r

1918 - 1940

home
chronologie

 

1. CRONOLOGIE.

Over deelname aan de voorbije oorlog waren de Europese anarchisten fel verdeeld geweest. Grosso modo kan je stellen dat er toen twee kampen waren. Een minderheidsfractie (o.a. Jean Grave, Peter Kropotkin en de Belgen Jules Moineau en Henri Fuss) pleitte in navolging van het "manifeste des seize" voor ondersteuning van de geallieerde legers. Maar de meerderheid van de anarchisten in België gaven blijk van een meer 'vredelievende' houding. Volgens hen had het volk niets te verwachten van een oorlog tussen imperialistische mogendheden want dat zou haar lot nooit verbeteren. (Zie vorig hoofdstuk.)
Hun ogen gingen richting Rusland waar een communistische revolutie de tsaar ten val had gebracht en verschillenden onder hen sloten aan bij marxistische organisaties, onder meer de 'Stokkelse libertaire kolonist' Emile Chapelier die in 1921 zelfs een van de mede-oprichters van Parti Communiste Belge (PCB) zou worden. Ook Georges Thonar zou aansluiting zoeken bij de PCB en
Jacques Mesnil legde in Frankrijk een gelijkaardig parcours af.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 6-9.)

Le Communiste.

Op initiatief van de Groupe Communiste de Bruxelles werd tijdens een congres, op 15 juni 1919, de Confédération Communiste de la Belgique opgericht. En een maand later, op 15 juli, verscheen het eerste nummer van haar blad, Le Communiste, waarin zowel libertaire als autoritaire communistische standpunten aan bod kwamen. Het redactie- en administratieadres was gevestigd bij de anarchist Armand Lebrun in de rue du Cocq te Ukkel.
De confederatie was aangesloten bij de Derde Internationale en bestond uit een Waalse en een Vlaamse federatie. Tot de Waalse federatie behoorden de plaatselijke, anarchistische groepen uit Flémalle en Ampsin en verder ook militanten uit het Luikse en uit de regio van Charleroi.
Aan het blad Le Communiste werkte dan ook verschillende anarchisten mee, zoals Charles Fontaine, Camille Mattart, Ernest Noël en Fernand. En verder natuurlijk ook enkele marxisten. Ze propageerden het gemeenschappelijk bezit van land en productiemiddelen, de opheffing van de sociale klassen, van privilegies en van hiërarchie, de noodzakelijke revolutie en elke sociale verbetering. En uiteraard moest er strijd geleverd worden tegen het parlementarisme en de collaboratiedrang van de evolutionistische socialistische partij. Volgens de revolutionairen mocht er niet worden samengewerkt met de kapitalisten. Het kapitalisme moest immers tot in de wortel worden uitgeroeid en vervangen worden door het communisme.
Zo streden anarchisten en marxisten hand in hand
tegen de kapitalisten en hun sociaal-democratische waterdragers. De grote revolutie stond daarbij centraal. Maar er was ook interne onenigheid, ondermeer over de rol van de staat in het revolutionaire proces. Zo benadrukte
Fernand de noodzakelijke omverwerping van elke staat "d'éviter ensuite qu'aucune autre forme d'étatisme centralisateur n'éclose et surtout ne se cristallise". (Le Communiste, nr. 6, 1 oktober 1919, p. 5, kol. 2.)
En een aantal anarchisten, waaronder Julien Boland, Emile Debaize, Ghislain Joël, Pierre Monseur en J. Wasterlain, zouden na een tijd de libertair-autoritaire samenwerking zelfs voor bekeken houden. Ze gingen zich opnieuw, los van de autoritairen, in anarchistische groepen engageren. Deze drang naar libertaire puurheid zou uiteindelijk ook het lot van Le Communiste bezegelen : het laatste nummer verscheen 1 november 1919.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 10-12.)


Le Bulletin Libertaire en L'Emancipateur.

Pas anderhalf jaar later, op 1 juni 1921, verscheen de homogeen, anarchistische Le Bulletin Libertaire. Het was een realisatie van de groupe libertaire de Bruxelles en de redactie en administratie waren gevestigd in Café du Cygne op de Brusselse Grote Markt. Wekelijks kwamen hier ondermeer Charles Fontaine en Ernestan samen. Maar er zouden slechts twee nummers verschijnen en na een maand was het reeds afgelopen.
Allicht had dat ook te maken met het verschijnen van een ander nieuw blad :
L'Emancipateur, Organe communiste-anarchiste-révolutionnaire, in Flémalle-Grande nabij Luik. De Brusselse anarchistengroep zat reeds op 3 juli samen met haar Luikse geestesgenoten en dit overleg resulteerde in de uitgave van L'Emancipateur. Er werd een gezamelijke redactie gevormd en het eerste nummer verscheen in de eerste quinzaine van juli 1921. (Het blad zou het trouwens uithouden tot in 1925.) De bijeenkomsten van de medewerkers van dit Luiks-Brusselse blad vonden plaats bij een zekere Bourlet in Jemeppe-sur-Meuse en ze herbergden militanten van de plaatselijke groepen van Flémalle, Jemeppe, Amay en Verviers. Het redactionele werk werd gecoördineerd door de mijnwerker Camille Mattart uit Flémalle en de administratie kwam op de schouders van Ernest Noel uit Ampsin terecht. En met de ondertitel "Organe communiste anarchiste révolutionnaire" werd meteen duidelijk gemaakt waar het om te doen was : ten eerste de totale vernietiging van de autoritaire steunberen staat, kerk en kapitaal, ten tweede de deelname van elk individu aan de (economische) productie en dit in respect voor ieders voorkeur, kracht en bekwaamheid, en
ten derde een verdeling van de geproduceerde goederen naar ieders behoefte.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 12-13.)

De Union Anarchiste de Belgique.
Met de verschijning van Le Bulletin Libertaire en L'Emancipateur wilde men de anarchistische opvattingen meer verspreiding geven en meteen rijpte ook de idee om een bovenlocale, anarchistische organisatiestructuur op touw te zetten. De Luikse "groupe de L'Emancipateur" was zich
zeker al van in september aan het bezinnen over de oprichting van een nationale anarchistische federatie en op 4 december 1921 kwamen een twintigtal afgevaardigden uit de regio Luik en uit de steden Brussel, Gent en Leuven bijeen in de hoofdstad. Hier werd beraadslaagd over de oprichting van een Union Anarchiste de Belgique. Men bereikte een akkoord en er werd van start gegaan met twee aparte federaties, een Franstalige en een Nederlandstalige, waartoe de plaatselijke groepen konden aansluiten. Op dat ogenblik waren er libertaire groepen actief in Leuven, Gent, Brussel, Elsene, Jemeppe, Flémalle, Amay, Verviers en La Louvière. En in Luik bestond er zelfs een sectie die op haar beurt verschillende groepen herbergde en die op de bijeenkomst in Brussel vertegenwoordigd werd door de "groupe de L'Emancipateur". Hier sprak men zich ondermeer uit voor de absolute autonomie van de groepen, secties en federaties en L'Emancipateur werd het officiële huisblad van de nieuwe Franstalige federatie. Voortaan droeg het blad als ondertitel : "Organe de la Fédération Communiste Libertaire" en Camille Matart voerde sindsdien ook alle administratieve taken uit.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 13-14.)

De zwakte van L'Union Anarchiste en het Congres van 7 januari 1923.
De autonomie van de locale groepen verhoogde uiteraard de betrokkenheid van de individuele leden maar anderzijds ging dit ten koste van de interne cohesie. Velen beperkten hun engagement tot de plaatselijke werking en zagen hun relatie met de andere groepen en met de federatie als iets louter formeels. Zo werd het principe van het regelmatig betalen van bijdragen, dat beslist was op het congres van 4 december 1921, nauwelijks gerespecteerd en er waren er zelfs die het nut van bovenlocale organisatiestructuren in vraag stelden. En ook de verspreiding van het bewegingsblad, L'Emancipateur, liet veel te wensen over, als het al verscheen.
Zondag 7 januari 1923 ging te Jemeppe-sur-Meuse dan een congres door waar afgevaardigden van Brussel (Ernest Marchal), Damprémy, Verviers (Michel Frankart), Seraing, Amay, Ampsin (Ernest Noel), Jemeppe-sur-Meuse, Ougrée (Victor Rousselle), Bressoux, Moha en Flémalle Grande (Camille Matart & Fernand Rocourt) aanwezig waren. Verder waren er enkele vrouwen : Simonne Trassam, Okta en mevr. Guillaume met haar man. Tenslotte noteren we nog Herseck, L. Massart, Dechêneux en O. Groven, de secretaris van het congres.
De dagorde was de volgende :
wwwwwwwwww: 1. la question du journal.
wwwwwwwwww: 2. l'organisation.
wwwwwwwwww: 3. le congres international anarchiste de Berlin (28 jan. - 1 feb.).
wwwwwwwwww: 4. la question du syndicalisme.
Camille Mattart bracht verslag uit over de financieel weinig florissante toestand waarin het veertiendaags blad, L'Emancipateur, zich bevond.
Hij hoopte daarom op een spoedige groei naar een 500 à 1000 abonnees waardoor trouwens de omschakeling naar een weekblad binnen de financiële mogelijkheden zou komen. Nu, het blad zat niet alleen financieel in een precaire situatie. Ernest Noel zei dat enkel Mattart en Victor Rouselle het redactionele werk verzorgden en hij riep op om hen te versterken.
Rouselle ging in op het tweede agendapunt. Volgens hem waren er te weinig individuele initiatieven en dat ging ten koste van de propaganda.
Verder werd besloten om geen afgevaardigde naar het congres in Berlijn te sturen. Gezien de lamentale situatie waarin de beweging in België zich bevond, leek dat voor haast niemand opportuun.
Tot slot werd er nog gepraat tussen voor- en tegenstanders van de ontwikkeling van een anarcho-syndicale beweging. En het congres werd afgerond met de gebruikelijke succeswensen voor de toekomst.

Maar in realiteit was er van succes geen sprake. In 1923-1924 verscheen L'Emancipateur onregelmatig en wist het zich ternauwernood in leven te houden.
Ook de beweging draaide in die dagen op een laag pitje. Zo moest een nationale bijeenkomst, die gepland was voor 2 maart 1924, wegens gebrek aan geïnteresseerden geannuleerd worden ! Van Victor Rouselle lezen we op 15 maart : "Beaucoup se complaisent dans leur inertie..., ils n'ont aucun esprit de suite, c'est malheureux à constater." En Camille Mattart liet een maand later weten : "Je constate une apathie écoeurante chez beaucoup de camarades, à tel point que le mouvement en est paralysé."

Gedurende het jaar 1925 was er een licht herstel van de activiteiten. De affaire 'Sacco en Vanzetti' motiveerde blijkbaar ook in België een aantal militanten om uit de anonimiteit te treden en onder impuls van de "Amis de L'Emancipateur", een kring die sinds december 1924 de meest actieve anarchisten uit heel het land groepeerde, werd L'Emancipateur vanaf januari 1925 tweemaandelijks heruitgegeven. Wel veranderde het devies van het blad van "Organe de la Fédération Communiste Libertaire" in "Organe Anarchiste" waarmee het te kennen gaf dat het zich meer openstelde naar alle anarchistische stromingen : ondermeer het individualistisch anarchisme van Fernand kwam aan bod.

Ook op lokaal vlak was er een herneming van de aktiviteiten. In de hoofdstad zag in 1925 een "Association Anarchiste de Bruxelles" het licht en de anarchisten van Verviers en Amay lieten eveneens van zich horen.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 14-17.)

Het Congres van 25 december 1925 te Amay en het ontstaan van Le Combat.
Op het derde, nationaal, anarchistisch congres waren 26 afgevaardigden komen opdagen, waaronder Camille Mattart (Flémalle), Charles Alexandre en Michel Frankart (Verviers), Adamas (Gent), Hem Day (Brussel), Camille Chretien (Amay), Glineur, Nicolas Delperdange, J. Gillis en de enigmatische H.V. en H.L. van de Association Anarchiste de Bruxelles. Buiten Gent, Brussel, Flémalle, Amay en Verviers waren er nog vertegenwoordigers van groepen uit Huy, Luik, La Louvière en Le Centre.
Vier onderwerpen werden op het congres besproken : het blad en de organisatie van de beweging en de anti-militaristische en syndicale strijd.
Met het oog op een betere verspreiding werd op voorstel van de Association anarchiste de Bruxelles het blad L'Emancipateur in een nieuw kleedje gestoken. Men veranderde de titel in Le Combat, de bladzetting werd verbeterd en op voorstel van Mattart werd de administratie en de redactie van het blad overgebracht naar Brussel. De leiding kwam er in handen van Hem Day en het eerste nummer van het hervormde blad verscheen op 1 februari 1926.
Wat de organisatie betreft, ging men van start met een nieuwe Federatie, waarvan opnieuw Hem Day de secretaris en schatbewaarder werd. (Daarbij verschoof de naam Union Anarchiste naar de achtergrond.) Maar ondanks de vele beloftvolle voornemens bleef het blad en de beweging zieltogen. Door gebrek aan samenwerking en wegens financiële tekorten hield Le Combat in november 1926 zelfs op te bestaan.

(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 17-19.)


