin de alarmklok werd geluid met de bedoeling de oude kameraden wakker te schudden. Tot dan had de kring zich steeds gericht naar intellectuelen en weinig naar arbeiders en jongeren. Door een verbreding van de activiteiten trachtte men nu met deze laatsten een betere aansluiting te vinden. In die zin werd van start gegaan met filmclubs.
Maar het werd Jean De Boë wat te veel en hij zette een stap terug. Stéphan Huvenne werd de nieuwe secretaris en rond die tijd veranderde men ook van lokaal. Men kwam voortaan samen in het Café de la Paix. Men ging zich trouwens meer en meer richtten op de pacifistische milieus. Bijvoorbeeld op 23 april 1960 nodigde de S.I.A. de gewetensbezwaarde Jacques Lejeune, de auteur van het boek "Tu ne tuera point", uit om te komen praten over het nucleaire gevaar. En datzelfde jaar riep de S.I.A. op om deel te nemen aan de anti-atoom-mars van Mol naar Antwerpen.
Naar aanleiding van het koninklijk huwelijk van Boudewijn van Saksen-Coburg - Gotha en Fabiola de Mora y Aragon, gaf de C.N.T. in 1960 samen met de S.I.A. ook nog een traktaat aan de Belgische bevolking uit over de penibele toestand waarin de bevolking van Spanje moest leven tijdens de dictatuur van Franco en dit met de oogluikende goedkeuring van de Spaanse monarchie en de katholieke kerk.
Vijf jaar later, in november 1965, openden vertegenwoordigers van de C.N.T. te Brussel, in de Huidenvettersstraat, een Centre Libertaire dat sindsdien propagandamateriaal uit Spanje verspreidde.
En de S.I.A. verleende daadwerkelijke steun aan anti-fascisten die opgesloten zaten en in hospitalen verbleven in Spanje. Om de vier maanden zat zij hierover rond de tafel in haar lokaal te Brussel, in Café des deux Bécasses, waar elke dinsdagavond, om 20 uur, permanentie werd gehouden.

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article13)


1.6. "L'Anti-antitoutiste pour la Paix."
Dit pacifistisch blad werd boven de doopvont gehouden door de drijvende kracht Jack Henriquez. Centrale medewerkers waren naast zijn echtgenote (die geen anarchiste was) J. Badien en Hem Day. Verder konden zij rekenen op Joseph De Smet, de Roemeen Eugène Relgis (1895-1987) en Pierre-Valentin Berthier. En in het blad werden ook artikels geplaatst van bekende, anarchistische gast-auteurs zoals de Nederlander Bart(hélemy) De Ligt (1883-1938) en de Fransman Louis Lecoin (1888-1971).
Het blad propageerde een mondiaal pacifisme dat zijn wortels had in een ethiek van werderzijds respekt en respekt voor het (over)leven van de menselijke soort, respekt voor zowel de volkeren in hun geheel als voor de individuele personen. En als actiemiddel was men voorstander van burgerlijke ongehoorzaamheid.
L'Anti-antitoutiste pour la paix verscheen sinds januari 1960 vier keer per jaar en hield het vol tot juni 1963. Jack Henriquez stelde van bij de aanvang voor om de prijs van een jaarabonnement laag te houden en vanaf het derde nummer wilde hij de abonnees belonen met een boek van Jacques Lejeune : "Tu ne tueras point." En het blad vond ook in het buitenland verspreiding want vanaf het vijfde nummer werd een speciale prijs aangerekend voor abonnementen in Frankrijk. In 1961 werd zelfs een extra nummer uitgegeven, maar het jaar nadien moest men daarop terugkomen omdat de kosten te hoog opliepen.
Met de titel van het blad, "L'Anti-antitoutiste pour la paix", reageerde Jack Henriquez tegen de algemene tendens om steeds tegen vanalles te protesteren zonder zelf iets positiefs op te bouwen. Men moest volgens hem strijden voor de verwezenlijking van een constructief projekt. Bijvoorbeeld m.b.t. het pacifisme betekende dit dat men vooral moest strijden 'voor de vrede' en niet zo zeer 'tegen de oorlog'. En het blad engageerde zich in verschillende concrete vredesacties zoals een affichecampagne, een petitie-actie en betogingen. Verder werd in het blad publiciteit gevoerd voor vredesorganisaties van verschillende strekking, waarmee men debat en dialoog binnen de vredesbeweging wilde stimuleren.
En Jack Henriquez nodigde bij hem thuis in Brussel verscheidene afgevaardigden van vredesgroepen uit om er op 15 oktober 1960 te beraadslagen over acties (ter ondersteuning van de affiche-campagnes) en over toekomstige vormingsbijeenkomsten. Hiervoor stelde hij samen met Marcel Dieu (alias Hem Day) een basis-tekst ("bases d'entente") op die ondermeer het volgende bepleitte : "respekt voor mensenlevens, het recht op een houding van gewetensbezwaarde, de strijd voor vrede en tegen oorlog, de noodzaak van geweldloze oplossingen voor conflicten tussen staten, enz..." Deelnemende personen aan dit overleg waren Joseph De Smet van de Cercle la Boétie, Stéphane Huvenne voor de S.I.A., Marcel Dieu namens Pensée et Action en Corrado Perissino voor de I.R.G. Naast de delegues van deze libertaire groepen waren er ook afgevaardigden van christelijke vredesgroepen (Pax Christi, de Pélérins d'Emmaüs en de M.I.R.). Verder waren o.a. Les Jeunes Gardes Socialistes en de Fédération nationale des initiatives pour une contribution belge à la détente internationale present. Deze twee laatste groepen werden vertegenwoordigd door Robert Falony (een twistzoeker (?) die door de anarchisten gekend was van bij een anti-atoom-mars). Snel vormde deze vergadering zich om tot een formeel overleg, waarbij de aangesloten groepen een maandelijkse bijdrage van 50 fr. dienden te betalen, dit ter financiering van de adminstratiekosten van het intern coördinatiebureau. Beslissingen werden bij voorkeur unaniem genomen, al kon het soms ook uitdraaien op een stemming, waarbij elke aangesloten groep 1 stem had.
Tijdens de eerste bijeenkomst werd de istallering van Polarisraketten in België besproken en men besloot een protesttekst op te stellen, die via affiches en kranten verspreid werd.
Verder werd op voorstel van Jack Henriquez een affiche gemaakt waarop de namen van al de aangesloten groepen stonden. En men kwam voortaan tweemaandelijks samen in café "La fleur en papier doré" nabij de Kapellekerk te Brussel. Maar dit overleg heeft sindsdien niet veel meer van zich laten horen.
Wel was er nog de fameuse, geweldloze vredesmars van San Francisco (U.S.A) naar Moskou (Sovjetunie) waarbij verscheidene groepen van L'Anti-antitoutiste pour la paix in de organisatie zaten. De vredesmars startte 1 december 1960 aan de Amerikaanse westkust en ging naar New-York, waar twaalf van hen het vliegtuig namen naar Londen. Hier werden ze opgewacht door vele West- en Noord-Europese stappers en via Frankrijk arriveerden ze op 2 juli 1961 aan de Belgische grenspost van "Risquons tout". Vandaar ging men langs Moeskroen, Kortrijk, Oudenaarde, Gent, Aalst, Brussel, Leuven, Tienen, Sint-Truiden, Luik en Verviers, waarna men het land verliet en via Bonn, Berlijn en Warschau uiteindelijk Moskou bereikte. Twee Belgen stapten de hele tocht (op het Europese continent) mee, namelijk Hugo Van Marcke, Hobokenaar en uitgever van het tijdschrift De Mensenvriend, en Franz Decoeur, een medewerker van de Emmaüs-groep. De doortocht in België werd gecoördineerd door het speciaal opgerichtte "comité belge d'accueil aux Marcheurs pour la paix", waarvoor Léa Provo het secretariaatswerk deed en waarin verscheidene academici van Belgische universiteiten zaten. Verder bijvoorbeeld ook de voorzitter van de Belgische Liga van de Mensenrechten en Hem Day namens de groep Pensée et Action en namens de I.R.G.,
(L'Internationale des Résistants à la Guerre).
Deze internationale vredesmars hekelde de (nucleaire) wapenwedloop omdat die niet leidde naar meer vrijheid en veiligheid, maar wel naar oorlog en naar de totale uitroeiing van de menselijke soort. De vredesactivisten propageerden daarentegen geweldloos verzet en onvoorwaardelijke ontwapening. De militaire budgetten dienden beter aangewend om armoede, ziektes, ondervoeding, onwetendheid en werkloosheid te bestrijden.
Het blad L'Anti-antitoutiste pour la paix bleef verschijnen tot in 1963.


BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article15)

 

1.7. Le Cercle la Boétie.
Deze anarchistische kring werd opgericht in 1959 en hij hield conferenties in zaal Parking, nabij het place de Brouckère in Brussel, vaak samen met zusterverenigingen zoals Pensée et Action, de S.I.A. of de I.R.G.
Deze bijeenkomsten stonden open voor iedereen. Want het doel van de club was om alle mensen die 'vrij van gedachten' waren te verenigen : dus zeker de anarchisten, maar ook de onafhankelijke geesten die zich in autoritaire organisaties, zoals de kerken, de staat en de financiële groepen, ophielden; en dit over heel de wereld. In het kringblad L'Ordre Libre stond verder dat het 'individu' centraal stond : wat telde was de 'eigen persoonlijkheid'.
Tijdens de interne vergaderingen van de Cercle la Boétie werd geregeld van gedachten gewisseld over discussies die in de zusterverenigingen speelden, bijvoorbeeld over tegenstellingen tussen anarchisten (Hem Day) en reformisten (Hein Van Wijk). En men werkte mee met het blad L'Anti-antitoutiste van Jack Henriquez en de pacifistische acties die hij opzette.
Vredesgedachten en anti-militarisme werden ook door de Cercle la Boétie gepropageerd, arbeidersstrijd daarentegen kwam in de kring nauwelijks aan bod.
Van juni 1959 tot mei 1960 kwamen 20 nummers van L'Ordre Libre uit. Nu, het was een erg bescheiden blad : niet meer dan enkele aan elkaar geniete A4 pagina's, maar in 1965 bestonden groep en blad nog steeds. Dat laatste was vooral te danken aan Joseph De Smet. Hij was tegelijkertijd verantwoordelijke uitgever, secretaris en belangrijkste redacteur. Wel kreeg hij geregeld hulp van Hem Day. En soms werd een tekst van de W.R.I. opgenomen.
L'Ordre Libre was bovenal een informatie- en uitwisselingsblad en het verspreidde vaak de vrijdenkerij. Verder werden er bekende anarchisten besproken zoals Domela Nieuwenhuis, Barthélémy De Ligt, Francisco Ferrer en Rudolf Rocker. En ook de geweldloosheid van Krisnamurti en Gandhi en het individualisme van Nietsche en Stirner passeerden de revue.
Het blad kende een ruime verspreiding, zowel in België als in Frankrijk, Nederland, Duitsland, Groot-Brittanië, de U.S.A. en Uruguay. Maar het kampte vrij snel met financiële problemen : in 1959 draaide men nog Break-even, maar om de werking van de kring te bekostigen deed men reeds beroep op giften. (Een van de belangrijkste donateurs was E. Garcet, een lid van de I.R.G.) Men moest trouwens stoppen met de verzending van promotie-nummers en er waren geregeld klachten van abonnées die hun nummer niet hadden ontvangen. Het blad zou dan ook geen lang leven kennen, want het laatste nummer verscheen in mei 1960.

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article17)

II. De heropstanding, 1965-1970.

2.1. De Provo's.
De Provo-beweging was ontstaan in Nederland en kende snel verspreiding in Vlaanderen. In de grotere, Vlaamse steden Antwerpen en Gent kwamen provo-kernen tot leven en in de kleinere zoals Brugge, Hasselt, Leuven, Aalst, Dendermonde en Sint-Niklaas trof men individuele provo's. Spoedig kwam zij ook tot leven in het Franse taalgebied, voornamelijk in Brussel. Verder ook in Luik, Charleroi en Bergen.
De beweging was horizontaal gestruktureerd al was van struktuur weinig sprake. Men ontmoette elkaar op café of bij mekaar thuis en de interne communicatie verliep vrijwel uitsluitend mondeling.

En er werden vele 'provocatieve happenings', die borrelden van creativiteit, op touw gezet. Eind 1966 vonden in Brussel haast wekelijks zulke manifestaties plaats, meestal op het Brouckère-plein dat voor de gelegenheid herdoopt werd in het "Happenings-plein". De ordediensten waren uiteraard ook steeds present en dat zorgde vaak voor leuke kat-en-muis-spelletjes.
Trouwens, meestal werden op deze manifestaties politieke standpunten ingenomen. Bijvoorbeeld boodschappen van verzet tegen de vestiging van het Europees N.A.T.O.-hoofdkwartier nabij Bergen in 1967, protest tegen de Franco-dictatuur en de ter-dood-veroordeling van anarchisten in Spanje, anti-oorlog-acties m.b.t. de U.S.A.-bezetting van communistisch Vietnam en Cambodja en boven alles leverden de Provo's strijd voor de vrijheid van expressie en het recht op individualiteit. Zo organiseerden ze met Sinterklaas een verdeling van witte appels en van 11 tot 17 februari 1967 een "Provo-Week van de Soldaat". En de provo's waren ook aanwezig op vredesmarsen tegen de atoombewapening (bijv. op 24 april 1966 te Brussel) en op betogingen tegen de oorlog in Vietnam. En ze lieten zich opmerken bij stakingen, bij acties van taalminderheden, bij défilés van koningsgezinde patriotten, enz...
In verschillende Vlaamse steden gaven Provo's bladen uit, zoals Eindelijk te Gent, Bom te Aalst en Anar te Antwerpen. Ook samen met medestanders uit Nederland werden tijdschriften uitgegeven en in Brussel werd de tweetalige Révo boven de doopvont gehouden (vanaf mei 1966 in 't Nederlands en van november in 't Frans). Het was van een anarchistische overtuiging zoals blijkt uit de gepubliceerde slogans : "L'ennemi, c'est l'État" en "La police contre le provotariat = la hiérarchie contre l'anarchie".
In de loop van 1967 gaf de provo-beweging verscheidene speciale nummers uit met satirische tekeningen, bijvoorbeeld eentje over de anti-atoommarsen en een ander over antimilitarisme. Op dit laatste nummer werd als verantwoordelijke uitgever generaal Janssens, de hoofd-commandant van de strijdkrachten in Congo, afgedrukt. Révo opereerde immers in volstrekte anonimiteit en het contactadres was een anonieme postbus (op naam van Révo).
In België was de provo-beweging sterk gelieerd met de anarchistische beweging en dat merk je duidelijk aan de aandacht die de provo's kregen in de libertaire pers. In een speciaal nummer van L'Ordre Libre uit 1965 zijn drie van de vier pagina's gewijd aan de Amsterdamse Provo's, die trouwens "jeunes anarchistes-activistes" genoemd worden. Verder werden verschillende discussie-ontmoetingen tussen anarchisten en provo's op touw gezet. Zo organiseerde de Cercle libertaire social et culturel van Luik in april 1967 de conferentie "Provo et anarchisme" waar de Brusselse Provo Letawe in debat ging met Hem Day. En in Quaregnon (in de
Henegouwse Borinagestreek) gaf Georges Simon een lezing over "la révolte des Provos d'Amsterdam et de Bruxelles". Er werd stil gestaan bij de inhoudelijke overeenkomsten en de verschillen tussen de Provo-beweging en de anarchisten : net als de anarchisten kwamen de provo's op voor het terugdringen van de Staat en de afschaffing van privé-eigendom, waren ze voor decentralisatie en collectivisatie, voor démilitarisering van de samenleving en ontwapening. En het belangrijkste verschilpunt besloeg het engagement in de staatsstructuren : sommige Provo's waren voor deelname aan verkiezingen, bijvoorbeeld in Antwerpen waar een bekende Provo met politieke actie naar voor trad binnen een groep jonge kommunisten. Een ander belangrijk verschilpunt was meer ideologisch : de Provo's verwierpen de klasse-maatschappij (kapitalisten/proletariaat) en velen onder hen keken neer op de wereld van de arbeiders, die er een was van 'slavernij en schaapse gehoorzaamheid'. Zij verdeelden de sociale groepen onder in drie ethische klassen : de autoriteiten, het klootjesvolk en het provotariaat. M.a.w., "De strijd voor de sociale revolutie van de arbeiders liep naar zijn einde en de ethische revolutie van de Provo's, van het provotariaat, was begonnen !"
Maar de anarchist Hem Day was positiever. Hij zag in de opkomst van de Provo-beweging een kentering van de tijd en hij zou zelfs schrijven : "Provos, Révos, bravo ! Demain sonnera le rendez-vous sur le chemin de l'anarchie." En het jaar nadien, in mei '68, zou de Westerse wereld overspoeld worden door 'vrijheid, gelijkheid en solidariteit'...
Bekende Provo's waren o.a. Herman J. Claeys, Daniele Madrid en Lacaille (Brussel),
Ferre Grignard, Koen Calliauwen, Nic Van Bruggen, Henri Van Herwegen alias Panamarenko, Marcel Van Maele (Antwerpen).

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article18)
Rik HEMMERIJCKX, Hi, Ha, Happening! De Provo's in Brussel. - Perspectief, nr. 32 (1993), p. 26-35.
E. VERHELLEN, De provobeweging, bijdrage tot een juistere begripsomschrijving, Gent, 1878.
Francis FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, nr. 104/105, 1993-1994, p. 49.


