Anarchisme in België van 1880 tot 1914.

home
chronologie
Met het anarchisme in België ging het begin jaren tachtig van de negentiende eeuw niet zo goed meer. Zeker niet als je het vergelijkt met de periode voordien, ten tijde van de anti-autoritaire Internationale. Van een massabeweging was in ieder geval geen sprake. Losstaande individuen troffen elkaar slechts in besloten comités, waar uiteraard het grote gelijk werd gecultiveerd.
Zo had je sinds 1881 in Brussel de Cercle Anarchiste, de Union Anarchiste de Bruxelles en de Vereenigde Anarchisten. Deze clubs traden amper nog naar buiten en langzamerhand raakten de Brusselse anarchisten geïsoleerd. Een enkele keer, in het najaar van 1882, lieten ze nog eens van zich horen naar aanleiding van het bezoek van de bekende Franse anarchiste Louise Michel (cfr. biografie). Deze voormalige "communarde, pétroleuse, rode maagd" bracht heel wat volk op de been en in Gent gaf dit zelfs aanleiding tot woelige tegenbetogingen van Leuvense studenten.
Ook in Antwerpen was er wat beweging van anarchisten en revolutionairen. In maart 1881 waren immers afgevaardigden van plaatselijke groepen present op een congres van de nationale Union Révolutionnaire. En op het einde van het jaar zag het blad De Opstand het licht, dat zou blijven verschijnen tot in 1884. De uitgever en centrale figuur in het Antwerps anarchisme van die dagen was Henri
De Cleyn.

De Opstand, 1883.
De Opstand
, jg. 1, nr. 10,  maart 1883 (Antwerpen, Stedelijke Bibliotheek).

In Luik waren zowel autochtone als Duitse revolutionairen en anarchisten aktief, al lieten de evolutionisten er sinds 1882-1883 meer van zich horen. En in Verviers, waar sinds jaar en dag de anarchistische vlag wapperde liet zich eveneens een lichte toenadering naar de gematigde socialisten uit Vlaanderen en Brussel voelen. Al bleef de anarchistenclub L'Etincelle fervent de anti-autoritaire standpunten propageren. Sinds augustus 1880 tot in oktober 1881 gaf ze trouwens het blad La Persévérance uit waarin fel van leer getrokken werd tegen de evolutionistische BSP. Maar in 1881 zag onder impuls van de vroegere anarchist Pierre Fluche in Verviers ook de kring En Avant het licht die hoe langer hoe meer gematigde standpunten innam en in 1882 de krant La Sentinelle uitgaf dat in 1883 het officiele Franstalig orgaan van de BSP werd.
Samengevat, de revolutionaire anarchisten moesten haast overal in het land het evolutionisme naast zich dulden en zeker in het Vlaamse land en Brussel kwam het initiatief steeds duidelijker in handen van diezelfde evolutionisten.

La Perseverance

La Persévérance, jg. 1, nr. 7,  feb. 1881 (Amsterdam, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis)

Een bomontploffing te Ganshoren.
Terwijl sinds 1876 de ideeën rond de "Propaganda door de Daad" in Europa verspreiding vonden en tegelijkertijd het continent geregeld werd opgeschrikt door bomaanslagen bleef het in België relatief rustig. Hierin kwam pas verandering toen op 23 februari 1883 een bom tot ontploffing kwam in Ganshoren, een buitengemeente van Brussel. Het ging echter niet om een aanslag. Twee jonge Franse migranten, Paul Métayer en Antoine Cyvoct, wilden een zelfgemaakte, experimentele bom uittesten en begaven zich van Brussel naar het omliggende platte land. Tijdens de wandeling maakte Métayer echter een ongelukkige val en daarbij kwam de bom tot ontploffing. Zwaargewond overleed hij de volgende dag.
De Belgische overheid was, gezien de talloze aanslagen in het buitenland, zeer verontrust door de ontploffing in Ganshoren. Onmiddellijk startte ze een onderzoek en al snel bleken beiden Fransen anarchisten te zijn. Cyvoct was in Lyon uitgever geweest van het anarchistische blad L'Étendard Révolutionnaire en hij werd in Frankrijk gezocht voor betrokkenheid bij een bomaanslag in dezelfde stad, waarbij een dode en enkele gewonden waren gevallen. Gelukkig voor hem verbleef hij in die tijd veilig in de Zwitserse Jura waar ook de van Lyon afkomstige, voormalige novice Métayer verbleef. Beiden trokken in het najaar van 1882 naar België. Cyvoct deed eerst Verviers aan, waar hij werd opgevangen door anarchisten van L'Étincelle. En eind december was hij in het Brusselse waar hij een onderkomen vond bij de bekende anarchist Hubert Delsaute, in de rue Linnée 113 te Schaarbeek (Sint-Joost-ten-Noode). Hier logeerde inmiddels ook Métayer en verder twee jonge Russen, de mecanicien Grégoire Federscher en de student geneeskunde Alexis Lewin. Allen waren het anarchistisch ideeëngoed toegenegen en samen met de van Verviers afkomstige, Franse, autoritaire, revolutionair Antoine Didier legden zij zich toe op de fabricage van bommen. Op 23 februari trokken Paul Métayer en Antoine Cyvoct naar het platte land om een experimentele bom uit te testen. Onderweg, in Ganshoren, kwam Métayer echter ten val en daarbij ontplofte de bom die hij bij zich droeg. Zwaar gewond werd hij afgevoerd naar het hospitaal waar hij de volgende dag overleed. De radikale vrijdenkerskring Les Cosmopolitains regelde voor Métayer een burgelijke begrafenis waar de lijkrede werd uitgesproken door de Brusselse anarchist Egide Govaerts. Govaerts prees het militantisme van de overledene en riep op de revolutionaire strijd verder te zetten. En het Antwerpse anarchistische blad De Opstand becommentarieerde het vastberaden stilzwijgen van Métayer op zijn sterfbed met de woorden : "Zoo sterven Anarchisten".
Antoine Cyvoct, die onmiddellijk na de ontploffing was gearresteerd, werd uitgeleverd aan de Franse autoriteiten en verdween voor jaren achter de tralies. (Cfr. biografie)

Tenslotte nog de relativerende woorden van Gautier de Rasse van de toenmalige 'staatsveiligheid' : "...les anarchistes au nombre desquels Colignon, Govaerts, Pellering, Dupaix et Delsaute avaient tenu certains propos ou profité certaines menaces, d'ou il résulterait que l'un ou l'autre de ces individus, mais plus particulièrement le premier, serait bien capable de se livres à l'un ou l'autre excès." ... Het bleek meer rook dan vuur en men moest besluiten dat een verband tussen de affaire van Ganshoren en de vermeende anarchistische complotten louter fictie was.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 48-49; H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen"..., p. 46-50, 60-61.)

De anarchistische beweging in 1883-1885.
Op het blad De Opstand na gaven de anarchisten in België in 1883-1884 nauwelijks nog teken van leven. In 1883, aan de vooravond van 18 maart - de herdenkingsdag van de Commune van Parijs - kwamen een tiental Brusselse anarchisten en socialisten samen. Onder meer de socialisten Louis Bertrand, Charles Delfosse, Cesar De Paepe, Eugène Steens en Charles Debuyger
. De twee laatsten waren tot enkele jaren voordien anarchist geweest maar het anarchisme werd op de bijeenkomst vooral vertolkt door Egide Govaerts, Alexandre Colignon, Joseph Pellering en Léon Dupaix. En een dag later zouden er drie geheime vergaderingen van anarchisten hebben plaatsgevonden waarop ook buitenlanders zouden aanwezig geweest zijn. Blijkbaar werkte deze keer de geheimhouding van de anarchisten goed want de arm der wet kwam er niet achter wat er doorging of waar het plaatsvond. Wel zaten weer een dag later de anarchisten nog maar eens rond de tafel op de bovenverdieping van La Croix de Fer, rue de bouchers 47, o.a. Hubert Delsaute en Léon Dupaix. Merkwaardig was trouwens dat op deze bijeenkomst vrouwen niet werden toegelaten... jongeren wel... zo'n tiental van 18 à 24 jaar woonden de vergadering bij. En de liaison met de socialisten zette zich voort. Rond 22 uur arriveerden Bertrand en Delfosse die een anderhalf uur bij de 'anars' doorbrachten. Maar we hebben het raden naar wat er besproken werd.
Na maart duurde het tot eind september 1883 eer de Brusselse anarchisten terug een teken van leven gaven en dan was het nog maar een beperkte commentaar op de verkiezingen in het Parijse anarchistenblad Le Révolté. Een maand later berichtten ze aan deze krant dat het volk van Brussel 'in woede ontstoken' het pas ingehuldigde giganteske Justitiepaleis overrompeld had en zich overgaf aan vandalisme?! Verder zag in november 1883 in Brussel de kring Les Bras de fer het licht en die propageerde onomwonden de strijd tegen de burgerij. Wraak en gerechtigheid waren de drijfveren en daarbij lag het gebruik van geweld (met de dolk, het vergif of de springstof) voor de hand. De strijd werd gezien als een 'guerilla' of 'partizanenoorlog' en daarmee zat je zo bij een globale, sociale revolutie. "Allons frères de misère, assez courbé la tête, assez de faiblesse, venez grossir l'armée des mécontents, qui s'accroît de jour en jour, venez nous ranger comme nous sous les sombre plis du Drapeau Noir, le drapeau des meurts-de-faim, mais aussi le drapeau de vengeance. (...) "Frappez! Cesez des moyens les plus violents, tels que poignard, dynamite, en passent par le pétrole et le poison pour faire disparaître cette vermine qui nous écrase, nous exploite, et qui eux mènent une vie de jouissance avec notre sang et nos sueurs." Van de machthebbers behoefden ze geen medelijden, zij zouden dit ook niet met hen hebben : "...bientôt un immence cri retentira partout : cri de vengeance et de justice. Alors votre heure aura sonné. Vive la Révolution! Vive l'Anarchie!" (Le Drapeau noir, Lyon, 25-11-1883, p. 4.)
In januari 1884 lieten de Brusselse anarchisten weten dat de Antwerpse De Opstand, die in 1883 zijn publicatie had moeten staken, zou herverschijnen. De administratie werd inderdaad heropgenomen en de krant liep spoedig opnieuw van de rollen.
De Brusselaars staken immers geld toe. Ze waren erg begaan met deze Antwerpse uitgave die lange tijd de enige anarchistische publicatie in België was.
In tussentijd voerden de anarchisten oppositie tegen de evolutionistische stemrechtbeweging, bijvoorbeeld bij de parlementsverkiezingen van juni 1884 die ze vergeleken met een 'electorale juliennesoep'. In hun ogen zou stemrecht immers nooit de arbeiders verlossen van het kapitalistische juk. Dat bleek overduidelijk toen bij de gemeenteraadsverkiezingen van oktober voor het eerst socialisten werden verkozen. Volgens de anarchisten had praten van dan af absoluut geen zin meer en evolutionisten en revolutionairen gingen voortaan elk hun eigen weg.
Zo richtten de socialisten in 1885 de reformistische Belgische Werkliedenpartij op, maar ook de aanhang van de Brusselse, revolutionaire anarchisten nam toe. Terwijl er in 1884 nauwelijks een tiental militanten waren, verdubbelde dit aantal de volgende jaren. Belangrijke, gekende figuren waren de typograaf Egide Govaerts, de juwelier Henri Wysmans, de zelfstandige krantenverkoper Ferdinand Monier, de bediende Xavier Stuyck, de stoffeerder Alexandre Colignon, de schrijnwerker/boekhouder Hubert Delsaute, de stoffeerder Léon(ard) Dupaix, de zelfstandige mecanicien-elektricien Joseph Pellering, de handschoenmaker Achille Hertschap, de jonge schilder Modeste Winandy,
de jonge typograaf François Ernest, alsook de ongeschoolde arbeider Ferdinand Pintelon, de student Paul Gilles, de bediende Ferdinand Hotton, Houdard, de schoenmaker Auguste Joris, de jonge typograaf Louis Joseph Neckelput, de gebroeders Antoine, Guillaume en Jean-Baptiste Deroy, alledrie typograaf, en niet te vergeten de van Herentals afkomstige Vlaamse, café-uitbater Eugène Verpoest. Verder ook de gebroeders François en Joseph Dutherque, beiden kleermaker, A. Reniers en de caféhouders Pierre Pira en Hubertine Wimbonet.
Verder kunnen hier ook nog een aantal dichte familieleden worden genoemd, bijvoorbeeld de beide zonen van de oudere redenaar Joseph Pellering (Joseph en Auguste), de broer van Egide Govaerts (Arthur), de vader en zoon van Auguste Joris (August en Alfred), de broer van Henri Wysmans (Corneille), de broer van Alexandre Colignon (Emile), ... en niet te vergeten de echtgenotes of concubines van sommige van de hierboven vermelde militanten. En dan was er ook nog de achterban van anarchistisch gezinde immigranten : Fransen, Duitsers, Nederlanders, Italianen, Russen, ...
Samengevat kunnen we in Brussel spreken van een actieve kern van een twintigtal anarchisten met een directe achterban van een vijftigtal mensen. Het waren overwegend handwerkers die vrijwel allen met armoede kregen af te rekenen : hun kleding was sjofel en hun huizen, doorgaans één of twee kamertjes, schaars bemeubeld. Velen woonden nog steeds bij hun ouders in, meestal in de arbeidersbuurten rond de Grote Markt of de Zavel. Qua leeftijd lag het zwaartepunt bij de twintigers en de veertigers. En er waren nogal wat vrijgezellen onder de Brusselse anarchisten, zeker een tiental. Verder was allicht een deel van hen tweetalig. Dat moet niet verwonderen want een grote meerderheid van de plaatselijke bevolking sprak een locaal Brabants dialect terwijl de stedelijke burgerij de Franse cultuurtaal gebruikte. Enkele anarchisten waren trouwens afkomstig uit het Vlaamse land, zoals Verpoest en Pira die geboren waren in Leuven en Achille Hertschap was oorspronkelijk afkomstig van Gent.
Op theoretisch vlak was men in die tijd weinig actief. Men had nauwelijks een eigen tijdschrift om de standpunten te propageren. Het enige 'theoretische' geschrijf waar de Brusselse anarchisten zich aan overgaven was een instemmende reactie op een artikel in L'Emeute, een anarchistisch blad uit Lyon. Het verscheen op 3 februari 1884 in Le Défi, de opvolger van L'Emeute, en beperkte zich tot een resoluut pleidooi voor de uitroeiing zonder genade van alle uitbuiters : "C'est la guerre des guérillas, des partisans qu'il faut leur faire dans les campagnes et dans les villes; il faut paraître et disparaître comme par enchantement; n'ayant pas de scrupules, les exploiteurs avec leur système d'extermination nous font subir continuellement la mort seche, c'est donc la guerre des braves que vous ferez, nullement blâmable parce que c'est la guerre pour l'affranchissement. Vive l'Anarchie!" (Le Défi, 3-2-1884, p. 1; H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen"..., p. 59.)
In 1885 konden de Brusselse anarchisten zich in een ruimere belangstelling verheugen, zij het dan dat dit aanvankelijk de verdienste van hun buitenlandse kameraden was. Het internationale spook van het anarchisme dat rondwaarde in Europa werd een mythe die ook in België ingang vond. Een mooi voorbeeld van deze mythevorming was dat de katholieke krant Le Journal de Bruxelles met regelmaat artikels publiceerde over buitenlandse dynamietaanslagen en complottheorieën terwijl enkel Duitsland met één anarchistische aanslag geconfronteerd werd, nl. op 1 februari werd de politiecommissaris van Frankfurt omgebracht. Kortom... weer meer rook dan vuur...
Al bij al ging het in de hoofdstad niet zo slecht met de anarchistische beweging. In de lente van 1885 zagen te Brussel in ieder geval verschillende, kleine, informele anarchistische groepen het licht. Ze stonden vrij los van elkaar, waren opgericht rond een concreet doel en kenden meestal geen lang leven. Het betrof bijvoorbeeld groepjes die zich bezig hielden met de uitgave van een krant of pamflet, bijvoorbeeld De Opstand, Ni Dieu ni maître, La Torche en Le Fer rouge. Achter Ni Dieu ni maître stond volgens een politierapport van 6 juli 1885 een groep van zo'n dertigtal leden. Onder het 'voorzitterschap' van Pierre Auguste Joris, redacteur van de krant, kwam de groep bijeen in het kleine café van Eugène Verpoest in de Onze-Heerstraat nr. 35 in Sint Joost ten Node (Schaarbeek). Bij de leden van deze kring behoorden de actiefste anarchisten van die dagen, onder meer Egide Govaerts, Henri Wysmans, Ferdinand Monnier, François Ernest, Henri Pintelon, Xavier Stuyck, Alexandre Colignon, Modeste Winandy en de gebroeders Deroy. Daarnaast viel de aanwezigheid van enkele buitenlandse anarchisten op : de Fransen Marie-Alphonse (François) Montant en Louis Joseph, de Duitser Franz Ricken en Jean-Baptiste Soethout die van Nederlandse afkomst was. In een politieverslag van een jaar later (27 juni 1886) lezen we dat er nog steeds een 25 à 30 personen bij de anarchist Verpoest vergaderden : "Ce sont des anarchistes d'autant plus dangereux que la plupart d'entre eux sont des jeunes écervelés. Quand ils se réunissent, tout est hermétiquement fermé, les stores sont baissés et à la moindre alerte, la séance est levée. Chaque membre sort individuellement et trés souvent il est porteur d'un petit paquet... A rapprocher de ce fait de ce qui m'a raconté hier, il y a réellement lieu de s'inquiéter un peu des agissements de nos anarchistes... Le groupe... parait être particulièrement dangereux." (H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen"..., p. 77.) Maar in een verslag van een andere agent, een dag later, meldde men dat de vergaderruimte niet meer dan een tiental personen kon herbergen en dat er doorgaans zo'n 7 à 8 anarchisten bijeenkwamen. "Ils s'amusent à causer, à lire des journaux et à fumer des cigarettes." (H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen"..., p. 78.)
Ze leken helemaal niet ongerust, en bleven wel eens een kwartiertje napraten op straat alvorens afscheid te nemen. Waarschijnlijk gingen beide politierapporten over twee verschillende bijeenkomsten : het eerste allicht over een redactievergadering die door vrijwel alle Brusselse anarchisten werd gevolgd en het tweede bijvoorbeeld over een voorbereidende propagandavergadering.
Verder waren er sociale studiekringen die zich richtten op de interne vorming zoals La Revendication, La Fourmi, Les Serpents, Les Affamés en La Liberté. En tijdelijk ontstonden clubs met de bedoeling een feest of meeting te organiseren. In de maand april zetten de anarchisten onder de naam La Populaire bijvoorbeeld een bal ten voordele van werklozen op touw. Uitzonderlijk werd een kring opgericht die mikte op een specifieke doelgroep zoals Vlamingen (De Vlaamsche Opstandelingen) of jongeren (La Jeunesse Révolutionnaire). Overleg tussen de vele groepjes gebeurde waarschijnlijk in de Union des Groupes Anarchistes de Bruxelles (1885-1889) die wekelijkse samenkwam en nogal wat meetings patroneerde.
Naast deze 'Union...' waren het dus bijna allemaal 'tijdelijke' verenigingen. Een uitzondering hierop vormde de reeds vermelde sociale studiegroep La Liberté. Hij werd opgericht door Henri Wysmans, Paul Gilles en Ferdinand Pintelon. In L'Insurgé plaatsten ze een warme oproep tot de "travailleurs désireux de s'instruire et de travailler à leur émancipation". En in de maand mei organiseerde de groep twee bijeenkomsten rond de thema's : "le patronat est-il nécessaire ?" en "le meeting du 25 mai" over troebelen te Parijs.
Met De Vlaamsche Opstandelingen, spoedig herdoopt naar het 'gelijknamige' blad De Opstand, beschikten ook de Nederlandstalige Brusselaars over een studiekring. Vanaf april 1885 vergaderden ze elke zondagnamiddag of -avond in hun stamcafé op de Grote Markt. (Allicht La Maison des Tanneurs, Grote Markt 15, waar in 1879-1880 La Ligue Collectiviste Anarchiste was bijeengekomen.) In januari 1885 werd ook éénmaal de Vrijheidsbond gesignaleerd. Vermoedelijk betrof het hier een andere naam die dezelfde lading dekte want de Vlaamse anarchisten hielden het allicht bij één vereniging. (Of het moet een restant geweest zijn van de vroegere Vryheidsbond uit de jaren 1879-1880, die toen in La Croix de Fer in de rue de Bouchers 47 samenkwam en waarvan de radicale socialist Edmond Van Cauwenbergh de secretaris was geweest en o.a. de anarchisten Achille Hertschap, Jean Huyskens en Arthur Bogaerts deel van hebben uitgemaakt.)
Verder waren vele militanten tegelijkertijd aangesloten bij verschillende groepen, al kenden de meeste clubs geen formeel lidmaatschap en nauwelijks officiële functies.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 49-54; H. VANDEN BROECK, Omdat wij de vrijheid voor allen willen"..., p. 51-62, 66-67, 71-78.)