Regionalisering van de propaganda.
We kunnen samenvatten dat het met de anarchistische beweging in België in 1926 niet goed meer ging. Maar op 20 maart 1927 op een regionale vergadering zaten de locale groepen in de provincie Luik bijeen en werd er besloten om 10 juli in Luik een nationaal congres te organiseren. Hier waren enkel Waalse groepen vertegenwoordigd, ondermeer die uit Amay, Huy, Engis, Flémalle Grande, Jemeppe-sur-Meuse, Luik en Verviers. Op het congres werd vooral de redactie en organisatie van het blad Combat besproken, want die vonden opnieuw in het Luikse plaats en de centrale figuur was weer Camille Mattart. Het eerste 'Luikse' nummer van Combat was dat van augustus 1927 en de inhoud omvatte enkel artikels over locale onderwerpen.
In Brussel ging Hem Day samen met de "le groupe d'action sociale du Rebelle" van start met een nieuw blad, namelijk Rebelle, dat van november 1927 tot mei-juni 1928 verscheen. De verwijding tussen de Luikse en Brusselse anarchisten was daarmee een feit en voortaan ging elk zijn eigen gang.
In mei 1928 wijzigden de gezellen van de Luikse regio de titel van hun blad : Combat werd terug L'Emancipateur en dat zou blijven bestaan tot in november 1936 (tot eind 1930 verscheen het maandblad regelmatig om dan langzaam uit te doven : van 1934 tot 1936 verschenen amper een viertal nummers).
Naast de (her)uitgave van L'Emancipateur werd er ook bescheiden energie gestoken in de organisatie. Groepen uit Luik, Flémalle en Verviers trachtten nieuw leven te blazen in een nationale structuur en zij kondigden zelfs een nieuw congres aan voor 28 oktober 1928, maar wegens gebrek aan belangstelling moesten de plannen terug opgeborgen worden.
Zowat iedereen viel terug op zichzelf. De volgende jaren gingen sommigen de syndicale toer op, anderen engageerden zich in ondersteuningscomités voor de vervolgden en de meer intellectuelen onder hen kwamen aan hun trekken in de pers en met de uitgave van brochures. In Brussel probeerde in 1930 Hem Day bijvoorbeeld een nieuw orgaan te lanceren, nl. Pensée et Action, maar ook dit moest reeds na drie nummers het bijltje erbij neerleggen.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 19-21.)

De Conferentie van juni 1937 te Brussel.
5 en 6 juni 1937 ging in Brussel een "conférence des libertaires de Belgiques" door. Militanten van groepen uit Antwerpen, Brussel, Bergen, Flémalle, Seraing, Luik en Verviers zaten er rond de tafel en men beraadde er zich ondermeer over het terug opzetten van nationale structuren. Maar buiten de groepen van Luik en Seraing hield iedereen zich op de vlakte en de oprichting van een nieuwe nationale federatie kwam dan ook niet echt ter sprake.
De tactische en ideologische verscheidenheid werd er trouwens onderstreept en verder vond er een uitwisseling van ideeën over de libertaire propaganda plaats.
Wel werden er twee praktische beslissingen genomen. Ten eerste liet men een intern, maandelijks Bulletin verschijnen met de bedoeling de militanten te informeren en de interne discussie te stimuleren. En ten tweede werd een 'comité de coordination' opgericht dat het Bulletin zou uitgeven en de contacten tussen de verschillende groepen moest stimuleren om zodoende een hele serie aan gemeenschappelijke activiteiten op touw te zetten. Concreet dacht men aan het organiseren van meetings, conferenties, artistieke feesten, filmprojecties, tentoonstellingen, ... en aan de uitgave van brochures, de uitbouw van een bibliotheek, enz... Dit coördinatiecomité werd toegewezen aan de groep van Brussel.
Er werd trouwens gemeld dat zulk een structuur reeds in Vlaanderen bestond. En men stuurde aan op de oprichting van een verbindingscomité dat uit drie personen van zowel Brussel als Antwerpen zou bestaan. Nu, de beide beslissingen van de conferentie werden nauwelijks opgevolgd en na 7 nummers (mei 1938) verdween het Bulletin reeds.

Los van de conferentie zag in Brussel een ander nieuw libertair blad het licht, nl. Rébellion. Het verscheen voor het eerst de 15de mei 1937 en was vooral het werk van de bekende Léo Campion en Ernestan. Het bracht verslag uit van de Spaanse Burgeroorlog : de realisaties van de CNT en de FAI en de strijd tegen de republikeinse partijen en de fascisten. Maar ook dit blad hield het slechts een vijftal nummers uit (het laatste verscheen 1 augustus). Rébellion had bovendien te kampen met tegenstand uit de eigen beweging : "neuf camerades de Bruxelles" die lid waren van het 'comité pour l'Espagne libertaire' verweten het een te sterk individualisme, een gemis aan "caractère prolétarien", een "conception philosophique de l'anarchisme" en zij hekelden het ontbreken van contacten met "un réel mouvement social". (Bulletin, nr. 3, augustus 1937, p. 6.)
Ernestan, gesteund door de Vervierse anarchistengroep, reageerde nog op deze verwijten, maar al bij al toonde de discussie hoe verdeeld de anarchisten in het interbellum waren.
In de jaren dertig gingen een aantal kameraden zich engageren in het literair-artistiek, Brussels blad, Le Rouge et le Noir, van Pierre Fontaine en in Brussel zag de studiekring Pensée et Action het licht. Maar de meeste aandacht ging naar de syndicale kwesties.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 21-24.)


DE LOCALE ORGANISATIES.
De klemtoon van de anarchistische beweging in België lag vooral in Brussel en de provincie Luik, waar een tiental plaatselijke groepen bestonden. In Henegouwen waren slechts enkele losstaande militanten actief en de provincies Namen en Luxemburg waren haast braak terrein.

In Brussel.

Sinds juni 1921 kwam in Brussel een kring van anarchisten bijeen van waaruit het blad Le Bulletin Libertaire het licht zag. De groep vergaderde wekelijks in café du Cygne aan de Grote Markt en vanaf september in La brasserie du Cornet, in de rue Marché aux Fromages. Ondermeer Charles Fontaine en Ernestan maakten er deel van uit. Vanaf april 1922 kende de groep een precair bestaan maar op het nationaal congres van 7 januari 1923 te Jemeppe-sur-Meuse waren toch een drietal Brusselaars aanwezig waaronder
Ernest Marchal, die zeker tot augustus 1924 secretaris van de groep was.
Voor de volledigheid moeten we nog melden dat in oktober-december 1921 ook in Elsene een anarchistische groep ontstond.

In 1925 namen Brusselse anarchisten deel aan de campagne rond Sacco en Vanzetti, de twee Italiaanse anarchisten die in de USA ter dood waren veroordeeld. Zo organiseerden ze op 21 maart samen met communisten van de PCB een solidariteitsmeeting.
In juni van dat jaar verscheen in de hoofdstad de obscure "groupe A" die zich vooral bezig hield met de ondersteuning van het anarchistenblad L'Emancipateur. En in oktober werd hij opgevolgd door de "Association Anarchiste de Bruxelles" (A.A.B.) die op het nationaal congres van 25 december oppositie voerde tegen de oprichting van een nieuwe unie en tegen de omvorming van L'Emancipateur in Le Combat.
In juni 1926 was er nog altijd sprake van een "groupe de Bruxelles" die nog steeds wekelijks samenkwam in de
brasserie du Cornet en die vanaf begin 1927 elke dinsdag vergaderde in de taverne des Alliés in de rue Amigo.
Deze Brusselse anarchistengroep speelde een sleutelrol in de uitgave van Le Combat, waarvan de redactie in handen was van de bekende Hem Day, die bovendien een reeks conferenties op touw zette. Buiten hem zelf namen ook Albert Daenens, Ernestan en Georges Demos er aan deel. De volgende conferenties vonden plaats :
wwwiw 25 oktober 1926 : Hem Day over het leven en werk van Francisco Ferrer.
wwww 8 november 1926 : Préjugés et Libre Pensée.
ww w 22 november 1926 : Le Dantec, aperçu sur la Vie, sur Dieu et la Société.
wwww 6 december 1926 : Pourquoi mon fils ne va pas à l'ecole.
ww w 20 december 1926 : Ernestan - La révolution et sa valeur.
wwiw w 25 januari 1927 : A. Daenens - L'art moderne.
ww ww 22 februari 1927 : G. Demos - La Guyane, terre d'épouvante.
wwwwiww 1 maart 1927 :
G. Demos - La Guyane, terre d'épouvante.
wwwwwiw 8 maart 1927 : Hem Day - L'éducation sexuelle chez l'enfant.
wwiwww 15 maart 1927 : Organisation et propagande, discussion.
wiwwww 22 maart 1927 : Nemo - Comment concevoir l'histoire.
wiwwww 29 maart 1927 : Pierrot - La société malade, étude psychologique.
wwwwiiww 5 april 1927 : Fernand -
La femme et l'amour dans et hors le mariage.
wwwwww 12 april 1927 : Hem Day - Quelques mots sur "L'Ethique" de Kropotkine.

wwwwww 19 april 1927 : Mazdaznan qu'est-ce ?

23 april 1927 organiseerde Hem Day een meeting met de pas opgerichte Brusselse sectie van het Comité International de Défense Anarchiste (C.I.D.A.), dit over de "répression mondiale". En hij werkte mee aan de linkse manifestatie die op 30 mei in solidariteit met de in de USA onrechtmatig ter dood veroordeelde Italiaanse anarchisten Sacco en Vanzetti werd gehouden.
Naast de plaatselijke sectie van de CIDA bestonden in het Brussel van die dagen nog twee andere anarchistische groepen. Eentje heette "groupe anarchiste-communiste de Bruxelles" en kwam sinds augustus 1927 om de veertien dagen samen in de taverne des Alliés in de rue de l'Amigo. Leden waren ondermeer H. Vrijheid en Théo Soethem en de groep beschouwde het eclecticisme en het individualisme als de belangrijkste redenen voor de achteruitgang van de anarchistische beweging in België. Met de banier van het anarcho-communisme in de hand riepen ze op voor ideologische eenheid en voor respekt voor de groepsbeslissingen.
De andere groep was de reeds vermeldde "groupe d'action sociale du Rebelle" die in 1927-1928 het blad Rebelle uitgaf. Hij kwam samen op dezelfde plaats als de andere groep, in de rue de l'Amigo, en hij organiseerde een reeks van conferenties. Met name :
wwwwww29 november 1927 : Hem Day over La vie de M. Bakounine.
wwwwww
10 januari 1928 : Ernestan over Elisée Reclus, sa vie, son oeuvre.
wwwwww (datum onbekend) : G. Rit over Le rôle de l'art dans la société.
wwwwww (idem) : Nemo over Kropotkine, sa vie, son oeuvre.
wwwwww (idem) : A. Daenens over Quelques dessinateurs pamphlétaires.
wwwwww (idem) : Fernand over Max Stirner, sa vie, son oeuvre.
wwwwww (idem) : "Sans Patrie" over Buteaud, ses idées et ses réalisations.
wwwwww (idem) : Hem Day over L'objection de conscience et les anarchistes.
In het blad Rebelle kwamen zowat alle strekkingen binnen het toenmalige anarchisme aan bod maar in mei-juni 1928 verscheen reeds het laatste nummer.

Een tweetal jaren later ontstond in Brussel een nieuwe "groupe d'études sociales" waarin o.a. Ernestan, Hem Day, Nicolas Lazarévitch en Paul Mahni actief waren. Een eerste samenkomst vond plaats op 16 september 1930 en zeker tot in mei 1931 stond de kring ook open voor niet libertaire personen ter extreem-linker zijde.
In 1932 verscheen de "groupe socialiste-libertaire de Bruxelles" ten tonele, maar ook hij kende slechts een kortstondig bestaan. (Waarschijnlijk ging hij reeds in het voorjaar van 1934 ter ziele.) Leden waren o.a. Ernestan, Paul Mahni, Max Cherton en Hem Day. Allicht de belangrijkste activiteit van deze kring was de uitgave van een Manifeste Socialiste Libertaire dat Ernestan in 1932 uit zijn pen had laten vloeien. Het manifest telde 14 pagina's en bundelde de ideeën waarop de kring zich beriep. Zo zette het het verschil tussen autoritair en libertair socialisme duidelijk uiteen en ook de anarchistische beweging zelf werd onder de loep gelegd. Men drukte ondermeer zijn spijt uit over de te partiële banden met de arbeidersbeweging en men constateerde "chez nombre d'anarchistes une perte du sens social". Hun interesses lieten zich kenmerken als te abstract en te moreel-filosofisch. De
"groupe socialiste-libertaire de Bruxelles" probeerde deze inzichten in de praktijk de brengen en in die zin trachtte men "Groupes d'Action Syndicaliste" op te richten.
Verder werd er in die dagen samengewerkt met drie Franse groepen (Alpes-Maritimes, Coursan en Montpellier), dit met de bedoeling om weer met een nieuw blad van start te gaan. Het blad zou Le Travailleur Libertaire gaan heten, maar het bleef bij plannen...
Hem Day van zijn kant wist van geen ophouden. Van 9 tot 11 mei 1936 organiseerde hij een "exposition rétrospective de la presse libertaire" waar meteen ook een artistiek en literair feest aan gekoppeld werd dat geleid werd door Léo Campion. En de groep "Pensée et Action" gaf Hem Day navolgend een twintigtal brochures uit. Volgens Hem Day werden in totaal meer dan vijftigduizend exemplaren gedrukt en verspreid.
In de loop van 1937 zag in Brussel een "Comité pour l'Espagne Libertaire" het licht, waar Ernestan, Julin en Marat bij betrokken waren. Veel activiteit ging hier niet van uit en in september werd het reeds vervangen door de kring "Entente Libertaire" die een brug wilde slaan tussen de verschillende anarchistische strekkingen. Het was in ieder geval geen actiegroep, wel een studiekring. Sommige leden konden niet overweg met deze opdeling en in februari-mei 1938 spatte de kring uiteen.
(HEM DAY, Quarante ans d'an-archie..., p. 52; D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 24-32.)