2.2. XYZ.
In 1967 verscheen het blad XYZ als spreekbuis van gewetensbezwaarden die een burgerdienst uitoefenden. Het verschafte hierover informatie en het focuste op pacifisme en de oorlog in Vietnam. Boven alles wilde men de jongeren overtuigen geen militaire dienstplicht te vervullen en ze onderhielden intense contacten met de M.I.R.-I.R.G. De verantwoordelijke van XYZ, Jacques Forton, zetelde bijvoorbeeld in het presidium van de I.R.G.
Het jaar nadien verbreedde de redacteursploeg zich en ook Hem Day trad toe. En er werd met een Secrétariat des Objecteurs de Conscience (S.O.C.) van start gegaan dat voortaan XYZ uitgaf. Begin 1968 verscheen het blad trouwens tweemaandelijks, maar ondanks het groeiend succes van pacifistische manifestaties nam het aantal gewetensbezwaarden niet toe. Er werd dan maar meer tijd gestoken in de propaganda, bijvoorbeeld in de verspreiding van niet-gewelddadige literatuur en in de organisatie van ontmoetingen tussen toekomstig, dienstplichtige scholieren en voormalige dienstweigeraars.
Het blad was in die dagen in handen van het koppel Jean Torton (de verantwoordelijke uitgever) en Anne (de secretariaatsverantwoordelijke) en ze konden o.a. beroep doen op hulp van Jean-François Lecocq. Samengevat, het blad kon rekenen op een goed gestructureerde, actieve groep en hun standpunten rond pacifisme en 'de bezwaring van het geweten' bereikte een steeds toenemend publiek.
Eind 1968 werd het blad geëvalueerd en daarna betoonde het een grotere openheid naar libertaire ideeën en contestatie. En ook de interne verantwoordelijkheden werden gewijzigd : Jean François Lecocq hield zich voortaan bezig met de correspondentie en Michel Carpeau was zowat de hoofdredacteur, die kon rekenen op een zeer actieve groep redacteurs. In de loop van 1969 werd XYZ het "Bulletin libre des Objecteurs de conscience" en het werd uitgegeven door de "Groupe Libre des Objecteurs de Conscience" (G.L.O.C.) Om de politieke neutraliteit te bewaren verdwenen interne doktrines naar de achtergrond en werd iedereen individueel verantwoordelijk voor de door hem/haar geschreven artikels.
In deze bijdragen kwam de sociale problematiek veel aan bod, en verder ging in deze post-68 periode veel aandacht naar de zogenaamde 'bevrijding van de geest' waarbij men focuste op alternatieve culturele projecten zoals "Living Theatre". Ook de actualiteit van het anarchistisch ideeëngoed kwam aan bod. Zeker toen in april 1969, n.a.v. aanslagen in Milaan, willekeurig Italiaanse anarchisten werden gearresteerd. Verder had men het over de Décalogue du consommateur van Jacques Follon waarin die op een ironische wijze de draak stak met het ideaalbeeld van het 'kapitalistische consumentisme'.
Ook revolutionaire standpunten kwamen aan bod. Zoals gezegd hoedde de redactieploeg zich om zich in te laten met communistische partijen, syndicaten en eenderwelke ideologie. Naar buiten toe wilde men zich naar voor schuiven als het enige politiek-onafhankelijke orgaan in Franstalig België dat kon spreken namens de dienstplichtweigeraars.
En het blad evolueerde naar een algemene kontestatie : van verwerping van het leger zat men zo bij een algemene afwijzing van onrechtvaardigheden in de samenleving. Men had het dan over censuur, reklame, sexuele onderdrukking, milieuvervuiling en ekonomische uitbuiting. In het dertiende en veertiende nummer van XYZ viel men de immoraliteit van de opvoeding die verstrekt werd door kerk en kapitaal aan. Zij diende enkel om de bestaande orde te handhaven. De kontesterende redactie daarentegen nam het op voor homosexualiteit !
Uiteraard deelde niet de hele redactie dezelfde mening. Een man als Jean Van Lierde stelde met pijn in het hart dat de verbreding van de onderwerpen ten koste ging van de hoofdzaak, en die was volgens hem nog steeds de anti-militaristische strijd van gewetensbezwaarden voor burgerdienst. De meeste redactieleden van XYZ verweten Van Lierde een knieval te doen voor de staat en de burgerlijke samenleving, terwijl hun uiteindelijk doel de volledige afschaffing van verdrukking was. Zij waren, zoals de anarchisten van die tijd en van vroeger, voor meer vrijheid en vrede, maar niet (meer) principieel voor geweldloosheid. Geweldloze actie kon zinvol zijn, maar was niet de enige weg. Hun afwijzing van het leger ontstond in hun afwijzing van de staat, van de bestaande maatschappij (die door het leger werd beschermd). De staat was permanent geweld en daartegen moest op 'alle' manieren worden geageerd.

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article20)

2.3. Socialisme et Liberté.
In 1966 werd nabij de universiteit van Brussel de kring Socialisme et Liberté opgericht. Het betrof een viertal jonge anarchisten waaronder François Destryker en Claude Lemaire en ze traden naar buiten als een geweldloze, revolutionaire, syndicale actiegroep. Ze trokken van leer tegen het pseudo-wetenschappelijk gewauwel van de autoritaire marxisten, de syndicale bureaucraten en de reformistische evolutionisten. En als revolutionaire, anarcho-communistische groep waren ze voorstander van 'een libertair socialisme dat streefde naar de volledige emancipatie van het individu en zijn sociaal-ekonomische bevrijding'. Vrijheid werd aldus verbonden met gelijkheid en men zag veel heil in een ekonomie die gebaseerd was op zelfbeheer van de arbeiders.
Aanvankelijk was de groep gevestigd op het domicilie-adres van François Destrycker in Brussel en vrij snel besloot men contact te zoeken met oudere anarchisten in heel het land. Zo bezorgde Hem Day hen boeken voor de uitbouw van een kleine bibliotheek en draaide een zekere Hubert Natalis een tijdlang mee. Deze laatste ging ook in Luik met een soort Socialisme et Liberté - groep van start : op 17 maart 1967 werd de "Cercle Libertaire, social et culturel" opgericht die spoedig spreekavonden op touw zette. (Bijvoorbeeld eentje over 'provo en anarchisme'.) Via het adresboekje van Hem Day kwam men ook in kontakt met 'oude kameraden' in Henegouwen, zoals Georges Simon en Alfred Lepape, en hieruit zag een Fédération des groupes socialistes libertaires het licht.
Deze federatie kende weinig struktuur en was niet meer dan een informeel overleg dat zich richtte op de uitwisseling van adressen van militanten. Een eerste grote samenkomst vond plaats op 23 april 1967, de datum van een anti-atoommars, en dit te Elsene nabij de U.L.B.-V.U.B. Hier werd de basis gelegd voor een nieuwe, nationale, libertaire alliantie waarbinnen een Commission de Coordination Libertaire de Belgique het levenslicht zag en die 'geleid' werd door Claude Lemaire. Na de bijeenkomst namen de anarchisten in groep deel aan de anti-nucleaire manifestatie en dit met een zwarte vlag voorop. Tegelijkertijd werden anarchistische bladen verkocht, vooral Le Monde Libertaire, het blad van de Franse anarchistische federatie.
Ook Alfred Lepape engageerde zich in de nieuwe Belgische federatie met de pas opgerichtte groep Paix et Liberté. En Natalis deed een oproep aan de militanten om overal locale groepen tot leven te brengen die zich dan konden integreren in de federatie. Als gevolg van deze oproep was er spoedig sprake van een kring in Antwerpen en Angleur.

En Natalis, die verkoper van drukmachines was, stelde vervolgens voor om met een gemeenschapelijk blad te beginnen, nl. Le Libertaire. Het eerste nummer verscheen in juni 1967 te Luik en werd gedrukt op 3.000 exemplaren. Deels werd er ingetekend door abonnees en verder had men de straatverkoop en de verkoop tijdens kringvergaderingen en manifestaties en in café's, volkshuizen, boekenwinkels, enz...
Het was aanvankelijk de bedoeling om Le Libertaire maandelijks uit te geven, maar ondanks het succes liepen de kosten te hoog op en als gevolg daarvan verscheen het blad zeer onregelmatig en de eerste twee jaar slechts 8 keer. De verantwoordelijke uitgever was A. Spoo uit Angleur en vanaf het vierde nummer F. Zachary. Het adres van het redactiebureau was in Luik in de woonplaats van administrator Hubert Natalis, die trouwens ook de meest toegewijde redacteur was.
Le Libertaire was, zeker in haar eerste jaar, een uitgesproken anarchistisch blad. Getuige hiervan waren een thema-nummer (in maart 1968) dat haast volledig gewijd was aan verkiezingsboycot en weigering tot stemmen en andere nummers waarin men het had over anti-militarisme en pacifisme. Verder was er de rubriek "les classiques de l'anarchisme", die zich op de laatste bladzijde van elk nummer bevond en waarin aspekten van het anarchistische denken en groten uit de beweging naar voor gebracht werden. En de redactie ontving zusterbladen uit binnen- en buitenland. Le Libertaire publiceerde trouwens aankondigingen van internationale, anarchistische bijeenkomsten zoals een Europese reunie van jonge anarchisten in Nederland of het internationaal congres van de anarchistische federaties te Carrare in Italië (waar allicht ook een Belgische delegatie van Socialisme et Liberté aanwezig was).
Sinds midden 1968 werd Le Libertaire - onder druk van de gebeurtensissen aan de universiteiten - meer een contestatieblad. Niet dat men afstand nam van het anarchisme, maar de klemtonen lagen voorlopig elders. Tot in het eerste nummer van 1969 het traktaat "Ce que veulent les anarchistes" (van de A.C.L., uit de jaren vijftig) werd afgedrukt, en in de twee laatste nummers van dat jaar het blad zich weer anarchistisch noemde. En ook de onderwerpen die in die dagen in Le Libertaire werden besproken lieten een hernieuwde toewending naar het anarchisme zien : het leitmotiv werd terug de strijd tegen rechts en links autoritarisme. En ten aanzien van de wereldpolitiek werden zowel de kapitalisten (U.S.A. en bondgenoten) als de bolsjevieken/stalinisten (Rusland en bondgenoten) als oorlogstokers met de vinger gewezen.
We kunnen samenvatten dat Le Libertaire een vrij suksesvol blad was, zowel wat de verspreiding als wat de inhoud betreft, en het is dan ook verwonderlijk dat men er reeds na twee jaren moest mee stoppen. De reden hiervoor is niet duidelijk. Mogelijk moet die gezocht worden bij de precaire financiering, maar waarschijnlijker was het een gevolg van interne onenigheid bij de anarchisten. De redactie stelde dat het blad open stond voor alle tendensen maar tegelijkertijd heerste er toch enig dogmatisme : een intern 'leescomité' besliste welke artikels werden opgenomen in het blad. Zo werden artikels van oude anarchisten zelden geplaatst, bijvoorbeeld die van Alfred Lepape over de oorlog in Vietnam omdat hij te weinig rekening hield met standpunten die leefden binnen het Leescomité. Iedereen hekelde het Amerikaans imperialisme maar over het alternatief, een autoritair-communistisch regime, was men minder eensgezind. En ook oude onenigheden staken bij momenten de kop op, bijvoorbeeld rivaliteiten tussen aanhangers van een hernieuwd anarcho-communisme en anarcho-syndicalisten zoals Georges Simon, en dan spreken we nog niet van individualisten zoals Hubert Natalis.

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article21)

 

Na de tweede wereldoorlog stelde het anarchisme als georganiseerde beweging niet veel meer voor. Het anarchistische ideeëngoed had echter vooral in de jaren zestig ingang gevonden in bredere kringen van anti-autoritaire en emancipatorische bewegingen.  
De Commune van Parijs, een mislukte poging om in 1871 van Parijs een anarchistische vrijstaat te maken, was niet vergeten. In de jaren zestig van vorige eeuw kwam de idee van een anarchistische commune, een experimentele leefgemeenschap, op maat van de bewoners, terug op het voorplan. In de, vanuit ideologisch standpunt beschouwd, meest geslaagde communes bestond geen hiërarchie, het verdiende geld werd voor de leefgemeenschap afgedragen, niemand had bezittingen, kinderen werden door alle leden opgevoed,… Ook hippies gingen in communes leven, zich afwendend van de hoogindustriële welvaartsstaat.
Zo begon het anarchisme i
n de jaren zeventig vooral een rol te spelen binnen de kraakbeweging en bij die groepen die in de traditie van het individualistisch anarchisme, een andere levensstijl trachtten te ontwikkelen : 'Een tegencultuur ontwikkelen die niet gezien werd als een totaalstrijd (de revolutie) maar als een strijd op mogelijk verschillende deelterreinen. Een leven leiden waarbij getracht werd om het leven en het werken, de manier waarop je leeft, waar en hoe en voor wie je werkt, te koppelen aan het ideaal van meer vrijheid in een solidairdere en rechtvaardiger wereld.  Kenmerkend voor deze mensen, voor deze groepen was de afkeer van de macht die de staat, de economie of andere instellingen hebben, de macht om grote groepen mensen te dicteren hoe ze moeten leven, wat ze belangrijk dienen te vinden, wat ze moeten kopen, hoe ze hun kinderen moeten opvoeden, hoe ze zich moeten gedragen, enz ...'


2.4. De studentenrevolte in 1968-1969.
"Eind jaren zestig werd de na-oorlogse jonge generatie zich bewust van de eigen identiteit en verzette ze zich tegen de bestaande maatschapelijke waarden en normen die als fnuikend werden ervaren voor de individuele vrijheid, de creativiteit en de zelfrealisatie. Het vigerend maatschappijmodel werd aan een kritisch onderzoek onderworpen. Kerkelijke en wereldlijke autoriteiten werden niet langer als evidentie aanvaard maar dienden zich voortaan te verantwoorden. Tal van emancipatorische bewegingen staken de kop op en hielden zich bezig met wat toenmalige Gentse anarchisten de 'de-kolonisatie van het dagelijks leven' noemden. Men had daarbij niet alleen oog voor hetgeen er in de wereld gebeurde (Vietnam, Derde Wereld, ...) maar er werd tevens geijverd voor een globale kwaliteitsverbetering van het dagelijks leven. De gegoede burgerij werd opgeschrikt door acties van Dolle Mina, anti-imperialisten en antimilitaristen. Het was de tijd dat er vrijelijk werd geëxperimenteerd met sex, drugs en rock and roll. (...) In de steden vond men bruine kroegen die bezocht werden door een allegaartje van hippies, avant-garde kunstenaars en politiek bewuste studenten..." (F. FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, nr. 104/105, 1993-1994, p. 48-49.)
De internationale contestatiebeweging Mei '68 ontstond aan Franse universiteiten. Ze was in België voor het eerst voelbaar onder Brusselse U.L.B.-V.U.B.-studenten en wat later ook aan de R.U.Gent en de K.U.Leuven. De studentenrevolte in Vlaanderen (1969) betekende in de eerste plaats "Leuven-Vlaams" : het was een beweging voor de vernederlandsing van Leuvense katholieke universiteit. "Het is een strijd, in het verlengde van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd, tegen de jarenlange ontkenning van de Vlaamse identiteit en een reactie tegen het, daarmee gepaard gaande, dagelijks gevoeld onrecht. Terzelfder tijd zet het studentenprotest echter ook een verregaand democratiseringsproces op gang en gaan jongeren op zoek naar de modaliteiten voor een alternatieve samenleving waarin gelijkwaardige mensen in vrijheid kunnen samenleven."
(F. FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, 104/105, p. 48-49.)
Maar slechts weinige studenten hadden in die dagen kennis van het anarchistisch ideeëngoed. Ter linkerzijde waren vooral socialisten, communisten, trotskisten, situationisten, syndicalisten, maoïsten, ... van tel. En de grote meerderheid van de studenten had zelfs niet zo'n uitgesproken overtuiging. Zij liet zich inspireren door 'vrije gedachten' en zette zich vooral af tegen de oude, burgerlijke opvattingen die 'koning, kerk en kapitaal' verheerlijkten.
Nochtans bestond er in die tijd in de hoofdstad een anarchistenkring, maar die had nauwelijks contact met het studentenmilieu. (De naoorlogse anarchistische beweging was nog maar net bezig aan haar heropbouw en naast Brussel was ze enkel in Luik en in de grotere Vlaamse steden van de grond gekomen.) De aandacht van de anarchisten werd pas gewekt toen met steun van academici vanuit de studentenbeweging eisen werden gesteld die op decentralisatie van de samenleving waren gericht. Dus pas toen studenten de stap zetten van interne democratisering van de universiteit naar het debat van de democratisering van de volledige samenleving. Vanuit de groep "Socialisme et Liberté" zochten François Destrycker en vrienden, die voormalige studenten waren en in de nabijheid van de U.L.B. woonden, aansluiting. Zij namen deel aan de open (studenten)vergaderingen en debatten en traden in contact met leden van de extreem-linkse groep Les Enragés, die onder invloed stonden van het situationisme.
In Luik lagen de kaarten anders. Hier, aan de staatsuniversiteit, vormde zich in mei 1968 een studentengroep die het libertaire blad La Gueuse uitgaf, waarin vele protestartikels verschenen, onder meer artikels die het Belgisch, justitieel apparaat contesteerden. Op het einde van het academisch jaar, in juni 1968, waren ze verenigd in de groep Boule de neige en tot eind 1969 stonden ze in de voorste linies van de anti-autoritaire manifestaties in de Luikse universiteit. Groepsleden waren trouwens actief binnen de officiële studentenorganisaties, bijvoorbeeld Thierry Grisar was voorzitter van de Union Générale des Etudiants (U.G.E.) en Ludovic Wirix was voorzitter van de Mouvement Universitaire Belge d'Expression Française (M.U.B.E.F.). En vele andere individualistische, anarchistische studenten militeerden in de vertegenwoordigende strukturen van de universiteit. De meesten manifesteerden zich niet openlijk als anarchist al werden de machthebbers gedurig geplaagd. En iedereen was min of meer op de hoogte van de libertaire ideologie. "Het anarchisme komt tegemoet aan het vrijheids-, gelijkheids- en solidariteitsstreven van deze generatie en wordt weer van zolder gehaald. Het blijkt een nuttig analyse-instrument om de bestaande machtsmechanismen in de mondiale samenleving te doorgronden. 'De grote kracht van het anarchisme is immers gelegen in het feit dat ze een positieve ethiek formuleert die als richtlijn in de geschiedenis kan dienen. Door de nadruk te leggen op de mens, het subjectieve, de solidariteit, ontstaat een kritische instelling en een referentiekader dat de mogelijkheid biedt om snel de betekenis van een gebeurtenis op juiste waarde te schatten."
(F. FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, 104/105, p. 48; D. COHN-BENDIT, De grote bazaar..., p. 77.) Actieve militanten waren o.a. assistent/economist Guy Quaden en de toenmalige situationist en toekomstige taartengooier Noël Godin.
Van december 1968 tot maart 1969 verscheen er nog het Luikse studenten-weekblad L'Oeil écoute waarin op humoristische wijze verslag gedaan werd van de studentenstrijd tegen autoriteit, dit laatste verpersoonlijkt in rector Debuisson. En in 1970 werd in de Waalse industriestad ook het anti-militaristische blad Le Saisi uitgegeven (dat door Ludovic Wirix werd gedirigeerd). Het werd verspreid binnen het Belgisch leger en in de Belgische kasernes in Duitsland, maar reeds na twee nummers werd het opgedoekt.
Zowel in Luik als in Brussel stond de linkse contestatiebeweging onder invloed van het situationistische gedachtengoed. (En tot op zekere hoogte heeft ook het anarchisme een situationistsche beïnvloeding gekend.)