L'Insurgé
en Ni dieu ni maître.

Het Antwerpse blad De Opstand was in 1884 ter ziele gegaan en de fakkel werd in 1885 overgenomen door de Brusselse anarchisten. Van 15 maart tot 10 mei staken zij van wal met L'Insurgé. De centrale figuur van dit blad was de van Lyon afkomstige Fransman Lucien Pemjean. Hij had zich in 1884 een revolutionaire socialist genoemd, en hij liep niet hoog op met verdere ideologische etikettering. Ideologisering kon in zijn ogen enkel tot verdeling onder de revolutionairen leiden. Hij lanceerde een oproep aan alle revolutionairen om mee te werken aan het nieuwe blad, waarop vrijwel uitsluitend positieve reacties vanuit anarchistische hoek kwamen : Monier, Govaerts en Ernest leverden redactionele steun, alsook de Parijse anarchist Achille Leroy en de ex-communard Emile Digeon. De onafhankelijke Pemjean belandde alzo (tijdelijk) in de anarchistische beweging, al bleef hij zich 'autonoom' gedragen en zou hij bijvoorbeeld in de redactionele commentaren nooit de woorden anarchie of anarchisme gebruiken. Maar het blad kreeg - allicht onder druk van de andere anarchistische redacteurs - vanaf het zesde nummer wel de ondertitel "Organe communiste-anarchiste". En ook Pemjean zelf manifesteerde zich steeds openlijker als revolutionair en anarchist.
Na twee maanden verschijning stierf L'Insurgé een stille dood en werd het opgevolgd door Ni dieu ni maître, wat helemaal een anonieme, collectieve onderneming van de Brusselse anarchisten was. Het blad was het kind van de gelijknamige, informele groep die het redactionele werk coördineerde en de contacten met de drukker verzorgde. Achter het administratieadres, rue de la Vierge-Noire 28, verschuilden zich de drie broers Deroy. Egide Govaerts betoonde zich als de meest productieve auteur en voor het eerste nummer was hij eveneens uitgever. Henri Wysmans hield de boekhouding bij en Ferdinand Monnier belastte zich aanvankelijk met het werk van gerant. Daarbij hielpen Henri Pintelon en François Ernest mee als verantwoordelijke voor de verkoop en als medewerker van de 'redactie'. Xavier Stuyck werd administrateur wat hij, als het zo uitkwam, ook combineerde met de taak van gerant. François Martin, die ook als typograaf meehielp, fungeerde eveneens als plaatsvervanger van Stuyck en tenslotte behoorde Alexandre Colignon ook tot de ploeg als gerant en, in maart 1886, als uitgever. De brede taakverdeling had onder meer te maken met het tijdelijk wegvallen van twee hoofdfiguren : vanaf 28 maart 1886 moesten Monnier en Govaerts een 'achterstallige' gevangenisstraf uitzitten.

Ni Dieu ni maître
(Ni Dieu Ni Maître, jg. 1, nr. 1, 23-5 - 6-6-1885 (KULeuven, Centrale Bibliotheek); Cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 57.)

Ni dieu ni maître was een veertiendaags blad dat verscheen vanaf 23 mei 1885 en het nog geen jaar zou uithouden. Deze vrij korte levensduur had vooral te maken met gerechtelijke vervolgingen. Reeds in de zomer van 1885 werden bijvoorbeeld individuele anarchisten justitieel geviseerd. Maar dat nam niet weg dat men in november toch nog met een eigen drukkerij van start ging, waardoor men onafhankelijker werd van commerciële drukkerijen die als gevolg van de vervolgingen steeds minder bereid bleken het drukken op zich te nemen. Het gevaar voor inbeslagname van de drukpersen vonden zij te groot, en niet onterecht want reeds in maart 1886 werd het drukmateriaal van de anarchisten in 'bewaring' genomen. Dat had vooral te maken met de sociale onrust die in die dagen in het Luikse en in Henegouwen de kop opstak. Trouwens, sinds november 1885 was de verspreiding van het blad reeds verboden in Frankrijk. Desalniettemin rolde het blad van de Brusselse anarchisten eind april opnieuw van de pers en de toon die erin werd aangeslagen was radikaler dan ooit. Het uur van de aktie was gekomen : "Vive la révolution sociale !" Maar de beste tijd van het blad was inmiddels voorbij. Het laatste nummer, van 22 mei 1886, werd nog in de bevriende Imprimerie jurasienne te Genève gedrukt en daarmee was het meteen ook afgelopen met Ni dieu ni maître.
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 54-61, 88-90; H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen"..., p. 93-98, 128-136.)


Een Brusselse De Opstand.
Het bezit van drukkersmateriaal door de Brusselse anarchisten had ook tot gevolg dat Jean-Baptiste Soethout op 20 september 1885 met een nieuw Nederlandstalig blad kon uitpakken, nl. met een tweewekelijkse krant met dezelfde naam als het Antwerpse blad dat van januari 1881 tot maart 1884 was uitgegeven : "De Opstand". Hoe nauw de banden waren tussen de Brusselse en de Antwerpse De Opstand is niet duidelijk, maar er zijn aanduidingen dat het niet om volledig losstaande bladen ging, aldus historica Hilde Vanden Broeck.
Soethout was de officiële uitgever, maar allicht was het blad eerder het werk van de Brusselse, Vlaamse anarchistengroep De Vlaamsche Opstandelingen, die zich gelijktijdig met het verschijnen van het blad omdoopte in De Opstand. Verder was het administratieadres van De Opstand hetzelfde als van het latere Franstalige Ni dieu ni maître, namelijk Rue de la Vierge Noire (Zwarte Lievevrouwstraat) 28 te Brussel. Het Nederlandstalige blad richtte zich zowel naar Vlaanderen als naar Nederland en bij dit laatste zal de van Nederlandse afkomst zijnde Soethout wel de hand in gehad hebben. In ieder geval werden volgens het Belgische Ministerie van Buitenlandse Zaken geregeld vanuit België pakketten van het blad naar Nederland verstuurd. Voor de administratie en het drukken hing De Opstand volledig af van de Brusselaars en toen de drukpers van de anarchisten werd opgerold was meteen ook het lot van dit blad bezegeld.
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 58-61; H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen"..., p. 98-101.)

La Liberté
.

Ondanks de afscheidsrede in Ni dieu ni maître, waarin men opteerde voor het geven van prioriteit aan de 'mondelinge propaganda', bleven Brusselse anarchisten spelen met de idee van een heruitgave. Na vijf maanden stilte was het dan zo ver : op 23 oktober 1886 verscheen La Liberté, organe communiste-anarchiste. Maar ook dit nieuwe blad beleefde een typische, anarchistische carrière : een ontstuimige, snelle start waarna de terugval volgde en er gas moest worden teruggenomen.
De krant begon als weekblad, maar na vier weken, toen de oprichter van het blad, Fernand Hotton, zich terugtrok, zag men zich verplicht de frequentie terug te schroeven tot een veertiendaagse uitgave en veranderde men van drukker. De reden van Hotton's opstappen is niet zo duidelijk. Hij was eerder een achtergrondfiguur in het anarchistisch milieu, maar had voordien toch meegewerkt aan de uitgave van L'Insurgé en in de redactie van Ni dieu ni maître gezeteld. En financiëel kon hij waarschijnlijk een aanzienlijke bijdrage leveren, gezien zijn status als bediende en zijn woonst in de prestigieuze Keizerslaan.
Maar met het vertrek van Hotton en nadat men de periodiciteit van La Liberté had teruggeschroefd konden de Brusselse anarchisten het blijkbaar niet meer bolwerken. Vanaf het zesde nummer werd de administratie overgebracht naar Verviers. Deze verhuis stond symbool voor de nieuwe krachtverhoudingen in het Belgische anarchisme. De Waalse groepen zouden in de komende periode meer van tel zijn.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 92, 111; H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen"..., p. 98-99.)

La Torche
en Le Fer rouge.

Vlak na de teloorgang van Ni dieu ni maître, in maart 1886, verschenen La Torche en Le Fer Rouge... ware propagandaliteratuur. Eerder dan kranten waren dit brochures die verschenen "en cas de besoin" en "dans les grandes occasions". Maar in feite bleef het voor beiden bij een eenmalige publicatie. Inhoudelijk lag de klemtoon niet zozeer op de verheerlijking van de anarchie maar eerder op de kritiek tegenover hun vijanden : het leger, de adel, de socialisten, ... allen werden er hard in aangepakt. Wellicht was het de bedoeling arbeiders los te weken van het reformistische kamp en hen de eigen rangen binnen te loodsen. Le Fer Rouge richtte zich trouwens expliciet "Aux coopératistes, révisionnistes, républicains, collectivistes, soi-disant évolutionnistes et autres fumistes."

(H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen"..., p. 101-102.)

Revolutionaire oppositie tegen sociaal-democratie en reformisme.