In de provincie Luik.
In de provincie Luik waren van oudsher talloze anarchisten aanwezig. Bijvoorbeeld in de gemeenten Ampsin, Bressoux, Engis, Grâce-Berleur, Herstal, Hodimont, Huy, Marchin, Moha, Ougrée, Pépinster, Rétinne en Seilles. Groepen waren er in Amay, Flémalle, Jemeppe-sur-Meuse, Jupille, Seraing, Luik en Verviers en bij deze waren ook militanten uit de naburige gemeenten aangesloten.

(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 32-33.)

De groep van Amay.
Deze groep duikt een eerste keer op in 1921 toen hij de oprichting van L'Emancipateur steunde. In februari 1922 was hij aangesloten bij de franstalige federatie van de nationale Union Anarchiste.
Men kwam samen bij ene Houlmont en een zekere A. Lepage zou de secretaris van de kring geweest zijn.
In 1925 nam Fernand Jugnot de taak van secretaris waar en de groep organiseerde het derde, nationaal, anarchistisch congres van 25 december, waar Camille Chretien hun afgevaardigde was.
Begin 1926 kwam het secretariaatswerk op de schouders van Léopold Simits terecht. En op 22 augustus van dat jaar organiseerde de kring een meeting over Sacco & Vanzetti waaraan ondermeer Hem Day, Adamas, E. Marchant (de secretaris van de Brusselse sectie van het "syndicat du bâtiment") en een afgevaardigde van de Union Anarchiste Communiste de France deelnamen.
De anarchistengroep van Amay wordt een laatste keer in de bronnen vermeld in april 1927, namelijk in het blad Combat.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 32-34.)

De groep van Flémalle.
Ook deze groep verschijnt in 1921 in de bronnen. Hij steunde immers het blad L'Emancipateur waarvan een van haar leden - Camille Mattart - redactielid was. Een jaar later, in februari-maart, noemde men deze kring groupe d'étude scientifique et sociale de Flémalle en hij organiseerde zich tegelijk als boekenwinkel.
Vanaf oktober 1925 kwam hij twee keer per maand samen, dit bij Mattart thuis, en de groep van Flémalle was door hem vertegenwoordigd op het nationaal anarchistisch congres dat 25 december doorging in Amay.
Vanaf juli 1926 tot zeker februari 1927 vergaderde men samen met de groep van Jemeppe-sur-Meuse en daarna werd de kring af en toe vermeld in het blad Combat. Maar na april 1928 komen we hem een tiental jaren, tot op de conferentie van 5 en 6 juni 1937 te Brussel, niet meer tegen
. Dit betekende echter niet dat de leden van de groep niet meer actief waren. Mattart wijdde zich aan het redactionele werk bij de heruitgave van L'Emancipateur en in 1928 patroneerde hij het "Comitato Anarchico Pro Vittime Politiche".
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 34-35.)

De groep van Jemeppe-sur-Meuse.
In Jemeppe-sur-Meuse kwam in 1921 bij een zekere Bourlet de groupe de l'Emancipateur samen. Het betrof een aantal militanten uit de regio Luik die achter het anarchistische blad stonden.
Vanaf januari 1922 werd de woning van Bourlet de schuilplaats van een plaatselijke groep, die in maart besloot een coöperatief op te richten met de bedoeling een vast lokaal te verwerven. Verder trachtte men van start te gaan met een "école libertaire" en een verbruikscoöperatief.
Maar van al deze geplande initiatieven kwam weinig terecht en de groep van Jemeppe-sur-Meuse liet zelfs niet meer van zich horen tot april 1926, toen het blad Le Combat zijn werdergeboorte meemaakte. In die dagen werd Léopold Lambrechts aangesteld als secretaris en vanaf juli vergaderde men zoals gezegd samen met de groep van Flémalle.
De groep werd een laatste keer vermeld in Le Combat van februari 1927.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 35-36.)


De groep van Jupille.

Anarchistische activiteiten waren in Jupille zeer beperkt, maar toch ontstond in augustus 1933 een "groupe d'études sociales" die gepatroneerd werd door een zekere N. Helfen en ook openstond voor niet-anarchisten. Ver verwijderd van enig dogmatisme streefden de anarchisten van Jupille naar revolutionaire eenheid.
En ze lieten zich vertegenwoordigen op de nationale, anarchistische conferentie van 5 en 6 juni 1937 te Brussel.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 36.)

De groep van Luik.
Comité International de Défense Anarchiste(C.I.D.A.). Hij was gevestigd in het Maison des syndicats, in de rue de la Loi en Jean Ledoux oefende de functie van secretaris uit. Ledoux werd in mei 1929 opgevolgd door Emile Heusy.
De jaren die volgden kende de kring slechts een bescheiden leven en zijn activiteiten herstelden zich pas vanaf juli 1933.
Op 5 en 6 juni 1937 was de kring van Luik aanwezig op de nationale, anarchistische conferentie van Brussel en hij werd hier vertegenwoodigd door een zekere Helfen.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 36-37.)

De groep van Seraing.
In L'Emancipateur van februari en maart 1922 staat te lezen dat er in Seraing een plaatselijke, anarchistische groep bestond die elke zondag samenkwam bij een zekere Delhalle. We hebben verder geen informatie over deze kring... Pas vijftien jaar later wordt de aanwezigheid van een groep uit Seraing gemeld op de nationale, anarchistische conferentie die op 5 en 6 juni te Brussel. Zijn afgevaardigde zat er trouwens een vergadering voor.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 37.)

De groep van Verviers.
In 1921 werd er een anarchistische kring in Verviers opgericht. Hij werkte mee aan het blad L'Emancipateur en hij sloot ook aan bij de Union Anarchiste
die op het nationaal, anarchistisch congres van 4 december 1921 het licht zag.
In 1925 kwam de groep wekelijks samen bij P. Monseur en de secretaris was in die dagen Charles Alexandre. Deze laatste was
samen met Michel Frankart aanwezig op het nationaal, anarchistisch congres van Amay dat op 25 december plaats vond. De centrale figuren van de Vervierse anarchistengroep was naast Frankart en Alexandre ook nog Henri Counotte. Om beurt stonden zij in voor de de uitleningen van de eigen bibliotheek en de correspondentie. En Alexandre werd op 15 juli 1927 herbenoemt tot secretaris van de vereniging.
Zeker tot mei 1929 bleef de groep bestaan. Daarna ontbreken er bronnen om het aan te tonen en moeten we wachten tot 5 en 6 juni 1937 om hem terug tegen te komen, namelijk op de nationale, anarchistische conferentie die in Brussel plaats vond. De groep van Verviers werd hier vertegenwoordigd door de Brusselse kameraad Louis Odekerken die de groep omschreef als een van de meest actieve.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 37-38.)

De provincie Henegouwen.
Anarchistische militanten kwamen in Henegouwen weinig voor. In oktober 1921 en in december 1925 zou er toch een groep bestaan hebben in La Louvrière en op het anarchistencongres van 25 december te Amay liet ook een "groupe du Centre" van zich horen.
In de streek van Bergen liet geen enkele kring zich opmerken. Maar in de Borinage was er wel wat beweging... In oktober 1921 liet Jules Labuche in L'Emancipateur weten dat er een locale groep in oprichting was, maar al in mei-juni 1922 bleek dat hij niet levensvatbaar was. En in december van dat jaar meldde het blad ook "camerades de Saint-Ghislain".
Dan is het wachten tot 1937, toen een Brusselse compagnon, die de anarchistische milieus in de provincies bezocht, liet weten dat er in Bergen en omgeving verschillende anarchisten verbleven, maar dat het er niet tot de vorming van een groep kwam en dat er ook geen activiteiten werden georganiseerd. Er was enkel wat individuele propaganda. Niettemin waren er militanten uit Bergen aanwezig op de nationale, anarchistische conferentie die op 5 en 6 december in Brussel doorging.
Tot slot waren er ook anarchisten in de regio van Charleroi, met name in Lodelinsart, Damprémy, Chatelet en in Charleroi zelf. In deze stad zou volgens het anarchistenblad Le Combat, van oktober 1927, zelfs sprake geweest zijn van een "groupe de Charleroi et environs". Tien jaar later zou er in die regio geen enkele anarchist meer actief zijn.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 38-39.)

2. IDEOLOGISCHE STRIJD.
De anarchistische maatschappijkritiek werd gefundeerd vanuit een kritische houding ten aanzien van 'autoriteit'. Een autoritaire mens- en maatschappijvisie was in de ogen van de anarchisten de basis van alle kwaad. Het manifesteerde zich in essentie op drie terreinen : in de economie, in de politiek en op moreel vlak en was voelbaar in een militarisering van de samenleving.

2.1. Een autoritaire economie.
De anarchisten tijdens het interbellum beschouwden het kapitalisme als 'de uitbuiting van velen ten voordele van enkelen'.
Aan de ene kant had je "l'esclavage moderne ... le détournement des richesses sociales au profit d'une minorité". M.a.w., rijkdom en luxe was er enkel voor de patroons en hun parasitaire achterban, de burgerij. Zij hadden de economische macht in handen en bepaalden het politieke leven.
Aan de andere kant werden de arbeiders uitgebuit. Dag na dag, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat waren zij voor een schamel loon aan de slag. En ze moesten niet klagen want ze behoorden nog tot de gelukkigen. Velen waren werkloos en leefden in nog grotere
armoede. Hun leven kenmerkte zich met alcoholisme, prostitutie, bedelarij, criminaliteit, gevangenissen, strafcolonies en zelfdoding.
Kapitalisme betekende een oneindige rij van opeenvolgende economische crisissen waarin, na een korte periode van overproductie, de productie en consumptie globaal afnamen en de uitbuiting en armoede zich nog verdiepte.
Voor de anarchisten resulteerde het kapitalisme in een slechte aanwending van de menselijke productieve krachten. Hierbij stond niet het algemeen belang voorop, wel het winstprincipe. Een sprekend voorbeeld hiervan was de militaire industrie, die - in hun ogen - vroeg of laat effectief zou uitmonden in oorlog.
Trouwens, bewapening en militarisering waren voor elke staat absoluut noodzakelijk. Intern, binnen het eigen land, om de arbeiders en hun bewegingen in toom te houden en extern, in het buitenland, om aan haar expansionistische, koloniale, exploitatieve dromen te voldoen.
Volgens de anarchisten betekende het kapitalisme en haar staatsvorm in wezen een vermindering van vrijheid, gelijkheid en solidariteit. Het kapitalisme en de staat dienden daarom vernietigd te worden.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 40-41.)

2.2. Een autoritaire politiek.
Volgens de anarchisten maakte de staat de verdrukking van de meerderheid van de bevolking door een kleine, kapitaalkrachtige minderheid mogelijk : Zij was "l'instrument de domination de la bourgeoisie capitaliste". "l'Etat n'est que la violence systématique organisée pour légitimer l'exploitation". Kortom, zij beschermde de privé-eigendom en bevorderde het winststreven.
Ook in de Russische Sovjet-Unie vervulde de staat een verdrukkende rol. In plaats van het communisme mogelijk te maken was de 'dictatuur van het proletariaat' er verworden tot een dictatuur van de bolsjevieke partij. Naar individuele vrijheden was het dan ook ver zoeken.

De anarchisten onderscheidden drie autoritair-politieke overheids- en regeringsvormen :

a) De parlementaire democratie.
Een parlementaire democratie creëerde volgens de anarchisten de illusie van volkssoevereiniteit en het algemeen stemrecht was in hun ogen slechts onderwerping. Bovendien mocht meer dan de helft van de volwassen bevolking - de vrouwen - zelfs niet deelnemen aan verkiezingen.
De burgerlijke, parlementaire democratie gaf de macht in handen van een oligarchie die ten dienste stond van politieke partijen die op hun beurt gericht waren op de handhaving van kapitalistische belangen. Het was
eigenlijk niet meer dan een masker waarachter de kapitalistische uitbuiting vrij spel had.
Volgens de anarchisten zouden sociale wantoestanden steeds blijven bestaan en de linkse partijen werden voor de voeten geworpen dat de kapitalisten nooit zouden laten raken aan hun essentiële privilegies.
Trouwens, de anarchisten hadden ook geen hoge dunk van de verkozenen. Het parlement was bevolkt door arrivisten, "professionels du mensonge et de la fourberie"
(L'Emancipateur, 16-30 oktober 1921, p. 1, kol. 2.), die meer bezig waren hun eigen sociale vooruitgang dan met het algemeen belang. En dat gold niet alleen voor de liberale en katholieke politiekers, ook voor de afgevaardigden van linkse partijen. Zo beschouwden de anarchisten de sociaal-democratische B.W.P. als "un des plus fermes soutiens de la société bourgeoise" (Rebelle, november 1927, p. 3, kol. 1.) "... il a opté pour le réformisme et la collaboration des classes et a ainsi, la corruption du milieu aidant, petit à petit rejoint le rang des privilégiés. Il s'est transformé en véritable parti réactionnaire, gestionnaire de la société capitaliste. Axant tous ses efforts sur la lutte électorale, son objectif, de la lutte des classes, est devenu 'la lutte des places' ". (L'Emancipateur, 15-31 januari 1925, p. 1, kol. 1.) "Se proclament défenseur ardent des intérêts de la classe ouvrière et étant numériquement son représentant le plus important, il la trahit littéralement. Récupérant l'esprit de révolte des masses, il le brise."
(Rebelle, november 1927, p. 3, kol. 1.)