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article22)

Rik HEMMERIJCKX, Hi, Ha, Happening! De Provo's in Brussel. - Perspectief, nr. 32 (1993), p. 26-35.
Francis FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, nr. 104/105, 1993-1994, p. 48-49.

2.5. La Conférence Internationale de l'I.C.O. te Brussel.
De groep Informations et Correspondances Ouvrières (I.C.O.) bestond reeds sinds 1960 in Frankrijk. Hij trachtte arbeiders te verenigen en met de woorden klassenstrijd, bedrijfscollectivisering en direkt (zelf)-beheer op de lippen ijverden de I.C.O.-aanhangers voor een nieuwe (libertaire) samenleving. Hun boodschap werd gehoord tot in Brussel, waar een groep jonge anarchisten een bibliotheek trachtte uit te bouwen en discussie-avonden en lezingen organiseerde. Hierbij evolueerden de jongeren naar libertair-communistische opvattingen en kregen zij zin om met de I.C.O. samen te werken. Dit resulteerde in juli 1969 in een internationale conferentie waarop een 150-tal personen aanwezig waren. Het waren vooral buitenlanders en zij debatteerden over de betekenis van de gebeurtenissen het jaar voordien. Het ging dan over de groep Noir et Rouge, de Enragés van Nanterre, de situationisten en de kring 22 mars van Cohn-Bendit.

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article21)


2.6. Anarchisme et non-violence.
Sinds midden jaren zestig bestond de internationale groep Anarchisme et non-violence (A.N.V.) die zich toelegde op geweldloosheid en dit in verbinding trachtte te brengen met de praktijk van 'direkte aktie'. In die zin werd in Frankrijk vanaf april 1965 onder dezelfde naam een blad uitgegeven, dat zich richtte naar franstaligen in heel Europa. De redaktionele medewerkers kwamen hoofdzakelijk uit Frankrijk, maar bijvoorbeeld ook uit Zwitserland (Marianne Enckell) en België (Hem Day).
In het blad kwamen zowat alle strekkingen van het anarchisme aan bod, vooral dan het individualisme en het anarcho-communisme, en de redakteurs vonden mekaar in pacifisme en geweldloosheid.
Tussen 1965 en 1972 verschenen een dertigtal nummers in een oplage van 500 bij het begin tot 1.500 in 1969. En in België, waar bij de lezers een sterke vraag tot affiliatie leefde, leidde dit tot de oprichting van een Brusselse/Belgische A.N.V.-sectie, die met een eigen trimestrieel studieblad van start ging dat verstuurd werd naar al diegenen die aangesloten waren.
Na het overlijden van Hem Day, op 14 augustus 1969, nam François Destryker met de steun van Janine De Miomandre de Belgische A.N.V.-fakkel over. Elke zaterdagmiddag hield men trouwens permanentie in het Maison de la Paix te Elsene, waar ook l'Alliance (cfr. infra) zijn vaste stek had. Verder organiseerde de Brusselse groep af en toe conferenties, ondermeer die waar Maurice Laisant van de Fédération Anarchiste kwam spreken over 'anarchisme en anti-militarisme'.

Ten slotte, in 1971, hield de groep op te bestaan o.a. als gevolg van onenigheden rond sociale bewegingen en klassestrijd en onduidelijkheden omtrent de organisatiestruktuur.

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article28)


2.7. Liaisons.
De Brusselse kring Liaisons was grotendeels een verderzetting van de groep Socialisme et Liberté en dit aangevuld met Luikse sympatisanten die kontakt hadden opgenomen met de I.C.O. Op de eerste samenkomst van de Brusselse groep was zelfs een vertegenwoodiger van deze Informations et Correspondances Ouvrières aanwezig en spoedig was ook te Luik een Liaisons-groep actief.
Vanaf december 1969 werd gestart met een Liaisons-blad. De verantwoordelijke uitgever was Joseph De Smet en in 1972 werd hij opgevolgd door Philippe Doguet, die aangesloten was bij de Luikse kring. Het beheer van het blad was in handen van Jacques Leroi (administrator) en Marie-Claire Gilles (correspondentie), later opgevolgd door dezelfde Philippe Doguet. Het Liaisons-blad bleef bestaan tot in 1975 en kende een oplage van een vijfhonderdtal exemplaren (27 verschillende nummers). Soms werden 'extra (niet genummerde) nummers' als supplement uitgegeven en verder 'interne bulletins', die zich meer naar de eigen militanten richtten, en "Les Cahiers de Liaisons". De kostprijs van een jaarabonnement was 50 fr., later 100 fr. Maar als gevolg van een slechte financiële situatie (en een gebrek aan publiceerbare artikels) verliep de publicatie met weinig regelmaat.
Inhoudelijk waren de beide Liaisons-groepen vooral geïnteresseerd in arbeidersbeweging en (revolutionair) syndicalisme en daarom was er een redactiecomité opgericht waarin radikale trekkersfiguren uit de beweging zetelden. Deze revolutionairen stonden dicht bij de basis waardoor de kolommen van het blad openstonden voor standpunten en ervaringsuitwisselingen van aktiegroepen en stakerscomités.
De Liaisons-leden propageerden 'zelfbeheer' en 'arbeidersraden'. Traditionele arbeiderspartijen en -syndicaten werden afgewezen omdat ze de bestaande maatschappij van uitbuiting slechts bevestigden en conserveerden. Deze "soi-disant partis et avant-gardes révolutionnaires, qui se prétendent seuls détenteurs de la conscience de classe et de la voie vers la révolution, [...] reproduisent la distinction traditionelle entre dirigeants et dirigés, [et] ne peuvent aboutir au maximum qu'à une nouvelle situation de domination et d'exploitation ne modifiant en rien les rapports de production". Over dit onderwerp publiceerde Liaisons vele strijdartikelen, analyses en theoretische bijdragen en zij illustreerden het globale misprijzen t.a.v. de kapitalistische ekonomie en de bureaucratische syndicaten.
Samengevat, de opvattingen van de Liaisons-militanten vonden aansluiting bij het anarcho-syndicalistisch ideeëngoed. In 1970 publiceerde Liaisons trouwens een tekst over het revolutionair-syndicalisme van de Spaanse, anarchistische vakbond C.N.T.
In februari 1970 ging men in samenwerking met de I.C.O. ook van start met het blad Liaisons Internationales, dit met de bedoeling contacten tussen organisaties, die over de hele wereld met arbeidersstrijd bezig waren, te verstevigen. Aldus vonden thema's uit buitenlandse publicaties ook verspreiding in België. Verder focuste Liaisons Internationales op zusterbladen zoals de Franse Anarchisme et non-violence, Archinoire of Le monde libertaire.
Weldra traden nieuwe leden toe tot de Liaisons-groepen. Die stelden echter vragen bij de uitgegeven bladen en ook meer fundamentele discussies kwamen op het voorplan, ondermeer over de rol van de revolutionaire minderheden. In Brussel voerden vooral radencommunisten het hoge woord en zij waren voorstander van een georganiseerd ingrijpen, terwijl andere militanten, vooral uit het Luikse, een "conception conseilliste" verdedigden waarin elke revolutionaire interventie van de arbeidersklasse verworpen werd. Deze laatsten waren m.a.w. tegen elke vorm van dirigisme en de (zelf)kennis van de arbeiders moest zich spontaan ontwikkelen.
Dit interne debat leidde evenwel naar de oprichting van een libertair-communistische tendensgroep, de Groupe du 18 février, die op termijn een eigen leven ging leiden. En het libertair-communisme bleef op tafel. Het werd in februari 1971 openlijk omarmd door de Brusselse Liaisons-groepsleden die zich daarmee bevrijd zagen van "petit bourgeois" en "spontanéistes" die in hun ogen de groep te veel hadden gekanaliseerd richting "folklore anar, provo ou autres hippies...".

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article23)


2.8. De Groupe du 18 février.
Zoals gezegd was de Groupe du 18 février eigenlijk ontstaan uit de Liaisons-beweging, dit als gevolg van ideologische onenigheid. De groepsleden waren anarcho-communisten en zij wilden deelnemen aan de sociale strijd : "participer aux luttes du prolétariat, en cherchant à sauvegarder l'unité d'action par des moyens (conseils ouvriers, comités de quartier, d'étudiants, etc...) que les travailleurs auront créés eux-mêmes et dont ils assumeront en permanence le controle". Het waren vooral niet-dogmatische arbeiders en studenten. Zij lieten zich weinig in met revolutionaire ideeën maar wantrouwden wel bureaucratie en autoritair-stalinistische devianties. Dat kunnen we lezen in hun kortstondige publicaties Rebelle en Les Cahiers du 18 février, waarmee ze in 1970-1971 een vrije tribune creëerden voor politieke, sociale en ekonomische studie. Hiermee wilden ze het anarchisme demystificeren en ontdoen van 'utopie en bommen'.
Van Rebelle verschenen slechts drie nummers, waarin o.a. volgende onderwerpen aan bod kwamen : geweld en repressie van politie en leger, de oorlog in Vietnam, de sociale toestand in Italië, gewetensbezwaarden, anti-militarisme, de groep Objection Libertaire et Contre Violence, ...
Na drie nummers veranderde de naam van het blad in Les Cahiers du 18 février.
De verantwoordelijke uitgever van beide publicaties was Joseph De Smet en men kwam in Brussel bijeen in de woning van Philippe Doguet, die gelegen was in de Vossenstraat. Verder was François Destryker verantwoordelijk voor de bankrekening.
Het eerste nummer onder die nieuwe naam was bijna volledig gewijd aan de zaak Della Savia :

Yvo Della Savia was een Italiaanse anarchist, anti-fascist en gewetensbezwaarde die desserteerde uit het Italiaanse leger en in 1969 als politiek vluchteling naar België gevlucht was. Hij verbleef hier te Brussel in de Washingtonstraat, in een gemeenschapshuis voor studenten. In 1970 vond in Italië een bomaanslag plaats en de Italiaanse autoriteiten verdachten Della Savia ervan dat hij de explosieven had geleverd. Inmiddels was hij door de Belgische politie gearresteerd en hier veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf omdat hij hier illegaal verbleef. De Italiaanse justitie vroeg nu zijn uitlevering. Hierop zag een hulpcomité Della Savia het licht dat via persberichten de publieke opinie trachtte te beïnvloeden. En verscheidene organisaties steunden haar strijd : o.a. de K.A.J., de Mouvement Chrétien pour la Paix, het Front Socialiste Unifié, het Centre d'Action Directe Non-violente, L'action Démocrate, de I.R.G., Amnesty International, ... De redactie van Les Cahiers du 18 février i.s.m. het hulpcomité Della Savia en de I.R.G. (Internationale van Oorlogs-Weerstanders) brachten een speciaal nummer over de zaak uit en steunfondsen werden verzameld. Zelfs een petitie-actie werd georganiseerd. En alles werd gecoördineerd vanuit het Maison de la Paix in Elsene.

Het tweede nummer van Cahiers du 18 février ging over verkiezingen. Men hekelde het werk van de parlementairen en de mythevorming rond de linkse partijen. Net zoals de Brusselse Liaisons-groep geloofde men dat revolutie mogelijk was. En daarbij had de revolutionaire avant-garde een belangrijke trekkersrol te vervullen.
De groep rond Cahiers du 18 février was wel meer uitgesproken anarchistisch dan de Brusselse Liaisons-groep, maar beiden zetten zich af tegen het spontaneïsme van de Liaisons-groep van Luik. Toen de tegenstellingen tussen anarcho-communisten en anarchistische individualisten zich ook binnen de groep Cahiers du 18 février manifesteerden, bleken ze te groot te zijn om te overbruggen en de groep zou eraan ten onder gaan. (De anarcho-communisten lieten nog één nummer van een nieuw blad, nl. Graffiti, verschijnen.)

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article16)


2.9. L'Alliance.
Deze v.z.w. werd op 7 januari 1969 onder impuls van Joseph De Smet, François Destryker, Claude Lemaire en Théodore De Lippe opgericht. De naam van de vereniging verwees naar de Internationale Alliantie van de Socialistische Democratie, die ten tijde van de Eerste Internationale door Michael Bakoenin boven de doopvont was gehouden. En de v.z.w. stelde zich tot doel 'te werken aan de culturele ontluiking van de mensheid'. Meer concreet wilde zij via de uitbouw van een documentatiecentrum over de anarchistische beweging (pers, literatuur, acties) militanten, sympathisanten, studenten en onderzoekers van de juiste informatie voorzien. Men startte ondermeer met een bibliotheek en met een uitgeverij. Verder organiseerde men conferenties, debatten, samenkomsten, seminaries, enz...
In het begin financierde L'Alliance haar aktiviteiten vooral met vrije bijdragen van de leden, maar dat bracht niet genoeg op en vanaf eind 1971 werd een jaarlijkse ledenbijdrage van 100 fr. gevraagd, wat meteen een vrije toegang tot de bibliotheek verschafte. Geïnteresseerden konden lid worden en toetreden tot de 'Administratieve Raad' nadat daar toestemming toe verleend was op een 'Algemene Vergadering'. Ook het dagelijks financieel beheer werd op een 'Algemene Vergadering' toevertrouwd aan een lid van de 'Administratieve Raad' en de beslissingen werden met unanimiteit genomen.
Leden van de eerste 'Administratieve Raad' waren de anarchisten Marcel Dieu (alias Hem Day), François Destryker (adminstrateur délégué des finances et du compte-chèques) die in 1972 vervangen werd door Christine Huc en Claude Lemaire (administrateur délégué chargé des formalités légales et des communications aux membres), en de Amerikaanse student Charles Hershkowitz (Vertegenwoordiger van de lokale groep die samenkwam in het maison communautaire in de rue de Washington. Dit maison communautaire was altijd open en toegankelijk en men trachtte het te beheren op een coherente, gemeenschappelijke, libertaire wijze.).
De maatschappelijke zetel van de v.z.w. was aanvankelijk gevestigd op het adres van Claude Lemaire, in de Augustin Delportestraat te Elsene, maar vrij snel kon men beschikken over een lokaal in het Maison de la Paix waar de bibliotheek dan ook werd ondergebracht. En in oktober 1970 werd eveneens de maatschappelijke zetel naar dit nieuwe onderkomen getransfereerd. Vrij snel kon men nu de bibliotheek uitbreiden, ondermeer door schenkingen van oude anarchisten zoals Hem Day en Yvan Keuhenne en verder ook door de overdracht van de bibliotheek van de groep Socialisme et Liberté.
De militanten van L'Alliance stelden m.a.w. alles in het werk om in Brussel een kulturele struktuur van de anarchistische beweging uit te bouwen. Centraal hierin waren het genoemde documentatiecentrum en de bibliotheek. En men nam contact op met het Centre International de Recherche sur l'Anarchisme (C.I.R.A.) te Lausanne in Zwitserland waarmee men zich affiliëerde. Hierdoor werd de bibliotheek nog vervolledigd. In 1971 bezat men meer dan achthonderd werken en de C.I.R.A. stuurde een bibliothecaris om te helpen bij de klassering van de boeken en het samenstellen van een fichier.
Vanaf mei 1969 begon L'Alliance met de uitgave van eigen publicaties, ondermeer brochures met teksten van 'grote denkers' zoals Nicolas Walter, Max Stirner en Michael Bakoenin. Verder gaf ze van mei 1969 tot december 1971 onder leiding van Claude Lemaire bibliografische lijsten uit, waarvoor een dure reproductiemachine werd aangekocht. En van januari 1971 tot december 1972 werd dit onder de verantwoordelijkheid van Janine Miomandre uitgebreid tot een informatieblad. Hierin kwamen meer theoretische stukken aan bod, bijvoorbeeld over het 'libertair marxisme', en actualiteitsgebonden historische onderwerpen zoals de affaire Sacco en Vanzetti.
Na het overlijden van Hem Day in augustus 1969 en het ontslag van Théodore De Lippe vonden er enkele wijzigingen plaats. Op de 'Algemene Vergadering' van februari 1970 traden Herman J. Claeys (eigenaar van boekhandel Malpertuis), Janine De Miomandre en advokaat Jean Thys toe tot de kring en werd er een beheerscommissie voor de bibliotheek opgericht waarin Janine De Miomandre, Yvan Keuhenne en Jean Courtin als verantwoordelijken zetelden. Verder zag het comité Fonds Hem Day het levenslicht dat het beheer van de documenten, die door Marcel Dieu waren verstrekt, beheerde. Leden van dit comité waren Jean Van Lierde, Jean Thys, François Destryker en zijn testamentaire uitvoerder Jean Cordier. (Naar de wensen van de overleden Marcel Dieu alias Hem Day werden de meeste stukken overgedragen aan de Koninklijke Albertina-Bibliotheek.) Ook de 'Administratieve Raad' was aan wijzigingen onderhevig. In 't vervolg was hij samengesteld uit de fel betrokken dokter Cordier, Karl de zoon van Joseph De Smet, dokter Godard, Christine Huc, Janine De Miomandre, advokaat Thijs en Jean Van Lierde.
Elke zaterdagmiddag zat men samen en ook de beheersvergaderingen vonden wekelijks plaats.
Stilaan werd L'Alliance een min of meer belangrijke ontmoetingsplaats van anarchisten van velerlei strekking. En de kring nam nog een zekere uitbreiding toen in 1970 een studentengroep van de U.L.B. en enkele scholieren toetraden. Maar een groot deel van de leden was tegelijkertijd lid van de groep Liaisons of van de I.R.G., de Internationale van Oorlogs-Weerstanders. En dat creëerde meteen ook een stuk verwarring. Want L'Alliance was in eerste instantie een archiefplaats voor informatie, documentatie en onderzoekswerk m.b.t. de anarchistische beweging in België, en niet zo zeer een politieke actiegroep. Voor een aantal betrokkenen was politiek engagement zelfs een hinderpaal om hun missie te realiseren. Volgens hen
diende L'Alliance, ten aanzien van de verschillende stromingen binnen de anarchistische beweging, een onberispelijke neutraliteit na te streven.
Verder zag in 1970 op initiatief van Janine De Miomandre en met steun van Philippe Doguet, Christine Huc, Jean Courtin en Michel Veevaete
een soort onderafdeling van L'Alliance het licht. Het noemde zich Solidarité en wilde steun verlenen aan politiek onafhankelijke slachtoffers van repressie. Men richtte zich met andere woorden naar weerspannigen, deserteurs, politieke vluchtelingen, asielzoekers, ... en men verleende hen steun op juridisch, sociaal, medisch en materieel vlak. Dit in samenwerking met andere steunorganisaties. In België deden 72 personen een beroep op deze hulpverlening. En men was ook actief in het buitenland. Zo werden verscheidene pakketten met voeding en kledij verzonden naar politieke gevangenen en gewetensbezwaarden in Spanje, Italië en Frankrijk.
L'Alliance richtte zich ook naar het studentenmilieu van de U.L.B., waar bijvoorbeeld Jean-Marie Neyts gerecruteerd werd. De verspreiding van libertaire bladen was er relatief suksesvol en als gevolg daarvan probeerde men op dezelfde wijze de arbeiderswereld te bewerken. Zo zette de groep conferenties over diverse onderwerpen op touw, meestal in het Maison de la Paix. Een van de belangrijkste was die waar de bekende Fransman Daniel Guérin kwam spreken over het libertair-marxisme, vooral omdat een deel van de leden van de Brusselse L'Alliance door zijn ideeën werden beïnvloed. Andere externe invloeden uit die dagen waren het bezoek van een lid van de Franse, anarcho-communistische Organisation Révolutionnaire Anarchiste (O.R.A.) en contacten met Antwerpse raden-communisten die zich lieten inspireren door Anton Pannekoek. Verder discussieerde men over het handhaven van de bibliotheek en over volksscholing en de straateducatie.
Maar niet iedereen zat op dezelfde golflengte : individualistische anarchisten en anarcho-syndicalisten voelden zich steeds minder thuis in de groep.
In 1972-1973 besliste L'Alliance om zich te vestigen in een volksbuurt in St. Gillis, in de rue de l'Église. Men huurde er een gelijkvloers maar dat creëerde een deficit in de financies omdat voordien de bibliotheek gratis was ondergebracht in het Maison de la Paix. En men slaagde er niet in om goede kontakten uit te bouwen, vooral omdat de jonge militanten van L'Alliance niet in die buurt woonden.
Op de 'Algemene Vergadering' van 1974 traden een tiental Vlaamse radencommunisten toe tot de kring en werden 4 leden uitgesloten, waaronder Jean-Marie Neyts en Jean Pierre Scryve. Deze jonge anarchisten konden op weinig sympathie rekenen omdat men hen beschouwde als "je m'enfoutiste petit bourgeois".
Deze interne breuk luidde meteen het einde in van L'Alliance. Verscheidene leden weken uit naar andere groepen en sommigen trokken zich zelfs volledig terug uit de anarchistische beweging.
François Destryker bijvoorbeeld nam samen met een aantal scholieren (ondermeer de kleinzoon van Jean De Boë) contact op met de Organisation Communiste Libertaire en hieruit ontstond in 1974 in Brussel de Organisation Révolutionnaire Anarchiste (O.R.A.). Deze laatste kring evolueerde evenwel naar het pure marxisme en anarchisten zouden hem verlaten.
Wat er na de ontbinding van L'Alliance met de bibliotheek gebeurde is niet duidelijk. Sommigen zeggen dat ze gedoneerd werd aan de centrale Albertina-biblioteek, maar waarschijnlijker werden de boeken verkocht aan uiteenlopende boekhandelaars.