Met de uitgave van Ni dieu ni maître en van De Opstand, in 1885-1886, en met het op touw zetten van eigen meetings kende het anarchisme een niet te miskennen verspreiding en voerde men een daadwerkelijke revolutionaire oppositie ten aanzien van de evolutionistische, reformistische sociaal-democratie die volledig opging in het burgerlijke, partij-politieke spel. Begin april 1885 was immers de BWP opgericht en vier maanden later, op 15 en 16 augustus, tijdens een congres te Antwerpen werd het algemeen stemrecht als centrale eis naar voor geschoven. Verder zou een nationale betoging tijdens de pinksterdagen van 1886 deze eis kracht bijzetten. In Brussel kenmerkte de sociaal-democratie zich bovendien met een nauwe band met de progressieve liberale beweging. Het bondgenootschap voor de gemeenteraadsverkiezingen van 1884 dat de socialisten haar eerste verkozenen had opgeleverd, werd verdergezet.
Anarchisten en socialisten stonden dan ook onverzoenlijk tegenover elkaar. Dat bleek overduidelijk op de sociaal-democratische meetings waar de anarchisten kwamen tegenspreken en zeker op de eigen meetings waar Monier, Govaerts en Wysmans geen blad voor de mond hielden en fel uithaalden naar de reformistische campagnes voor algemeen stemrecht. Ook de jaarlijkse herdenking van de Commune van Parijs, op 18 maart, was een revolutionair-anarchistisch hoogtepunt. De Groupes anarchistes de Bruxelles publiceerden in 1885 de vier pagina's tellende brochure "La Commune de Paris devant les anarchistes." waarin de Franse anarchist Emile Digeon het historisch overzicht voor zijn rekening nam. Digeon had de Commune zelf meegemaakt en was één van de markante personen geweest. Na zijn historisch relaas, dat het overgrote deel van het manifest besloeg, kwam de zedenles. Het volk had geen meesters nodig en moest alleen op zichzelf betrouwen. De revolutie was het gevolg van spontaniteit en permanente actie : "En révolution, le repos amène le défaite et la mort..." De slotzinnen waren één pleidooi voor het stopzetten van onnuttige discussies en voor het afwijzen van het reformistisch alternatief. "Que la violence seule vienne faire comprendre à nos exploiteurs que nous n'entons plus nous laisser tondre commes des martres."
Behalve de brochure zorgden de anarchistische groepen op 16 maart nog voor een groots feest. Vijfhonderd mensen kwamen voor dit conférence-concert opdagen, waaronder vele vrouwen en kinderen. Het nuttige werd er aan het aangename gekoppeld. Ferdinand Monnier opende de avond met een "kritische geschiedenis van de commune" en zijn welbespraakte uiteenzetting werd algemeen toegejuichd. Daarna kreeg men een verpozend gedeelte : gezamelijk zongen de aanwezigen bekende revolutionaire liederen als La Carmagnole, Le Drapeau Rouge en Marianne. En liefhebbers konden op het podium hun solo's ten beste geven. Dan nam Wysmans de draad weer op met een lange uiteenzetting over de anarchistische beginselen, wat hij in de ogen van de anarchisten op een treffelijke manier deed. De avond werd afgerond met een tombola waarbij er boeken waren te winnen, en een collecte ten voordele van L'Insurgé werd gehouden.
Met hun volgende meeting op 12 april, één week na het stichtingscongres van de BWP, hervatten de anarchisten hun strijd tegen het algemeen stemrecht. De Union des groupes anarchistes de Bruxelles organiseerde een "grande réunion publique et contradictoire", zorgvuldig aangekondigd door een opvallende affiche en door krantenberichten, waarmee de anarchisten vrij veel aandacht trokken voor hun strijd tegen het reformistisch alternatief. Om het epitheton 'contradictorisch' hard te maken, inviteerden de anarchisten de progressisten P. Janson en E. Van Cauberg en de socialisten C. De Paepe, E. Anseele, J. Volders en L. Bertrand om te debatteren over de arbeidersbeweging. De belangstelling vanwege pers en overheid was groot. De politie stuurde zijn waarnemers en ook verschillende nationale kranten zouden er een verslag van publiceren, al was een tweehonderdtal aanwezigen wat aan de lage kant. De meeting was geen hoogvlieger. En naar traditie kwam de hardste kritiek uit reformistische hoek, en nog wel van de vroegere anarchist César De Paepe. Dat de anarchisten én de individuele vrijheid wilden én zich wilden organiseren scheen De Paepe een onverzoenbare tegenstelling.
De onderlinge machtstrijd tussen de socialistische en de anarchistische beweging creëerde ook buiten de meetings een gespannen sfeer. Op 17 mei 1885 gingen anarchisten zelfs letterlijk op de vuist met een groep Parijse socialisten die ter gelegenheid van de internationale tentoonstelling van Antwerpen in België vertoefde en een bezoek bracht aan Brussel.
In Parijs zelf braken een week later zware onlusten uit op het kerkhof van Père-Lachaise tijdens een herdenking van de Commune. De Brusselse, anarchistische, sociale studiegroep Les Affamés organiseerde op 1 juni een solidariteitsmeeting. In de affiche "Aux travailleurs" uitte zij openlijk de hooggespannen verwachtingen. Het liefst zag de groep dat de Brussele arbeiders uit wraak in opstand zouden komen : "Nous reveillerons le sermant d'Annibal, le drapeau rouge en main."
Het anarchistisch verzet tegen de campagne voor het algemeen stemrecht leek toen al over zijn hoogtepunt heen. Eind mei startte het parket een onderzoek naar Ni dieu ni Maître en deze vervolging verlamde grotendeels de beweging. De anarchisten verschenen nog op socialistische meetings zoals op 26 oktober, toen slechts een honderd aanwezigen de discussies tussen socialisten en anarchisten volgden, maar het zou ruim vier maanden duren eer ze zelf weer het heft in handen namen en een eigen meeting organiseerden. De Union anarchiste plande voor 14 december 1885 een meeting over "de noodzaak der opheffing van de authoriteit en de waarheid der anarchie" of "de regeringen en de anarchisten". En op deze meeting kwam een groep studenten hun aansluiting bij de Union anarchiste vragen. Ze stelden hun programma voor dat na enige uitleg en enkele wijzigingen aanvaard werd. Voor de anarchisten scheen dit een geweldige stimulans, want iedereen was gelukkig deze nieuwe soldaten van de revolutie te mogen begroeten, aldus Ni dieu ni maître : "Ces fils de la bourgeoisie, écoeurés de l'état social actuel, tendant la main à leurs frères du peuple, nous offrent le concours de leur intelligence et de leurs connaissances." (Ni Dieu ni maître, 4-1-1886, p. 1.)
Deze Jeunesse anarchiste zou vanaf 1889 meer van zich laten horen.
Ondertussen bleef de anarchistische agitatie op een laag pitje branden. Af en toe toonden ze nog een teken van leven zoals bijvoorbeeld op de socialistische meeting van 3 februari 1886 waar een wetsontwerp over de vleesbelasting aan de orde was. Le Peuple schreef : "Quelques anarchistes, tout en déclarent ne pas approuver le projet du loi d'impôt, s'abstiennent de voter l'ordre du jour." (Le Peuple, 3-2-1886, p. 2.) En het was wachten tot maart op een externe stimulans die haar nieuw leven kon inblazen. De onverwachte arbeidersrevolte van maart-april in de Waalse steenkoolbekkens bracht het anarchisme weer in de schijnwerpers. Maar in de machtsverhouding tussen anarchisten en socialisten scheen er een nieuw evenwicht te zijn ontstaan. In elk geval kreeg de strijd om het leiderschap in de arbeidersbeweging een serener karakter. Op socialistische meetings werden anarchistische interventies niet meer weggewuifd zoals voordien. Ze werden voorkomend behandeld en beleefd beantwoord. Het scheen zelfs de indruk te wekken dat er sprake was van enige toenadering. Alvast de anarchist Xavier Stuyck, bij wie blijkbaar nog steeds het blanquistisch bloed door de aderen stroomde, pleitte op 14 april op een socialistische meeting openlijk voor zo'n toenadering, wat door de toehoorders gunstig onthaald werd.
Waarschijnlijk stond Stuyck met dit standpunt alleen want voor de meeste anarchisten bleef een toenadering met de socialisten ondenkbaar. Voor hen bestond er tussen het reformistische algemeen stemrecht en de revolutionaire sociale revolutie geen ruimte voor een compromis. En toen de socialisten met veel verve de campagne rond algemeen stemrecht op touw zetten leefde het anarchistische onbehagen weer op. Bijvoorbeeld bij de verspreiding van de "Catéchisme du peuple" van Alfred Defuisseaux. Zeker toen diens vader, Léon Defuisseaux, in zijn versie van deze volkscatechismus het misverstand in de arbeiderswereld verspreidde als zou er geen verschil bestaan tussen de anarchisten en de traditionele partijen omdat ze allebei het algemeen stemrecht afkeurden. De anarchisten verweerden zich door een eigen catechismus uit te brengen, al werd die niet op erg grote schaal verspreid.
En de spanning steeg ten top toen de socialistische manifestatie voor algemeen stemrecht, die op 13 juni gepland was, verboden werd. De socialisten organiseerden ter vervanging een dag later een meeting waar de anarchist Henri Wysmans de gelegenheid kreeg het op te nemen tegen de Gentse socialist Edward Anseele. Van enige tegenspraak was echter nauwelijks een spoor te bekennen, want beiden sprekers gaven naast elkaar hun gewone uiteenzettingen weg en ze besloten met elkaar hulde te brengen voor de 'waardige en loyale discussie'. In feite was het een langs mekaar heen praten geweest waarbij de toehoorders hun respectievelijke sprekers hadden toegejuicht en achteraf zetten de socialisten en de anarchisten hun gelijk nog eens extra in de verf in hun organen. Maar de formule scheen beide partijen voldoening te hebben geschonken want zij werd nog eens herhaald op 27 juni, dit keer op initiatief van de anarchisten. De toon was hier echter al minder hoffelijk en het duo Wysmans en Monier spaarden de socialistische spreker niet.
En in het vooruitzicht van een nieuwe socialistische manifestatie, op 15 augustus 1886, nam Ferdinand Monier in zijn eentje het initiatief een pamflet op te stellen met als aanhef Peter Kropotkins woorden : "A vous qui produisez tout, et qui n'avez rien que ce que vous laissent ceux qui ne produisent rien et qui ont tout".

Manifeste anarchiste, Brussel, 15-8-1886

(Amsterdam, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis; Cfr. J. Moulaert, Rood en zwart..., p. 91.)

Monier wou met dit manifest betogers overtuigen van de juistheid der anarchistische principes. Op zijn kosten werden een zesduizendtal exemplaren gedrukt maar het parket was er vlug bij om de verspreiding ervan te verhinderen : op 7 augustus werden ze allemaal in beslag genomen... De betoging van 15 augustus werd overigens een glorierijk succes voor de socialisen en meteen een bittere nederlaag voor de anarchisten, die weer in de verdediging waren gedrukt. In afwachting van zijn vonnis streed Monier eenzaam verder. Hij waagde zich nog op de socialistische meeting van 25 oktober maar werd er uitgehoond. In de laatste maanden van 1886 poogden de Brusselse anarchisten nog enkele meetings op touw te zetten, maar de overbrenging van hun blad, La Liberté, naar Verviers gaf aan dat de beste dagen van de hoofdstedelijke beweging voorbij waren. En daarmee was ook het einde van haar dominerende rol in het land bezegeld.
(H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen"..., p. 68-70, 114-125; J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 60-63.)

Sociaal-democratie hand in hand met een repressieve overheid ?
Op 4 juli 1885 vroeg het sociaal-democratische blad La Voix de l'Ouvrier zich publiekelijk af hoe het toch mogelijk was dat buitenlanders de anarchistische zaak konden verdedigen zonder uitgewezen te worden. En alsof het afgesproken was deed het parket enkele dagen later een inval op het anarchistisch hoofdkwartier te Brussel, het café van Eugène Verpoest in de Onze-Heerstraat 35. Veertien anarchisten werden opgepakt en een aantal uren vastgehouden, het huis werd grondig doorzocht en er werd van alles in beslag genomen. Uiteindelijk bleven twee Fransen aangehouden : Marie Alphonse Montant en Joseph Furet. De aanwezigheid van buitenlanders vormde allicht een welgekome aanleiding om eens grondig het Brussels anarchisme door te lichten zonder officiële beperkingen als een huiszoekings- of arrestatiebevel.

Maar het hele gebeuren haalde de nationale pers waarbij de socialist Jean Volders opmerkte dat de weinig succesvolle acties van het gerecht eerder propaganda voor het anarchisme betekenden. Wat er ook van zij, in ieder geval had het gerecht zich vergallopeerd. En het wist nog niet onmiddellijk van ophouden. Op 15 juli werd Verpoest door de politierechtbank veroordeeld wegens het verlenen van onderdak aan buitenlanders die illegaal in het land verbleven. En op 27 juli werd ook Monier veroordeeld wegens het beledigen van de politie tijdens de inval. Wat later werden beide Fransen uit het land gewezen. Toen zij zich gingen melden in de gevangenis van St. Gillis werden ze begeleid door een groep zingende en roepende sympathisanten en werd de anarchist Egide Govaerts gearresteerd. (Govaerts werd 4 september veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf.) En nog wat later werden opnieuw twee buitenlanders geëxpulseerd. Deze keer betrof het de Duitser Franz Ricken en de Fransman Paul Martinet, die nadien een tijdlang de anarchistische beweging te Roubaix animeerde. De aanleiding tot de uitwijzing van Martinet vormde de verschijning van een pamflet waarin de Brusselse anarchist Ernest samen met Martinet burgemeester Buls ervan beschuldigde betrokken te zijn bij de zogenaamde handel in blanke slavinnen. Deze trafiek in arme Britse plattelandsmeisjes, bestemd voor de prostitutie, deed in die dagen aardig wat stof opwaaien. En Ernest werd op 6 augustus veroordeeld tot een grote geldsom aan schadevergoeding en rechtzettingen. In het najaar werd ook nog Alexandre Colignon, als gerant van Ni dieu ni maître, vervolgd, maar bij gebrek aan bewijzen moest de rechtbank op 21 oktober 1886 besluiten tot vrijspraak. Tenslotte de vervolging van Ferdinand Monier voor de publicatie van zijn Manifeste anarchiste : zij resulteerde in drie maanden gevangenisstraf (assisenhof van Brabant, 12 november 1886).

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 64-65; H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen"..., p. 136-144.)

Internationale contacten.

Het internationaal revolutionair congres te Londen, in 1881, had met de absolute autonomie van de regionale federaties te benadrukken een lange periode zonder internationale anarchistische congressen ingezet. Voor een stuk werd dit ondervangen door de libertaire pers die uitgebreid verslag deed over lokale bewegingen. Zo vonden de Brusselaars in de jaren 1883-1884 een uitlaatklep in de Lyonese pers en het Parijse Le Révolté en omgekeerd stuurden in 1885-1886 groepen uit heel Frankrijk hun correspondenties naar Ni dieu ni maître.
Daarnaast bestonden in de meeste grote, Europese steden 'kolonies' van buitenlandse anarchisten. Verviers en zeker Brussel was een gekend ballingsoord waar vele Franse ex-communards vertoefden die gevlucht waren voor de repressie in eigen land. Verder verbleven er vele Duitse en zelfs Italiaanse anarchisten, onder meer de Duitsers Osterman, Friedrich Junk, Nicolas Rottmeyer, Paul Decg, Franz Ricken.
Sommigen van deze (politieke) vluchtelingen engageerden zich ook in de plaatselijke anarchistische beweging. Denken we bijvoorbeeld maar aan de Fransman Lucien Pemjean, aan de Duitser Franz Ricken en aan de achtenveertigjarige Italiaan Alfonso Danesi die in 1882 over Lyon naar Brussel kwam en er bleef tot in 1890. Dat hij in al die tijd niet werd uitgewezen, had hij te danken aan de progressistische voorman en advokaat Georges Lorand en diens politieke vrienden, die geregeld tussenbeide kwamen bij de minister van Justitie. Lorand bezorgde Danesi overigens ook werk. Te Brussel fungeerde Danesi zowat als de plaatselijke contactman van het Italiaanse anarchisme en hij onderhield de nodige contacten met vooraanstaande buitenlandse anarchisten als Elisée Reclus, Peter Kropotkin, Errico Malatesta en Johann Most. Verder kwam Danesi ook over de vloer bij plaatselijke anarchisten.
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 67-72.)

De Waalse brand, 1886-1888.

De Luikse anarchisten, onder meer de zevenendertigjarige Edouard Wagener, de vijfentwintigjarige Jean-Joseph Rutters, de achtentwintigjarige François Billen en een tiental andere militanten, waren sinds januari verenigd in de groupe anarchiste révolutionnaire liégeois. De groep zette op 10 januari het jaar in met een meeting waar men zich boog over de volgende vragen : "Waarom zijn we revolutionairen?" en "Waarom zijn we anarchisten?" Sprekers uit Luik, Verviers en Brussel, o.a. Edouard Wagener, Jean Davister en Henri Wysmans, betoogden er over de noodzaak van een sociale revolutie en tegen de nutteloosheid van het algemeen stemrecht, stakingen en coöperaties. Dezelfde dag ging er trouwens ook in Verviers een soortgelijke meeting door. En in de loop van februari vond er op initiatief van Rutters namens de Groupe Anarchiste de Liège een "soirée littéraire, musicale et dansante" plaats, waar nogmaals de Brusselaar Wysmans een toespraak hield. Verder werden diezelfde maand te Tilleur en Jemeppe groepen gevormd en meetings georganiseerd met als dagorde "La misère du peuple et les remèdes à y apporter". Op de bijeenkomst te Jemeppe zouden een zeshonderdtal aanwezigen geweest zijn. En wat later op de maand volgden nog meetings in Seraing en Flémalle waar eveneens een groep werd opgericht en waar het Brusselse blad Ni Dieu ni maître werd verspreid. Het begon zowaar op een anarchistische campagne in het Luikse te lijken !
Begin maart verschenen dan op de Luikse muren aanplakbiljetten met een oproep voor een grote meeting ter gelegenheid van de verjaardag van de Parijse Commune (18 maart) en ze zou voorafgegaan worden door een betoging. De oproep ging uit van anarchisten en was ondertekend door Rutters en Billen namens de Groupe Anarchiste de Liège. Tegelijkertijd werd op duizenden exemplaren het pamflet "Appel aux travailleurs" verspreid, waarin werd opgeroepen de daad bij het woord te voegen en zich daarbij te laten inspireren door de revolutionaire strijd van de communards, van vijftien jaar voordien.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 74-75.)
Die donderdag, 18 maart 1886, kwamen op de place Saint-Lambert duizenden betogers opdagen. Noch de politie, noch de organisatoren hadden zo veel volk verwacht. Het was een bonte mengeling van inwoners uit de stad en uit het Luikse industriebekken tot strijdmakkers uit Verviers toe, vooral Walen maar ook Vlamingen en Duitsers, en veel vrouwen en jonge mensen. Wagener en de jonge Rutters namen elk de kop van een groep en de massa kwam in beweging. Er werd geroepen : "Vive la révolution !" en "Vive l'anarchie !" en voor de welgevulde etalages in de winkelstraten sprak de al wat oudere Wagener de betogers toe : "Eh bien qui a produit cela ? Est-ce vous ?" "Oui ! Oui ! C'est l'ouvrier."... "Vos femmes, vos enfants meurent de faim, vous n'avez rien à manger !" "Non ! Non !" En dan de climax : "Eh bien vous êtes tous des lâches : Vive l'anarchie !" Het kon niet uitblijven. De kreten zwollen aan : weg met de eigendom, weg met de rijken. Een raam vloog aan diggelen en de wagen was aan het rollen. Op de meeting zelf probeerde de socialist Edouard Warnotte de gemoederen nog te bedaren, maar de komst van Wagener deed het tij keren in het voordeel van de anarchisten : "La faim justifie le vol et le pillage." Het werd een dolle nacht in de cité ardente. Er werd ingebroken en geplunderd...
Ondertussen verdrong de Luikse beau monde zich op de receptie waarmee het verblijf van de vermaarde Hongaarse componist en pianist Franz Liszt te Luik werd afgesloten. De burgemeester kon echter niet langer blijven. Het stadhuis werd inmiddels belegerd door de woedende menigte, de burgerwacht werd volledig gemobiliseerd. In de vroege ochtend luwde het geweld. "Les anarchistes étaient retournés dans les villages de banlieue d'ou ils étaient sortis comme des bandes de barbares," zou de verslaggever van La Meuse schrijven. Wagener, de anarchistische volksmenner, was dan al lang, sinds 22 uur, rustig naar huis teruggekeerd.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 75-76.)