Volgens de anarchisten gaf enkel de directe actie van de massa's zicht op wezenlijke veranderingen. En een echte democratie was volgens hen een staatloze democratie die gebaseerd was op lokale volksbewegingen.
Kortom, echte democratie was anarchie !


b) Het fascisme.
Volgens de anarchisten van het interbellum evolueerden de kapitalistische, parlementaire democratieën wegens de groeiende invloed van linkse (sociaal-democratische en communistische) partijen en bewegingen naar rechts-autoritaire regimes.
Kapitalisten lieten zich immers niet zomaar wegdrukken. Vanaf het ogenblik dat ze het niet meer voor het zeggen dreigden te hebben in de parlementaire democratie bedienden ze zich meer en meer van fascistoide vertegenwoordigers en bewegingen, ook al ging dat ten koste van de vrijheidsbeleving in de samenleving. De toenmalige kapitalisten waren boven alles voorstander van een ongelijke, elitaire maatschappij en ze wilden daar blijkbaar wel wat algemene vrijheid voor opofferen.
De anarchisten militeerden natuurlijk in de anti-fascistische strijd en in hun bladen deden ze verslag van de toestand in Spanje, Italië en Duitsland. Zo had Ernestan het in het blad "Guerre au Fascisme" (februari 1930) zelfs over de activiteiten van de fascisten in België. En sporadisch werden zelfs de overeenkomsten tussen fascisme en bolsjevisme, "les deux faces d'une même médaille", belicht.
(L'Emancipateur, oktober 1933, p. 4, kol. 12.)

c) Het communisme.
In het begin van de revolutie in Rusland hadden de anarchisten in België nog een vage hoop dat die revolutie zou uitmonden in de al zo lang verwachtte nieuwe maatschappij. De anarchisten hoopten toen nog dat de revolutie komaf zou maken met de centrale staat en zich zou baseren op plaatselijke arbeiders-, boeren- en soldatenraden om zo van onder uit een echte democratie te creëren.
Maar vrij snel werd duidelijk dat zij zich geen illusies moesten maken : de autoritaire bolsjevieken installeerden een ware dictatuur waarin het ver zoeken was naar de vrijheidsgedachte. In de plaats van een decentralisatie van de besluitvorming en het ontwikkelen van federale beslissingsstructuren kwam er een hypercentralistische, ondemocratische Communistische Partij die autoritair het (publieke) leven ging bepalen.

Reeds in juli 1919 verschenen in het Belgische, anarchistische blad Le Communiste de eerste kritieken. Charles Fontaine meldde dat men in Rusland te weinig steunde op de syndicaten en dat vooral de intellectuelen (de partijkaders) het voor het zeggen hadden. En drie maanden later lezen we van Fernand dat hij opriep tot libertaire actie om de autoritaire ontsporing in Rusland tegen te gaan... want anders "la révolution russe ne sera qu'un avortement de la révolution socialiste".
(Le Communiste, 15 oktober 1919, p. 2, kol. 2.)
In die eerste jaren na de revolutie in Rusland hoopten de meeste anarchisten in België blijkbaar nog op een anarchistische wending in Rusland, maar onder druk van de feiten radicaliseerde
in de loop van 1922 hun houding. De dictatoriale bolsjevieken hadden immers definitief een centralistisch regime gevestigd en de anarchisten in België kwamen nu openlijk in het offensief : "... il s'agit de nettement déterminer et combattre l'exécrable dictature du parti communiste" (L'Emancipateur, 21 maart-4 juni 1922, p. 2, kol. 1.)
En vanaf eind 1925 werd in de anarchistische propaganda openlijk de Russische revolutie als failliet verklaard. In de Sovjet-Unie bleven immers loonverschillen bestaan, alsook bedelarij en prostitutie. Verder was er militaire dienstplicht en werden er haast alle vrijheden aan de kant gezet, zoals syndicale vrijheden, persvrijheid en vrijheid van vergaderen. Net zoals de politiek werd er ook de ekonomie gecentraliseeerd, wat uiteraard dodelijk was voor de ekonomische creativiteit en spontaniteit en de handelsgeest in het algemeen, en het leidde tot een drastische vermindering van de productiviteit.
Ook de godsdienst werd op zij gezet en vervangen door de cultus van het marxisme-leninisme.
Kortom, in de ogen van de anarchisten in België had het Russisch staats-communisme niet geleid naar meer 'vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid', wel naar het ontstaan van een nieuwe geprivilegeerde klasse die bestond uit bureaucraten uit de partij, de syndicaten en het staatsapparaat en die teerde op de uitbuiting van de massa's. Tegelijkertijd installeerden
de autoritaire bolsjevieken een dictatuur waarbij alle weerstand van revolutionaire opposanten uit de weg werd geruimd. Het was een waar terreurregime "à l'école duquel seuls les fascismes les plus barbares ont encore quelque chose à apprendre". (L'Emancipateur, oktober 1933, p. 4, kol. 2.)
Samengevat, de revolutie had niet veel veranderd in Rusland :
Lenin, Trotski en Stalin waren de nieuwe tsaren en de bureaucraten waren de nieuwe edellieden...

De libertaire bladen in Europa, waaronder L'Emancipateur in België, namen het autoritaire sovjetregime dan ook op de korrel en ze brachten schokkende verhalen over de vervolgingen van anarchisten, syndicalisten en revolutionairen. De CIDA-comités van Luik en Brussel en het Comitato Anarchico Pro Vittime Politiche van Flémalle klaagden de 'rode inquisitie' in Rusland aan. Er werd zelfs een mobilisatie-campagne op touw gezet voor de bevrijding van twee Italiaanse anarchisten, Alfonso Petrini en Francesco Ghezzi, die gevlucht waren naar Rusland en daar waren gearresteerd. En Hem Day startte in februari 1928 in het blad Rebelle een onderzoek naar de wanpraktijken van G.P.U., de repressieve sovjet-politie : "la Guépéou assassine... arrête, déporte, exile au nom et sous le couvert d'une dictature dite prolétarienne et sous le prétexte hypocrite d'une défense de la révolution... en fait elle n'est que l'arme d'un parti politique qui sert à maintenir au pouvoir et à asseoir son autorité sur la classe ouvrière de Russie". (Rebelle, februari 1928, p. 1.)
Deze praktijken waren in de ogen van de anarchisten een perfecte illustratie van de ontaarding van de revolutie en ze toonden volgens hen treffend aan dat men via autoritaire wegen nooit tot echte oplossingen zou komen. Machtsconcentratie resulteerde immers altijd in machtsmisbruik van de machthebbers en stond daarom haaks op de centrale,
revolutionaire waarden 'vrijheid, gelijkheid en solidariteit'.
Een gevolg van de veroordeling van het autoritaire sovjet--communisme was dat ook de in 1921 opgerichtte Parti Communiste Belge het moest ontgelden. En al bleef de anarchistische kritiek op de Communistische Partij de volgende jaren groeien, toch bleven ze nu en dan met elkaar samenwerken. Bijvoorbeeld in 1925, tijdens de campagne voor Sacco & Vanzetti. Maar sommige anarchisten fronsten de wenkbrauwen en aanzagen de steun als een inkapseling in communistische, electorale campagnes. De samenwerking zou dan ook snel stoppen. En ook in de toekomst zou ze enkel nog in uitzonderlijke situaties plaatsvinden, bijvoorbeeld tijdens de affaire Hem Day - Campion.
De libertaire pers bleef trouwens kritiek op de Communistische Partij spuien, vooral wegens het ontbreken van enige reactie op de ontwikkelingen en de repressie in U.S.S.R.
Trouwens, in 1928 ontstond in België een nieuwe revolutionair-communistische, oppositionele strekking, namelijk de trotskistische. Allicht met de verdrukking van de Kronstadtse opstandelingen in het achterhoofd stonden de anarchisten in België niet direct open voor enige samenwerking met die trotskisten, maar ze vonden elkaar in hun aversie tegen het kapitalisme en zeker ook in hun afkeer van het stalinisme. Samen lanceerden ze een campagne voor asielrecht in België en verder richtten ze samen syndicale actiegroepen op.

(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 41-52.)

2.3. Morele autoriteit.
Vanaf de geboorte wordt het individu ingeprent dat het bestaande autoritaire regime gehandhaafd moet blijven. Zowel thuis in het familiale leven als op school en in het leger wordt hij/zij opgevoed in respect voor de autoriteiten en langzaam neemt hij/ zij een houding van gehoorzaamheid aan.
Persoonlijk initiatief, vrijheid van mening,
vrij onderzoek en individuele autonomie worden aan banden gelegd en een resem ethische waarden worden langzaam ingelepeld (o.a. respect voor eigendom en voor de wet, nationalisme en patriotisme, ...). De kerk speelt hierin een essentiële rol : verbonden met de leidende politieke en economische kringen misbruikt zij de christusfiguur (de 'anarchist' die rijkdom afkeurde en gastvrijheid preekte, die opkwam voor broederlijkheid en gelijkheid, die de uitbuiters en handelaars de tempel uitjoeg, ...) en verdedigt zij oorlog en kolonisatie. Zij onderwijst zelfopoffering en berusting en tracht zodoende volksopstanden tegen te gaan.
"Aux progressistes qui, sous le couvert de la liberté de conscience, voudraient la laisser vivre, les anarchistes répondent que la liberté de conscience est la consécration du libre examen et non pas le renoncement à la lutte contre les préjugés : 'il faudrait être naif pour reconnaître à la religion la liberté de s'en réclamer en attendant qu'elle puisse l'étrangler'."
(L'Emancipateur, juli 1929, p. 1, kol. 4.)

(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 52-54.)

2.4. Antimilitarisme.
De anarchistische propaganda was extreem antimilitaristisch. Het militarisme vloeide volgens haar spontaan voort uit de autoritaire organisatie van de samenleving, die op haar beurt inherent was aan het kapitalisme.
De antimilitaristische strijd was dus een anti-autoritaire, anti-kapitalistische strijd. Het leger bestond alleen maar om de overheid, de staat, te ondersteunen en revoltes tegen te gaan. Bovendien ontwikkelde het een passieve gehoorzaamheid bij de rekruten.
De anarchisten verzetten zich tegen "toute violence commandée" en aanvaardden enkel in revolutionaire periodes een tijdelijke "libre violence défensive". De ordewoorden waren daarom : de weigering van het fabriceren en transporteren van oorlogsmateriaal, de ontwikkeling van een internationalistische anti-oorlogsopvoeding, opstand in geval van vijandigheden en dienstweigering. Dit laatste werd niet door alle anarchisten onderschreven. Een aantal verkozen revolutionaire actie binnen het leger.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 55-56.)

2.5. Revolutie.
Voor de anarchisten was elke lotsverbetering van het werkvolk binnen het kapitalistisch systeem een farce. Samenwerking tussen uitgebuitenen en uitbuiters was onmogelijk en het kwam er op aan revolutie te voeren.
Maar die revolutie moest een anti-etatistische omwenteling zijn. De Russische revolutie toonde immers klaarhelder dat de handhaving van enige autoriteit meteen ook het einde van het revolutionaire proces zou betekenen. "Le peuple doit garder le pouvoir et non le déléguer. (...) Nous devons rendre aux exploités la foi, non pas tant en de nouveaux dogmes ni en de nouveaux chefs, mais la foi en eux-mêmes, en la valeur de l'action indépendante et spontanée."
(L'Emancipateur, 15 december 1924, p. 1, kol. 1.) Daarom moest preventief de massa overtuigd worden nooit de leiding in handen van de politici te geven. En verder moest de oprichting van niet-hiërarchische, collectieve productiegroepen, consumptiecoöperatieven en landbouwkolonies aangemoedigd worden. Sommigen zagen hier de syndicaten een rol vervullen, al waren de syndicaten voor velen in de eerste plaats revolutionaire strijdorganisaties.
Het merendeel van de anarchisten was er zich van bewust dat het gebruik van geweld noodzakelijk was indien men de revolutionaire strijd met de bourgeoisie wilde winnen, maar ze zeiden er onmiddellijk bij dat het om een tijdelijke "violence défensive" ging.
De revolutie zou trouwens maar het begin zijn van een langdurig proces : "Avant d'aboutir à l'anarchie, nous devons passer par des stades intermédiaires plus ou moins longs ou nombreux... Sans doute accélérerons nous par notre travail sa venue mais ces transformations plus ou moins violentes s'échelonneront sur des années, des dizaines d'années aux cours desquelles des vicissitudes politiques et économiques diverses nous imposeront probablement des stades intermédiaires variés, collectivistes ou communistes, basés sur une conception autoritaire plus ou moins accentuée. Il dépendra de notre effort de les imprégner du sceau libertaire et de nous maintenir droits dans la tempête, le regard fixé sur l'avenir."
(Combat, mei 1926, p. 2, kol. 2.)
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 57-61.)