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article19)


2.10. De oprichting van een Anarchistische Federatie en het Anti-Autoritair Congres van Dadizele, 1972.
Begin jaren zeventig bestonden in alle grotere, Vlaamse steden anarchistische groepen. We denken bijvoorbeeld aan de Vrije Socialisten, de Revolutionaire Radensocialisten en de Vrije Socialistische Jongeren. In 1972 organiseerden zij zich in een Anarchistische Federatie.
"In mei van datzelfde jaar vond in het West-Vlaamse Dadizele een driedaags 'Anti-autoritair congres' plaats waar anarchisten van gedachten wisselden over ecologie, seksualiteit, tegencultuur, opvoeding en arbeidersstrijd (zelfbeheer, arbeiderscontrole). Naast genoemde thema's hadden zij (...) ook oog voor het organisatievraagstuk en namen zij stelling tegen elke vorm van gecentraliseerde partijvorming omdat zij geloofden in een socialisme dat gestoeld was op de vrijwillige vereniging van individuen.
Hoewel dit congres heel wat internationale weerklank had en er ook Franstalige groepen aanwezig waren, moest men tot eind jaren zeventig wachten vooraleer er weer dergelijke groots opgezette manifestaties werden georganiseerd. (Vermelden we evenwel nog een driedaags congres van radensocialisten in september 1973 te Wolfsdonk-Langdorp en de Internationale Libertaire Ecologische Kamping die in 1977 van 15 juli tot 15 augustus plaatsgreep te Ronse.) Toch was dit congres niet onbelangrijk. Het was voor velen de stimulans om actief te blijven of te worden in buurthuiswerk, vrije-abortuscomité's, jongerenrechtenbewegingen, milieugroepen, anti-militaristische
basisgroepen en dergelijke. Anarchistische uitgeverijen, drukkerijen en tal van andere groupuscules hielden, middels debatten, vlugschriften, brochures en boeken het anarchistisch ideeëngoed levend. Ook het anarchiserend vormingstheater van 'Vuile Mong en de Vieze Gasten' zag in die jaren het licht. Anderen predikten dan weer de gewelddadige actie. Zo brachten Gentse 'illegalen' eind 1972 ongeveer 2.500 exemplaren van het 'Guerrilla-handboek' op de markt."

BIBLIOGRAFIE :
F
rancis FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, nr. 104/105, 1993-1994, p. 49.




III. BELGISCHE ANARCHISTEN EN HUN INTERNATIONALE CONTACTEN.

3.1. Het eerste internationaal anarchistisch kongres, Parijs - 1948.
Het initiatief voor dit congres kwam op gang toen militanten van de Spaanse libertaire beweging, die na de oorlog als bannelingen in Frankrijk verbleven, contact zochten met hun Franse geestesgenoten. De bedoeling was een internationale bijeenkomst te organiseren waar men zich zou bezinnen over de actuele situatie en mogelijke akties zou plannen. Verder wilde men contacten aanhalen en de internationale solidariteit bevorderen.
Men ging over tot de oprichting van een commissie die de samenkomst zou voorbereiden en in februari 1947 werd de idee van een eerste, naoorlogse, Europese, anarchistische conferentie gelanceerd. Deze bijeenkomst ging door van 15 tot 17 mei in Parijs en er waren deelnemers uit verschillende landen : Engelsen, Zwitsers, Bulgaren en afgevaardigden van de Franse en de Italiaanse Fédération Anarchiste, van de Spaanse libertaire beweging en van een Joodse libertaire groep uit Parijs. Ook de Belgische anarchist Hem Day was present.
Er werd een Secrétariat Provisoire des Relations Internationales (S.P.R.I.) opgericht om zo vlug als mogelijk een anarchistisch wereldkongres te organiseren. Maar spoedig bleek men verdeeld over struktuur en inhoud van zo'n kongres. Een aantal aanwezigen pleitte voor strenge, representatieve strukturen terwijl een meerderheid voorstander was van meer openheid naar alle stromingen binnen het anarchisme. Voor alles wezen zij centralisatie en bureaucratie af. De Bulgaren trokken zich terug en in november 1949 vond in Parijs een eerste, internationaal,
anarchistisch kongres plaats.
Hier waren delegaties uit de hele (westerse) wereld aanwezig : afgevaardigden vanuit Duitsland, Oostenrijk, België, Nederland, Argentinië, Bolivië, Cuba en Mexico, en ook geïnteresseerden uit de U.S.A. en Canada. Verder ontving men steunbrieven uit Chili, Panama, Uruguay, Australië, Korea en Japan.
Nochtans werd er niet veel beslist : men herbevestigde het belang van het onderhouden van contacten over de landsgrenzen heen en de S.P.R.I. werd omgevormd in de C.R.I.A., de Commission de Relations Internationales Anarchistes. Deze werd gecoördineerd door een Commission Continentale en in Montevideo (Uruguay) werd een Bibliothèque-archive internationale anarchiste ingericht. (De Zuid-Amerikaanse anarchisten waren in die dagen zeer aktief. In 1957 zouden ze in Montevideo trouwens een Amerikaans-continentale conferentie houden.)
In februari 1954 ging in Parijs ook nog een Semaine de la Presse Anarchiste Internationale door, waar tegelijk toespraken werden gehouden en een tentoonstelling doorging. Dit evenement werd op touw gezet door Hem Day en Ugo Fedeli. En voor de volledigheid moeten we nog melden dat de C.R.I.A. tot april 1957 een Bulletin uitgaf.

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article24)

 

3.2. Het tweede internationaal anarchistisch kongres, Londen - 1958.
Deze tweede internationale bijeenkomst ging door van 25 juli tot 1 augustus in de Londense Club Malatesta. De belgen en de groep Pensée et Action werden er vertegenwoordigd door Joseph De Smet en een zekere dokter Parmentier, die esperanto kende. Verder waren er afgevaardigden uit Duitsland, Groot-Brittanië, Bulgarije, Chili, Spanje, Frankrijk, Nederland, Italië, Zweden, Argentinië, Ierland en de U.S.A.
Vrijwel alle strekkingen binnen het anarchisme waren er vertegenwoordigd. Maar deze ideologische diversiteit gaf soms aanleiding tot problemen : bijvoorbeeld tussen Australische anarcho-syndicalisten en individualistische militanten.
Nochtans heerste op het kongres een serene, constuctieve sfeer en men stak o.a. van wal met een Commission internationale d'études théoriques et historiques de l'anarchisme. Verder sprak men zich uit voor een Anarchistische Internationale die om de internationale contacten te verstevigen regelmatig congressen zou organiseren. En er werd een Commission Internationale Anarchiste (C.I.A.) opgericht, die zetelde in Londen en in tussentijd het secretariaatswerk waarnam. Deze C.I.A. kon rekenen op de steun van een Duitser en een Spanjaard, die ook in Londen verbleven, en verder op een vaste contactpersoon in Italië en in België. De polygloot en esperantist Parmentier werd gekozen als Waals/Belgisch correspondent met Londen en hij zou daarbij spoedig steun krijgen van Hem Day, die contacten had met de Franse achterban, en Joseph De Smet, die in verbinding stond met medestanders in Nederland en Duitsland. (Hem Day stelde zelfs zijn bibliotheek gedeeltelijk ter beschikking en de groep Pensée et Action droeg hem op een geschiedenis van het Belgisch anarchisme tijdens de voorbije decennia te schrijven.) Verder zagen ook andere commissies het licht, ondermeer een commissie interne communicatie, die van start ging met een intern informatiebulletin, de commissie Archives-Bibliographie, de commissie Solidarité, ...

Twee maanden later, op 25 september 1958, tijdens een bijeenkomst van de Brusselse groep Pensée et Action bespraken de Belgische anarchisten het internationale kongres. Aanwezig waren ondermeer dokter Parmentier, Joseph De Smet, Corrado Perissino, Morzocchi, Pietro Montaressi, Hem Day en een zekere Pierre Lopez F. en men aanvaardde een motie die in de internationale, anarchistische pers gepubliceerd werd. In dit communiqué feliciteerde men het geslaagde kongres en bevestigde men steun aan de vervolgde anarchisten in het buitenland. Want zij waren slachtoffers van dictatoriale regimes en werden vaak opgesloten omdat ze strijd leverden tegen militarisme, fascisme, klerikalisme, kapitalisme en bolsjevisme.

Op het congres van Londen was zoals gezegd de wens geuit internationaal overleg te plegen over de studie van de (sociale) geschiedenis van het anarchisme en de filosofie. Sindsdien was Joseph De Smet met het project Research gestart, dit met de bedoeling een wereldwijd, wetenschappelijk onderzoeksinstituut op te richten onder de naam Fraternité Max Nettlau. In die zin lanceerde men een oproep tot medewerking en tot donatie van archiefmateriaal. (Contactpersonen waren De Smet voor België, André Prudhommaux voor Frankrijk en het secretariaatswerk was in handen van de Brusselse anarchist Marc Lefèvre.) Althans dat was de bedoeling, want het bleef bij een oproep.

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article25)

 

3.3. Het derde internationaal anarchistisch kongres, Carrare (Italië) - 1968.
Dit kongres vond plaats op 31 augustus 1968. Al was het reeds lang voorbereid : in 1964 was in West-Duitsland een eerste internationale conferentie doorgegaan waar een internationaal secretariaat was opgericht. (Dit ter vervanging van de Commission Internationale Anarchiste (C.I.A.) uit 1958.) Het nieuwe secretariaat stelde dat op het toekomstige kongres enkel nog groepen en bewegingen zouden worden uitgenodigd en geen individuele personen meer. En de Belgische "Socialisme et Liberté"-federatie bereidde het kongres mee voor.
De anarchisten uit gastland Italië waren in hun nopjes met het kongres in Carrare, vooral omdat dit ten goede kwam aan de plaatselijke propaganda. De stad Carrare was immers een bastion van de anarchistische beweging.
Maar het kongres was niet zo eensgezind als beoogd. Verscheidene nieuwe, 'onafhankelijke', Franse, mei-68 groepen kwamen onuitgenodigd naar het kongres en er vonden erg levendige discussies plaats tussen de verschillende, aanwezige, anarchistische strekkingen : massaal aanwezige, spontanistische Cohn-Bendit - aanhangers versus organisatie-anarchisten
en anarchisten van de oude garde ("La vieille garde nécrophage qui se délecte du souvenir de ses pères fondateurs rangés sagement dans une sorte de Panthéon de la contestation.") Daniel Cohn-Bendit zelf was ook present en hij wees eveneens de niet-spontanistische houding van de oudere congresgangers af. Hij stigmatiseerde de steriele debatten en verklaarde dat 'ce n'était pas "en poursuivant l'éternel débat entre Bakounine et Marx que vous ferez avancer la révolution." "...pour nous le problème n'est pas entre marxisme et anarchisme. Il est de découvrir et mettre en oeuvre les méthodes les plus radicales en vue de la Révolution."
Het merendeel van de aanwezige organisaties wees de spontanistische standpunten af en Cohn-Bendit verliet het congres. Vervolgens werd de agenda tot op de letter gevolgd en na twee dagen was het kongres afgelopen.

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article26)

 

3.4. Internationale organisaties.
De anarchistische beweging in Frankrijk was verdeeld. Zo had je vanaf 1952-1953 de Fédération Anarchiste Française (F.A.F.) die centraal geleid werd door haar
secretaris-generaal Georges Fontenis. Zij stonden op de anarcho-communistische standpunten en in december 1953 veranderde ze van naam : voortaan heette ze de Fédération Communiste Libertaire (F.C.L.).
Maar de nadruk kwam steeds minder te liggen op het libertaire en in januari 1956 besliste men zelfs om op te komen bij de verkiezingen.
Naast de F.C.L. had men verscheidene groupuscules die allerhande tendensen aanhingen. Trouwens, reeds in oktober 1952 kwamen dissidente F.A.F.-kringen apart samen en werd door hen een Entente Anarchiste (E.A.) boven de doopvont gehouden. En toen de groep rond Fontenis van naam veranderde eigende de E.A. zich onmiddellijk de oude naam toe. Voortaan gingen ze als de F.A.F. door het leven, en dit tot op de dag van vandaag.
Maar ook in deze nieuwe F.A.F. was het niet alleen peis en vree.

3.4.1. L'Alliance Ouvrière Anarchiste (A.O.A.)
In 1956 verlieten de oprichters van de Entente Anarchiste, F. Robert en R. Beaulaton, de nieuwe F.A.F. omdat die in hun ogen te sterk gelieerd was met vrijdenkerij en socialistische partijen. Ze beslisten een nieuwe, internationale, franstalige groep op te richten en dit nog wel in Brussel waar ze konden rekenen op Guy Badot, die met de plaatselijke Action Commune Libertaire had gebroken.
In november creëerden ze de Alliance Ouvrière Anarchiste (A.O.A.). en van hieruit leverden ze kritiek op de F.A.F. die ze qua organisatiestruktuur te weinig anarchistisch vonden. De A.O.A. kende een lossere struktuur, zonder statuten, reglementen en lidkaarten. Gericht op samenwerking en informatieverstrekking, wist men vele Franse individualisten en anarcho-syndicalisten te groeperen : internationaal kon men rekenen op een tachtigtal correspondenten en 166 groepen.
Geregeld vonden werkvergaderingen plaats ter voorbereiding van het nieuwe blad L'anarchie, le journal de l'orde, dat sinds 1954 (onregelmatig) van de persen rolde.
De A.O.A. was ook aanwezig op internationale anarchistische bijeenkomsten. Bijvoorbeeld in september 1962 in Genève, waar de negentigste verjaardag van het anti-autoritair kongres van St. Imiers werd gevierd. Hier waren vele anarchisten uit Bulgarije, Spanje, Zwitserland, Italië, Frankrijk en België aanwezig, ondermeer Hem Day. In mei 1964 vond in Turijn een tweede groot, internationaal kongres van de A.O.A. plaats, waaraan militanten uit Frankrijk, Italië, Zwitserland en België deelnamen. En ook nog op latere kongressen zou de A.O.A. present zijn.
De Belgische afdeling zou eveneens nog verschillende jaren van zich laten horen. Guy Badot kreeg eind zestiger jaren trouwens steun van Alfred Lepape, die gebroken had met een groep van Socialisme et Liberté.