Anarchistische betoging te Luik, 18 maart 1886.
Om de Commune van Parijs te herdenken kwamen op 18 maart 1886 te Luik enkele duizenden betogers op straat. Op kop van de stoet liep de anarchist Wagener met een rode vlag.

(Les troubles de Liège. L'arrivée de la manifestation anarchiste. - Le Patriote illustré, 28-3-1886, cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 77.)

De volgende dagen brak in het Luikse industriebekken een stakingsgolf los. Legereenheden marcheerden op naar Tilleur en Jemeppe en naar andere gemeenten. De avondklok werd ingesteld. En het kwam opnieuw tot botsingen. Hier en daar werd tevergeefs onderhandeld, maar ook geschoten. Het Luikse bekken leek wel bezet gebied ! Er werd voortdurend gepatrouilleerd en verdachten werden voorgeleid. En op het platteland, ten Noord-Westen van Luik, heerste paniek. De gendarmerie maakte er jacht op groepen bedelaars. In Tilleur en Jemeppe vielen dan de eerste doden.
Maar wat in het Luikse gebeurde, bleek uiteindelijk maar kinderspel in vergelijking met wat zich enkele dagen later, vanaf 25 maart, in de streek rond Charleroi in Henegouwen afspeelde. Toen de koolputters er hun lonen zagen dalen sloeg het vuur in de pan. Zij gingen in staking en spoedig deden ook de glasblazers mee. En de staking breidde zich uit tot het Centre en de Borinage. Er werd geplunderd en gebrand. Te Lodelinsart ging een nieuwe glasfabriek in de vlammen op en te Jumet onderging het kasteel van de eigenaar hetzelfde lot.
Generaal Van der Smissen had het volgende order gegeven : "Agissez contre les anarchistes et les incendiaires avec la plus grande vigueur, faites résolument usage des armes." En hij was zeer verbolgen toen hem ter ore kwam dat Ni dieu ni maître in de kazernes werd verspreid door miliciens die bevriend waren met de anarchisten. Eind maart vaardigde de generaal zijn gewraakte order uit waardoor alle als anarchist bekend staande personen die in onrustige gemeenten gesignaleerd werden terstond terug naar hun woonplaats moesten gestuurd worden. Maar toen de minister van oorlog hem wees op de grondwettelijke bepalingen inzake meetings en arrestaties, zag de generaal zich verplicht in te binden en de bewuste orders in te trekken.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 76; H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen"..., p. 126-128.)

De Waalse brand was echter niet zozeer ontstaan uit de agitatie van revolutionaire anarchisten, alswel uit een globale, toenemende armoede die het gevolg was een aanhoudende, economische crisis die leidde naar dalende lonen én grote werkloosheid.
Na enkele dagen sociale onrust stopte alles bijna even plots als het begonnen was. De overheid vroeg zich inmiddels uiteraard af hoe dat alles was kunnen gebeuren. De burgerlijke pers wees in ieder geval met een beschuldigende vinger naar de anarchisten, want alles was begonnen met de anarchistische meeting in Luik. Verder had men het zelfs over een internationaal complot, al kon dat natuurlijk niet hard gemaakt worden. De Luikse anarchisten, die in het beste geval slechts gerekend hadden op enkele honderden toehoorders, waren zelf zeer verbaasd over de grote opkomst op hun meeting en betoging. In hun dromen hoopten ze uiteraard wel op de grote sociale revolutie, maar niemand had verwacht dat die zo ineens in eigen stad van start zou kunnen gaan. Onvoorbereid als ze waren wisten ze uit de gebeurtenissen zelfs geen voordeel te halen. Integendeel, Wagener werd de ochtend na de meeting gearresteerd en daarmee was de kleine Luikse anarchistengroep haar belangrijkste voorman kwijt. De groep zou daarna nauwelijks nog teken van leven geven, ook al kwamen de Brusselaars Stuyck en Colignon hun Luikse geestesgenoten een tijdje helpen.
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 76-79; H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen"..., p. 128-129.)

Opkomende sociaal-democratie.

Terwijl in de conservatieve pers de anarchisten en de (evolutionistische, sociaal-democratische, reformistische) socialisten op één hoopje werden gegooid, deden deze laatsten alle moeite om zich van geweld en anarchie te distantiëren. Zo had bijvoorbeeld de gematigde, Luikse socialist Edouard Warnotte op de meeting van de anarchisten van 18 maart getracht de gemoederen te bedaren en in dezelfde zin zouden de socialistische leiders de volgende weken optreden. Hun credo was duidelijk : de arbeiders moesten hun kalmte bewaren en zich organiseren met het oog op het verkrijgen van het algemeen stemrecht. In die zin richtte zich diezelfde maand te Luik een Union Démocratique in, waarmee een belangrijke stap werd gezet in de opbouw van een plaatselijke sectie van de sociaal-democratische BWP. En voor 13 juni plande die BWP een grote landelijke manifestatie te Brussel. In de campagne voor deze betoging werd massaal de legendarisch geworden Cathéchisme du peuple van Alfred Defuisseaux verspreid.
Maar ook de aanhangers van de gematigde BWP werden door het gerecht geviseerd. In juni werd de Gentenaar Anseele door het assisenhof van Oost-Vlaanderen tot zes maanden gevangenisstraf veroordeeld omdat hij in de Vooruit de moeders van soldaten had opgeroepen om hun kinderen te bezweren niet op het volk te schieten en Alfred Defuisseaux werd voor zijn Cathéchisme du peuple door het assisenhof van Brabant veroordeeld tot één jaar. (Defuisseaux wist evenwel te ontsnappen naar Frankrijk.) De aanhangers van de BWP waren dan ook solidair met de amnestiebeweging die ten gunste van de veroordeelden op gang kwam. Aanvankelijk verrast, kon de BWP zo toch de beweging van maart 1886 in belangrijke mate recupereren. En ze nam zelfs het wapen van de algemene staking in haar politiek arsenaal op, waardoor ze het radicalisme van haar anarchistische concurrenten enigzins wist te counteren. In Le deuxième catéchisme du peuple van Léon Defuisseaux, de broer van Alfred, werden de anarchisten trouwens openlijk aangepakt.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 80-81.)


Gerechtelijke vervolgingen.
In het Luikse konden de anarchisten tegenover de bedrijvigheid van de BWP nog nauwelijks iets stellen. Al was er in die dagen toch nog sprake van groepen in Luik, Tilleur, Jemeppe en Flémalle-Grande en verder van gezellen in Seraing. Maar meer dan een tiental activisten betrof het zeker niet. En hun sympatisanten waren hooguit met een veertigtal. Toen het bescheiden Luikse anarchisme dan ook nog rekening moest houden met gerechtelijke vervolgingen
- denken we maar aan de arrestatie van Edouard Wagener - had dit overduidelijk een imploderend effect.
Amper een week na de Luikse opstandige nacht van 18 maart, kwam een eerste groep beschuldigden voor de correctionele rechtbank en werd Wagener veroordeeld tot de maximumstraf van zes maanden, dit voor het moedwillig vernielen van een afsluiting. En daarmee hield het niet op. Op 9 augustus moest hij samen met Rutters ook nog voor het Hof van Assisen verschijnen. Hier werd hij schuldig bevonden aan 'samenspanning tot verwoesting, plundering en moord' en veroordeeld tot vijf jaar opsluiting en tien jaar terbeschikkingstelling van de politie. (In de praktijk zou Wagener in navolging van de wet Le Jeune reeds na twee jaar voorwaardelijk vrijkomen, nl. op 16 juni 1888.)

Justitie had verder nog een onaangename verrassing in petto. Dit keer voor de hele toekomstige revolutionaire beweging, in concreto dus vooral voor de anarchisten : de wet Devolder van 12 augustus 1887, genoemd naar de toenmalige minister van Justitie. De wet verschafte de ordediensten de nodige middelen om op te treden tegen "les fauteurs des désordres, les prédicateurs d'anarchie qui abusent des souffrances de l'ouvrier pour le pousser au désordre." Dus voortaan werd het mogelijk te bestraffen "al wie, hetzij door gesprekken in openbare vergaderingen of in openbare plaatsen gehouden, hetzij door tekeningen of zinnebeelden, hetzij door opstellen gedrukt of niet, en verkocht of uitgedeeld, rechtstreeks en kwaadwillig zal hebben uitgelokt tot het plegen van daden door de wet als misdaden betiteld." Het gerecht wilde dus duidelijk de anarchistische propaganda van het woord, op meetings en in pamfletten en affiches, tegengaan.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 82-83.)


Toch opnieuw anarchistische agitatie.
Sinds 1885 bestond er te Luik ook de anarchistische groep Les Prolétaires, die een afscheuring was van de socialistische kring Les XV. Hij had actief deelgenomen aan de onlusten van maart 1886 en liet daarna opnieuw van zich horen. Met name de meubelmaker Jean-Louis Roman was in die dagen de voorman van de groep en hij hielp bij de verspreiding van een pamflet van de Londense Groupes Socialistes Révolutionnaires Internationaux. In het pamflet betuigde de revolutionaire internationalisten aan de compagnons de Belgique hun solidariteit. De opstand van de Belgische arbeiders, onverwacht na jaren van slaafse berusting, was volkomen gerechtvaardigd. Ondanks de repressie moest men niet wanhopen. De strijd werd immers in alle landen gestreden en er was enkel heil te verwachten van het revolutionair socialisme want dat zou onvermijdelijk leiden naar rechtvaardigheid, gelijkheid en vrijheid.
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 85-86.)
Te Brussel was aanvankelijk de fut er een beetje uit. Maar eind 1885 sloot een groep studenten aan bij de Union Anarchiste. En Ni Dieu ni maître schreef hierover : "Ces fils de la bourgeoisie (...) sont venus, tendant la main à leurs frères du peuple, nous offrir le concours de leur intelligence et de leurs connaissances." Historica Hilde Vanden Broeck meldt dat in 1885 een aantal nieuwe militanten de rangen kwamen vervoegen en zij schat het aantal actieve anarchisten in de hoofdstad op een dertigtal. Daarnaast waren er ook nog een groot aantal buitenlandse vluchtelingen. Op hun meetings bereikten de anarchisten trouwens pieken van vijfhonderd toehoorders en hun kranten verschenen op een oplage van duizend à tweeduizend exemplaren.
In 1886 kwam er ook meer overleg met militanten uit Luik en Verviers. Brusselse anarchisten gingen herhaaldelijk op bezoek in beide Waalse steden. Zo trokken in maart Xavier Stuyck en Alexandre Colignon naar Luik, Ferdinand Monier en Henri Wysmans naar Verviers en Egide Govaerts en Jean-Baptiste Deroy naar Charleroi. Door de afwezigheid van deze anarchisten werd op 21 maart te Brussel de Commune in intiemere kring herdacht, al waren er toch een goede twintig man present. Het volgende weekend ging het er in de hoofdstad wat rumoeriger aan toe. Zaterdag 27 maart werd een pamflet verspreid waarin werd opgeroepen om zoals in Luik zich te goed te doen aan de rijk gevulde etalages. En op de anarchistische meeting, die avond, ontvouwden Monier en Wysmans anarchistische stellingen voor een vijfhonderdtal aanwezigen : anarchisme en revolutie vloeiden onvermijdelijk voort uit de geschiedenis, opstanden zouden veralgemeend worden zoals ten tijde van de Franse Revolutie en het leger zou zich uiteindelijk achter de arbeiders scharen. Tenslotte zou ook de kleinburgerij de arbeiders met haar intelligentie steunen... Het klonk allemaal mooi maar ondertussen hadden het stadsbestuur, het parket en de staatsveiligheid uitgebreide preventieve maatregelen genomen : heel het politiecorps was verzameld in de commissariaten, de rijkswacht en de brandweer wachtten af in hun kazernes en speciale corpsen van de burgerwacht stonden gewapend op de Grote Markt. In totaal hield men zeker een 6.000-tal manschappen paraat !
Ondertussen werd de toespraak van Wysmans geregeld bijgevallen door enthousiaste toejuichingen en na de bijeenkomst kwam het tot een hoogtepunt. De manifestatie breidde uit van eerst tweehonderd tot rond 21.00 uur een drieduizendtal personen en er bleef volk toestromen, ook nadat er charges van de politie plaatsvonden. Om middernacht moesten twee winkelruiten in de Nieuwstraat eraan geloven, waarop de ordehandhavers met harde middelen terugsloegen : de politiedivisie van Sint-Joost-ten-Node kwam tussen met getrokken degen en de bereden politie snelde ter hulp. Hiertegen waren de manifestanten niet opgewassen en na een tweetal uren keerde de rust terug in de Brusselse straten. Al waren 57 manifestanten gearresteerd, waaronder op Govaerts na geen enkele anarchist...
De avondlijke gebeurtenissen gaven aanleiding tot de spotprent Les anarchistes à Bruxelles. Drie als kwajongens uitgebeelde anarchisten, stonden op deze prent tegenover een indrukwekkende ordemacht die zelfs met kanonnen uitgerust was, een spektakel een operette waardig. In vergelijking met de gebeurtenissen in Wallonië viel het in ieder geval allemaal erg
onschuldig uit.
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 86-88; H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen"..., p. 161-162.)

Les anarchistes à Bruxelles, 27 maart 1886.
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 89.)

Maar het gerecht werd er niet milder om. De procureur-generaal vaardigde op 21 maart een richtlijn uit in verband met de anarchistische beweging wat resulteerde in een nauwgezette surveillering van de anarchisten. Al vlug kreeg men te horen dat niets wees op werkelijke opruiing. En zelfs Monier had zich laten ontvallen dat de anarchisten niet veel greep hadden op de situatie. Alles was trouwens kalm gebleven, vooral omdat het gerucht dat munitie was rondgedeeld onder de burgerwacht velen had afgeschrikt. Maar, hoopte Monier, "à un moment donné et à l'improviste, le coup aurait été fait".
(H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen"..., p. 131.)
In de ogen van anarchisten in het buitenland maakten de Brusselse medestanders weer geen goeie beurt. Reeds in februari 1881 had Malatesta aan Kropotkin gevraagd : "...pourquoi vous méfiez-vous des Belges ?" en hij gaf meteen zijn eigen profetische mening terzake : "Connaissez-vous les Verviétois ? Je les aime beaucoup et je crois qu'ils feront quelque chose de bon. Surtout en temps de révolution ils donneront la vraie note au mouvement... Bruxelles, c'est tout autre chose : là il n'y a jamais eu depuis 1872 de mouvement révolutionnaire, ni vraiment socialiste." (ARA, Vreemdelingenpolitie, Persoonlijk dossier 358.081 : E. Malatesta, brief van 15 februari 1881.)
En het blad van Genève/Parijs, Le Révolté, zat vijf jaar later nog steeds op dezelfde golflengte : "Avec cette timidité qui a souvent caractérisé le mouvement ouvrier à Bruxelles et qui nous étonne à Gand - les villes n'ont pas bougé. En vain quelques hommes décidés ont-ils essayé de descendre dans la rue." (Le Révolté, 11-23 april 1886, p. 3.) Le Révolté sloeg trouwens de nagel op de kop wanneer het de matigende invloed van de socialisten als één der hoofdoorzaken van het Brussels (en Vlaams) immobilisme aankloeg.
(H. VANDEN BROECK, "Omdat
wij de vrijheid voor allen willen"..., p. 134, 168.)