2.6. De toekomstige maatschappij.
De toekomstige maatschappij was uiteraard een anarchistische. Met betrekking tot de sociaal-economische organisatie kwam dit neer op federalistische structuren, "fonctionnant de bas en haut... dont le point de départ est l'individu producteur".
(L'Emancipateur, 15 april 1923, p. 1, kol. 2.) Aan de basis lagen autonome groepen die zowel locaal als regionaal, nationaal en internationaal met elkaar verbonden waren. De syndicaten speelden in die federatieve organisatiestructuren een cruciale rol. Zij waren zowat de smeerolie in het federatieve systeem.
Ook op het niveau van het individu gold een grote autonomie : iedereen was vrij in de keuze van de arbeid die men wilde verrichten en men dacht dat dit de betrokkenheid en de productiviteit zou verhogen. Aan de andere kant zag men de arbeidsduur verminderen zodat er tijd vrijkwam om zich fysiek en intellectueel te ontplooien.
Dit alles was mogelijk omdat in de toekomstige maatschappij de productie was afgestemd op de behoeftebevrediging en niet op het winststreven. Het 'parasitisme' zou er met andere woorden verdwenen zijn en iedereen zou er arbeid leveren voor de gemeenschap.
Dit systeem van anarchie zou ook een aantal instituten overbodig maken, zoals het leger en de politie, de magistratuur en een groot deel van de administratieve functies ...
De distributie van de gemeenschappelijk geproduceerde goederen zou gebeuren op basis van de individuele behoeften en financiële ruilmiddelen (geld) zouden niet meer nodig zijn.
Het merendeel van de anarchisten vond trouwens dat ook de privé-eigendom moest worden afgeschaft, al waren er individualisten zoals Fernand die een alternatieve economie bleven bepleiten : volgens hen waren individuele productie en consumptie mogelijk voor zover ze niet op uitbuiting waren gebaseerd. En in die zin aanvaardde Fernand ook zekere individuele bezittingen. Maar hij stond met deze zienswijze vrij alleen. De overgrote meerderheid van de anarchisten was voorstander van een meer communistische economie en velen wezen privé-bezit af omdat ze het beschouwden als de bron van ongelijkheid van waaruit uitbuiting terug zou kunnen opborrelen. Bovendien meende men dat economisch idividualisme zou leiden naar een weinig solidaire samenleving waarvan de zwakkeren en de zieken de dupe waren.
Van zijn kant hechtte de individualist Fernand
weinig belang aan de economische aspekten van de samenleving. Hij benadrukte de morele opvoeding van alle mensen zodat ook de maatschappij, die slechts de optelsom van alle individuen was, er beter aan toe was.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 61-62.)

3. SYNDICALISME.

3.1 Anarchistische visies op het syndicalisme.
In het interbellum verdeelde het syndicale vraagstuk de anarchisten. Individualisten zoals Fernand en Léo Campion lieten de vakbonden gewoonweg links liggen. En de anarcho-communisten, die zich vooral in de eigen locale groepen engageerden, waren wantrouwig t.a.v. niet-pure, anarchistische organisaties zoals vakbonden.
Anderzijds waren er anarchisten die zi
ch juist binnen de syndicaten gingen manifesteren. Daarmee braken ze uit hun isolement en kwamen ze in contact met de arbeidersmassa die ze wilden emanciperen. Ze zagen in de vakbonden trouwens revolutionaire strijdorganisaties waarmee de 'klassenstrijd' kon gevoerd worden : een algemene staking zou de aanzet zijn van de grote revolutie...
En om die rol te kunnen vervullen moesten de vakbonden aan een aantal voorwaarden voldoen :
xxx x x 1. Ze moesten onafhankelijk zijn van politieke partijen, ook van de wwwwwwwww socialistische en de communistische.
xxxxxxxxx 2. Ze moesten zich omvormen tot een anti-autoritaire basisorganisatie.
xxxxxxxxx 3. Ze moesten zich richten op de revolutie, want zo lang dat het kapitalistisch wwwwxww w systeem overeind bleef waren er geen echte sociale veranderingen wwwwwwww wmogelijk, laat staan een anarcho-communistische samenleving.

De anarchisten die in de vakbeweging actief waren bestreden dan ook eensgezind de interne centralistische structuren en verder de bestaande bindingen met de evolutionistische, autoritaire Belgische Werklieden Partij.

Over de rol van de vakbeweging in de post-revolutionaire, libertaire samenleving was er minder eensgezindheid. Sommige anarchisten zagen de syndicaten zich omvormen van anti-kapitalistische strijdorganisaties naar locale basisgroepen die de productie en de verdeling van de goederen op zich namen. Anderen bedeelden hen slechts een tijdelijke overgangsrol toe, die zich beperkte tot de revolutionaire strijd. Na de revolutie zou men dan wel zien.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 63-68.)

3.2. Federalistisch syndicalisme te Luik.
In de jaren twintig en dertig bestonden in Luik vier kleine onafhankelijke revolutionaire syndicaten :
a. "le Syndicat Fédéraliste des Travailleurs des Services Publics de Liège et environs" waarvan Alfred Bailly de secretaris was. Eind april 1922 werd hij opgevolgd door Fr. Hellofs die tot eind 1929 op die post bleef.
b. "le Syndicat Fédéraliste des Travailleurs du Bâtiment, du Bois, de l'Ameublement et Parties Similaires de Liège et agglomération". Tot juli 1929 was de secretaris van dit syndicaat M. Demoulin die toen werd vervangen door Jules Smelders.
c. "le Syndicat Fédéraliste des Mécaniciens et Assimilés", waarvan E. Willems de secretaris was en hij werd in 1925 opgevolgd door Henri Ledoux.
d. "le Syndicat des Ouvriers Ardoisiers de Liège et environs".
Ze waren gegroepeerd in "l'Union des Syndicats Fédéralistes de la Province de Liège" en haar officieel orgaan was het blad Travail. Het stamlokaal was gevestigd in de rue de la Loi nr. 29 waar sinds januari 1920 ook een eigen coöperatieve vereniging zijn zetel had. Hier gingen de algemene vergaderingen door en verder de bijeenkomsten van verscheidene comités, ondermeer le comité de l'Union en le comité de rédaction van het blad waarvan de redactie was samengesteld uit verkozen afgevaardigden van elke groep.
In 1924 verdween het syndicaat van de leisteenmakers en dat van de mécaniciens stopte
de medewerking aan Travail van augustus 1926 tot februari 1929. Een jaar later ging het blad zelf trouwens kopje onder om pas in 1935 terug te verschijnen, en dat met de ondertitel "Organe des Syndicats Fédéralistes du Bâtiment, du Bois, Ameublement et Similaires et des Services Publics".
Over het ledenaantal van de federalistische Luikse syndicaten tasten we grotendeels in het duister. We weten alleen dat het in juni 1922 geschat werd op enkele honderden en het Franse syndicalistische blad L'Ouvrier du bois had het over een zeshonderdtal leden.
Verder waren het niet alleen 'zuivere' anarchisten die bij deze syndicaten waren aangesloten. De meeste militanten waren in de eerste plaats revolutionairen en met hun anarchisme en/of hun communisme kwamen ze minder naar buiten. Al valt hun onafhankelijke, federalistische houding en hun afwijzing van politieke partijen zeker niet te betwijfelen. We denken hier ondermeer aan M. Demoulin, de secretaris van het syndicat fédéraliste du bois, Henri Ledoux, de secretaris van de mekaniekers, Baiwir van de leisteenwerkers en de mekanieker Ernest Rosenboom. Zij waren naast hun syndicale engagementen geabonneerd op de libertaire bladen L'Emancipateur en Le Combat en waren dus mogelijk ook actief als anarchist, al kan dat niet met zekerheid worden gesteld.
Op 10 juli 1927 vond er een anarchistisch congres plaats in het Luikse Maison des Syndicats, waar ook het plaatselijk C.I.D.A.-comité zijn zetel had. En een jaar later, van 27 tot 29 mei, ging er het derde wereldcongres van de anarcho-syndicalistische Internationale
(A.I.T.) door.
We kunnen besluiten dat er veel contacten waren tussen de anarchistische en de revolutionair-syndicalistische beweging, maar beweren dat de luikse Union des syndicats fédéralistes deel uitmaakte van de anarchistische beweging is de waarheid geweld aandoen.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 68-75.)


3.3. Federalistische groepen en de Union Syndicale Fédéraliste de Belgique (U.S.F.B.).

In januari 1932 zag een nieuw blad het licht, namelijk L'Action Directe, Organe mensuel de Propagande du Syndicalisme Fédéraliste. Het was het werk van militanten van de Luikse Cercle Syndicaliste, die anarchistische en revolutionaire syndicalisten uit de regio groepeerde. Hun doel was : "favoriser la création, dans le plus grand nombre de localités possibles, de noyaux d'action syndicale chargés de répandre au sein de la classe ouvrière les principes du syndicalisme fédéraliste." (L'Action Directe, februari 1932, p. 1, kol. 1.) Leden van de kring waren bijvoorbeeld Jean Remacle van Luik, die ook redactielid en administrateur van het blad was, en Fernand Rondelet van Huy, een tijdlang de uitgever van het blad.
Het maandblad L'Action Directe kende een moeilijk begin, vooral op financieel vlak, en af en toe moest de verschijning van een nummer gestaakt of uitgesteld worden. Zo verscheen het zesde nummer pas in oktober. Het droeg de nieuwe ondertitel : "Organe officiel des Cercles Syndicalistes Fédéralistes de Belgique" en was zowat de Belgische spreekbuis van Association Internationale des Travailleurs (A.I.T.), de anarcho--syndicalistische Internationale. De redactie en de administratie van het blad werden voortaan grotendeels toevertrouwd aan de Cercle syndicaliste de Verviers, waarvan Louis Odekerken een centrale figuur was, alhoewel de vierde bladzijde overgelaten werd aan het "Syndicat Fédéraliste des Travailleurs du Bois, de l'Ameublement, du Bâtiment et Parties Similaires de Liège", die met het verdwijnen van Travail niet meer over een eigen orgaan konden beschikken.
In maart 1933 verscheen L'Action Directe nog maar eens in een nieuw kleedje. Het werd "Organe de l'Union Syndicale Fédéraliste de Belgique". Op 19 februari kwam in het Maison des Syndicats van Luik een aantal militanten van het Syndicat du Bois, van de syndicale verenigingen van Luik en Verviers, van het nieuwe Syndicat Interprofessionnel van Kelmis, Battice, Herve, Plombières, ... een afgevaardigde van de A.I.T. en enkele onafhankelijke kameraden van Luik en Brussel (o.a. de anarchist Ernestan) bijeen. Zij bevestigden de noodzaak van de Union Syndicale Fédéraliste de Belgique (U.S.F.B.) en aanvaardden het volgende organisatiemodel : aan de basis lagen plaatselijke, interprofessionele, syndicale overleggroepen van waaruit secties per industrietak in het leven werden geroepen, die op hun beurt bedrijfsgebonden fabrieksraden oprichtten. De plaatselijke overleggroepen federeerden in regionale overlegstructuren en een nationaal secretariaat kreeg de taak de interregionale, regionale en locale communicatie te stimuleren. Dit secretariaat zetelde in het Luikse Maison des Syndicats en volgde ook de besprekingen binnen de A.I.T., de anarcho-syndicalistische internationale. En de conferentie besloot het nationaal secretariaat en de redactie van L'Action Directe toe te vertrouwen aan het Syndicat fédéraliste du bois de Liège.
Allemaal mooi en wel, maar in de praktijk stelde het U.S.F.B. veel minder voor dan wat het organisatiemodel kan doen vermoeden. In feite betrof het slechts een drietal regionale vakbonden : het Luikse Syndicat du bois... , het Syndicat interindustriel van Kelmis en omstreken en de section syndicale fédéraliste des mineurs de Liège et environs, die pas de dag na de conferentie ontstond. Van Vervierse militanten was in ieder geval geen sprake meer en ook de U.S.F.B. zelf was geen voorspoedig leven beschoren. In augustus 1933 ging haar blad L'Action Directe trouwens ter ziele.
In 1935 werd dan maar gestart met de heruitgave van het blad Travail, maar ook dat bracht niet veel aarde naar de dijk.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 76-80.)