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article26)


3.4.2. De F.I.J.L., jongeren en geweld.
Begin jaren zestig kwam een nieuwe politieke immigratie vanuit Spanje op gang. In Spanje heerste de fascistoïde dictator Franco en vele jonge mensen ontvluchtten het land. Nochtans was er in die dagen in Spanje ook een Fédération Ibérique des Jeunesses Libertaires (F.I.J.L.) actief die de politieke vluchtelingen bekritiseerde en gewapend verzet propageerde.
Sinds 1961 organiseerde deze libertaire jongerenorganisatie 'internationale kampementen' buiten Spanje, vooral dan in buurland Frankrijk. Vanaf 1965 kende deze internationale jongerenkampen succes en hieruit ontstonden brede, Europese ontmoetingsdagen van jonge anarchisten. Het eerste internationale, anarchistische treffen vond in 1966 plaats in Parijs. Hier werd o.a. een bevrijdingscomité voor de in België gearresteerde jonge, Spaanse F.I.J.L.-militant, Abarca opgericht.
In die dagen werd de F.I.J.L. ook actief in België zelf. Trekkersfiguren waren Stéphan Huvenne en Salvador Gurucharri, die ook actief waren in de S.I.A. (Solidarité Internationale Anti-fasciste). En toen in 1966 een medewerker van de Spaanse ambassade in Italië door de F.I.J.L. werd gegijzeld, als protestaktie tegen de vervolging van politieke tegenstanders door het Franco-regime in Spanje, of toen een vijftal Franse F.I.J.L.-militanten in Frankrijk door de Spaanse staatsveiligheid werden gearresteerd, staken de Belgische F.I.J.L.-aanhangers hun sympathie voor de Spaanse anarchisten niet onder stoelen of banken. Zij zetten een ondersteuningscampagne op touw voor hun gevangen genomen kameraden : ondermeer gelden werden ingezameld en de met de libertaire zaak sympathiserende Brusselse advocaat Jean Régnier Thys werd namens de Belgische Liga voor de Mensenrechten naar Madrid gestuurd om rechtszittingen bij te wonen.
De Belgische F.I.J.L. gaf sinds 1967 het tijdschrift F.I.J.L. / Information uit waarin verslag gedaan werd over een hernieuwde Propaganda door de Daad in West-Europa en elders (Griekenland, Spanje, Bolivië, Venezuela, ...), ondermeer over de mitraillering van de Amerikaanse ambassade te Londen en de bomaanslagen op de ambassades van Griekenland en Bolivië te Bonn. Deze hernieuwde belangstelling voor het openlijk gebruik van geweld kwam niet uit de lucht vallen. Reeds in 1961 had de Zwitserse, revolutionaire, anarcho-communistische groep Ravachol (G.A.C.R.R.) de Propaganda door de Daad in een manifest opgenomen.
Maar ook de overheden van de Europese landen hadden niet stil gezeten. Zo werd in 1968 in België de Spaanse F.I.J.L.-militant Octavio Alberola gearresteerd, die van gewelddadige activiteiten werd verdacht. Onmiddellijk werd onder begeleiding van Natalis een solidariteitscomité opgericht, dit om Alberola bij te staan.
En de F.I.J.L. verklaarde publiek dat de strijd op twee fronten moest worden gevoerd. Om te beginnen diende strijd geleverd te worden tegen de bourgeoisie en tegelijkertijd trok men van leer tegen diktaturen en imperialistische regimes (zowel in het Oosten als in het Westen). De F.I.J.L. ondersteunde met andere woorden alle revolutionaire bewegingen die kapitalisme en etatisme verwierpen. En met dit doel voor ogen richtte men een losse Mouvement de Solidarité Révolutionnaire op om zodoende militanten bijeen te brengen die met een revolutionaire action directe van hun slagvaardigheid te kennen gaven. En hun action directe, die zich richtte op vrijheidsverwerving voor alle mensen, hield ook het gebruik van geweld in.
Dit laatste, het gebruik van geweld om tot een vrijere samenleving te komen, werd niet door alle anarchisten aanvaard. (Hem Day bijvoorbeeld pleitte met overtuiging voor geweldloosheid.) M.a.w., zowel binnen de beweging in België als internationaal manifesteerden zich gelijkaardige tendensen : aversies tussen individualisten en anarcho-kommunisten, tussen organisatie-aanhangers en spontanisten, tussen voorstanders van geweld en geweldloosheid, tussen jongeren en de oude garde.

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article29)



IV. DE ANARCHISTISCHE BEWEGING EIND 20ste EEUW, 1975-2000.

Gebeurtenissen in het buitenland, o.a. de Anjerrevolutie in Portugal (1974) en het overlijden van de Spaanse dictator Franco (1975), deden de hoop en het enthousiasme bij de militanten herleven.

Zo werden in Vlaanderen verscheidene anarchistische groepen actief.

Bijvoorbeeld in Mechelen ontstond er de groep rond het tijdschrift De Zwarte Weduwe.

In Gent had je het Revolutionair Anarchisties Kollektief (RAK) : het verenigde voornamelijk studenten en legde zich hoofdzakelijk toe op het organiseren van debatten en spreekbeurten, het deelnemen aan anti-kernenergiebetogingen en vredesmarsen en het uitgeven van het tijdschrift Paradoks.
In 1974 richtten een veertigtal studenten van de Rijksuniversiteit van Gent het ‘Revolutionair Anarchisties Kollektief’ (RAK) op. Via pamflet- en afficheacties én het tijdschrift Paradoks werden het onderwijs, de verkiezingen, het autoritaire socialisme, het militarisme, het kapitalisme, de rechtspraak en andere mensonterende toestanden gehekeld. Het RAK was grotendeels een studentenorganisatie, maar dit belette niet dat in die jaren de kontakten werden gelegd met andere anarchistische groepen uit binnen- en buitenland. Vlaanderen werd van dan af jaarlijks geplaagd met de reeds vermeldde groots opgezette ‘Dagen van de Anarchie’.
In Gent bestond sinds midden jaren negentig ook nog het Anarchistisch Centrum in de Sparrestraat, dat ook zijn eigen werking kende (in samenwerking met het RAK veelal).

La Cecilia was actief in Leuven en gaf het theoretische tijdschrift Kladdaradatch uit. Belangrijke figuren binnen deze beweging, waren Luc Vanheerentals en Johny Lenaerts.
In deze Brabantse studentenstad moet verder het (in hoofdzaak antimilitaristische) Onkruit vernoemd te worden, dat uiteraard banden had met zijn Nederlandse naamgenoot. Gekend was haar stamcafé achter het stadhuis in de muntstraat
: de Libertad.

Verder was er het Anarchisties Kollektief Antwerpen.

En in het Brusselse kon men rekenen op 22 Mars (Alternative Libertaire) en de studentenorganisatie Libertair Offensief.
In Brussel was er trouwens le Centre Libertaire in de Rue du Midi, waar verschillende lezingen, fuiven, debatten, enz doorgingen.

Dat deze groepen ook onderling samenwerkten, valt duidelijk te zien in onder andere de organisatie van de Dagen van de Anarchie, maar ook bij de tijdschriften zelf – het bindmiddel bij uitstek binnen de anarchistische belevingswereld – valt dit aan te wijzen. Zo was het laatste nummer van het Gentse blad Paradoks een gezamenlijke uitgave van het RAK en 22 Mars. Deze groeperingen hebben ook sterke contacten met de beweging in Nederland, zeker wat betreft de uitwisseling van tijdschriften, brochures en/of boeken.


4.1. Alternative Libertaire.
In Brussel startte de kring rond Jean-Marie Neyts in 1976 met de uitgave van een nieuw blad, met name Alternative Libertaire. Aanvankelijk was het niet meer dan een A4-blad en werd het slechts in een kleine oplage gedrukt. Maar spoedig trad Roger Noël, alias Babar, toe tot de redaktie. (Babar had tot dan meegewerkt aan het bekende, links-kritische, weekblad Pour.) Een andere medewerker was Philippe Cartoi die een huis (rue de l'Inquisition nr. 2) ter beschikking stelde en Babar installeerde er een drukkerij. Aldus ontstond de v.z.w. en uitgeverij 22 mars.
Hiermee kreeg Alternative Libertaire een solide struktuur en jarenlang (tot 2005) verscheen het als maandblad in een oplage van een 4.000 exemplaren. Het richtte zich niet zozeer naar de overtuigde militanten, als wel naar de ruimere sympathisantengroep, die open stond voor het libertaire gedachtengoed. In de jaren negentig profiteerde het blad trouwens van een hernieuwd militantisme dat zich liet zien in de oprichting van verscheidene kollektieven, ondermeer tegen expulsies, rond werkloosheid, rond openbaar vervoer, ... en men werkte tevens samen met meer gevestigde organisaties zoals de Liga voor de mensenrechten.
In 2001 emigreerde Babar echter naar het ile d'Oléron, een Frans eiland voor de kust van Charente-Maritime, en de uitgave van Alternative Libertaire werd nog voor enkele jaren overgebracht naar Luik.

4.2. Le Centre Libertaire, Brussel.
Naast het maandblad Alternative Libertaire bestond er in Brussel, in de rue du Midi 65, ook een Centre Libertaire. De anarchist Jean Marc Charlet huurde het gebouw en in zijn hoogdagen was het de ontmoetingsplaats van een vijftigtal Brusselse anarchisten.
Van bij de aanvang kregen ze trouwens steun van oudere anarchisten zoals Léo Campion. Verder bouwde men er een bibliotheek uit en verscheidene voordrachten werden op touw gezet.

BIBLIOGRAFIE :
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970 (raforum.info/dissertations/spip.php?article27)
(www.dissidences.net/compl_vol7/Inghels.pdf)

De Anarchistische Federatie.
Ook in de meeste, grotere, Vlaamse steden bestonden begin jaren zeventig anarchistische groepen. Zij rekruteerden hun leden bij de vroegere provo's, bij de krakers, bij jongeren- en buurtwerkingen, bij milieu-activisten, bij acties voor abortusvrijheid en in de vredesbeweging.
In 1972 gingen deze groepen samen in een Anarchistische Federatie, die op haar beurt de oprichting van nieuwe anarchistische collectieven stimuleerde. Denken we maar aan de beweging in Gent, die vooral steunde op universiteitsstudenten en waaruit later het theoretische, anarchistische tijdschrift Perspectief ontstond.

BIBLIOGRAFIE :
Bert ALTENA, Anarchisme in België en Nederland (1885-2000). - Henri ARVON, Het anarchisme, 's-Hertogenbosch, 2000, p. 133-142.

 

In 1977 was er, in samenwerking met de mensen van de Pinksterlanddagen in Nederland, die de know how bezaten voor het ordelijk doen verlopen van zulke samenkomsten, te Ronse een kamp voor de anarchistische beweging. Op 15 juli die zomer werd van start gegaan met een kamp in de bossen rond de stad.

Het zou een volledige maand in beslag nemen. Uit alle hoeken van West-Europa (Spanje, Portugal, Frankrijk, Engeland, Zweden, Duitsland, Nederland en België) kwamen deelnemers om het internationaal contact te bevorderen. Echter, door de negatieve toon die de laatste 2 weken het kamp in zijn macht zou houden – na de eerste paar weken kwam het onderscheid tussen enerzijds de pragmatici en de theoretici steeds nijpender op het voorplan – zou het een eenmalige onderneming blijven.
Alhoewel, door de Libertaire Studiegroep Gent (LSG) zou een reeks van vijf gelijkaardige libertaire weekends gehouden worden.
Plaats van samenkomst was – de laatste keer uitgezonderd – telkenmale ‘De Knotwilg’ te Zomergem, waar Mon Rosseel, in zijn hoedanigheid van Vuile Mong (en zijn Vieze Gasten), woonachtig is. Traditioneel werden deze meetings gedaan tijdens het laatste weekend van de zomervakantie. Programmatisch varieerden de verschillende landdagen, maar ze hadden allemaal de actualisering van het (Belgische) anarchisme tot doel. (Andreas FAES, Hedendaags anarchisme in Nederland en Vlaanderen (1933-2000)...)

"Mede onder impuls van de punkbeweging kreeg het anarchisme in het midden, maar zeker op het einde van de jaren zeventig een nieuw elan. In bijna alle grote steden werden anarchistische collectieven opgericht. In Gent was het 'Revolutionair Anarchisties Kollektief' (RAK) actief. Het verenigde voornamelijk studenten en legde zich hoofdzakelijk toe op het organiseren van debatten en spreekbeurten, het deelnemen aan anti-kernenergie-betogingen (Doel, Chooz) en vredesmarsen en het uitgeven van het tijdschrift 'Paradoks'. Het eerste nummer van dit tijdschrift (1979) bestond overigens volledig uit een compilatie van artikelen uit 'De AS'." (Francis FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, nr. 104/105, 1993-1994, p. 51.)
"Deze mensen zochten ook contact met andere anarchistische groepen in binnen- en buitenland, hetgeen bijwijlen aardig lukte. (De boeken en brochures die op de boekenstands van het RAK prijken, werden vanuit Nederland geleverd.) Er waren contacten met de mensen van 'La Cecilia' uit Leuven, die onder andere 'Kladdaradatch' uitgaven, een voor die tijd voor Vlaanderen erg theoretisch aandoend tijdschrift; met de anarchisten rond het artistiek-ludieke tijdschrift 'De Zwarte Weduwe' uit Mechelen; met het 'Anarchisties Kollektief Antwerpen' en er waren voor het eerst sinds lange tijd contacten met de mensen van het Brusselse '22 mars' die 'Alternative Libertaire' uitgaven en de anarchistische studentenorganisatie 'Libertair Offensief' uit Brussel. Zo was bijvoorbeeld het laatste nummer van 'Paradoks' een gezamelijke uitgave van het Gentse RAK en het Brusselse '22 mars'."
(Francis FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, nr. 104/105, 1993-1994, p. 51)
"In deze periode schoten, zoals gezegd, autonome en anarchistische groepen als paddestoelen uit de grond. Het was ook de tijd van de '
Dagen van de Anarchie', jaarlijks terugkerende manifestaties die georganiseerd werden in de steden waar genoemde anarchistische groepen actief waren. (De eerste Dag van de Anarchie ging door in 1979.) Gedurende deze dagen werd vooral aan theorievorming gedaan (ecologie, feminisme, anarcho-syndicalisme, kraken, jongerenverzet, anti-militarisme) maar ook cultuur en amusement kwamen ruimschoots aan bod. Niet alleen trekken al deze dagen veel belangstelling maar bovenal bewijzen ze dat samenwerking onder anarchisten mogelijk is. Tot echt overkoepelende of coördinerende organisatieverbanden komt men evenwel niet, maar de veelvuldige individuele contacten zorgen op dat ogenblik toch voor enige cohesie in de beweging." (Francis FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, nr. 104/105, 1993-1994, p. 51.)
"Dat komt overigens van pas wanneer begin jaren tachtig de Belgische totaalweigeraars ten tonele verschijnen. Naar het voorbeeld van Nederland wordt in Leuven de anti-militaristische groep Onkruit opgericht. Naast acties ter ondersteuning van de dienstweigeraars geeft deze groep ook een tijdschrift uit (Rep en Roer) waarin dieper wordt ingegaan op de beweegredenen van deze anti-militaristen. Ook in andere steden worden Onkruit-groepen opgericht. Dit alles grijpt plaats op het ogenblik dat de vredesbeweging ook in België massaal protesteert tegen de plannen van de regering om tot plaatsing van kernraketten op Belgisch grondgebied over te gaan. De Vlaamse anarchistische groepen, die zich gedurende meer dan twee jaar intensief en bijna exclusief met het fenomeen totaalweigeren hebben ingelaten, verschrompelen echter - bij gebrek aan verdere acties - en de meeste sterven zelfs volledig weg. In Gent wordt RAK opgeheven. La Cecilia uit Leuven en De Zwarte Weduwe uit Mechelen laten niets meer van zich horen. Het Anarchisties Kollektief Antwerpen heeft op dat moment al langer opgehouden te bestaan."
(Francis FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, nr. 104/105, 1993-1994, p. 52.)
"De ontwikkelingen in Wallonië zijn vergelijkbaar met die van Vlaanderen van dat ogenblik. In 1976 begint de Brusselse drukkerij asbl 22 Mars met het uitgeven van Alternative Libertaire, een maandelijks tijdschrift dat vooral op Wallonië en Frankrijk is gericht. Ook in dit tijdschrift wordt hoofdzakelijk aandacht geschonken aan anti-militarisme, de nieuwe sociale bewegingen en, meer dan in Vlaanderen, de arbeidersstrijd.
Meermaals wordt in de kolommen van Alternative Libertaire op aangedrongen om de verschillende anarchistische groepen in Wallonië organisatorisch samen te bundelen. Er zijn op dat moment in Wallonië immers anarchisten actief in Luik, Charleroi, Bergen, Namen, Chièvres, Tihange-Huy en Aarlen. In 1977 wordt er een Coördination Libertaire opgericht die genoemde groepen in haar schoot verenigt. Het is deze 'koepel' die twee jaar later de aanzet geeft tot de eerste Dag van de Anarchie, die plaatsvindt in Brussel.
Vijf jaar later schiet er ook van deze groepen nog weinig over. Ook de anarchistische studentenorganisaties die eind jaren zeventig aan de Brusselse universiteit voor enige furore zorgden, zijn dan ter ziele gegaan. De Brusselse anarchist
Babar, verbonden aan Alternative Libertaire, haalt in 1982 wel de internationale pers wanneer hij in Polen opgepakt en gevangengezet wordt omdat hij radio-onderdelen over de grens heeft gesmokkeld voor de Poolse vakbond Solidarnosc. De Franse chansonnier Léo Ferré geeft voor die gelegenheid twee benefietconcerten in Brussel. Het is één van de weinige manifestaties waarop Belgische anarchisten verenigd zijn."
(Francis FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, nr. 104/105, 1993-1994, p. 52.)

De jaren tachtig.
Uit de as van de vroegere collectieven ontspringen evenwel tal van nieuwe initiatieven, zowel in Vlaanderen als in Wallonië, al moet hier reeds benadrukt worden dat een en ander nog ongestructureerder verloopt dan voorheen. Anarchistische groepen zijn nog niet opgericht of ze verdwijnen alweer om plaats te ruimen voor andere initiatieven.