Beperkte sociaal-democratische openheid in Brussel.
Ondertussen liep ook in Brussel de socialistische campagne voor het algemeen stemrecht. Voor juni werd een grote manifestatie gepland en in de aanloop daar naartoe werden meetings op touw gezet. Het merkwaardige was dat op deze socialistische propagandabijeenkomsten ook anarchisten het spreekgestoelte konden betreden. Zo gaf op 14 april Xavier Stuyck een pleidooi voor toenadering ten beste dat door de toehoorders niet ongustig werd onthaald en vier dagen later verdedigde Henri Wysmans de anarchistische beginselen. Rond diezelfde tijd verscheen echter ook de Deuxième catéchisme van Léon Défuisseaux met daarin een demagogische aanval op de anarchisten. De Brusselse anarchisten repliceerden met een eigen Catéchisme d'un anarchiste, réponse au sieur Léon Defuisseaux, die slechts een beperkte verspreiding kende.
De grote socialistische optocht van 13 juni werd door de Brusselse burgemeester verboden en werd dan maar vervangen door een meeting de volgende dag waarop de Gentse sociaal-democraat Anseele de degens kruiste met Wysmans. Vrijwel los van elkaar ontvouwde elk zijn politieke ideeën, elkaar lovend voor het hoge peil van het debat en achteraf toegejuicht door de respectieve bevriende pers. Een volgende discussie werd door de anarchisten georganiseerd en verliep wat de anarchisten betrof al minder hoffelijk. Monier en Wysmans slingerden de socialisten naar het hoofd dat zij alleen maar postjes ambieerden !
De landelijke socialistische betoging voor het algemeen stemrecht ging uiteindelijk in Brussel door op 15 augustus 1886. Op Monier na liet geen enkele anarchist zich opmerken. Dat had allicht te maken met het optreden van het gerecht. Alle 6.000 exemplaren van een anarchistisch manifest dat men op de betoging wilde uitdelen, werden door het parket in beslag genomen. Monier zelf, die op het manifest als verantwoordelijke uitgever vermeld stond, werd later, in november, veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 90-92; H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen"..., p. 123-125.)

De Brusselse La Liberté en het anarchisme in Verviers.
Met het anarchisme in Brussel ging het in die dagen niet zo goed meer. Na het opdoeken van Ni Dieu ni maître kwamen de Brusselse anarchisten gedurende een half jaar enkel nog tot twee eenmalige publicaties, met name La Torche en Le Fer rouge. Vanaf 23 oktober 1886 zag dan het wekelijks verschijnende blad La Liberté het licht, maar na een maand verscheen het nog maar tweewekelijks. De belangrijkste reden hiervoor was het afhaken van de stichter en centrale figuur Fernand Hotton. En wat later werd de hele zaak trouwens overgebracht naar Verviers waar men kon terugvallen op een reeds lang bestaande anarchistische traditie.
(J. MOULAERT, Rood en Zwart..., p. 92.) Ondertussen bleef men in Brussel de naam La Liberté gebruiken om de plaatselijke anarchistengroep aan te duiden. In de wintermaanden, van december tot maart 1887, zette deze groep om de veertien dagen een meeting op touw. De onderwerpen die op die meetings werden besproken waren onder meer 'het Belgisch parlementarisme en haar resultaten', 'het doel en het nut van de arbeiderspartij' en 'collectivisme en communisme'. Veel succes had men met die meetings allicht niet, want er is nauwelijks een spoor van terug te vinden in de pers van die dagen, zelfs niet in de anarchistische.
(H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen."..., p. 184.)

In Verviers bestond al vanaf het einde van de jaren zeventig de anarchistenkring L'Etincelle. En de militanten van deze groep bleken net als die van Brussel gevraagde sprekers te zijn en patroneerden allicht mee de opkomende groepen in het Luikse en rond Verviers. Begin 1886 vond er een soort nieuwjaarsmeeting over het anarchisme plaats die georganiseerd was door de Union des Tisserands samen met Brusselse en Luikse kameraden. Op 22 maart vond door toedoen van de Chambre Syndicale Lainière een meeting plaats te Andrimont en nog geen week later, op 28 maart, ging opnieuw een meeting door in het naburige Dison, dit op vraag van de plaatselijke Groupe d'Etudes Sociales in samenwerking met L'Etincelle van Verviers. Het onderwerp van de meeting waren de recente gebeurtenissen in het Luikse en zij vond plaats onder het voorzitterschap van de anarchist Jean Davister. De sprekers waren zijn broer Guillaume en François Fils van L'Etincelle en de bekende, speciaal uit Brussel overgekomen anarchist Ferdinand Monier. En zij waren bijzonder srijdbaar. Guillaume Davister besloot de bijeenkomst met een oproep voor een nieuwe meeting de volgende dag waar men de daden van Luik en Charleroi zou navolgen en dit voorstel werd op applaus onthaald.
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 92-93 )
De Vervierse anarchisten waren vrij goed op de hoogte van de sociale (wan)toestanden in de regio en zij schrokken er niet voor terug om in de Commissie van de Arbeid, het lokale overleg tussen arbeiders en patroons, te gaan zetelen. Nochtans lag voor hen de oplossing voor de erbarmelijke situatie van de arbeiders in een sociale revolutie. Enkel met geweld kon men van de bazen terugnemen wat ze gestolen hadden. "Nous voulons que la richesse sociale, collective dans son origine, le soit aussi dans sa destination. Nous voulons une société communiste." Communisme, solidariteit en de afwezigheid van gezag zou het individueel initiatief stimuleren ten voordele van de "besoins de tous". Er zou een einde komen aan het barbaars tijdvak dat beheerst werd door vernedering en geloof in meesters en goden, om plaats te maken voor "la période expérimentale, scientifique et vraiment humaine de l'évolution sociale."

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 93-96 )

De Parti Socialiste Républicain.
Binnen de evolutionstische BWP ontstond in de tweede helft van de jaren tachtig een radicale stroming die via een algemene staking het algemeen stemrecht wilde bekomen. De naar Frankrijk gevluchte Alfred Defuisseaux was een van de bekendsten van deze beweging. Maar toen de mijnwerkers op hun congres te Jolimont op 7 februari 1887 tegen de woordvoerders van de Algemene Raad van de BWP in besloten tot een algemene staking, reageerde nog geen week later die Algemene Raad met de verwerping van de beslissingen van het mijnwerkerscongres en werd Defuisseaux geroyeerd.
In mei brak toen in de Henegouwse bekkens een algemene staking los die zelfs het Luikse bekken gedeeltelijk aanstak. Van looneisen werd het ordewoord al vlug het algemeen stemrecht. Te Brussel gingen de metaalbewerkers mee in staking. In de hoofdstad, maar ook in Antwerpen, Verviers en Luik trokken de arbeiders de straat op. Er vielen enkele doden... en de staking bloedde na enkele weken dood. Ondanks dit debâcle zette de dissidentie binnen de BWP zich door.
Toen op het partijcongres van 14 augustus aan vele (vooral Waalse) groepen de toegang werd geweigerd, verlieten 16 groepen het congres en stichtten zij samen met 39 andere de Parti Socialiste Républicain. De weerslag van deze dissidentie op het ledenbestand van de BWP was aanmerkelijk. In Wallonië onderging de partij een ware aderlating. De ideologie van Defuisseaux en zijn partij had onmiskenbaar blanquistische trekken door haar nadruk op het samenzweerderig optreden van de kleine, bewuste minderheid. En deze revolutionaire instelling ging gepaard met een absoluut vertrouwen in het wondermiddel algemeen stemrecht, dat voor Defuisseaux gelijkstond met de ontvoogding van de arbeiders.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 98-101)

De houding van de anarchisten.
De anarchisten keken bij dit alles de kat uit de boom. Al vermoedden ze dat de dissidentie binnen de BWP uiteindelijk zou leiden naar een versterking van de eigen rangen. En op een meeting van de Ligue des Métallurgistes van Seraing op 24 april 1887 stelden militanten uit Brussel, Luik en Verviers zich de volgende vraag : "Als een algemene staking het begin kon zijn van de verhoopte revolutie, waarop wachtte men dan nog om ze te beginnen ?"
Toen in mei in de mijnstreek een staking uitbrak ijlden Brusselse anarchisten weer naar Wallonië. Wysmans trok naar Luik en Verviers, Govaerts naar de Luxemburgse leiwerkers en Colignon naar Henegouwen. In Luik grepen van 16 tot 22 mei drie 'gemengde' meetings plaats. De eerste met socialistische tegensprekers, de volgende met aanhangers van Defuisseaux. Deze laatsten riepen op tot algemene staking. De anarchisten, in eerste instantie vertegenwoordigd door de toenmalige plaatselijke woordvoerder Henri Cardinael en op 22 mei ook door Henri Wysmans, predikten de onmiddellijke revolutie. In Verviers, op 26 mei wees Jean Davister voor een gehoor van driehonderd man erop dat Verviers, toch bekend om zijn revolutionaire instelling, niet langer afzijdig kon blijven. Geen vreedzame staking meer, maar algemene staking en revolutie was zijn devies. En in Henegouwen trad de Franse anarchist Octave Jahn naar voor. Op diverse meetings spaarde hij niets of niemand, zelfs Defuisseaux niet. Zijn krachtige taal en revolutionaire ideeën sloegen aan bij de toehoorders. Maar hij zou zijn engagement duur betalen : hij werd gearresteerd en veroordeeld tot twee en een half jaar gevangenisstraf.
In de zomer leverden de Brusselaars nog een laatste krachtinspanning in het Centre. Tijdens enkele meetings vielen Henri Wysmans en Ferdinand Pintelon zwaar uit naar de BWP en het algemeen stemrecht. Weer kon enkel de revolutie verlossing brengen.
In Brussel zelf echter gaven de anarchisten de volgende maanden nog amper een teken van leven en - wat erger was - in Verviers had men eerder al de verschijning van La Liberté gestaakt. Twee jaar lang zou het Belgisch anarchisme op die wijze een Franstalig blad moeten missen. 29 oktober 1887 ging te Brussel evenwel een anarchistische protestmeeting door tegen de terechtstelling van de martelaren van Chicago. In die Amerikaanse stad was op 4 mei een meeting geëindigd in een bloedbad. Er was een bom gegooid en om die reden werden vijf anarchisten, ten onrechte bleek al vlug, ter dood veroordeeld.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 101-103)

Anarchisten van Chicago, 1887.
De terechtstelling van de vijf anarchisten in Chicago (USA) werd na de Commune van Parijs een begrip in de anarchistische overlevering.
(De Opstand, 20 november 1887; Cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 105.)

In juli 1887 trachtte men vanuit Brussel toch opnieuw een en ander te coördineren. De propagandatochten naar de provincies wilde men systematiseren door aan de verschillende regio's specifieke propagandisten toe te wijzen. Ten huize van de Italiaanse anarchist Alfonso Danesi werd besloten dat Gérard zich zou richten naar Charleroi en de Borinage, Pintelon richtte zijn schreden naar Antwerpen, Wysmans bewerkte Brabant en in Luik en Verviers kon men terugvallen op de nog maar pas vrijgekomen Wagener, die helemaal alleen de Luikse groep opnieuw had opgestart. Tenslotte in Gent, de bakermat van sociaal-demokratie. Hier beschuldigde de door het anarchisme beïnvloede socialist August Lootens de BWP-leider Edward Anseele er van onrechtmatig commissielonen geïnd te hebben en eind september 1887 verscheen in Gent nog maar eens opnieuw De Opstand, dit keer een revolutionair-communistische versie. Nauwelijks enkele dagen later liep de verkoop van het blad uit op een handgemeen met een groep socialisten waarbij een schot uit de revolver van Lootens een socialist in het been trof. Lootens werd prompt uit de partij gezet, maar eind december voor het assisenhof van Oost-Vlaanderen vrijgesproken.
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 104-106; H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen."...., p. 184-186.)

Niet overal in het land stonden de evolutionistische socialisten en de revolutionairen zo fel tegenover elkaar. Bijvoorbeeld in Brussel was de socialistische voorman Louis Bertrand bereid deel te nemen aan de debatten van de anarchisten. En de plaatselijke jongerenorganisatie van de BWP, de Socialistische Jonge Wacht (SJW), betoonde genoeg openheid zodat de anarchisten er hun propaganda kwijt konden. De Brusselse anarchisten hadden een eigen Jeunesse Révolutionnaire van waaruit anti-militaristische ideeën werden verspreid. De jaarlijks terugkerende militaire loting, de zogenaamde bloedwet, vormden een periodiek hoogtepunt van de anarchistische werking. Militarisme en kapitalisme waren in hun ogen twee handen op dezelfde buik en alleen een revolutie kon er komaf mee maken. Met zulke standpunten vonden de anarchisten aansluiting bij socialistische jongeren. Zo verklaarde de socialist Jean Mareau op een protestmeeting tegen de bloedwet, op 1 februari 1887 te Brussel, dat "les anarchistes qui forment l'avant-garde et les socialistes qui forment le gros de l'armée sont parfaitement d'accord." En in het toen nog verschijnend anarchistisch blad La Liberté werd de kordate taal van de jonge wachters als de taal van eerlijke socialisten toegejuicht. Maar eind mei 1887 moest de uitgave van La Liberté gestaakt worden en sindsdien traden de anarchisten van Brussel nog nauwelijks naar buiten.
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 106-108; H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen."..., p. 187-190.)

Nu, wie waren rond 1888 die Brusselse anarchisten ? Gekend waren Henri Wysmans, Alexandre Colignon, Egide Govaerts, Achille Hertschap, Hubert Delsaute, Jean-Baptiste Deroy, Alfonso Danesi, Xavier Stuyck en verder ook Ferdinand Pintelon en A. Reniers. Eerder nieuwelingen waren Octave Berger, Emile Brassine, Dubois, Fahr, Paul Gille, Vanzeep en Gerard.
In de loop van 1888 daarentegen kende het anarchisme in Luik en Verviers een serieuze heropleving. De boodschap die er verspreid werd was dat men in 1889, honderd jaar na de Franse Revolutie, met een algemene staking moest beginnen om opnieuw tot een sociale revolutie te komen. En via deze revolutie zou dan uiteindelijk het anarcho-communisme gerealiseerd worden.
(In ieder geval was het algemeen stemrecht uit den boze want het zou enkel leiden naar nieuwe meesters, naar nieuw gezag.) Samen met deze anarchistische propaganda werden in de regio verschillende nieuwe groepen opgericht. In 1887 gebeurde dat weer in Luik, Lize-Seraing en Flémalle-Grande en in 1888 in Ougrée, Ensival en Nessonvaux. De laatste twee dorpen lagen in de streek rond Verviers, waar al die tijd L'Etincelle was blijven schitteren en ook in het naburige Dison bestond de Cercle d'Etudes Sociales nog. Tenslotte zou in 1888 te Verviers ook nog een Jeunesse Libertaire het leven zien.
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 109.)


Algemeen stemrecht en algemene staking, 1889-1893.

De Belgische Werkliedenpartij (BWP).
De socialisten zagen in het algemeen stemrecht de sleutel tot hervormingen. Het algemeen stemrecht zou de partij immers een massabasis bezorgen. En via verkiezingen en parlementair werk zou dan haar politieke invloed kunnen verhoogd worden waardoor ze beter zou kunnen ijveren voor sociale veranderingen. Evolutionistisch als ze waren zagen ze 'de samenleving langzaam veranderen' in de richting van het verre, socialistische paradijs. De brave, 'wettelijke' weg er naartoe zou m.a.w. lang duren en lag steeds verder verwijderd van het revolutionaire pad van de anarchisten. Van geweld was er bij hen geen sprake, wel van gematigdheid. De arbeiders moesten zich gedisciplineerd gedragen en zich in de eerste plaats organiseren (in coöperatieven en vakbonden).
Het ultieme politieke wapen waarmee men het algemeen stemrecht wilde binnenhalen was een vreedzame algemene staking, maar dan eerder als dreiging dan als effectief actiemiddel. Sociale chaos en geweld waren voor hen immers taboe.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 113-115.)