3.4. Syndicale actiegroepen.
Op 29 oktober 1932 verscheen het eerste nummer van Le Réveil Syndicaliste. Het rolde halfmaandelijks van de persen en vanaf januari 1934 verscheen het maandelijks, zeker tot juni van dat jaar. De uitgave van het blad was het initiatief van enkele Luikse revolutionairen, maar weldra kwam het in handen van Brusselse kameraden en vanaf mei 1933 ontfermden Vervierse militanten zich over het blad.
In deze drie steden - Luik, Brussel, Verviers - ging de uitgave van het nieuwe blad hand in hand met het ontstaan van Groupes d'Action Syndicaliste, die rond de volgende vier actiepunten wilden militeren :
www 1. Het aanmoedigen en ontwikkelen van een geest van klassenstrijd.
www 2. De handhaving en versterking van de eenheid onder de arbeiders.
www 3. De afscheiding van de syndicaten van alle politieke partijen.
www 4. De verdediging en het toepassen van syndicale democratie.
Revolutionair als ze waren beschouwden de drie actiegroepen de vakbonden als slagkrachtige wapens in de anti-kapitalistische strijd. En ze hekelden de reformistische strategie van de sociaal-democratie. De Belgische Werklieden Partij was volgens hen een burgerlijke partij zoals de andere. Zelfs de Kommunistische Partij moest het in hun ogen ontgelden.
De Groupes d'Action Syndicaliste van Luik, Verviers en Brussel leverden vooral plaatselijk basiswerk en hun militanten traden naar voor op publieke bijeenkomsten van de twee linkse politieke partijen en hun syndicaten. Dat werd hen natuurlijk niet in dank afgenomen. Zo werd Nicolas Lazarévitch, de eerste redacteur van Le Réveil Syndicaliste, eind 1932 zelfs uit de Brusselse sectie van de Centrale du bâtiment gesloten.
Nu, de onafhankelijke, syndicale actiegroepen van Luik, Verviers en Brussel werden hoofdzakelijk bevolkt door drie categorieën van militanten : trotskisten, anarchisten en andere revolutionaire sydicalisten die niet duidelijk bij de twee eerste konden worden ingedeeld. Een voorbeeld van een militant uit deze laatste categorie was Jean de Boë, die wel nauwe contacten met anarchisten had maar toch vrij onafhankelijk van de anarchistische beweging stond. Verder ook enkele extreem-linkse militanten uit de B.W.P. De trotskisten waren hoofdzakelijk leden van de Ligue Communiste Internationaliste (L.C.I.) en van de Cercle Marx-Engels en vertoefden vooral in de Groupe d'Action Syndicaliste van Brussel. Tenslotte de anarcho-syndicalisten : Paul Mahni en Max Cherton van de Brusselse Groupe Socialiste Libertaire, de Luikenaars Herseck, Fernand Rondelet, Emile Heusy en Nicolas Lazarévitch, de eerste redacteur van Le Réveil Syndicaliste. Verder schreef Ernestan in 1932 het Manifeste socialiste libertaire voor de Bruselse groep en daarin kwamen ook syndicale standpunten aan bod.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 81-86.)

4. De affaire Sacco en Vanzetti.
Op 14 juli 1921 werden de Italiaanse anarchisten Nicolas Sacco en Bartholomeo Vanzetti in de U.S.A. ter dood veroordeeld voor een vermeende roofoverval op een geldtransport waarbij een tweetal bedienden het leven lieten. Sindsdien trachtte men jarenlang hun proces te herzien - ze waren immers veroordeeld zonder een zeker bewijs van wat er gebeurd was - maar op 23 augustus 1927 werden ze geëxecuteerd.
In heel de wereld was tegen deze gang van zaken geprotesteerd met manifestaties, stakingen en aanslagen. En in België opende de anarchistische bladen L'Emancipateur en Le Combat hun kolommen. Ze riepen de onschuld van Sacco & Vanzetti uit, want deze anarchistische migranten waren niet veroordeeld voor hun betrokkenheid bij een roofmoord, wel voor hun politieke overtuiging! Hun proces was met andere woorden een klasse-proces geweest dat geïnstrueerd was door de Amerikaanse bourgeoisie.
Een eerste meeting ging door op 21 maart 1925 in de salle du Lion d'Or op de place St. Géri te Brussel. Ze was opgezet door Brusselse anarchisten en communisten en de volgende militanten spraken een driehonderdtal aanwezigen toe : de communisten Omer Wattiau en Jean Gorren en verder de gekende Emile Chapelier en Hem Day. Deze laatste verving de Parijse anarchist André Colomer, die aan de grens door de Belgische politie was tegengehouden. Het gezamelijk initiatief van autoritaire en anarchistische communisten ondervond echter nogal wat tegenstand in de anarchistische pers.
(o.a. L'Emancipateur, 15-30 april, p. 4, kol. 2 en 1-15 juni 1925, p. 2, kol. 1.) De Moskou-gezinde communisten werden verweten de affaire Sacco & Vanzetti te misbruiken voor partijpolitieke doeleinden en electoraal gewin.
In 1926 werd door enkele Brusselse anarchisten een comité de défense opgericht en dat zette een door Hem Day gepatroneerde campagne op touw. Twee meetings werden achtereenvolgens georganiseerd. De eerste wist een vijftigtal personen te boeien en vond op 21 augustus plaats te Brussel, à la salle du Lion d'Or in de rue St. Gery, en de tweede ging de dag nadien door in Amay bij een zekere J. Houlmont. Sprekers waren E. Marchand, van de Brusselse bouwvakkers, een afgevaardigde van de Union Anarchiste Communiste de France en verder Adamas en Hem Day van de Belgische, anarchistische federatie. Ze eisten eensgezind de onmiddellijke vrijlating van Sacco en Vanzetti en de Brusselaars verzonden zelfs een protest-telegram naar de Amerikaanse ambassade.
Een viertal maanden later, op 26 december 1926, was het de beurt aan het comité de défense Sacco et Vanzetti van Flémalle en omgeving om een protestmeeting te organiseren. Ze ging door in het plaatselijke Maison des syndicats fédéralistes.
En op 23 april 1927 zette de Brusselse CIDA-sectie een meeting contre la répression mondiale op touw, waar uitvoerig werd ingegaan op de zaak Sacco & Vanzetti. Spekers waren Ferandel, van het comité international de défense anarchiste van Parijs, alsook Adamas, Hem Day en Marchand. De dag nadien werd de meeting nog eens overgedaan te Luik en dit onder auspiciën van de plaatselijke anarchistengroep en met ongeveer dezelfde sprekers. (Enkel Adamas werd vervangen door de anarchist Georges Demos.)
Tenslotte, namen de Brusselse anarchisten en de CIDA op 30 mei 1927 deel aan een manifestatie waar alle toenmalige linkse tendensen aanwezig waren. Hier waren overigens meer dan vijfduizend mensen komen opdagen. En nadien vond er een meeting plaats in het Brusselse Maison du Peuple, dit onder voorzitterschap van Jules Neefs, de secretaris van de Fédération des syndicats bruxellois, en met als sprekers A. Deswarte, de socialistische senator van Brussel, War Van Overstraeten, de communistische député van Luik, Ch. Plisnier, de voorzitter van het Secours Rouge International, R. Lejour, de secretaris van de fédération des étudiants socialistes, en Hem Day namens de CIDA. Maar de anarchisten van Flémalle, Luik en Verviers stuurden hun kat, want ze zagen niets in een gauchistische frontvorming.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 87-90.)