De verschillende groepen in de jaren tachtig.
In Gent wordt door ex-leden van RAK en een aantal nieuwkomers op 1 mei 1982 het eerste nummer van De Libertaire Toekomst uitgegeven. Dit maandelijks tijdschrift zou in totaal elf maal verschijnen en vooral een meer anarchistisch-theoretische beschouwing van de actualiteit beogen. Vaste items waren de opmars van extreem-rechts, ecologie, geschiedenis van het anarchisme, maar ook de talrijke manifestaties rond totaalweigeren en anti-militarisme.
Andere ex-leden van het RAK starten met Zwart en Rood, een anarchistisch verspreidingscentrum van anarchistische en alternatieve boeken, tijdschriften en brochures.
Nog anderen beginnen een anarchistisch kunstenaarscollectief.
Ondertussen opent ook café 17 zijn deuren in Gent, dat al snel een toevluchtsoord wordt voor anarchisten van allerlei pluimage. In de ruimtes boven dit café werd een anarchistische bibliotheek en inforuimte geïnstalleerd. Vandaar uit werd de ondersteuning gecoördineerd voor de Gentse totaalweigeraar Yves Buysse.
Ook de idee voor de ludiek-anarchistische lijst Te Gek (Tegendraadse Gentse Kiezers), die deelnam aan de gemeenteraadsverkiezingen van dat jaar, ontstaat hier. De anarchisten uit Gent haalden hiermee de nationale pers. Hun slogan Stem te gek, stem niet 'Te Gek' trachtte aan de bevolking duidelijk te maken dat het verkiezingsspel bedrog is en dat mensen het recht hebben om het eigen leven in handen te nemen.

Ook in Leuven was ondertussen opnieuw een anarchistisch collectief opgericht, terwijl de ex-leden van La Cecilia zich bezig hielden met de gevangenisproblematiek en het lot van gedetineerden (Radicale criminologen). Ook de oprichting van een werklozenvakbond was aanvankelijk een initiatief dat uitging van Leuvense anarchisten.

In Brussel opende op 6 december 1982 een heropgerichte Alliance Libertaire opnieuw haar deuren. Twee dagen later was er de opening van de libertaire bibliotheek van deze organisatie.

Het tijdschrift Alternative Libertaire (...) bleef de bindende schakel tussen de versnipperde anarchistische groepen in Wallonië.

In Antwerpen werd Picket opgericht, dat naast een ontmoetingsruimte en distributiecentrum van anarchistische lectuur, ook de nodige debatten organiseerde en aan tal van - vooral anti-fascistische - acties deelnam in het Antwerpse.

Ook Het Volksgebit, een maandelijks anarchistisch tijdschrift dat op een meer populaire manier met het anarchisme omsprong, zag in die dagen in Antwerpen het licht. Dit tijdschrift zou meer dan zes jaar blijven bestaan en voornamelijk aandacht schenken aan totaalweigeren, ecologie, anti-kapitalistische strijd, arbeidsethos en anti--clericalisme. In een laatste fase verscheen dit tijdschrift overigens in kombinatie met De Nar, een nieuwsbrief waarin naast recensies van progressieve literatuur en platen ook een concert- en politieke agenda was opgenomen.

Deze, weliswaar ongeordende, opflakkering van het anarchisme ging ook aan de Belgische staatsveiligheidsdiensten niet onopgemerkt voorbij. Op 19 oktober 1984, om vijf uur 's ochtends, startte Operatie Mammoet, een groots opgezette politionele actie in het licht van het onderzoek naar de CCC (Cellules Combattantes Communistes), die in datzelfde jaar verschillende bomaanslagen op haar naam had. Meestal met het machinegeweer in aanslag, viel een politiemacht van ongeveer 750 man binnen op 120 plaatsen in Brussel, Gent, Leuven, Antwerpen, Charleroi, Tubize en Luik. Het is duidelijk dat men met deze actie vooral de anarchisten op het oog had. Typerend in dit verband was immers dat men in Gent voornamelijk de bezoekers viseerde van café 17 en vroegere leden van het RAK dat inmiddels ter ziele was gegaan, dat ledenbestanden van Alternative Libertaire in Brussel in beslag werden genomen en dat ook vredesmilitanten die vroeger hun sympathie hadden betuigd met de totaalweigeraars aan een huiszoeking onderworpen werden.
Het moet voor de veiligheidsdiensten wellicht frustrerend geweest zijn bij geen enkele anarchist iets gevonden te hebben wat diens eventuele betrokkenheid bij de CCC-aanslagen zou kunnen bewezen hebben! Overigens werkte dit politieoptreden bij anarchisten als een rode lap op een stier. Prompt vonden oude en jonge anarchisten elkaar terug en werd besloten om opnieuw een Dag van de Anarchie te organiseren. Deze zou er evenwel nooit komen. Toch was hierdoor weer de aanzet gegeven tot tal van nieuwe initiatieven.
(Francis FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, nr. 104/105, 1993-1994, p. 53-54.)

In 1985 ging de Gentse Libertaire Studiegroep van start, die het theoretisch-anarchistisch kwartaaltijdschrift Perspectief uitgaf. Aanvankelijk werd voor een thematische aanpak gekozen, maar gaandeweg evolueerde Perspectief tot een tijdschrift waarin actuele gebeurtenissen geduid werden vanuit een libertaire invalshoek.

De Studiegroep organiseerde in het verleden tevens tal van debatten alsook enkele grotere manifestaties (één-mei feesten, anti-verkiezingsmeeting, vormingscycli). Deze activiteiten moesten enerzijds tot verbeterde contacten binnen de anarchistische (Belgische) wereld leiden en anderzijds moesten zij een ideologische verrijking bewerkstelligen.

(Francis FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, nr. 104/105, 1993-1994, p. 54; Andreas FAES, Hedendaags anarchisme in Nederland en Vlaanderen (1933-2000).., p. 158.)

Sommige leden van de Libertaire Studiegroep waren trouwens actief betrokken bij de acties van het Gentse KNAL (Komitee Neen Aan het Leger) die zich hoofdzakelijk rond het totaalweigeren van Koen Huysmans afspeelden (1985).
In Gent bleef al die jaren aan de universiteit een Anarchistisch Kollektief bestaan dat zich voornamelijk bezighield met het geven van vormingsavonden (films, video's, spreekbeurten). Het feit dat deze groep als 'erkende studentenorganisatie' door de universitaire overheid gesubsidieerd werd én daarenboven over een zekere infrastructuur (lokalen, apparatuur) kon beschikken, maakte dat het steeds een belangrijke functie had inzake het financieel en materieel ondersteunen van beginnende anarchiserende projecten.
(Francis FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, nr. 104/105, 1993-1994, p. 54.)

In Brussel bleef 22 mars steeds paraat alsook het maandblad Alternative Libertaire, dat ruim zevenhonderd abonnees had en 60 procent van zijn ruimte ter beschikking stelde van zijn lezers.

Ook in Leuven bestond er terug een anarchistische groep en in Antwerpen werd weer een Anarchistische Koördinatie Antwerpen opgericht.

(Francis FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, nr. 104/105, 1993-1994, p. 54-55.)

Zelfs in Limburg lieten anarchisten van zich horen : in 1985-1988 werden vanuit het Hasseltse, autonome I.O.C.-M.A.B (Internationaal OntmoetinsCentrum - Mouvement d'Animation de Base) contacten gelegd met tal van basisgroepen en -bewegingen in binnen- en buitenland, ondermeer in de Euregio (België, Nederland, West-Duitsland) en in Frankrijk. Het I.O.C. was geen anarchistische organisatie maar sommige medewerkers hadden wel sympathie voor het anarchistische ideeëngoed. En er werd studiewerk verricht rond de situatie in Turkije en rond duale economie, ecologische modernisering en de postindustriële maatschappij. Zo gaven ze in april 1986 de 147 pagina's tellende brochure "Zand in de machine. Van machinestormers tot komputerkrakers." uit waarin de werkloosheid creërende automatiseringsgolf werd toegelicht en gezocht werd naar vormen van verzet die perspectief boden op een meer humane toekomst. Er werd een blik geworpen op anderhalve eeuw sociaal-economische geschiedenis en een rode draad ontdekt van (arbeiders)verzet tegen technologische innovaties. Machinestormers en anarcho-syndicalisten werden op onorthodoxe manier besproken, de guerilla-stakingen van lopende-band-arbeiders werd een speciale betekenis toegekend, computer-krakers werden binnen de kontekst van een algehele herstructurering van het kapitaal geplaatst... En sinds september 1986 gaven ze het driemaandelijkse IOC-Info uit waarin werd stil gestaan bij werklozenstrijd, betaalstaking en proletarisch winkelen, basisinkomen, arbeidsduurvermindering, mijnstakingen, arbeidsethiek, disciplinering, racismebestrijding, Nieuw Rechts, derde wereld, bevrijdingstheologie, vrouwenstrijd, ...
En er ontstond zelfs een libertaire samenwerking in Belgisch en Nederlands Limburg die zich Lisa in Limburg noemde (met o.a. Jos van Golde, Lilly en Bert uit Maastricht en Roger Jacobs en Herre Sneyers uit Hasselt). Op 26 maart 1987 zette deze Lisa in Hasselt een lezing over anarcha-feminisme op touw waar Anne Coryn uit Gent en Hélène Vollaard en Jansen uit Amsterdam het talrijke publiek onderhielden over de voordelen van een anarchistische visie op het feminisme, en vice-versa. (De lezing werd overigens als brochure uitgegeven : Anarcha-feminisme, 1987, 40 p.)

En om dit overzicht te besluiten : maandelijks verscheen ook nog De Nar.

De Dagen van de Anarchie.
De eerste Dag van de Anarchie vond plaats in 1979 te Brussel en ging uit van de Coördination Libertaire, een federatie van Waalse anarchistische groeperingen, die op deze manier gezamenlijk aan de weg naar doctrinaire vernieuwing en verbeterde samenwerking wilde timmeren. (Deze federatie verenigde naast
de Brusselse drukkerij 22 Mars (en het tijdschrift Alternative Libertaire) hoofdzakelijk anarchistische groepen uit Wallonië, met name uit Luik, Charleroi, Bergen, Namen, Chièvres, Tihange-Huy en Aarlen.)
In totaal zouden vijf van deze grootschalige anarchistische meetings plaatsvinden, namelijk in Brussel (1979), Mechelen (1980), Gent (1981), Leuven (1982) en Gent (1983) : ‘Gedurende deze dagen wordt vooral aan theorievorming gedaan (ecologie, feminisme, anarcho-syndicalisme, kraken, jongerenverzet, antimilitarisme), maar ook cultuur en amusement komen ruimschoots aan bod. Niet alleen trekken al deze dagen veel belangstelling maar bovenal bewijzen ze dat samenwerking onder anarchisten mogelijk is.'

(Andreas FAES, Hedendaags anarchisme in Nederland en Vlaanderen (1933-2000)......, p. 173)

De Derde Dag van de Anarchie (1981) vond plaats in Gent. Hij ging uit van het Revolutionair Anarchisties Kollektief, dat in hoofdzaak bestond uit studenten aan de Rijksuniversiteit Gent. En in samenwerking met andere zusterorganisaties zoals La Cecilia (Leuven), Libertair Offensief, de Mechelse en Antwerpse kollektieven en het Zuid-Nederlandse Walchers Anarchistisch Kollektief werd een theoretische en culturele invulling gegeven aan dit weekeinde. Op 21 en 22 februari konden geïnteresseerden – gezien de informerende bedoeling van deze dag werd gestreefd om buiten de grenzen van het ‘anarchistische milieu’ te breken en een bredere (studenten)doelgroep aan te spreken – naar de faculteit Letteren en Wijsbegeerte aan de Blandijn komen om daar over verschillende onderwerpen geïnformeerd te worden. Voor de organisatie werd inkomstgeld gevraagd van 50 Belgische franken. De opzet was een internationale meeting te organiseren.

Onder de noemer ‘Aktiestrategieën voor de jaren 80’ werden de twee dagen (zaterdag en zondag) gewijd aan discussies over deelproblemen van het anarchisme. In de eerste plaats werd gesproken vanuit de anti-kernenergiebeweging over verschillende acties die in het voorbije jaar ondernomen waren. Onkruit verzorgde een lezing over anti-militarisme, het anarcha-feminisme werd onder de loep gehouden door vrouwen uit de beweging en een lezing van Rudolf de Jong en J. de Bruyne (van de Boelwerf) over syndicalisme en de fabrieksbezetting koppelde de theorie aan de praktijk. Voorts was er een workshop over jongeren die tegen sociaal onrecht strijden. De gehele zondag werd gereserveerd voor een samenkomst/vergadering van de verschillende Nederlandse en Belgische collectieven en het publiek, om over de te volgen strategie te debatteren. Tevens was dit een gelegenheid om de federatie-idee terug van onder het stof te halen. Culturele bijdragen werden ondermeer door Vuile Mong en zijn Vieze Gasten verzorgd en er werden talloze films vertoond, poëzie voorgedragen, toneel gespeeld en er was een grote boekenbeurs met talloze stands voorzien.
"De dag van de anarchie was dit jaar een groot succes. Ongeveer 900 mensen bezochten deze manifestatie waar o.a. veel films werden vertoond, poëzie, spreekbeurten over anarcha-feminisme, syndicalisme, kraakbeweging, antikernenergiebeweging [sic]. Over dit laatste een woordje. Naast Claude Lambert en de Nijmeegse stroomgroep waren ook aan het woord mensen van het Denders Aktiekomitee (milieugroep)."
(Paradoks, jaargang 3, nr. 2, 15 maart 1981, p. 8.)

De vierde Dag van de Anarchie (3-4 april 1982) ging door te Leuven. Plaats van afspraak was ’t Stuc (Pol. & Soc. campus) en het auditorium Vesalius in de Van Evenstraat. Deze manifestatie ging uit van La Cecilia, die ook nauw betrokken was bij de organisatie van de vorige editie. Het kostenplaatje voor deelname voor twee dagen – schamper werd opgemerkt dat de anarchistische dag 48 uren duurt – bedroeg 100 oude Belgische franken.
Thematisch gezien, was deze bijeenkomst veel rijker dan deze in Gent. ’s Zaterdags werd voorlichting gegeven over zeven verschillende theoretische onderwerpen, terwijl ’s zondags de pragmatische zijde van de anarchistische realiteit onder de loep genomen werd met een verbeterde nationale werking tot doel. Discussiethema’s waren dan ook toegespitst op een aantal actiegerichte onderwerpen : arbeiders- en werklozenstrijd, autonoom jongerenverzet (met grote krakersparticipatie uit Gent en Brussel), versterking van de Staat (met Onkruit-België), ecologie en politieke strijd en de alternatieven ten aanzien van het kapitalisme. Aansluitend hierop waren er contemplatiemomenten over het feminisme en de verschillen met de mannenbeweging en werd de theorie van het anarchisme belicht aan de hand van boekenvoorstellingen en lezingen. De lezingen werden door respectievelijk John de Wit ('Foucault en macht') en Thom Holterman ('Geschiedenis van het Nederlandse anarchisme') verzorgd.
Andreas Faes schijft verder : "’s Anderendaags werd, zoals al opgemerkt, gestreefd om de basis van het anarchisme te versterken. Concrete initiatieven waarrond gewerkt werd, was de oprichting van een nieuw libertair tijdschrift. De groepen rond 'Paradoks', 'de Vrije' en 'Vrijbrief' gingen daaromtrent rond tafel zitten, maar er werden geen concrete zaken besloten en een redactiecollectief voor een nieuw tijdschrift werd dus niet gevormd. Gezien de belangrijkheid van de anarchistische pers als een bindmiddel tussen anarchisten onderling, is dit misschien een gemiste kans geweest. (In dit verband is de figuur van Bas Moreel belangrijk geweest. Met zijn boekenverspreiding 'Zwart en Rood', was hij een link tussen de bewegingen van Nederland, Vlaanderen en Wallonië. Leurend met zijn verschillende boeken, zorgde hij dus voor de verspreiding van bepaalde pamfletten en dergelijke meer. Later werd deze rol – en 'Zwart en Rood' – overgenomen door Johan de Lobel, gevolgd door Ludwig Glabeke, die nog altijd actief is voor 'Zwart en Rood'.) Temeer omdat de relaties tussen de verschillende libertaire ‘cellen’ in de verschillende Vlaamse universiteitssteden (aangezien anarchisme toen meer dan ooit ‘een zaak van de studenten’ was verworden) toen bijzonder goed waren. Via een gecentraliseerd – al schuwen vele anarchisten dit woord – tijdschrift kon op een efficiëntere wijze aan propaganda en bewustmaking gedaan worden, konden grootschaliger projecten (zoals de Dagen van de Anarchie, maar ook diverse 1 meifeesten) georganiseerd worden met grotere fondsen en kon het anarchisme in België als een ‘homogeen’ geheel naar buiten komen. In hoeverre dit echter de autonome ontwikkelingen van de verschillende plaatselijke groeperingen zou gehinderd hebben, valt niet in te schatten."
(Andreas FAES, Hedendaags anarchisme in Nederland en Vlaanderen (1933-2000)......, p. 178)
"Op de agenda stond tevens een poging tot ‘betere coördinatie van anarchistische kollektieven en akties'. Met andere woorden : het federatie-idee dat al zovele jaren een grote rol speelt in het anarchistische gedachtengoed werd weer van onder het stof gehaald. Er waren voordien al vele pogingen geweest om tot een langdurige anarchistische federatie te komen, maar meestal bleef het bij papieren constructies of korte samenwerkingsverbanden. Er kwam geen landelijke samenwerking tot stand dat jaar, maar het geheel had toch zijn verdienste. Want een jaar lang was er toch een informele vorm van een federatie, zonder een specifieke naam. Zij verenigde de verschillende opgenoemde collectieven uit Mechelen, Leuven, Antwerpen (Picket) en Gent. Vergaderingen gingen door in café Den Yzer in Gent op maandelijkse basis, maar het initiatief stierf na twaalf maanden een stille dood. Dit initiatief stelde zich tot doel om de bestaande relaties tussen de verschillende groepen te onderhouden en te verstevigen, zodat gezamenlijke of lokale acties een betere ideologische basis zouden hebben."
(Andreas FAES, Hedendaags anarchisme in Nederland en Vlaanderen (1933-2000)......, p. 178)

Naast deze landelijke Dagen van de Anarchie werden in Gent aan een aantal libertaire 1 meifeesten dezelfde naam gegeven. Het onderscheid tussen beide is dat de eerste ‘reeks’ uitging van een koepelgedachte, van samenwerking tussen verschillende anarchistische cellen (daarom werden deze dagen ook elk jaar in een andere stad gevierd) die in hoofdzaak hun recruteringsbasis vonden in de verschillende grote Vlaamse universiteiten (tenminste wat Brussel, Leuven en Gent betrof) en dat de tweede – minder regelmatige – reeks eerder een in de geografie beperkt fenomeen betrof (al was de opkomst bij sommige van deze feesten naar anarchistische maatstaven gigantisch).
(Andreas FAES, Hedendaags anarchisme in Nederland en Vlaanderen (1933-2000)......, p. 173 e.v.)