De revolutionaire anarchisten.
In de streek rond Luik en Verviers ging de anarchistische beweging door op het elan van 1888 en in Brussel zag opnieuw een anarchistische krant het licht : van begin mei tot einde augustus 1889 verschenen elf nummers van
Le Drapeau Noir. Organe communiste-anarchiste. Hierin werd opstand en revolte tegen gezag en kapitaal gepropageerd. "Guerre au capital, par la révolution; guerre à l'autorité, par l'anarchie." En de revolutie zou zich spontaan voltrekken omdat ze vooral het gevolg van de economische ontwikkelingen was. Maar het succes van die revolutie - de realisatie van het anarcho-communisme - hing in grote mate af van de doeltreffendheid van de anarchistische actie en propaganda binnen het revolutionaire proces. Indien dit laatste niet naar behoren zou gebeuren dan zou de revolutie slechts nieuwe meesters creëren en was alles vruchteloos geweest... In Le Drapeau Noir analyseerden de Brusselse anarchisten ook voor het eerst de eigen beweging, waarbij ze duidelijk de vinger op de wonde legden : "La haine du mot organisation a été telle que presque tous les groupes anarchistes qui ont été et sont encore nombreux, sont presque tout le temps restés étrangers les uns aux autres..."
(J. MOULAERT, Rood en Zwart..., p. 115; H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor alllen willen."..., p. 180-182.)
Naast de oprichting van Le Drapeau Noir gingen de Brusselse anarchisten in 1889 ook van start met een eigen 'volkshuis', met name La Populaire Anarchiste. Daartoe diende de Rubenszaal in de Brigittinenstraat, waar voorheen
la Grande Salle de la Cours de l’Univers (Le Navalorama) gevestigd was. De zaal werd elke zondag en maandag door de anarchisten afgehuurd en die organiseerden er gespreksavonden en meetings. Verder was er een eigen bibliotheek gehuisvest.
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 115-119.)
En vanaf mei 1889 waren er in de hoofdstad ook terug enkele anarchistengroepen actief. Bijvoorbeeld de Jeunesse anarchiste, die in haar stamcafé op de Grote Markt bijeen kwam. La Liberté en de nieuwe groep L'Egalité hielden in de Heuvelstraat hun samenkomsten. Naast Henri Wysmans leken de nieuwkomers Emile Brassine en Octave Berger de drijvende krachten achter deze laatste groep, die alles in het werk stelde om de anarchistische propaganda uit te bouwen en structureel te ondersteunen. Minstens één keer per maand hoopten ze een meeting te organiseren. En er werd een brochure uitgegeven, le Communisme anarchiste, waarin het anarchistisch standpunt tegenover de verschillende socialistische stromingen behandeld werd.

De publicatie van Le Drapeau Noir werd in augustus 1889 stopgezet, maar in november van dat jaar verscheen in de Parijse La Révolte reeds een oproep om in Brussel met een nieuw blad van start te gaan. Deze oproep was ondertekend door de vroegere medewerkers van Le Drapeau Noir, met name Octave Berger, Emile Brassine, L. Dauphin en Henri Wysmans en verder ook door Hubert Delsaute die hiermee na lange afwezigheid terug in de beweging opdook. Uiteindelijk mondde dit in het voorjaar van 1890 uit in La Reforme Sociale, een tweemaandelijks tijdschrift dat uitgegeven werd door Octave Berger. Het blad was evenwel niet echt anarchistisch en vond daarom weinig steun van de Brusselse anarchisten.

(H. VANDEN BROECK, "Omdat wij de vrijheid voor allen willen."..., p. 180-183.)

L'Homme libre doorbreekt de stilte.
De BWP had opgeroepen voor een grote betoging voor algemeen stemrecht. In navolging daarvan stapten op 10 augustus 1890 een 100.000 mensen op door de straten van Brussel. Anarchisten waren bij dit gebeuren niet betrokken. In de hoofdstad was er maar weinig anarchistisch verenigingsleven meer te bespeuren en ook in de rest van het land, bijvoorbeeld in Luik, kabbelde het anarchistisch beekje slechts rustig voort.
Op 1 mei 1891 brak dan in de Waalse mijnstreken spontaan een massale staking uit die vervolgens ook de metaalsector, Brussel en zelfs Gent aanstak. De socialisten van de BWP waren aanvankelijk door deze plotse sociale strijd verrast en keurden ze zelfs af, maar onder hun druk werd na twintig dagen staking het principe van een grondwetsherziening in de kamer goedgekeurd.
Tegen deze sociaal-politieke achtergrond starten anarchisten in Brussel met de uitgave van een eigen weekblad, namelijk L'Homme libre. Na zes maanden verscheen het blad nog een jaar tweewekelijks en het werd daarna opgevolgd door La Débâcle dat tot augustus 1893 van de persen rolde. Achter L'Homme libre ging een gelijknamige groep schuil, waartoe ondermeer Ferdinand Pintelon en Alexandre Longfils behoorden, en de redacteurs trokken van leer tegen het reformisme van de BWP. In hun ogen lag de oplossing voor alle ongelijkheid in radikale strijd, opstand en revolutie. Daarbij ging spontaniteit voor organisatie, want organisatie betekende meestal ook discipline, macht voor 'leiders', kliekjesgeest, eigenbelang, drang om zichzelf te bestendigen, interne tegenstellingen... en het bestaan van organisaties gaf de overheid de mogelijkheid tot beheersing en controle van de beweging. In de praktijk beperkte de inzet van de anarchisten zich tot propaganda via meetings en pers. En als revolutionairen vertoefden zij bij stakingen en één-mei-optochten aan de zijde van de arbeiders : "Vive la grève générale !" "Vive la révolution sociale !" De arbeiders moesten immers aangespoord worden om de brave paden van de wettelijkheid achter zich te laten !

Groot was dan ook de anarchistische verontwaardiging toen de socialistische leiders, eenmaal de officiële bevestiging er was dat de grondwetsherziening er zou komen, de staking meteen afbliezen. En dit zonder dat de socialisten rechtstreeks iets met de staking te maken hadden gehad. De mijnwerkers waren in de eerste plaats 'spontaan' in staking gegaan om loonsvermindering tegen te gaan (en om de achturendag te bekomen), om louter sociaal-economische motieven dus. De BWP-leiding had na eerst vruchteloos geprobeerd te hebben de staking te breken te elfder ure geveinsd toch haar steun te verlenen, en onder het mom daarvan had ze aan de actie een ander, namelijk politiek, doel gegeven : een grondwetsherziening die zou leiden naar algemeen stemecht. In de ogen van de anarchisten was dit een schoolvoorbeeld van hoe de socialistische leiders de arbeidersklasse misbruikten om de burgerij te intimideren en zo enkele 'postjes' te bekomen.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 119-125.)

Het internationaal socialistisch congres van Brussel van 1891.
Na het congres van Parijs in 1889 ging in 1891 opnieuw een door te Brussel. De anarchisten van L'Homme libre riepen alle arbeidersorganisaties die zich konden laten afvaardigen op om dat ook effectief te doen. En de Brusselaars werden in hun standpunten gevolgd door Le Révolté uit Parijs : de Belgische anarchisten moesten gesteund worden en er dienden afgevaardigden naar Brussel gestuurd om er de anarchistische ideeën te propageren. Maar op het congres waren de anarchisten slechts met een twintigtal op meer dan driehonderd aanwezigen. En ze werden gecontesteerd. De Italiaanse advocaat Saverio Merlino werd het land uitgezet en de Brusselaar Henri Wysmans werd op voorstel van de Belgische, socialistische afvaardiging uitgesloten. Nog eenmaal lieten de anarchisten van zich horen toen onder meer Ferdinand Pintelon de congreszaal binnendrong om aan te klagen dat de Italiaan Merlino was opgepakt tengevolge van een indiscretie in een plaatselijk blad, met name het socialistische Le Peuple. Verder protesteerden de anarchisten ook tegen de uitsluiting van een aantal Spaanse afgevaardigden. (Ook de jaren nadien, in 1893 in Zurich en in 1896 in Londen, liepen de anarchistische pogingen om deel te nemen op niets uit.)
Gelijktijdig met het congres werden door de Brusselse anarchisten verscheidene conferenties georganiseerd. Door de aanwezigheid van de uitgesloten Spaanse afgevaardigden kregen deze conferenties enigszins internationale allure, die nog versterkt werd door steunbetuigingen uit Rotterdam, Den Haag, Madrid, Casteljoux, Boulogne, Rijsel, Milaan, Londen en Walsall. Binnenlandse steunbetuigingen kwamen er uit Verviers, het Luikse, de Centre, de Borinage en ook uit de Vlaamse steden Antwerpen en Gent. De dagorde van de conferenties was volgens L'Homme libre eenvoudig, maar belangrijk : welke vorm van organisatie was te verzoenen met de anarchistische beginselen ? Een antwoord op die vraag lag niet voor de hand. Wel was duidelijk dat het mijlenver afstond van het sociaal-democratische gedachtengoed. Op de meeting van 22 augustus was meer dan vijfhonderd man aanwezig en bezon men zich over anarchisme en socialisme. Sprekers waren Wysmans, Pintelon en de Spanjaard Fernandez Ramos. Deze laatste wist zijn gehoor bijzonder goed te boeien. Hij had het over de Spaanse vakbeweging die onafhankelijk wilde staan van politieke partijen en overwegend libertair georiënteerd was. De anarchistische slotresoluties werden de dag nadien geformuleerd. Op de obligate
geloofsbelijdenis in de autonomie van de groepen volgde de onvoorwaardelijke oproep om in de bestaande vakverenigingen te infiltreren en er de anarchistische zaak te propageren. En waar nog geen vakverenigingen bestonden moest men er mee beginnen. Verder had men het over de vorming van regionale federaties tot de oprichting van een landelijke federatie toe. Waarbij men zich allicht liet inspireren door de toestand in Spanje en Frankrijk.
Rotterdamse anarchisten van hun kant lanceerden het voorstel om samen met de Vlamingen een Nederlandstalig blad te beginnen en om samen brochures uit te geven.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 125-130.)

Aanslagen te Luik.
In maart 1892 werd in Frankrijk de zogenaamde Propaganda door de Daad in de praktijk gebracht. De anarchist Koenigstein alias Ravachol ging bommen leggen onder de huizen van de rechters die betrokken waren bij de veroordeling van twee geestesgenoten. Ravachol trad daarmee naar voor als 'de wrekende anarchist die alle onrecht herstelde'.
In België was tot in die tijd van Propaganda door de Daad nog niet echt sprake. In 1886 was in het Waalse land wel het 'neem en eet'-recht gelanceerd en daarbij hadden oproerige manifestaties plaats gevonden, maar bomaanslagen door anarchisten waren er nog niet gebeurd. Wel werd tijdens stakingen en op meetings verwezen naar de spoedige komst van de revolutie en dat daar allicht geweld aan te pas zou komen lag voor de hand. En op de anarchistische bijeenkomsten werd in die dagen vaak over springstof gesproken. Plots dan, in de nacht van 28 maart 1891, vond er een diefstal plaats van meer dan 900 kilogram dynamiet uit het kruitmagazijn van Ombret. Een poging om vervolgens het magazijn zelf op te blazen mislukte. De hele onderneming liep echter faliekant af toen een politieagent de wagen met de gestolen lading halt liet houden wegens het ontbreken van reglementaire verlichting. De begeleiders, Lambert Hansen, François Bustin en Langendorf, sloegen op de vlucht naar Frankrijk. Maar ze waren herkend en nadat ze een jaar later door de Franse autoriteiten werden uitgeleverd verschenen ze voor de rechtbank. Hansen werd tot vijftien jaar dwangarbeid veroordeeld en Langendorf en Bustin tot twaalf jaar gevangenisstraf.
(Ondanks zware verdenkingen bleven Marcotty, Mateyssen en Beduin in deze zaak buiten schot.)
Nog de avond van de uitspraak zelf, op 16 maart 1892, werd een springtuig geplaatst voor het huis van raadsheer Renson, die in de assisenzaak voorzitter was. Een politieagent slaagde er evenwel in de lont te doven. En een maand later was het de beurt aan aanklager Beltjens. Maar het springtuig ontplofte slechts gedeeltelijk. Op 28 april volgde nog een ontploffing, die vrij veel schade aanrichtte aan een huis gelegen tegenover het Provinciaal Paleis. Maar de meest explosieve aanslagen te Luik moesten nog komen. 1 mei tussen 20.15 uur en 21 uur ontploften drie springtuigen tegen de gevels van twee herenhuizen en tegen het koor van de Sint-Martinuskerk. De oude glasramen van de kerk moesten er grotendeels aan geloven en in een omgeving van een tweehonderdtal meter bleef nauwelijks een raam heel. Op 2 mei volgde dan een laatste aanslag die eveneens aanzienlijke schade aanrichtte.

Terwijl de daarop volgende dagen de socialisten zich volmondig distantieerden van het revolutionaire, gewelddadige anarchisme trad de Belgische justitie resoluut op tegen de anarchisten. Er volgden verschillende arrestaties en nog geen drie maanden na de feiten, op 18 juli 1892, werd "l'affaire des anarchistes" voor het assisenhof van Luik geopend. Veertien beschuldigden werden er van beticht deelgenomen te hebben aan een complot. Door de aanklager werd de invloed die Jules Moineau op de anderen zou hebben uitgeoefend in de verf gezet, ook al had hij zich in feite 'enkel' bezondigd aan diefstal van springstof en de aanslag tegen het huis van de rechter.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 130-139.)

Jules Moineau

Jules Moineau

(Uit J. MOINEAUX, Lettres d'un forçat..., Elsene, 1900 (Amsterdam, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis); Cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 137)

Moineau zei op zijn proces ondermeer dat de grote revolutie zou voorafgegaan worden door partiële revoluties, die op hun beurt ingeluid werden door individuele acties. Trouwens, als bij de Belgische revolutie van 1830 Rogier niet gewonnen had, dan zou die ook voor het assisenhof zijn gebracht. En hij besloot krachtig : "Moi, je suis fier d'être anarchiste. L'avenir de l'humanité est à l'anarchie. Je termine : Anarchie que ton règne arrive." Maar het mocht niet baten. Moineau kreeg de zware straf van vijfentwintig jaar dwangarbeid, Wolfs en Beaujean elk twintig, Mateyssen, Marcotty, Lacroix en Nossent elk vijftien jaar dwangarbeid, Hansen tien jaar opsluiting en Guilmot drie jaar opsluiting. Van de zestien beklaagden werden er uiteindelijk negen veroordeeld. De complot- en bendetheorie werd door de jury, zij het met een kleine meerderheid, en vervolgens ook door het hof aanvaard.
De ruchtbaarheid die aan de zaak gegeven werd, ook in het toen eveneens door terrorisme geplaagde Frankrijk, was groot. Het is duidelijk dat de 'terreuracties' van de anarchisten bij de burgerij en de kleinburgerij op niet veel sympathie konden rekenen. En natuurlijk wezen ook de socialisten ze af, al schetste bijvoorbeeld Jean Volders in Le Peuple toch heel wat nuanceringen : zonder kapitalisme en conservatisme zou er nooit sprake geweest zijn van anarchisme en aanslagen. Ongetwijfeld zouden de anarchisten veroordeeld worden door de rechtbank, maar mogelijk werd Moineau vrijgesproken door het grote publiek "cet anarchiste, dont tout le monde reconnaît l'intelligence et la générosité." Volders vermoedde zelfs dat een veroordeling vooral zou uitmonden in reclame voor het anarchisme. Terwijl er in zijn ogen voor de arbeiders slechts één remedie was : en dat was niet het anarchisme maar wel het socialisme. Daarom moest dringend het algemeen stemrecht gerealiseerd worden.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 137-139.)

Les anarchistes du coeur.

Terrorisme was nagenoeg een exclusieve aangelegenheid van de beweging in Luik. In de rest van het land was men daar niet zo mee bezig. Het Brusselse blad L'Homme libre hoedde zich er wel voor de propaganda van de daad principieel af te wijzen, maar het aanvaardde slechts een selectief gebruik van geweld. "Les anarchistes de coeur" zouden nooit iemand doden tenzij in de hitte van de strijd of uit zelfverdediging. Als er dan toch slachtoffers - zeker onder de arbeidersbevolking - moesten vallen, dan was dat enkel aanvaardbaar in het kader van de collectieve strijd "des exploités contre les exploiteurs" (de revolutie). Wie met aanslagen met springstof het leven van arbeiders, vrouwen en kinderen op het spel zette, was geen held, "il est tout au plus un décadent de la révolution". Bijna de hele internationale anarchistische beweging zou zich uiteindelijk in 1894 na twee jaar aanslagen in essentie tot dit standpunt bepalen.
Maar op het ogenblik dat de Brusselaars hun opinie te kennen gaven, in april 1892, waren te Luik al de eerste aanslagen gepleegd. Hun blad gaf aanvankelijk weinig commentaar bij de bomexplosies, althans tot de aanslagen van 1 en 2 mei. L'Homme libre gaf pas op 7 mei een vrij uitvoerig verslag van de feiten en de arrestaties, al werd het onderwerp ook dan niet ten gronde behandeld. Het gerechtelijk onderzoek was overigens nog volop aan de gang. Maar ook later nam het blad geen uitdrukkelijk standpunt in. Wel bracht men verder geregeld verslag uit, om uiteindelijk zelfs een volledig nummer te wijden aan de verdediging van Moineau zelf en het pleidooi van zijn advokaat. L'Homme libre repte echter met geen woord over de opportuniteit van de aanslagen. Wel werden steunlijsten geopend en uiteraard was men verontwaardigd over de veroordelingen.