5. Les Comités Internationals de Défense Anarchiste (C.I.D.A.).
Eind 1926 ontstond in Brussel een Comité International de Défense Anarchiste waarvan het secretariaat verzorgd werd door Hem Day. Een klein jaar later, in september 1927, richtten ook Luikse kameraden zo een comité op en van die Luikse C.I.D.A. was Jean Ledoux de secretaris. Het comité fuseerde met de plaatselijke anarchistengroep en voortaan noemde men zich Groupe Anarchiste. Nog wat later, in het najaar van 1928, zag in Flémalle een Comitato Anarchico Pro Vittime Politiche (C.A.P.V.P.) het levenslicht. Hier was de centrale figuur Camille Mattart.
De C.I.D.A. van Luik hield het nauwelijks uit tot het einde van de lente van 1929 en ook de C.A.P.V.P. van Flémalle was geen lang leven beschoren want hij werd in september-oktober 1931 een laatste keer in de bronnen vermeld. Enkel de Brusselse C.I.D.A. bleef bestaan tot aan de Tweede Wereldoorlog.
De belangrijkste redenen voor het ontstaan van deze comités was aan de ene kant de aanwezigheid in België
van talrijke politieke vluchtelingen en verder de troebele contacten van de anarchisten met andere hulporganisaties zoals bijvoorbeeld het Secours Rouge International, dat niet tussenkwam ten voordele van vervolgden uit het communistische Rusland. Zo kloegen Ferandel, Adamas, Hem Day en Emile Marchand op de C.I.D.A.-meeting van 23 april 1927 te Brussel de wereldwijde repressie aan. Ze eisten de afschaffing van folteringen en algemene amnestie voor de politieke gevangenen in de dictatoriale regimes van Italië, Spanje, Polen, en ... de USSR. En ze vroegen de vrijlating van Sacco & Vanzetti in de U.S.A. en van de Spaanse anarcho-syndicalisen Ascaso, Durutti en Jover die in Frankrijk werden vastgehouden. Verder werd het expulsie-beleid van de Belgische regering ten aanzien van anti-fascistische politieke vluchtelingen op de korrel genomen. De dag nadien ging een soortgelijke meeting door in Luik en een week later, op 30 mei, vond rond de affaire Sacco & Vanzetti een manifestatie en protestmeeting plaats te Brussel waar syndicalisten, socialisten, communisten en anarchisten samen opstapten.
Ondertussen verschenen in de anarchistische pers vanwege de C.I.D.A.-comités verschillende artikels waarin de dreiging tot landuitzetting van de Spaanse anarchistische politieke vluchtelingen Ascaso, Durutti en Jover werd gehekeld. En ook tegen de gevangenzetting van de in Seraing verblijvende Italiaanse anarchist Francesco Gasperini werd geprotesteerd. Hij werd er onterecht van beschuldigd een tweetal Italiaanse fascisten te hebben vermoord en verdween voor meer dan een jaar achter de tralies. Ook voor andere Italiaanse anarchisten, zoals Battini, Gigi Damiani en C. Perrissino, werd geijverd voor asielrecht.
In de loop van 1929 kwamen de C.I.D.A.-comités op voor de anarchist Angelo Bartolomei, die Frankrijk ontvlucht was nadat hij er een priester en agent van Mussolini had geliquideerd. Bartolomei werd per toeval wegens verboden wapendracht opgepakt in Flémalle-Haute en belandde alzo in de gevangenis van Luik. De Franse overheid vroeg om zijn uitlevering, maar de C.A.P.V.P. van Flémalle, de C.I.D.A. van Luik en de anarchistengroep van Luik startten een campagne tegen landuitzettingen en uitleveringen en om de propaganda te verbreden deed de C.I.D.A. van Brussel zelfs een beroep op niet-anarchistische, linkse organisaties. Met deze steunoproepen was zij tamelijk succesvol en men ontving positieve reacties van o.a. E. Marchand van het "syndicat du Bâtiment", J. De Boë van het "syndicat des typographes", W. Van Overstraeten namens communistische oppositiegroepen, Bouche van de Union anarchiste française en van de advokaten R. Lazurich van de balie van Parijs en Léon-Eli Troclet van de balie van Luik, ... Uit al deze contacten ontstond een "Comité du Droit d'Asile" dat een reeks meetings op touw zette. Een eerste meeting ging op 4 juni door te Brussel, in het Maison des Huit Heures. Sprekers waren R. Lazurich, E. Marchand, Nicolas Lazarévitch en een vertegenwoordiger van de fédération anarchiste de France. Vervolgens vond op 15 juni een meeting plaats in Charleroi, op 16 juni eentje in Luik, op 6 juli in Beyne-Heusay (nabij Luik), op 7 juli in Verviers en in Bonne, op 9 augustus in Brussel, op 10 augustus in Queue du Bois (nabij Luik), op 17 augustus in Fécher (tussen Luik en Verviers), op 19 augustus in Herstal (nabij Luik) en op 19 oktober in Gilly (nabij Charleroi). Op al deze meetings werd het politieke karakter van de 'criminele' daden van Bartolomei benadrukt en in het verlengde daarvan werd een eventuele uitlevering gecontesteerd. In wezen ging het immers om het asielrecht van een anti-fascistische vluchteling en de uitwijzing door de kapitalistische, Belgische overheid werd gekaderd in de algemene strijd tegen dit kapitalisme. Hand in hand gingen inwoners en buitenlanders immers de strijd tussen arbeid en kapitaal aan en de landuitwijzingen werden aanzien als een rechtstreekse aanval op de eigen gelederen.
De Brusselse C.I.D.A. en het C.A.P.V.P. van Flemalle wijdden in september 1929 aan de affaire Bartolomei zelfs een eenmalig blad, nl. Droit d'asile. Het telde vier pagina's en omvatte een autobiografie van de Italiaanse arbeider, de tekst van wat hij aan de procureur had gezegd, een aanklacht van de fascistische activiteiten van de priester die hij had omgebracht en een betoog waarin uitleveringen om politieke redenen werden bekritiseerd. En in een artikel van Jean de Boë werd gewezen op de Belgische tradities van gastvrijheid en op de samenwerking tussen overheid en de buitenlandse fascistische politie die daarmee in tegenstelling was. de Boë eiste asielrecht voor alle "chevaliers de la civilisation... qui ont fait de leurs sacrifices un rempart contre la curée réactionnaire... qui ont exalté la liberté contre l'esclavage, l'humanité contre la cruauté".
(Droit d'asile, september 1929, p. 1, kol. 1-2.) Lazarévitch riep de arbeiders in België op zich te verzetten tegen de uitleveringen en landuitzettingen en Ernestan liet weten dat er na Bartolomei nog anderen zouden volgen. Tenslotte kloeg ook Hem Day de jacht op vluchtelingen aan en de uitlevering van Bartolomei aan de Franse autoriteiten beschouwde hij als een onderwerping van de Belgische overheid aan de moordenaar Mussolini. Uiteindelijk weigerde de Belgische minister van justitie Bartolomei uit te leveren aan Frankrijk en de Italiaanse vluchteling kwam in maart 1930 terug op vrije voeten, al werd hij kort nadien geëxpulseerd naar het groothertogdom Luxemburg.
In februari 1930 gaf de C.I.D.A. van Brussel nogmaals een blad uit. Onder de titel Guerre au Fascisme werd naar aanleiding van het huwelijk van de Belgische prinses Marie-José met prins Umberto de Savoie, stil gestaan bij het fascisme. Italiaanse migranten beschreven de politieke situatie in hun land, Ernestan schreef een artikel over de achtergronden van het fascisme en gaf een opsomming van Belgische organisaties die er zich op beriepen, Lazarévitch had het over de landuitzetting van een honderdtal antifascisten n.a.v. het prinselijk huwelijk en Hem Day had het over pseudo-complotten die aangegeven waren door de politie van Mussolini met de bedoeling de Italiaanse antifascisten in België monddood de maken. De Belgische autoriteiten waren in zijn ogen dan ook medeplichtig aan fascistische provocaties.
In 1936 liet Hem Day namens de Brusselse C.I.D.A. aan de lezers van Rouge et Noir weten dat er boven het hoofd van de Italiaanse migrant Adolphe Barattini een uitlevering hing. Barattini was in 1921 in Toscane betrokken geweest bij gevechten tussen anarchisten en fascisten en hiervoor veroordeeld tot 30 jaar gevangenschap. Maar hij was kunnen vluchten naar Frankrijk en in 1934 belandde hij in België. Hier werd hij echter begin mei 1936 gearresteerd en hij werd opgesloten in de gevangenis van Dinant en later in die van Luik. En terwijl de Luikse magistraten hem wilden uitleveren aan de Italiaanse overheid besloot de Belgische minister van Justitie eens te meer om hem vrij te laten.
Dan was er de affaire Louis Odekerken. Deze Vervierse anarcho-syndicalist had begin februari 1937 twee jonge Duitsers, die op de vlucht waren voor het Hitler-regime, tijdelijk onderdak gegeven en met hun drieën te samen reisden ze door naar Lille in Frankrijk. Maar aan de Franse grens werden ze gearresteerd en de twee Duitsers werden terug naar de Duitse grens gebracht. Odekerken verscheen op 9 april voor de correctionele rechtbank van Doornik onder beschuldiging van het recruteren van vrijwilligers voor Spanje. Hij werd er vrijgesproken, maar in hoger beroep bij de rechtbank van Brussel werd hij op 19 mei veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf. De C.I.D.A. deed de heel zaak uit de doeken in het blad Le rouge et le Noir en eiste de vrijheid voor Odekerken.
Naast de acties voor binnenlandse en buitenlandse militanten in België ging ook veel aandacht naar strijdgenoten in het buitenland. En daarbij beperkte men zich niet tot de vervolgingen in fascistisch Italië. Ook de repressie t.a.v. de anarchisten in het republikeinse Spanje en in de communistische U.S.S.R. werd onder de loep genomen. Zo organiseerde de Brusselse C.I.D.A. in 1932
een protestcampagne tegen de mensonterende repressie in Spanje na de revolutionaire januari-staking van de C.N.T. en tegen de deportatie van anarchistische militanten naar strafkolonies. En in oktober 1933 protesteerde zij tegen de arrestatie van de anarchisten Ascaso, Durutti, e.a. Ze stuurde ondermeer een telegram naar de Spaanse minister van Justitie en naar de Spaanse ambassade in Brussel. En over de Spaanse revolutie schreef ze in L'Emancipateur (november-december 1933, p. 4, kol. 1.) "dix mille travailleurs révolutionnaires emprisonnés, quatre cents exterminés par la mitraille policière, déportation dans la Guinée, bombardements et incendies... fermeture des syndicats, suppression de la presse ouvrière, persécutions sans nombre, lois spéciales répressives d'ordre public..." En ze haalde uit naar de Spaanse socialisten die de revolutie misbruikten om de eigen partij te versterken en de anarcho-syndicalisten te bestrijden. Dit terwijl de Franquistische troepen oprukten ! In november 1936 deed de Brusselse C.I.D.A. een oproep naar de grote syndicale organisaties van het land om zich solidair te verklaren met de strijd van de republikeinen in Spanje en meteen werd ook de non-interventie politiek van de Westerse landen bekritiseerd. En na de overwinning van Franco werd veel energie gestoken in de opvang van Spaanse, politieke vluchtelingen in België.
Een ander actieterrein van de C.I.D.A.'s had te maken met de situatie in de U.S.S.R. Hier werden de anarchisten al vervolgd van in de tijd van de oktoberrevolutie in 1917.
(Cfr. Machnobeweging en Kronstadtopstand.) De C.I.D.A.'s kloegen dit natuurlijk aan. En eind 1930 eisten ze de vrijlating van de Italiaanse anarcho-syndicalist Francesco Ghezzi, die in 1922 naar het Rusland van de revolutie gevlucht was, maar er om zijn politieke overtuiging gearresteerd en in 1929 veroordeeld was tot 3 jaar strafkolonie. Verscheidene telegrammen en protestbrieven, waarvan één zelfs mede-ondertekend was door de kunstenaar en autonome communist Frans Masereel, werden verstuurd naar het Kremlin en de vrijlatingscampagne werd spoedig in verschillende Westerse landen gevoerd. In 1931 kwam Ghezzi vrij maar hij mocht het land niet verlaten en eind 1937, ten tijde van Stalin, belandde hij terug in de gevangenis. (Uiteindelijk zou hij op 3 augustus 1942 in een goelag overlijden.)
Een andere in de U.S.S.R. vervolgde anarchist was de Italiaan Alfonso Petrini. Ook hij was er gearresteerd en in april en in augustus 1931 werden brieven van de Luikse C.I.D.A., van de C.A.P.V.P. van Flémalle en van het "comité du droit d'asile" verstuurd waarin om informatie gevraagd werd over het lot van Petrini. Op het einde van het jaar ontving men een antwoord waarin vermeld werd dat hij geïnterneerd was in een concentratiekamp en in 1932 werd hij voor drie jaar overgebracht naar Astrachan in het Zuiden van Rusland. In oktober 1933 wijdde ook de Brusselse C.I.D.A. enkele artikels in L'Emancipateur en in Le Rouge et le Noir aan de affaire Petrini. Hij leefde in erbarmelijke omstandigheden, had tuberculose gehad en wenste Rusland te verlaten. En hij leverde kritiek op "l'infamie d'un régime à l'école duquel seuls les fascismes les plus barbares ont encore quelque chose à apprendre... et où l'on assassine ceux qui pensent que la révolution ne vaut pas grand chose quand l'individu appartient corps et âme à la dictature étatiste".
(L'Emancipateur, oktober 1933, p. 4, kol. 2.) In oktober 1935 kwam de C.I.D.A. nog een laatste keer terug op Petrini. Via Le Rouge et le Noir liet men weten dat hij was vrij gelaten, maar in het Italië van Mussolini wachtte hem nog een gevangenisstraf van 17 jaar voor eerdere anti-fascistische activiteiten...
Na Petrini werd er door de C.I.D.A.'s in België actie gevoerd voor een andere Italiaanse anarchist, met name voor Othello Gaggi, die eveneens in zijn geboorteland veroordeeld was (tot 30 jaar gevangenisstraf) en gevlucht was naar de Sovjet-Unie waar hij op 2 januari 1935 gearresteerd werd en voor 3 jaar verbannen naar Siberië. 23 september van dat jaar verscheen er in Le Rouge et le Noir een brief van hem waarin hij aan de Italiaanse sectie van de IIIde Internationale vroeg om voor zijn vrijlating te zorgen zodat hij in Spanje kon gaan strijd leveren tegen het franquisme.
Tot slot moeten we nog melden dat de Brusselse C.I.D.A. vier nummers van het blad Ce qu'il faut dire uitgaf, meer bepaald in 1933, in juli 1934, in september 1935 en in september 1936. In het eerste en het vierde nummer werd volgens Hem Day de opstand van de anarchisten in Spanje verdedigd. In het tweede nummer nam men het o.a. op voor de anarchisten die in de Sovjet-Unie werden vervolgd en hun strijd tegen de G.P.U., de voorloper van de latere K.G.B. En in het derde nummer had men het over het Italiaanse fascisme en zijn imperialistische, koloniale oorlog in Abessinië (Ethiopië) en verder stelde men in het blad het expulsiebeleid van de Belgische minister van Justitie aan de kaak want dat viseerde vooral anti-fascistische militanten. Ook werd er melding gemaakt van de Italiaanse fascist Pullara Calogero die een tijdlang geprobeerd had te infiltreren in het anarchistische milieu... die man werd merkwaardig genoeg door de Justitie met rust gelaten !
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 90-105.)


6. Samenwerking met "Le Rouge et le Noir".
Het eerste nummer van het sociaal-literaire blad Le Rouge et le Noir verscheen op 17 december 1927. Het werd uitgegeven door de schrijver Pierre Fontaine en zou het tot oktober 1938 uithouden. In dit blad vond men artikels over diverse onderwerpen. Bijvoorbeeld over actualiteit, sociale zaken en politieke analyses. Verder over wetenschappelijke theorieën, en vooral ook over artistieke stromingen m.b.t. de literatuur en het theater. Het blad stond open voor vele opinies en de vrijheid van mening werd hoog in het vaandel gedragen. 'Tolerante vrijdenkerij' was m.a.w. het wezenskenmerk van Le Rouge et le Noir en al vlug kende het blad een zeker succes. Maar in 1932 werd het meer gauchistisch van inslag en voortaan konden er tal van progressieve auteurs hun artikelen kwijt. Het blad propageerde nu pacifistische standpunten, sympathiseerde met gewetensbezwaarden en bestreed het militarisme en de wapenindustrie. En weldra verenigde het vele linkse mensen : reformistische en revolutionaire socialisten, orthodoxe en dissidente communisten, progressieve christenen en militante pacifisten, en uiteraard ook anarchisten zoals Léo Campion, Hem Day, Ernestan en Lazarévitch. Le Rouge et le Noir bood de anarchisten de mogelijkheid om hun getto te verlaten en de vier boegbeelden gingen daar gretig op in : zo bereikten hun anti-autoritaire gedachten immers een breder publiek.
Vanaf november 1936 stopten de anarchisten echter hun medewerking aan Le Rouge et le Noir omdat met de deelname van de sociaal-democraten aan de regering Van Zeeland het blad steeds meer een pro-gouvernementele houding aannam.
Er was niettemin ook kritiek vanuit anarchistische hoek op de medewerking aan Le Rouge et le Noir. In 1937 in het Bulletin intérieur des Groupes libertaires de Belgique beschuldigden "9 camarades de Bruxelles", aangesloten bij het Comité pour l'Espagne Libertaire, de anarchisten Campion, Hem Day en Ernestan ervan dat ze met hun medewerking aan Le Rouge et le Noir de legende deden geboren worden dat de anarchistische beweging in België zich enkel met intellectuele zaken bezig hield en dat zij de anti-kapitalistische strijd uit het oog verloren waren. De "9 camarades" stelden : "cette tendance a amené... beaucoup de sympathie pour l'ideologie antiautoritaire dans la classe des intellectuels avancés, destinés à l'inactivité social parmi les masses... mais que la majeure partie de l'intervention anarchiste au Rouge et Noir est sans affinité avec les réalités du problème social"
(Bulletin..., augustus 1937, p. 6) En de anarchistengroep van Verviers nam een tussenhouding aan. Hij beschouwde de medewerking aan Le Rouge et le Noir evenmin zinvol, maar ze was volgens hem niet zo nefast als de "9 camarades" beweerden en de Vervierse anarchisten waarschuwden de andere anarchisten in België zich niet te laten beïnvloeden door de "préjugés marxistes de l'ouvriérisme". (Bulletin..., december 1937 - februari 1938, p. 3.)
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 106-113.)