In Gent gingen vanaf 1987 dus een aantal anarchistische 1-mei-vieringen door. De organizatoren wilden aantonen dat anarchisme iets anders is dan haar gewelddadig en ondermijnend imago, dat ten onrechte bij de globale bevolking leefde. Ook in de persmap, waar het in bijna poëtische bewoordingen werd omschreven (tezamen met een pleidooi voor een trotsere beweging), klonk eenzelfde geluid : "Anarchisme heeft meerdere gezichten. Het heeft naast een nuchtere, intellektuele en konstruktieve zijde, de meer bekende romantische, onstuimige en destruktieve kant, dewelke ook in België al meerdere decennia vingerdik in de verf wordt gezet. Uiteraard zijn we niet gelukkig met dergelijke foutieve, maar niettemin stigmatiserende en vaak naïef karikaturale beeldvorming van het anarchisme (…) Een van de redenen waarom het anarchisme nog steeds af te rekenen heeft met tal van vooroordelen en misvattingen is, volgens ons althans, gelegen aan anarchisten zelf. Het valt ons immers op dat anarchisten doorgaans bescheiden mensen zijn (…) Het is evenwel niet meer zo nobel wanneer blijkt dat het in feite om ‘valse’ bescheidenheid gaat, waardoor anarchisten zichzelf in het verleden in een defensief verdomhoekje hebben laten manoevreren." (Andreas FAES, Hedendaags anarchisme in Nederland en Vlaanderen (1933-2000)......, p. 180)

De eerste anarchistische 1-mei-viering vond plaats in 1987 in het café De Grote Avond te Gent onder de noemer "1 Mei anarchistisch!". De organisatie ervan was in handen van de Libertaire Studiegroep Gent, het Anarchistisch Kollektief RUG (erkende studentenvereniging) en Zwart en Rood vzw (een boekenverspreidingspunt). Er werd niet vertrokken vanuit welomlijnde thema’s, maar verschillende sprekers zouden de discussie aangaan met elkaar in het zogeheten ‘politiek café’. Onder deze sprekers waren ondermeer Frans Boenders, Jaap Kruithof, Herman J. Claeys
en Leo Apostel, die elk een andere kijk op het anarchisme – respectievelijk een traditioneel anarchistische, een ethisch socialistische, een provotarische en een filosofische – huldigden. Ook diverse acts, waaronder Vuile Mong en zijn vieze gasten en Hei Pasoep (Antwerps strijdkoor), zorgden voor de culturele ondersteuning van de manifestatie.

De tweede 1 meiviering vond eveneens plaats in De Grote Avond en wel drie jaar later, in 1990. In grote blokletters werd ‘1 Mei. Dag van de Anarchie’ aangekondigd op de affiches die over gans Gent verspreid werden. Organisatoren van dienst waren alweer de Libertaire Studiegroep Gent, Zwart & Rood en A.K. Univ. De onderwerpen die op deze dag besproken werden, waren respectievelijk ‘hedendaags anarchisme’, ecologie (milieutechnocratie), libertarisme, migranten en Oost-Europa. (In het licht van de val van het autoritaire sovjetcommunisme in het toenmalige Oost-blok werden een Russische en twee Joegoslavische sprekers geïnviteerd. Zij formuleerden bedenkingen bij de Oosteuropese (r)evoluties én het beeld dat de Westerse pers ervan geschapen had.) Aansluitend werden de inzichten uit de verschillende lezingen met elkaar geconfronteerd in een debat, gemodereerd door dhr. Freddy Mortier van de RUG. Gezien de actualiteit van de laatste twee onderwerpen, kan zondermeer gesteld worden dat dit congres zich toespitste op wat er gaande was in de wereld en daar een anarchistisch antwoord op trachtte te formuleren.

De financiering van volgende – over de twee decennia gespreide – en kleinschaliger 1- meivieringen werd gedaan met de opbrengsten van deze twee groots opgezette vieringen. Van deze kleinere manifestaties zijn in de archieven geen bronnen terechtgekomen, aangezien ze uitgingen van kleinschalige anarchistische collectieven en ze gericht waren tot de anarchistische ‘scène’ in tegenstelling tot de twee vorige initiatieven, die uit waren op een verbreding van het publiek én een positieve dialoog tussen de verschillende linkse overtuigingen huldigde.
(Andreas FAES, Hedendaags anarchisme in Nederland en Vlaanderen (1933-2000)......, p. 180-181)

 

Pragmatische koers.

"(...) Het moet duidelijk zijn dat hetgeen ik hierboven schreef slechts een bescheiden aanzet is geweest (tot de geschiedschrijving van het anarchisme in België). Het verhaal is grotendeels gebaseerd op persoolijke herinneringen en daardoor onvolledig, onder meer omdat ik het nergens had over de vele stadskranten en vrije radio's waarbij anarchisten betrokken zijn geweest. Ik had het ook niet over de schrijvers, muziekgroepen en kunstenaars die gedurende de besproken periode met het anarchisme dweepten (Boon, Bervoets, Schoenaerts, ...) Vele kleine anarchistische initiatieven die gedurende de laatste vijfentwintig jaar hebben bestaan, werden zelfs niet genoemd. Ik sprak niet over de Florennade, een huis van waaruit anti-militaristen geweldloze acties ondernamen tegen de rakettenbasis van Florennes, noch over de actie van vijf anarchisten in 1980, die de stuurcabine van de Andrea Smits onklaar maakten, een schip dat op het punt stond nucleair afval te dumpen in de Noordzee. Ik ging niet in op de Jongerenmars voor Werk van 1984 waar anarchisten slaags raakten met de politie, waardoor de discussie over werk en arbeidsethos in een ander licht kwam te staan. Het feit dat België ook zijn krakers heeft gehad, en nog heeft, is onbesproken gebleven." (Francis FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, nr. 104/105, 1993-1994, p. 55.)

"Voorzover er sinds de jaren zestig van een anarchistische beweging in België sprake is geweest, wordt ze gekenmerkt door versplintering, maatschappelijke isolatie en een gebrek aan sociale slagkracht. Anarchisten zijn zelden te horen geweest in het publieke politieke debat. Talloze initiatieven zagen het licht, maar men is er nooit in geslaagd om langdurige organisatorische verbanden uit te werken, die voor een zekere continuïteit, cohesie èn een vorm van historisch bewustzijn hadden kunnen zorgen. Het verklaart gedeeltelijk het grote verloop in de anarchistische gelederen én het steeds weer ontstaan van nieuwe libertaire groepen, zonder banden met vroegere clubs, en dus telkenmale verplicht om opnieuw het wiel uit te vinden.
Het anarchisme als dusdanig is evenwel nooit echt weg geweest. Het katholieke Vlaanderen, land van pastoors, maar ook van Uilenspiegels, heeft altijd af te rekenen gehad met dwarsliggende libertairen. Anarchistische thema's zijn steeds blijven circuleren in de meest diverse milieu's en hebben aldus een, vaak niet te onderschatten, rol gespeeld bij de uitbouw en de ontwikkeling van een tegencultuur, die zich ook in België te allen tijde heeft afgezet tegen de autoritaire bevoogding van bovenaf, op welk gebied dan ook. De overtuiging dat de opbouw van de maatschappij van onderaf dient te geschieden, maakt dat vele anarchisten, naast de bezigheden in de eigen specifiek-anarchistische organisaties, betrokken waren bij allerlei emancipatorische basisgroepen (milieu- en vredesgroepen, anti-discriminatie- en anti-fascistische organisaties), waar telkenmale getracht wordt om bepaalde theoretische inzichten in de praktijk om te zetten.
In deze context is het niet onbelangrijk te wijzen op het feit dat het rotatie-principe, dat door anarchisten altijd is verdedigd geworden, overgenomen werd door Agalev. Militanten binnen deze laatste partij, maar ook binnen de Volksunie en de Socialistische Partij, verwijzen in hun ideologische argumentatie met betrekking tot de noodzaak van het inbouwen van controle- en inspraakmechanismen in de politieke bedrijfsvoering steeds meer naar de anarchistische theorievorming hieromtrent (federalisme, kleinschaligheid, municipalisme). De laatste jaren zijn anarchisten overigens steeds openlijker en duidelijk herkenbaar actief in àlle anti-fascistische initiatieven die het licht zagen na 24 november 1991, de dag dat België met een electoraal trauma werd opgezadeld door het fascistische Vlaams Blok."
(Francis FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, nr. 104/105, 1993-1994, p. 55-56.)
"Anarchistische groepen hebben zich in België hoofdzakelijk met theorie en vorming beziggehouden. Ze waren minder sterk in het opzetten van eigen projecten die het anarchistisch gedachtengoed vertalen naar het dagelijkse leven (coöperatieven, woongemeenschappen, scholen, alternatieve distributienetwerken). Dit hangt nauw samen met het feit dat het anarchisme in deze contreien voornamelijk sympathie geniet bij academici en intellectuelen. Het gemis aan een landelijke organisatorische structuur werd in het verleden overigens gedeeltelijk gecompenseerd door het bestaan van tal van libertaire - veelal theoretiserende - periodieken, die vaak als contactorgaan fungeerden tussen anarchisten, waardoor ze weet van elkaar hadden en op de hoogte bleven van actuele discussie- en actiethema's.
Het verklaart tevens waarom het Vlaamse anarchisme eerder filosofisch en humanistisch van aard is en minder sterk wat economische analyses betreft. En hier is dan toch een duidelijk verschil aan te stippen met het anarchisme zoals zich dat in het 'rode' Wallonië heeft ontwikkeld en dat meer op de dagelijkse realiteit van de arbeidende bevolking is geënt. Dit anarchisme heeft dan ook veel meer oog voor de arbeidsomstandigheden waarin mensen dienen te werken en tot op de dag van vandaag blijft het anarcho-syndicalisme een belangrijk thema in de Waalse libertaire pers.
Een laatste punt is het feit dat het Belgische anarchisme mettertijd bescheidener en pragmatischer is geworden. Wie er de anarchistische tijdschriften van de laatste jaren op naslaat, merkt dat het vooruitgangsoptimisme van de jaren zestig plaats heeft gemaakt voor een meer realistische inschatting van het maatschappelijk gebeuren. Dat uit zich onder meer in de samenwerkingsverbanden die anarchisten en niet-anarchisten met elkaar aangaan. Uiteraard heeft dit alles veel te maken met de teloorgang van het zogenaamd
reëel bestaand socialisme, de daarmee ogenschijnlijk samenhangende overwinning van het kapitalisme, de ideologische ademnood waarmee de sociaaldemocratie te kampen heeft én met het feit dat steeds grotere delen van de bevolking geconfronteerd worden met een groeiende bestaansonzekerheid. Het wordt voor steeds meer mensen duidelijk dat het verdedigen van een maatschappijmodel dat verantwoordelijk is voor steeds verderschrijdende ecocide, militarisering en verpaupering regelrecht naar de ondergang leidt en dat er naar alternatieven moet worden gezocht. Het is verheugend te kunnen vaststellen dat het anarchistisch gedachtengoed in die zoektocht steeds meer betrokken wordt." (Francis FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, nr. 104/105, 1993-1994, p. 56.)

 

De jaren negentig.

Begin jaren negentig was in Brussel de Groupe Anarchiste Yapatchev bedrijvig. Hij beschikte over een ruimte waar wekelijks video's en films werden gegeven, maar waar ook vormingsavonden en tentoonstellingen werden gehouden.

De Gentse Libertaire Studiegroep was in 1991 aanwezig op de fameuze Pinksterlanddagen in het Nederlandse Appelscha, waar ze een uiteenzetting gaven over de situatie in België. En in 1995 was hij er opnieuw.
Verder bestond er in 1993-1994 in Gent ook een A-koepel die verschillende anarchistische groepen en initiatieven uit het Gentse verenigde (Infotheek, Zwart en Rood, Krakers, Radikaal Anti-Fascistische Actie) en contacten onderhield met anarchisten uit binnen- en buitenland.
Sinds midden jaren negentig was er bovendien in de Sparrestraat
het Anarchistisch Centrum, dat zijn eigen werking kende (veelal in samenwerking met het Revolutionair Anarchisties Kollektief (RAK)).
En de anarchistische kampen in Zomergem, die de eerste helft van de jaren negentig vijf maal werd georganiseerd, waren een initiatief van de Gentse Libertaire Studiegroep en het anarchoblad Perspectief. Deze (inter)nationale bijeenkomsten hadden allemaal de actualisering van het (Belgische) anarchisme tot doel.
(Francis FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, nr. 104/105, 1993-1994, p. 54; Andreas FAES, Hedendaags anarchisme in Nederland en Vlaanderen (1933-2000).., p. 158.)
In het weekend van 2 en 3 september 1995 werd het laatste kamp op touw gezet, dit keer in het Lovendegemse Waalken 10.
Onder de titel "Zijn Vlaamse anarchisten grappiger ?" deed de Nederlandse Rymke hier verslag van : "Begin september vond in Lovendegem de Belgische variant van de Appelschase Pinksterlanddagen plaats. Op de agenda stonden onder meer de onderwerpen "Anarchisme in België" en "Een controversiële blik op censuur". Vooral dit laatste bleek interessant. Censuur is verleidelijk, maar keert het zich niet snel tegen ons? Een verslag uit België. 
Het initiatief tot deze Belgische anarchistische dagen is vijf jaar geleden genomen door mensen van de Gentse Libertaire Studiegroep. De eerste vier keer vonden de dagen in Zomergem plaats, op het terrein van (Vuile) Mong. Dit jaar was dat helaas niet mogelijk en zo belandden we in Lovendegem (klemtoon op 'ven'), een wel leuk klein plaatsje in de buurt van Gent, waar we zowaar een biologische winkel vonden.
Waalken 10 bleek een prachtige plek te zijn, een paar oude arbeidershuisjes aan elkaar, grote tuin er omheen, een woonwagen, grote bomen. Helaas konden we er niet blijven en moesten we aan het eind van de middag uitwijken naar een vijf kilometer verderop gelegen voetbalkantine. Och ja, zo kom je nog eens ergens. Neonlicht, karrenwielen, protserige stoelen, een plank vol zilveren bekers, en natuurlijk een echte bar waar aan gehangen kon worden. Wat dan ook volop gedaan werd. (...)
Maar laat ik eens iets over de inhoud vertellen. Het begon zaterdagmiddag allemaal zeer magertjes. We waren te laat, maar men bleek nog lang niet begonnen. Er waren dertig à veertig mensen, waarvan negen uit Nederland, en drie Walloniërs.
De eerste discussie was vooral een uitwisseling tussen de Walen en de Vlamen, tussen Frans en Nederlands sprekenden dus. Of tussen Vlaams en Waals sprekenden. Het gekke was dat ik het Frans (Waals) bijna nog beter verstond dan het Vlaams. Dat kwam onder andere doordat er door sommigen nogal gemompeld werd, in plaats van luid en duidelijk gepraat. Door al het heen en weer vertalen ontbrak het aan vaart. Ook was het enorm slecht voorbereid, dus veel kwam er niet uit.
De Walen leken wat beter georganiseerd dan de Vlaamse anarchisten. Ze hebben allerlei samenwerkingsvormen met de anarchisten in Noord-Frankrijk en lijken ook meer internationale contacten te hebben (met de internationale IFA, waarin vooral zuidelijke landen, en naar het schijnt ook Zweden, actief zijn). Ze leken me ook een tikkeltje syndicalistischer en maakten een wat serieuzere en minder bourgondische indruk dan de meeste Vlaamse anarchisten.
Hun blad 'Alternative Libertaire' bevestigt de gedegen indruk; totaal anders dan de speelse NAR die naast inhoudelijke artikelen altijd vol cynische grappen en grollen staat. De Walen waren (zoals het anarchisten betaamt) tegen alle grenzen en volgens hen dient dus ook de taalgrens vrijuit overschreden te worden, om zo samen dingen te doen. Francis Faes van de Libertaire Studiegroep benadrukte dat het hem niet alleen gaat om samen dingen te doen, maar vooral ook om de anarchistische theorie uit te diepen. Niet zozeer vanuit ver weg gelegen idealen, maar meer vanuit de huidige situatie. Tot nu toe was er weinig contact, wie weet gaat dat veranderen.
Op een gegeven moment was iedereen moe van het praten, vertalen en luisteren, en werd een pauze ingelast. Na de pauze is de uitwisseling nog slechts informeel doorgegaan. Ondertussen begon er een workshop 'Internet voor anarchisten' waar ik niet heen geweest ben. In plaats daarvan togen wij naar de biologische winkel om enkele overdadige lekkernijen te kopen; dit waren tenslotte de beruchte Belgische bourgondische dagen - deze benaming werd ooit bedacht als reactie op de dagen in Appelscha die volgens sommigen een calvinistisch tintje dragen (voor mij niet; in Appelscha geniet ik net zo hard).
Na het heerlijke eten van de mobiele actiekeuken 'Kokkerellen' (biologisch en met veganisten was rekening gehouden) stond er verder die avond niets inhoudelijks meer op het programma. Er waren wat tafels met boeken (Zwart en Rood, De Nar, Perspectief, Atalanta) en later op de avond was er live muziek. Het werd nu wat drukker. Ik schat zo rond de vijftig mensen. Praten werd onmogelijk, geswingd werd er ook niet; ik kreeg ineens associaties met middelbare-school-feestjes. Dus lekker verder kletsen in de tent.  

Censuur. 