Terwijl in 1893 of wat later ondermeer Wysmans en Pintelon afhaakten realiseerden de meeste anarchisten in België zich dat de Luikse propagandisten van de daad bitter weinig sukses kenden in de verspreiding van revolutionaire en anarchistische ideeën, dat in tegenstelling tot de voorspoedige strijd van de socialisten om het algemeen meervoudig stemrecht. En in een terugblik kort na de eeuwwisseling stelde het Luikse anarchistische blad Le Réveil der travailleurs dat het belangrijkste gevolg van de aanslagen de desorganisatie van de Luikse groep was geweest.
Maar anderzijds zou een bijprodukt van het Luikse terrorisme, namelijk het martelaarschap van Moineau en de daarmee samenhangende amnestiebeweging, wel een zeker mobiliserend effect uitoefenen op de anarchistische beweging.
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 139-142.)

Anarchistische organisatie en pers.
Begin 1893, mogelijk al eerder bleek te Luik echter opnieuw een anarchistische groep te bestaan met onder meer de tweeëntwintigjarige mijnwerker Emile Chapelier. De groep zou erg actief geweest zijn en ook een Jeune Garde Antimilitariste, eveneens met Chapelier, liet in 1893 van zich horen.
Verder vond de 'anarchistische beweging' rond die tijd een zekere uitbreiding in Henegouwen. In de mijnwerkersstreek rond La Louvière, Godarville, Gouy-lez-Piéton, Trazegnies en Morlanwelz zou in de maand juli een Fédération Anarchiste du Centre zijn opgericht die zeker tot in de lente van het jaar nadien regionale vergaderingen op touw zette. De toen nog actieve Brusselse anarchist Ferdinand Pintelon kwam er pleiten voor de organisatie van de arbeiders op economische grondslag. Het was goed, zo stelde hij in Trazegnies tijdens een vergadering van mijnwerkers, dat de arbeiders zich organiseerden in vakbonden en mutualiteiten en dit los van socialistische partijen. De vermenging van de economische strijd met de politieke leidde in zijn ogen tot verwarring en verdeeldheid. De Fédération Anarchiste du Centre zou tijdens een mijnstaking ook een manifest op 25.000 exemplaren aan de man gebracht hebben. In de streek rond Charleroi was rond de uitlopers van deze staking door het optreden van Carpent ook de hoop op een anarchistische inplanting gegroeid, maar daarvan lijkt niet veel terechtgekomen te zijn.
De Borains bleven blijkbaar doof voor de anarchistische roep, wat niet van de 'Ardenners' gezegd kan worden : in Mariembourg kon men een tijdlang bogen op een anarchistische groep.
Tenslotte kwamen uit Vlaanderen enkele zeldzame tekenen van leven. In Gent zouden eind 1891 een drietal anarchistische leesgroepen bedrijvig geweest zijn die samen zelfs om de maand een algemene vergadering hielden. En uit Antwerpen kwam er af en toe een steunpenning van een Groupe de Jeunes Anarchistes of de Jeunesse Anarchiste.

Algemeen kunnen we stellen dat het in 1892-1893 het voor de anarchistische beweging blijkbaar moeilijk was zich echt te vestigen en een continue werking te organiseren. Zelfs in Brussel, Verviers en Luik was dit het geval. Zo bleek ook het Brusselse blad L'Homme libre intussen in moeilijkheden te verkeren. Met zijn oplage van 2.000 exemplaren kon het zelfs bij volledige verkoop de kosten niet dekken. Men was met andere woorden deels afhankelijk van steunbijdragen van individuele sympathisanten en groepen. En al werden er goede voornemens gemaakt, de financiële perikelen bleven duren. Vanaf april 1892 kreeg men op de koop toe nog af te rekenen met een concurrent uit eigen rangen : La Misère. Dit nieuwe blad diende zich aan als spreekbuis van de anarchistische jeugd en deed net als L'Homme libre een beroep op de kameraden uit de provincie. Het lag in de bedoeling om de twee weken afwisselend met het zusterblad uit te komen, iets waarin men overigens nauwelijks slaagde. Nochtans vond het plan van de jonge kameraden om de anarchistische ideeën te vulgariseren voor de massa goedgekeuring en het verschijnen van La Misère werd door L'Homme libre zelfs welwillend aangekondigd. La Misère zou door een verschillende tactiek de propaganda vervolledigen en nog meer militanten aantrekken. Spilfiguur in de hele zaak was ongetwijfeld de tweeëntwintigjarige Franse typograaf Albin Villeval en het blad richtte zich in de eerste plaats naar jongeren uit enkele SJW-afdelingen (Brussel, Sint-Joost-ten-Node, Sint-Gillis), alsook naar Les Jeunes, een kunstafdeling. Al op 24 september van hetzelfde jaar moest La Misère evenwel melden dat de (financiële) toestand uitzichtloos was en het gerecht zou de doodsstrijd nog bekorten : het blad werd in beslag genomen en op 2 november 1892 werd Villeval door het Assisenhof van Brabant veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf. Hij had in een artikel immers opgeroepen tot desertie.
Uit het overleg tussen La Misère en L'Homme libre ontstond een nieuw blad, La Débâcle. Organe révolutionnaire. En er werd opgeroepen tot wat een nationaal anarchistisch congres zou worden, het eerste in België sinds meer dan tien jaar. Het congres zou slechts over één zaak gaan : de pers. Met kerstmis kwamen in Brussel meer dan zeventig militanten uit alle hoeken van het land bijeen. Eens te meer werd de wens uitgesproken om één nationaal blad te laten verschijnen en voor de financiering ervan werd meer inbreng verwacht vanuit de verschillende regio's. Alvast vanuit Verviers zou in La Débâcle veel meer nieuws komen.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 142-147.)

Toenemende polyvalentie en infiltratie.
Terwijl L'Homme libre en zijn opvolger La Débâcle een tot dan toe ongekend lange reeks nummers uitgaven groeide de beweging zeker te Brussel en te Verviers opvallend in de breedte. Zo was de doorbraak bij jongeren al eerder op gang gekomen. Op diverse plaatsen staken groepen anarchistische jongeren de kop op, sommige al aan het eind van de jaren tachtig.
In Verviers zag in 1888 de Jeunesse Libertaire en in 1889 de Jeune Garde Cosmopolite het licht. In 1892 werd er behalve van een Jeunesse Libertaire ook melding gemaakt van een Jeunesse Révolutionnaire en een Jeune Garde Libertaire, in 1893 enkel nog van deze laatste groep. Dat jaar kende ook de naburige gemeente Nessonvaux zijn Jeunes libertaires. In Antwerpen was in 1891 sprake van een groep van anarchistische jongeren. En in Luik was in 1893 een Jeune Garde (Antimilitariste) actief met onder andere Emile Chapelier. Over deze groepen weten we nauwelijks meer dan dat een aantal van hen regelmatig vergaderde en de kring van Verviers en die van Luik organiseerden ook meetings.
In Brussel bestond al vanaf 1886 de Jeunesse Révolutionnaire. Verder hadden de anarchisten er ook een serieuze invloed op de Socialistische Jonge Wacht die er zowel in de binnenstad als in Sint-Gillis bestond. De affiniteit tussen anarchisme en beide SJW's, die zich mettertijd Revolutionaire Jonge Wacht (RJW) noemden, kwam op diverse vlakken tot uiting. De activiteiten van deze SJW-groepen alsook van de Federatie van de Socialistische Jonge Wachten van de Brusselse agglomeratie werden steevast in La Misère en L'Homme libre aangekondigd. En de anarchistische bladen pakten naar het voorbeeld van de SJW uit met speciale antimilitaristische nummers, die naar aanleiding van de jaarlijkse loting verschenen : L'Armée nationale (1892) en L'antipatriote (1892 en 1894). Ook werden anarchistische sprekers uitgenodigd op meetings van de SJW waar ze antimilitaristische standpunten propageerden en menige meeting eindigde met een oproep tot revolutie.
Tot slot moeten we melden dat de revolutionaire oriëntering van de hoofdstedelijke SJW's zich ook op nationaal vlak zou uiten. Op een SJW-congres in oktober 1893 te Brussel liet de anti-parlementaire inbreng van Jaak (of Willem) Bus, als vertegenwoordiger van de Revolutionaire Jonge Wacht van Mechelen, zich opvallen. (Deze RJW had zich al in het voorjaar van de BWP afgescheurd en was vervolgens toegetreden tot de kersvers opgerichte Revolutionaire Arbeiderspartij.)

Naast de jongerenwerking lieten de anarchisten zich ook horen op cultureel vlak. In Brussel en Verviers ontstonden diverse groepen die de culturele ontplooiing van de anarchistische achterban beoogden. In Verviers was er bijvoorbeeld de toneelkring Les Wallons. En te Brussel werd met een eigen koor begonnen : de groep L'Etincelle gaf een gelijknamige bundel uit met revolutionaire liederen en gedichten. Daarnaast waren er nog groepen als de Club des Fédérés, die instond voor de organisatie van "concert-spectacles". Zoals in Frankrijk een bondgenootschap onstaan was tussen anarchisme en artistieke avant-garde had de anarchistische beweging in de hoofdstad aansluiting gevonden bij een groep jonge kunstenaars van wie het referentiepunt ongetwijfeld de Kunst met een grote K was. Het individualistisch en anti(partij)politiek ingestelde anarchisme kwam ruim tegemoet aan de esthetische verzuchtingen van symbolistische dichters als Emile Verhaeren, en de neo-impressionistische schilders als de Pissaro's, enz... In de loop van 1892 zag in Brussel de Section d'Art Les Jeunes het daglicht, waarvan de oprichting door La Débâcle werd aangekondigd als een initiatief van jeugdige kameraden. In ieder geval loog hun intentieverklaring er niet om : "Réveiller dans la masse le sentiment de l'esthétique qui, une fois développé, ne peut que mener les travailleurs vers l'idéal : l'anarchie." Dit was - in een notedop - de hele anarchistische visie op de kunst. Van december 1892 tot mei 1893 verscheen het blad La Lutte pour l'art met de Fransman Denis Villeval als redacteur en later als drukker.
Ook in de vrijdenkersbeweging van de drie anarchistische centra, Brussel, Luik en Verviers, kregen de anarchisten voet aan wal. In Luik konden mannen als Moineau en Wysmans in de zomer van 1890 op enkele meetings van de vrijdenkersmaatschappij La Libre pensée het woord voeren. De Brusselse L'Affranchissement dient hier ook vermeld te worden. In haar schoot kon medio 1892 het debat over revolutionaire frontvorming worden gevoerd en eind 1893 kondigde Le Libertaire de verschijning van de almanak van L'Affranchissement voor 1894 aan waarin naast het socialisme ook plaats was voor het anarchisme. Het heette een richting van de socialistische beweging te zijn en "certes, ils ne sont pas ni les moins actifs, ni les moins désintéressés parmi ceux qui se disent révolutionnaires." En over Verviers kon men ondermeer in 1893 in La Débâcle aankondigingen voor de vrijdenkerskring Les Ouvriers Solidaires Verviétois lezen.
Tenslotte nog iets over de anarchistische aanwezigheid in de vakbeweging, al is daar in de literatuur weinig over terug te vinden. We hebben alleen weet van Henri Wysmans die begin jaren negentig secretaris was van de Brusselse Bond van Juweelwerkers, die typische ambachtslui groepeerde. En in Verviers ontwikkelde de vakbeweging zich grotendeels los van de evolutionistische BWP. Niet dat dit laatste automatisch wijst in de richting van revolutionaire, anarchistische invloeden, maar toch... het anarchisme had in de wolstad sinds lange tijd wortel geschoten en was moeilijk nog te negeren.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 147-154.)

De strijd voor het algemeen stemrecht en revolutionaire frontvorming.
Het was al in 1889 geschreven in Le Drapeau noir en vervolgens herhaald in de brochure Le Communisme anarchiste : er waren drie soorten staatssocialisten. Er waren de "evolutionisten" of "reformisten". Vervolgens waren er de "révolutionnaires-socialistes politiciens", die wel de revolutie wilden, maar tegelijk de partijpolitieke strijd niet wilden opgeven. En tenslotte waren er ook de "socialistes-révolutionnaires autoritaires". Van de laatste soort, eerlijke socialisten, verwachtten de anarchisten dat ze, gedegouteerd door het algemeen stemrecht en de politiek als ze waren, uiteindelijk het anarchisme zouden omhelzen.
In de loop van 1892 deden de anarchisten dan ook herhaaldelijk een oproep tot revolutionaire eenheid en in kringen van de Socialistische Jonge Wacht kregen ze alsmaar meer gehoor. Een ruimer succes zouden ze boeken op het moment dat de strijd voor het algemeen stemrecht in 1893 op een hoogtepunt kwam. In Antwerpen vond toen zelfs een revolutionair congres plaats dat georganiseerd was door de plaatselijke dissidente Socialistische Arbeiderspartij die op haar beurt ontstaan was uit aanhangers en militanten van het blad De Wacht, dat uit de BWP was gezet. Nochtans was De Wacht in aanvang zeker niet revolutionair te noemen maar het werd steeds meer een klankbord voor revolutionaire, volgens La Débâcle zelfs zuiver anarchistische geluiden uit Antwerpen en andere Vlaamse centra, in het bijzonder Mechelen. De oproep in De Wacht van de zich nu openlijk revolutionair noemende Socialistische Arbeiderspartij voor een landelijk congres op 26 maart 1893, betekende in dat opzicht een voorlopig hoogtepunt. Het congres werd vooral een Vlaams-Brusselse aangelegenheid met afgevaardigden uit Antwerpen, Leuven, Mechelen, Boom, Willebroek en Brussel. Uit het Brusselse waren anarchisten, de Revolutionaire Jonge Wacht van Brussel-stad en de Jonge Wacht van Sint-Gillis vertegenwoordigd. Gent en Menen hadden hun instemming met het initiatief betuigd. Volgens Jan Welters van De Wacht had de BWP niets revolutionairs meer. Ze had alles tot zelfs de naam van socialistische partij opgegeven voor het algemeen stemrecht. Men moest breken met het parlementarisme dat alles opofferde aan zogenaamde politieke voordelen. De BWP bracht het volk op een dwaalspoor, het algemeen stemrecht zou slechts een verandering van gezag met zich brengen. Het besluit lag voor de hand : alleen de revolutie bood een uitweg. Het voorstel van De Wacht was duidelijk : de ware socialisten moesten zich afscheiden van de BWP. En men besloot om met Pinksteren in Mechelen een nieuw congres te beleggen. Meteen kregen de Brusselse anarchisten aansluiting met revolutionairen, zij het onverwacht in Vlaanderen.
Met Pasen, in april 1893, vond te Gent een BWP-congres plaats waar de vertegenwoordigers van De Wacht effectief de deur werden gewezen. Voor La Débâcle bleek één ding zeer duidelijk uit de resoluties van het congres : namelijk de alliantie van de leiders van de BWP met de radicale burgerij. Anderzijds betekende het ook de volledige breuk van de 'wettelijke' socialisten, niet alleen met de libertaire socialisten, maar ook met de revolutionaire socialisten. Op 11 april verwierp de Kamer het zuiver algemeen stemrecht en de Algemene Raad van de BWP kondigde de staking af. Die staking werd algemeen en verspreidde zich over Brussel, Gent, Antwerpen, Leuven, Mechelen, Charleroi, de Centre... Ze kreeg een nooit geziene omvang en de toestand werd steeds grimmiger. Op 17 april vielen te Jemappes dan zes doden en de volgende dag vielen er te Borgerhout opnieuw vijf doden. Nagenoeg gelijktijdig werd met een krappe meerderheid in de Kamer niet het algemeen maar wel het meervoudig stemrecht aanvaard. Prompt bliezen enkele BWP-leiders de algemene staking af. De vrees van de evolutionisten voor een beweging die revolutionaire proporties begon aan te nemen was blijkbaar te groot. De algemene staking dreigde immers te ontaarden in een niet meer te controleren revolte.

Nu, dat was een zekere overschatting van het revolutionaire potentieel van de sociale beroering. De anarchisten en revolutionairen waren er trouwens amper bij betrokken.