7. De affaire Hem Day & Campion.
De 28ste februari van 1933 stuurden de anarchisten Hem Day en Léo Campion hun livret militaire terug naar de minister van defensie. Het was vergezeld van een brief waarin ze zeiden dat ze weigerden deel te nemen aan de landsverdediging. In feite betrof het een wat late verklaring dat ze gewetensbezwaarden waren, want beiden hadden een kleine tien jaren eerder hun legerdienst reeds gedaan. Hun gewijzigde houding was eigenlijk een protest tegen een aantal repressieve wetsvoorstellen van de defensieminister waarmee die de anti-militaristische propaganda wilde tegengaan.
Het ministerie van defensie reageerde met de twee anarchisten terug op te roepen, maar zij weigerden daaraan gevolg te geven en ze schreven elk een nieuwe brief naar de minister. Op 19 mei verklaarde de legeroverheid echter dat beide dienstweigeraars als deserteurs beschouwd werden. En de 6de juni werd Hem Day gearresteerd en een dag later vloog Campion achter de tralies. Beiden werden in de gevangenis van Vorst opgesloten.
Spoedig ontstond er een solidariteitsbeweging rond de twee opgesloten anarchisten en de kennissenkring rond het weekblad Le Rouge et le Noir speelde daarin een crusiale rol. Het blad zelf gaf overigens ruim verslag van de gebeurtenissen en het spoorde zijn lezers aan "à mener campagne ardemment, opiniâtrement, pour la paix, pour la justice, pour la liberté d'opinion et pour le droit de chacun de refuser de tuer".
(Le Rouge et le Noir, 21 juni 1933, p. 1, kol. 3.) Bovendien werd er een "Comité de défense des objecteurs de conscience Léo Campion et Hem Day" opgericht dat weldra de Belgische sectie van de Internationale des Résistants à la Guèrre (I.R.G.), het Comité International de Défense anarchiste, de Belgische sectie van de Ligue Internationale des Femmes pour la Paix et la Liberté (L.I.F.P.L.), de Vlaamsche Oud Strijders (V.O.S.), de Kommunistische Partij (K.P.), de Secours Rouge International (S.R.I.), de Ligue des Femmes contre la Guerre Imperialiste en de kennissenkring rond het blad Le Rouge et le Noir omvatte. Dit verdedigingscomité organiseerde 30 juni 1933 in een zaal van de "Lion d'Or" te Brussel een meeting die werd voorgezeten door Pierre Fontaine en waar achtereenvolgens Mil Zankin namens de I.R.G., A. Jacobs voor de V.O.S., Ernestan van het C.I.D.A., Isabelle Blume van de L.I.F.P.L., Pierre Vermeylen van de S.R.I. en het communistisch, Brussels gemeenteraadslid Henri de Boeck het woord namen. Ze protesteerden tegen de arrestatie van de twee gewetensbezwaarden en eisten hun vrijlating.
Een tweede meeting ging eveneens te Brussel door, nl. op 14 juli 1933 in het Maison des Huit Heures. Het initiatief werd genomen door de Ligue Internationale Socialiste Antiguerre (L.I.S.A.) die vooral in Vlaanderen actief was, de federatie van Brusselse syndicaten, de B.W.P., de J.G.S. en de Association Socialiste des Anciens Combattants ex-militaires et Victimes de la guerre (A.S.A.C.V.). Sprekers waren Isabelle Blume, Ernestan voor de I.R.G., Emile Marchand voor de federatie van syndicaten, Naessens namens de L.I.S.A., Fr. Vandersmissen voor de Brusselse afdeling van de B.W.P. en W. Van Remoortel namens de A.S.A.C.V. Weer stond de invrijheidstelling van de anarchisten Hem Day en Léo Campion alsook die van Nicolas Lazarévitch op de agenda. (Deze laatste was in Verviers veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf.) En in 't algemeen werd er opgeroepen tot de anti-fascistische strijd en tot het bekampen van het barbaarse kapitalisme.
Er waren bovendien solidariteitsbetuigingen vanuit Parijs, Romaans-Zwitserland, Londen en ook de Vlaamse sectie van de Ligue Internationale Socialiste Antiguerre en De Vrije Socialisten Groep, beiden van Antwerpen, protesteerden publiek tegen het overheidsoptreden. Verder kwamen afgevaardigden van de Brusselse federatie van de socialistische B.W.P. en van de federatie van de Brusselse syndicaten reeds 21 juni samen in het plaatselijke Maison du Peuple en al twijfelden zij aan het nut van anti-militaristisch verzet door het zich beroepen op het eigen geweten, betoonden zij hun volle sympathie voor het pacifisme van Hem Day en Campion en hun afkeer voor de oorlogsminister en het kapitalisme in België. En Marcel Dieu alias Hem Day ontving in de gevangenis meer dan 300 brieven van mensen die met hem sympathiseerden. De secretaris van de Ligue des objecteurs de conscience van Frankrijk, Eugène Lagot, nam zelfs contact op met koning Albert I opdat hij ten voordele van de beide pacifisten zou tussenkomen bij de minister van defensie en bij het parlement. Uiteraard ving hij bot. De koning liet weten dat "s'associer sous quelque forme que ce soit à un mouvement qui sous prétexte de condamner les injustes guerres d'agression et de conquête ne tend à rien moins qu'à recommander la soumission passive à l'aggresseur, en représentant comme un acte louable le refus de servir la patrie".
(Le Rouge et le Noir, 6 september 1933, p. 3, kol. 6.) En de grote natuurkundige Albert Einstein, die in de pacifistische milieu's bekend stond als sympatisant van gewetensbezwaarden, nam een genuanceerd standpunt in : "Dans les circonstances actuelles, je ne refuserais pas, comme belge, le service militaire mais je l'admettrais en toute conscience avec le sentiment de contribuer au sauvetage de la civilisation auropéenne. Ceci ne signifie point le renoncement du point de vue professé antérieurement. Je ne demande pas mieux que le temps revienne où le refus du service militaire redeviendra un moyen de combat efficace pour le progrès humain." (La Patrie Humaine, 18 augustus 1933, p. 1, kol. 3.) En de anarchist Hem Day schreef een maand later hierop in niet mis te verstane woorden "Adieu à Einstein". (Le Rouge et le Noir, 20 september 1933, p. 3, kol. 1-6 en L'Emancipateur, oktober 1933, p. 3, kol. 1.)
Voor de Conseil de Guerre du Brabant te Brussel drukte Hem Day zijn spijt uit over de legerdienst die hij vroeger had vervuld en met de terugzending van zijn militair zakboekje - zo zei hij - getuigde hij dat zijn geweten bezwaard was. Bovendien gaf hij aan dat zijn handelwijze in overeenstemming was met zijn anarchistische overtuiging. Dienst doen was immers zich onderwerpen aan de autoriteit van de staat. Léo Campion van zijn kant ging meer de humoristische toer op. Hij zei dat zelfs onder de vroegere heersers voorstanders waren van de gewetensvrijheid en hij noemde bijvoorbeeld Herodotus, Frederik II en Clémenceau. En hun advokaten riepen zes pacifistische prominenten op als getuigen, nl. Joseph Chalmet, de Vlaamse, socialistische volksvertegenwoordiger, Isabelle Blume, de secretaris van de Ligue Internationale des Femmes pour la Paix et la Liberté, Han Ryner, de Franse libertaire individualist, filosoof en vriend van Hem Day, de internationaal bekende pacifist Henri Guilbeaux, M.A. Jacobs, de voorzitter van de Vlaamse oud-strijdersvereniging V.O.S. en Maurice Lecat, eveneneens lid van V.O.S. en auteur van het boekje Contre la Guerre avec Einstein
(Leuven, 1931, 82 p.) en van de Nederlandse vertaling "Met Einstein tegen den oorlog..." (Brussel, 1933, 139 p.). Maar de getuigenverklaringen maakten weinig indruk op de militaire rechtbank : Campion werd veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf en Hem Day, die voordien reeds een viertal keren veroordeeld was (o.a. voor de uitgave van een affiche waarop geen verantwoordelijke uitgever vermeld was, voor het slaan van een politie-inspecteur, voor het beledigen van de gendarmerie en omdat hij een keer niet gaan stemmen was), belandde voor zes maanden in de kerker.
Te linker zijde van het politieke leven konden de beide gewetensbezwaarden op redelijk wat sympathie rekenen. In het communistische blad, Le Drapeau Rouge, verklaarde men zich solidair met alle slachtoffers van de burgerlijke repressie ook al beschouwde het blad de dienstweigering als een weinig doeltreffend actiemiddel. En het blad van de linkervleugel van de sociaal-democratische B.W.P., L'Action Socialiste, nam ongeveer eenzelfde standpunt in. Het socialistische partijblad Le Peuple hield zich nog meer op de vlakte en deed zelfs geen uitspraak over haar houding ten aanzien van gewetensbezwaarden. Anderzijds toonde het zich toch solidair met de anti-militaristische strijd en het pleitte voor de vervanging van de militaire rechtbanken door burgerlijke rechtspraak. Enkele socialistische volksvertegenwoordigers zouden in die zin trouwens een aantal wetsvoorstellen indienen in het parlement.
En ook van buiten de kamer kwam er protest. Ondermeer van de Brusselse federatie van de B.W.P., van het comité national des Jeunes Gardes Socialistes, van het Syndicat des métallurgistes de Bruxelles, van het 45ste nationaal congres van de Libre Pensée en van de Antwerpse vereniging Les Libres Penseurs "Francisco Ferrer". Het comité Hem Day - Campion verspreidde 20.000 pamfletten en de Belgische sectie van de I.R.G. deed een oproep naar de pacifistische pers in het buitenland en naar alle secties van de Jeunes Gardes Socialistes. Verder verspreidde het een duizendtal exemplaren van het blad Le Rouge et le Noir waarin een verslag van het proces stond.
En Hem Day en Campion zelf gingen samen met de Vlaamse gewetensbezwaarde Lionel De Vlaeminck vanaf 25 juli 1933 in hongerstaking.
Daarop bracht het militair hof op 3 augustus de gevangenisstraffen terug tot 3 maanden en dezelfde dag kwamen beide anarchisten al vrij. Vier dagen later organiseerden de Brusselse federatie van de B.W.P., de federatie van syndicaten en het comité Hem Day - Campion te Brussel een meeting waar de twee anarchisten en Lionel De Vlaeminck meer dan duizend aanwezigen toespraken en waar de in vrijheidstelling van van Nicolas Lazarévitch en 7 andere gewetensbezwaarden werd geeist.
(D. KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste..., p. 114-134.)

BIBLIOGRAFIE :
Bert ALTENA, Anarchisme in België en Nederland (1885-2000). - Henri ARVON, Het anarchisme..., p. 113-142.
Henri ARVON, L'anarchisme au XXe siècle, Paris, 1979, 232 p.

Pierre AUBÉRY, L'anarchisme des littérateurs au temps du symbolisme. - Mouvement Social, Paris, n°69, octobre-décembre 1969.
Patrick CARDON & Lucien MIRANDE , Georges Eekhoud : un illustre uraniste, Lille, 1996.
Pol CHARLES, Raoul Vaneigem, une biographie, Lausanne, 2002.
Pol CHARLES, Vaneigem l’insatiable, Lausanne, 2003.
David COPPI, Les repères de l’anarchisme entre les deux guerres en Belgique francophone, à travers la presse libertaire, lic. verh. ULB, Brussel, 1986, 106 p.

Colonie Communiste Libertaire de Stockel-Bois, Statuts de la Colonie. - L’Insurgé, n°40-41, a.III, 14-10-1905.
Hem DAY, Quarante ans d'An-archie. - Bibliographie de Hem Day, Brussel, 1964, p. 41-58.
Peter DE LANNOY, Anarchisme in België tijdens het interbellum : organisatorische onmacht troef, lic. verh. VUB, Brussel, 1993, 305 p.

Peter DE LANNOY, De Belgische anarchisten en de affaire Sacco en Vanzetti. - AMSAB-Tijdingen, Gent, nr. 22, 1994, pp. 19-20
Jean DE MEUR, L'anarchisme ou la contestation permanente. Essai, Brussel, 1970, 181 p.
ANDREAS FAES, Hedendaags anarchisme in Nederland en Vlaanderen (1933-2000), lic. verh. RUG, Gent, 2004-2005, 225 p. (
Digitale versie van deze verhandeling :
http://www.fondspascaldecroos.org/uploads/documentenbank/82a0d29dc1bc4e59e5c6f1809937bfd8.pdf)
Jean François FÜEG, Le Rouge et le Noir (1927-1938), lic. verh. ULB, Brussel, 1989.
Jean François FÜEG, Le Rouge et le Noir. Un
hebdomadaire bruxellois non conformiste. - BTNG, XXIV, 1993, 3-4, p. 441- 500. (Digitale versie : http://www.flwi.ugent.be/btng-rbhc/pdf/BTNG-RBHC,%2024,%201993,%203-4,%20pp%20441-500.pdf)
E. GILLET, Le concept de ‘Lutte des classes’ dans les revues anarchistes de 1917 à 1925, lic. verh. ULB, Brussel, 1988.
Carine JANSEN, L'objection de conscience en Belgique : 1919-1964, lic. verh. U.L.B., 1983, 280 p.
Didier KAROLINSKI, Le mouvement anarchiste en Wallonie et à Bruxelles 1919-1940, lic. verh. UEL, Luik, 1983, 178 p
.
Joseph SCHILDERMANS, Alias Hem Day (1902-1969). - AMSAB-Tijdingen, Gent, nr. 22, 1994, pp. 21-25.
Joseph SCHILDERMANS, Hem Day (1902-1969) en het Franstalig Belgisch anarchisme tussen de twee wereldoorlogen, lic. verh. KUL, Leuven, 1983.

M. SIMON-RORIVE, La presse socialiste et révolutionnaire en Wallonie et à Bruxelles de 1918 à 1940, IUCHG, 75, Leuven-Parijs, 1974.
Stefan VAN DEN ZEGEL, Y’en a pas un sur cent..., Parcours de militants libertaire autour de la guerre d’Espagne, lic. verh. ULB, Brussel, 1985.
Raoul VAN DER BORGHT, Hem Day, Marcel Dieu, een leven in dienst van het anarchisme en het pacifisme : een politieke biografie... 1902-1940, lic. verh. VUB, Brussel, 1973, 104 p.