Zondag laat opgestaan. Bij de tent ontbeten, want zo dachten wij, die eerste discussie, over het oprichten van een anarchistisch fonds is voor ons toch niet zo interessant. Maar toen we uiteindelijk naar het zaaltje liepen, hing daar nog volop een ontbijtsfeer en werden de peuken van de avond ervoor nog bijeengeveegd. Wat wachten en lezen. Wat kletsen. Veel aardige mensen, dat wel.
De discussie over de oprichting van een anarchistisch fonds, dat, waarom weet ik niet meer precies, het Jan Pelleringfonds zou moeten gaan heten (JP was een Brusselse anarchist en had iets te maken met de Eerste Internationale in 1872 en dus anarchistisch verantwoord, terwijl toch de naam niet afschrikt, zoiets) was natuurlijk nogal praktisch en vond ik inhoudelijk wat minder interessant, hoewel zo'n fonds natuurlijk een prima zaak is.
Na de soep van Kokkerellen kwam eindelijk de discussie waarop ik gehoopt had, namelijk over censuur. Best een heet hangijzer, ook in NN is hier al vaker over geschreven. De jongen die het onderwerp inleidde, had een vrij brede invulling van het woord. Hij zag verschillende vormen van censuur: censuur door de staat of door de kerk, censuur door 'losse' personen (bijvoorbeeld redacties van bladen), zelfcensuur en groepsdruk. Hij vond dat er vaak met twee maten gemeten werd: grote verontwaardiging wanneer bijvoorbeeld nazi's adressen van antifa's verspreiden, maar zelf ondertussen omgekeerd hetzelfde doen. Grote verontwaardiging wanneer wij niet in de pers komen, maar ook vinden dat fascisten geen kans zouden moeten krijgen in de krant te komen. Zijn conclusie luidde: we kunnen wel zeggen tegen censuur te zijn, maar zelf passen we die ook toe. Censuur komt volgens hem neer op een superieure houding: jij denkt dat jouw mening beter is dan die van een ander, en daarom veeg je dat hakenkruis van de muur en kalk je er een omcirkelde A overheen.
Het duurde even voordat een groot deel van de aanwezigen dat laatste voorbeeld censuur wilde noemen. Zelf vond ik het inderdaad het interessantst om censuur zo breed mogelijk in te vullen, zodat je wel gedwongen bent om het ook op jezelf te betrekken en het niet kunt laten bij gemopper op de staat. Natuurlijk zijn we er niet uitgekomen. Ik zal proberen in het kort nog wat gedachten weer te geven.
Als je voor of tegen censuur bent, kan dat zijn om strategische redenen ("helpt het om extreem rechts te verbieden?") of om ethisch/filosofische redenen ("is verbieden wel te rijmen met anarchisme?"). Over het eerste waren verschillende meningen en inschattingen. "Ja, op korte termijn lijkt het te helpen en ze krijgen zo minder kans hun akelige meningen te verspreiden, dus wie weet..." Maar: "vergis je niet, ondergronds gaan ze dan des te harder verder, op een nog engere ongrijpbaardere manier."  

Pro-anarchisme. 

Wat de ethische kant betreft waren er de pragmaten: "het is niet erg om mensen die zelf anderen niet het recht op vrijheid gunnen te censureren", en daartegenover een aantal zeer consequente lieden die pertinent zouden weigeren hun steun te geven aan een verbod van bijvoorbeeld extreem-rechts. Zij weigeren om de staat te gebruiken, ook als dat op korte termijn wel handig uit lijkt te komen.
Deze houding spreekt me erg aan, maar ik kan een aantal angstige visioenen moeilijk van me afzetten. Als ik nu voor anderen (of mezelf) grote ellende kan voorkomen door eventjes de hulp van de staat in te roepen, ben ik dan niet al te principieel bezig als ik het niet doe? Toch voelt het heerlijk om te zeggen: ik ben tegen alle vormen van censuur; de strijd tegen extreem-rechts, en meer nog: tegen alle on-anarchistische ideeën, moet op een andere manier gestreden worden. Minder verdedigend, minder anti-dit-en-dat, meer pro-anarchisme. Laat maar zien hoe wij het willen. Meer theorie, meer filosofie, in voor iedereen begrijpelijke taal, de wereld in. Voor de lange termijn is dat de beste oplossing en die  wordt het vaakst vergeten. Is het dan niet logisch als juist anarchisten zich daar mee bezighouden? 
Er werd nog gepraat over de vraag of er sprake van censuur is als bijvoorbeeld 'De NAR' (of 'NN') weigert een (rechts) artikel te plaatsen. Er is namelijk ook nog zoiets als "geen zin". Vroeger zat ik bij een anarchistisch feministisch krantje. Dat maakten we altijd met elkaar in een dag, en ieder typte de stukken uit die zij leuk vond. Als iemand een stukje ingestuurd had waar niemand zin in had om moeite voor te doen dan kon ze het zelf komen typen. Een leuke constructie, zonder censuur, maar gelukkig werden er nooit rechtse stukken ingestuurd.
Geen censuur wil volgens sommigen nog niet zeggen dat er vrijheid van meningsuiting is. Die is er pas wanneer ieder de mogelijkheden (geld enzovoort) heeft die mening ook inderdaad naar buiten te brengen. Hierover zal nog een keer worden verder gepraat. Een conclusie luidde in elk geval dat censuur verleidelijk is, maar dat het zich vaak (allerlei voorbeelden werden genoemd) tegen onszelf keert. Anarchistische en andere radicaal-linkse clubs worden het eerst verboden. Of potten- en flikkerclubs. Of... noem maar op.
Het laatste woord is er nog niet over gezegd. Maar wat ik nog wel even wou zeggen is dat ik het ondanks de wat lamlendige start een leuk weekend vond en dat de sfeer tijdens de laatste discussie zeer goed was. Er werd namelijk serieus gepraat en tussendoor een hoop gelachen. Zijn die Vlaamse anarchisten nou zo veel grappiger en ontspannender dan de anarchisten in Nederland? Bah, we doen toch niet aan grenzen! Er zijn ongetwijfeld wel cultuurverschillen, maar die zijn altijd overbrugbaar als je daar zin in hebt.
En ik weiger natuurlijk helemaal te geloven dat het rijk vloeiend bier de oorzaak van de gezelligheid zou zijn. Als anarchist laat je je plezier toch niet afhangen van zo'n duf zooitje chemicaliën! Een verschil is dat Appelscha een veel langere traditie kent: 62 jaar tegenover 5 jaar. (in 1995) De Belgische anarchistische dagen zijn nog fris. Maar ook door traditie zouden we ons niet moeten laten bepalen!   
Rymke

(Andreas FAES, Hedendaags anarchisme in Nederland en Vlaanderen (1933-2000)...; De Nieuwe Maand, nr. 193, 22 sept. 1995; Francis FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, nr. 104/105, 1993-1994, p. 48-57.)

BIBLIOGRAFIE :
Bert ALTENA, Anarchisme in België en Nederland (1885-2000). - Henri ARVON, Het anarchisme..., p. 113-142.
Anarcha-feminisme, Hasselt (I.O.C.-M.A.B.), 1987, 40 p.
Bart COENEN, Provo in Vlaanderen, lic. verh. VUB, 2001, 140 p.
D. COHN-BENDIT, Le grand bazar, Parijs (Belfond), 1975.

G. COHN-BENDIT & D. COHN-BENDIT, Linksradicalisme, remedie tegen een verkalkt communisme, Amsterdam, 1969.
Dialogues entre un anarchiste et un autoritaire, Bruxelles (Publications anarchiste A 1 & 2), 1981.
Hem DAY, Quarante ans d'An-archie. - Bibliographie de Hem Day, Brussel, 1964, p. 41-58.
Jean DE MEUR, L'anarchisme ou la contestation permanente. Essai, Brussel, 1970, 181 p.
R. DE JONG, F. FAES, M. BAKKER, Anarchistische perspektieven. - De As, ’s-Gravenhage, vol. 59/60, 1982, 44 p.;
A. DE RYCK, De anarchistische ideologie op het einde van de twintigste eeuw : een kritische evaluatie, lic. verh. RUG, Gent, 2001. 105 p.

Geneviève DREYFUS-ARMAND, Laurent GERVEREAU, Mai 68 : les mouvements étudiants en France et dans le monde, Nanterre, (Bibliothéque de documentation internationale contemporaine), 1988, 303 p.
Pascal DUMONTIER, Les situationnistes et mai 68 : théorie et pratique de la révolution, 1966-1972, Parijs, (G. Lebovici), 1990, 307 p.
Jacques DURANDEAUX, Les journées de mai 68; rencontres et dialogues, [Paris] (Desclée de Brouwer), [1968], 159 p.
Andreas FAES, Hedendaags anarchisme in Nederland en Vlaanderen (1933-2000), lic. verh. RUG, Gent, 2004-2005, 225 p.
(
Korte inhoud van deze verhandeling : http://http://www.scriptiebank.be/index.php?page=44&terug=1&cat=10&PHPSESSID=33651939bc5819de6a6fedb033eb2e00&id=432)
Francis FAES, Hedendaags anarchisme in België. - De As, Moerkapelle, vol. 104/105, 1994, p. 48-57.

Ch. FAURÉ, MAI 68 jour et nuit, Parijs,
1998.
Yves FREMION, Provo, la tornade blanche, Bruxelles (Editons JEB), 1982, 160 p.
F.E. FRENKEL, Provo. Kanttekeningen bij een deelverschijnsel, Amsterdam, 1967, 217 p.
A. GERARD, La dynamique du mouvement de paix en Belgique francophone.- Courrier Hebdomadaire du CRISP, nrs. 1053-1054, Brussel, 12 octobre 1984, 68p.
José GOTOVITCH & Anne MORELLI, Contester dans un pays prospère : l'extrême gauche en Belgique et au Canada, Brussel, 2007, 259 p.
Serge GOVAERT, Mai ’68 : c’était au temps où Bruxelles contestait, Brussel (Politique et Histoire), 1990, 184 p.
H. HAMON, P. ROTMAN, Génération : Les années de poudre, Parijs, 1988.
H. HAMON, P. ROTMAN, Génération : Les années de rêve, Paris, 1988.
Arie HAZEKAMP, Provo als wegbereider van de kraakbeweging in Nederland. (Negentiende jaarboek anarchisme.) - De As, nr. 177/178, voorjaar/zomer 2012, p. 13-24.
HEM DAY, Barthelemy De Ligt, l'homme et son oeuvre, Brussel (Pensée et Action), 1960, 16 p.
Rik HEMMERIJCKX, Jean Van Lierde : de kracht van een overtuiging, (http://www.vredesactie.be/article.php?id=431)
Gerd-Rainer HORN, The spirit of '68. Rebellion in Western Europe and North America, 1956-1976, Oxford, 2007, 254 p.
Nicolas INGHELS, Le mouvement anarchiste en Belgique francophone de 1945 à 1970. Vingt-cinq ans d´anarchie, lic. verh. ULB, Brussel, 2002, 96 p.
: zie RA-forum op deze website (http://raforum.info/IMG/pdf/Inghels.Hist.pdf)
Roger JACOBS, Libertair socialisme in Vlaanderen : het experiment wereldscholen. - Vlaams Marxistisch Tijdschrift, Brussel (IMAVO), 1992, p. 7- 30.
Carine JANSEN, L'objection de conscience en Belgique : 1919-1964, lic. verh. U.L.B., 1983, 280 p.
Laurent JOFFRIN, Mai 68 : histoire des événements, Parijs, Seuil, 1988, 370 p.

Paul JORION, Quelques considérations relatives au phénoméne "Provo". Amsterdam 1965-1967, lic. verh. U.L.B., Brussel, 1969.
Maurice JOYEUX, L'anarchie et la révolte de la jeunesse, une hérésie politique dans la société contemporaine, Paris (Casterman), 1970, 163 p.
George KATSIAFICAS, The Imagination of the New Left: A Global Analysis of 1968,
Joseph Jean LANZA DEL VASTO, Technique de la non-violence, Paris, Deno‘l, 1971, 286 p.
Claudine LELEUX, Approche du mouvement situationniste, lic. verh. ULB, Brussel, 1974.
Johny LENAERTS, Lenin, Stalin en het fabrieksdespotisme. Een libertaire visie, Leuven (Tegenstroom), 1999, 48 p.
Nadine LUBELSKI-BERNARD, Les mouvements de la paix en Belgique (1945-1960). - Le Pacifisme en Europe des années 1920 aux années 1950, 1993, p. 373-395.

Nadine LUBELSKI-BERNARD, Quelques aspects du mouvement anti-atomique en Belgique. - Socialisme, nov.-déc. 1995, nr. 252, p.324-331.
Nadine LUBELSKI-BERNARD, Thèse: Les mouvements et les idéologies pacifistes en Belgique, U.L.B., Brussel, 1977, 3 dln.

Christian MELLON & Jacques SEMELIN, La non-violence, Parijs (Presses universitaires de France), (Que sais-je ?), 1994.
Marcel MERLE, Pacifisme et internationalisme XVII-XXe Siècle, Parijs, 1966, 359 p.
P. MOREAU, Les mouvements pour la Paix en Belgique francophone. - la Revue Nouvelle, Brussel, nr. 3, maart 1971, p. 294-308.
Jean-Marie MULLER, Jean KALMAN, César CHAVIEZ, Un combat non-violent, Parijs, Fayard-Le Cerf, 1977.
Jean-Marie MULLER, Le principe de non-violence, Brussel (Marabout), 1999, 321 p.

Richard PAULISSEN, La contestation à l'université de Liège: 1967-1971, lic. verh. UEL, Luik, 1992, 110 p.
J. PRÉPOSIET, Histoire de l’anarchisme, Paris, 1993.
Pie-Raymond RÉGAMEY, Non-violence et conscience chrétienne, Parijs, 1958, 380 p.
J. SAUVAGEOT, A. GEISMAR, D. COHN-BENDIT, J.-P. DUTEUIL, La révolte étudiante, les animateurs parlent, Parijs, 1968.

R. SANDERS, Rue Sauvage. Situationistische teksten, Utrecht, 1993, 118 p.
J. SCHUUR, Appelscha, bolwerk van anarchisme en radicaal socialisme, Stichting Stellingwarver Schrieversronte, Oosterwolde, 1996, 320 p.

J. SERVIER, L’Utopie, Parijs, 1985;
Totaalwijzer. Handboek over totaalweigeren, Utrecht, LTO, 1989, 90 p.
Jean-Claude SOYEUR, Non-violence, Brussel (Les Éditions Feuilles Familiales), 1968, 112 p.
P. STOUTHUYSEN, Les mouvements de la paix en Flandre.
- Courrier Hebdomadaire du CRISP, nr. 1092-1093, Brussel , 11 octobre 1985, 59 p.
Tiet veur een pafke... Bijdrage aan het Basisinkomendebat, Hasselt (I.O.C.-M.A.B.), 1987, 40 p.
Jef ULBURGHS, Pour une pédagogie de l’autogestion, Brussel, 1980.
Maurice VAÏSSE (dir), Le pacifisme en Europe : des années 1920 aux années 1950, colloquium : Reims, 3-5 december 1992, Brussel (Bruylant), 1993, 455 p.
Gert VAN OVERSTRAETEN, De heropbloei van de anarchistische beweging te Gent : in de aanloop naar de andersglobaliseringsbeweging, lic. verh. RUGent, 2003, 137 p.
Roel VAN DUIJN, Diepvriesfiguur, autobiografie van PD106043 in samenwerking met de AIVD, Amsterdam (Uitgeverij Van Praag), 2012, 464 p.
Roel VAN DUIJN, PROVO. De geschiedenis van de provotarische beweging, 1965-1967, Amsterdam (Meulenhoff), 1985, 250 p.
Roel VAN DUYN, PROVO. Einleitung ins provozierende Denken, Berlijn (Libertad Verlag), 1983, 38 p.
Roel VAN DUYN, Het witte gevaar : een vademekum voor provoos, Amsterdam, 1967, 215 p.
R. VANEIGEM, Traité de savoir-vivre à l’usage des jeunes générations, Parijs, 1967.
R. VANEIGEM, Avertissements aux écoliers et lycéens, Mille-et-une-nuits, 1995.
Luc VAN HEERENTALS, Totaalweigeren in België, Gent, LSG, 1987, 62 p.
Jean VAN LIERDE : http://www.avoixautre.be/spip.php?article1048
Jean V AN LIERDE, Les mouvements de la paix en Belgique. - Courrier Hebdomadaire du CRISP, nr. 240, Brussel, 24 avril 1964, 28 p.
Jean VAN LIERDE, Carnets de prisons d'un objecteur de conscience (1949-1952), Brussel (Vie ouvrière), 1994, 262 p.
Jean VAN LIERDE, Un insoumis, Brussel (Labor), 1998, 208 p.

B. VAN WAKEREN, Werken is misdaad, Amsterdam, (online consulteerbaar op http://www.antenna.nl/rampenplan/baal/misdaad.html)
Christian VASSART, Aimée RACINE, Provos et provotariat, un an de recherche participante en milieu provo, Brussel (Centre d'étude de la délinquance juvénile), publication nr. 21, 1968, 160 p.
Vergez A., Fourier, Paris (Presses Universitaires de France), 1969. (Anarchisme/mei '68)
E. VERHELLEN, De provobeweging: bijdrage tot een juistere begripsomschrijving, lic. verh. RUGent, 1978, 198 p.
Laetitia VERHULST, L’aventure des Cahiers Socialistes : revue indépendante de critique sociale : novembre 1944 - novembre 1953, lic. verh. U.C.L., LLN, 2001.
Joris VERSCHUEREN, Plaats voor de homo ludens ! Vlaamse provo's als nieuwe sociale beweging in een ruimtelijk wereld-systeem-analytisch perspectief, lic. verh. RUGent, 2003, 195 p. : http://www.ethesis.net/homo_ludens/homo_ludens.pdf
Colin WARD, A Decade of Anarchy (1961-1970), 1987.
http://www.amazon.com/Decade-Anarchy-1961-70-Colin-Ward/dp/0900384379/ref=sr_1_3?ie=UTF8&s=books&qid=1254383269&sr=1-3#reader
Wie niet werkt zal toch eten !! Bijdrage aan het Basisinkomendebat, Hasselt (I.O.C.-M.A.B.), 1988, 31 p.
S. ZEGEL, Les idées de Ma, Parijs, 1968.