Voor de anarchist Jean Prolo, in La Débâcle, was dit algemeen meervoudig stemrecht... zuiver verraad ! Er restte de arbeiders niets anders dan naar het revolutionaire congres van Mechelen te komen teneinde te beraadslagen over de nodige maatregelen om het volk van het parlementarisme af te wenden en de anti-etatistische en communistische idee te propageren. En wat later verscheen in La Débâcle een anonieme bijdrage waarin openlijk de gevolgde tactiek ter discussie werd gesteld : de collectieve aktie op straat met het oog op de revolutie was erg moeilijk, zo niet onmogelijk geworden ! De gewapende macht van de overheid was daarvoor te overweldigend. Het volk diende daarom grote massabewegingen te verzaken want de heersende klassen kwamen er nauwelijks onder de indruk van. Waar ze wel schrik van hadden, was de individuele (terroristische) daad ! Maar de Fransman Charles Malato trok samen met de bekende Italiaanse anarchist Errico Malatesta naar de bossen van de Centre waar ze een groep stakers zouden treffen die op Brussel marcheerden. Het bleken nauwelijks tien man te zijn met hoop en al twee revolvers, in ieder geval veel te weinig om echt weerstand te bieden aan de troepen. Peter Kropotkin - ongetwijfeld mede geïnspireerd door Malatesta - stelde dat de gebeurtenissen in België duidelijk aantoonden dat de anarchisten in België weinig initiatief hadden getoond en hij bepleitte vooral de noodzaak van de terugkeer naar de massa. Voor de rest waren er maar weinig sporen van anarchistische agitatie bij de algemene staking. In Antwerpen waren nog wel de mannen van De Wacht actief en in Verviers voerden Jean Davister en de jurist Paul Sosset (alias Flaustier) het woord op druk bijgewoonde meetings, maar verder is het tasten in het duister.

Op 21 mei 1893 greep in zaal De Toekomst in Mechelen dan een tweede revolutionair congres plaats. Hier werd - rond de klassenstrijd (op het economische terrein) - de antiparlementaire Revolutionaire Socialistische Partij opgericht. De Wacht en La Débâcle waren haar spreekbuizen. La Débâcle zou een vrije tribune openen voor alle revolutionairen, eventuele kritiek kon in het zuiver anarchistische deel van de krant. Ondanks de oprichting van de nieuwe partij ging het niet zo goed met de revolutionair-anarchistische beweging. Het revolutionaire ontwaken in Vlaanderen bleef beperkt tot de centra die op het eerste congres vertegenwoordigd waren. In Brussel vormde de Ligue Ouvrière van Sint-Joost-ten-Noode hierop een schaarse uitzondering. De Ligue Ouvrière was afgescheurd van de reformistische Socialistische Partij en liet een twee pagina's groot revolutionair manifest in La Débâcle verschijnen. Hierin werd de teleurstelling en het ongenoegen die de afgebroken staking, en de hele stemrechtkampagne in het algemeen, bij een aantal militanten hadden teweeggebracht uit de doeken gedaan. De reformisten hadden de grondslag van de socialistische beginselen verloochend en vervangen door een politiek van compromissen, toegevingen en hervormingen die meer met burgerlijke liefdadigheid te maken had dan met het streven naar echte sociale gelijkheid. Bovendien hadden ze het libertaire ideaal ingeruild voor een hiërarchische en autoritaire organisatie met als enig doel de verovering van de macht. Daarom was de Ligue Ouvrière afgescheurd van de socialisten en verklaarde ze zich antiparlementair en voor de strijd op het economische terrein. In Brussel leek Sint-Joost-ten-Node de zaak naar zich toe te trekken en na het ter ziele gaan van La Débâcle werd in oktober een nieuw blad gelanceerd, Le Libertaire. Organe socialiste-révolutionnaire des groupes de St-Josse-ten-Noode. De bestuurder was de twintiger Henri Willems en het blad zou een oplage van 4.000 exemplaren hebben gehaald. Het kon ook meteen een nieuw revolutionair congres, het derde al dat jaar, aankondigen. De uitnodiging gebeurde namens de Revolutionaire Socialistische Arbeiderspartij door de groepen van Sint-Joost.
Het congres ging door op Allerheiligen in het lokaal van de Ligue Ouvrière. Het zou een vrij uitgewerkt, overigens behoorlijk anarchistisch programma voortbrengen. Hierin kwamen diverse thema's aan bod. Om te beginnen was de strijd tegen het gezagsprincipe (de staat) primordiaal. Het congres verwierp dan ook de politieke strijd en de parlementaire actie in het bijzonder, de strijd moest exclusief economisch gestreden worden. Concreet werd besloten campagnes voor het boycotten van de verkiezingen op te zetten. Antimilitaristische propaganda mocht niet beperkt blijven tot de loting, maar diende uitgebreid te worden tot in de kazernes zelf. Het lag helemaal in de lijn van het voorstel van de Nederlandse anarchist Domela Nieuwenhuis, dat was afgewezen op het internationaal socialistisch congres van Zurich in 1893, om intense propaganda te voeren voor een staking van de soldaten. Alle vormen van insubordinatie werden goed bevonden. De verslaggever van Le Libertaire zag daar wel brood in. De revolutionairen zouden bovendien ook actief deelnemen aan de werklozenbeweging. In een bijkomend verslag van Le Libertaire werd daarnaast ook 'infiltratie' in arbeidersverenigingen, vakbonden en mutualiteiten aanbevolen; dat thema deed al jaren opgeld in de Belgische anarchistische pers. En op de koop toe wilden ze op het platteland een actieve propaganda voeren voor het 'agrarisch socialisme'.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 155-165.)

Anarchisme 1885-1894

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 143.)


Aussi longtemps que régnera l'égoïsme.
De verhoogde revoltionaire en anarchistische agitatie vielen niet in goede aarde bij de socialisten. In hun pers werden geregeld aanvallen op het anarchisme gedaan en in 1893 verscheen de brochure L'Anarchisme. Ze was van de hand van H. van Kol, alias Rienzi, een Nederlandse socialist die een tijdlang in België woonde en er goede betrekkingen onderhield met onder meer de Gentse socialisten. De inleiding van de brochure was van August Dewinne en hij begon zijn betoog met te stellen dat de socialistische jongeren warm liepen voor het anarchistisch ideaal en dat daar niets op tegen was. Met de jaren zouden ze volgens hem immers inzien dat dit een te absoluut streven was en ze zouden vanzelf terugkeren naar de socialistische doelstellingen. Maar een gevaar was wel dat dit jeugdig enthousiasme de jongeren ertoe zou brengen om ook de tactiek en de ideeën van de anarchisten te aanvaarden. Het anarchistisch communisme kende als enige regel de absolute vrijheid en daarbij waren plichten van het individu tegenover de samenleving uit den boze. Maatschappelijke harmonie zou ontstaan uit het vrije spel van de individuele belangen. Maar welke moraal zou het respect voor de vrijheid van de ander opleggen, was de vraag van van Kol. Het anarchistisch communisme zou volgens hem enkel leiden tot het recht van de sterkste. En daar lag het belang van de 'Volksstaat' die door de anarchisten zo werd gehekeld. De 'Volksstaat' zou juist de vrijheid mogelijk maken, niet voor enkelen, maar voor allen. De individuele vrijheid moest daar ophouden, waar deze maatschappelijke noodzaak begon.
Uiteraard had het individu heilige rechten. Niettemin was de ontwikkeling van de persoonlijkheid enkel mogelijk in gemeenschap. Echte vrijheid veronderstelde een integrale ontplooiing (materieel en moreel) van het individu. (Mutatis mutandis zegden de anarchisten dit ook : welbegrepen eigenbelang was volgens hen essentieel sociaal.) En voor alles moest de mens zijn : "Un des membres de l'humanité." "La conception d'individu (doit) rester soumise à celle d'homme, de membre de la collectivité." Er moest een morele band bestaan, vrijheidsliefde moest samengaan met naastenliefde om absolute vrijheid mogelijk te maken. De anarchisten, aldus van Kol, dachten onterecht dat het persoonlijk belang zou samenvallen met het algemeen belang. Dat was hun zwakte en maakte het anarchisme tot een utopie.

De anarchisten hadden veel gemeen met de klassieke economen, alleen wilden ze eerst de productiemiddelen onteigenen om ze ter beschikking van iedereen te stellen. Dit verschil bewees de superioriteit van het anarchisme ten aanzien van het liberalisme. Terzelfder tijd bood dit van Kol de gelegenheid om de anarchisten in hun kritiek op de sterke volksstaat te counteren. De anarchisten zouden onverbiddelijk moeten zijn bij hun onteigening, hun tegenstrevers de wet van de meerderheid opleggen, harder dan de socialisten het met het algemeen stemrecht ooit zouden moeten doen. Dat het parlementarisme op het recht van de meerderheid was gebaseerd, vormde overigens voor de anarchisten, bracht van Kol nog even in herinnering, één van de hoofdredenen om dat politiek stelsel te bestrijden.
Niet aan individualisme was er gebrek, wel aan solidariteitsgevoel. De weg naar de morele perfectie en absolute vrijheid was lang. Een leerschool van ingeperkte vrijheid moest eraan voorafgaan. De anarchisten liepen op nefaste wijze op de ontwikkeling vooruit. Hun reactie tegen de burgerlijke staat was volgens van Kol te begrijpen, maar niet elke staat was slecht. Er bestond ook zoiets als het minste kwaad. En naarmate de individuele bekwaamheid om 'zichzelf te besturen' zou groeien, kon het gezag, de regering zich steeds meer terugtrekken.
"La liberté est le but, l'autorité le moyen; la liberté est le droit, l'autorité est la garantie de ce droit."
Dat met name deze stelling door de anarchisten als een contradictio in terminis werd gekappitteld, vermeldde van Kol uiteraard niet. Wel vond hij het nodig de anarchisten een stuk tegemoet te komen in hun kritiek op de leiders : waar er gezag was, moest er controle zijn; waar er macht was, moesten misbruiken voorkomen worden. Maar verder ging de toegeving niet. In de strijd waren leiders, eenheid in actie, organisatie en discipline noodzakelijk. Het zou de anarchisten nog wel zuur opbreken dat ze dit niet hadden ingezien, het zou hun noodlot worden, en mogelijk ook dat van de hele arbeidersbeweging. ("C'est pourquoi ils sont les plus grands obstacles à la liberté.")
Hopelijk zouden de anarchisten in deze beslissende tijden hun theorieën laten voor wat ze waard waren en samen met de socialisten optrekken tegen de gemeenschappelijke vijand. Die vijand was het georganiseerd leger van de bezittende klasse. En meteen werd daar een regelrechte bedreiging aan gekoppeld. Als de anarchisten de socialisten niet zouden ondersteunen, moesten deze laatsten niet aarzelen. "Leur attitude de traitres fait de leur destruction, une nécessité de la guerre et un pénible devoir."

Toch kregen de anarchisten nog op één punt gelijk. Er bestond, volgens van Kol, in de beweging het gevaar dat de 'Vierde Stand' zichzelf overdreven privilegies zou toekennen ten koste van andere sociale klassen, in het bijzonder het "Lumpenproletariat". Veel socialisten voelden afkeer van dat 'uitvaagsel van de samenleving' wegens zijn gebrek aan klassebewustzijn. Hier kon de anarchistische onbevooroordeelde kritiek van nut zijn. En dan kwam het wat merkwaardige zinnetje : "Souhaitons que ces nouveaux parias trouvent protection auprès des anarchistes." Het welzijnswerk aan de anarchisten ?
Het eindvonnis was duidelijk. Een samenleving waar volledige vrijheid heerste, werd slechts mogelijk als het egoïsme uit alle harten verdwenen was. Zolang echter het egoïsme de bovenhand haalde, bleef het anarchisme een utopie.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 165-169.)

Anarchisten in België, 1894-1899.

Een tweede reeks aanslagen.
De daden van Ravachol , begin 1892, hadden een golf van onrust over Frankrijk doen gaan en eind 1893 - begin 1894 woedde de storm opnieuw in alle hevigheid. In december 1893 liet de anarchist Auguste Vaillant een springtuig ontploffen in de Franse Kamer van Volksvertegenwoodigers en een week na de executie van Vaillant, in februari 1894, gooide de anarchist Emile Henry een bom in café Terminus te Parijs. Balans : een dode en twee gewonden. De aktie was duidelijk bedoeld als wraak voor de executie van Vaillant. Het jaar 1894 zou nog een heel aantal terroristische wapenfeiten opleveren met als hoogtepunt - in Lyon dit keer - de moord op de Franse president, Sadi Carnot, die ondanks een voor de anarchist Vaillant gunstige publieke opinie geen gratie had verleend.
Ook Spanje beleefde een spiraal van terrorisme en repressie. Op 23 september 1893 poogde Paulino Pallas tevergeefs een generaal te vermoorden. Dit als vergelding voor de zware veroordelingen na een opstand van landarbeiders in het Andalusische Jerez de la Frontera het jaar voordien. Er volgde een aanzienlijke repressie en Pallas en enkele vermoedelijke medestanders werden terechtgesteld. Ook hier volgde een wraakaanslag. Pallas' vriend, Santiago Salvador, bracht op 7 november een bom tot ontploffing in een theater te Barcelona waarbij verschillende slachtoffers vielen. En bijna drie jaar later, in juni 1896 te Barcelona, werd door een onbekend gebleven dader een aanslag op een processie gepleegd waar opnieuw enkele doden vielen. Tenslotte in augustus 1897 schoot de Italiaanse typograaf Michelle Angiolillo de Spaanse premier neer om de martelingen in de bekende gevangenis van Mont-juich te wreken.

De bomaanslagen van 1893 en 1896 in Barcelona werden niet meer op individuen, maar op een onschuldige menigte gepleegd. En ook de akties in Parijs gingen duidelijk in die richting. In dat opzicht verschilden ze fundamenteel van de onbloedige aanslagen te Luik in 1892. Er was nog een ander belangrijk onderscheid. De Luikse explosies van 1892 waren niet het werk van individueel handelende anarchisten; ze waren groepswerk en dat was uitzonderlijk. Een koppige traditie die inmiddels door historisch onderzoek is achterhaald, wil nochtans dat het anarchistisch terrorisme het resultaat was van verregaand gekomplotteer. De akties van Ravachol en allen die na hem kwamen, waren niets anders dan louter individuele daden. Het waren vooral wraakakties, beraamd en uitgevoerd door één enkel individu.

Bij al dat geweld kon België bij wijze van spreken niet achterblijven. In Sint-Joost-ten-Noode (Brussel) verscheen, na een anti-militaristisch propagandanummer (L'Antipatriote, 1892), eind 1893 - begin 1894 het blad Le Libertaire waarin Henri Willems zijn sympathie uitsprak voor de daden van Vaillant in Frankrijk.

Le Libertaire, 1893-1894

(Ephéméride Anarchiste : http://ytak.club.fr/octobre23.html#libertairebe)

En opnieuw liet ook Luik van zich horen. Tussen 21 april en 3 mei 1894 werden er enkele nog intacte springtuigen ontdekt, maar kwamen er ook twee tot ontploffing. Op 28 april was de Sint-Jacobskerk het mikpunt en op 3 mei vloeide in Luik voor het eerst bloed. Per vergissing werd een dokter, die dezelfde naam droeg als de geviseerde raadsheer (Renson), zwaar gewond. En anders dan in 1892 kon men de vermoedelijke daders niet zo vlug, één zelfs niet arresteren. Die ene ongrijpbare verdachte was de zogenaamde 'mysterieuze Russische baron' Von Sternberg. Hij heette in werkelijkheid Cyprien Jagolkowski. (Cfr. Biografie) Het proces zou overigens pas begin 1895 plaatsvinden. Onder de beschuldigden waren ondanks diverse huiszoekingen en arrestaties in anarchistische kringen maar drie anarchisten, van wie Jooris en Bergh werden vrijgesproken en enkel de Duitse caféhouder Schlebach werd veroordeeld.

De anarchisten voor het assisenhof van Luik in 1895.

(Le National Illustré, 30-12-1894 (AMSAB); Cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 175)

Naast de drie anarchisten behoorden enkele marginalen en verder gematigde socialisten tot de beschuldigden. In het licht van de heterogeniteit van deze verdachten lijkt, zelfs met inbegrip van een Russisch provocateur, de komplottheorie moeilijk houdbaar. Het proces met de erg zware verdikten overtuigt in ieder geval niet. Zoveel was duidelijk : als er dan toch van een samenzwering sprake mocht zijn, dan toch zeker niet van een anarchistische. Voor het Vervierse, libertaire blad, Le Plébéien, kon er bovendien geen twijfel over bestaan dat de voortvluchtige baron Von Sternberg het typische gedrag van een verklikker vertoonde. In anarchistische ogen was m.a.w. de hele zaak een doorgestoken kaart. De aanslagen waren gewoon een machinatie waarbij enkele kameraden zich hadden laten misleiden door een provocateur die wou doen geloven aan het bestaan van een internationaal complot.
(J. MOULAERT, Rood en Zwart..., p. 172-176.)


De nasleep.
Toen zich begin jaren negentig van de negentiende eeuw terroristische bommencampagnes in Frankrijk en België voordeden waren de ideeën rond de Propaganda van de daad al een tijd aan het schuiven. Ze hadden vooral in de jaren tachtig opgang gemaakt, maar in anarchistische kringen deed zich vanaf het einde van het decennium een heroriëntering naar de arbeidersbeweging voor. Men vreesde dat de 'terreuracties' een schadelijke uitwerking zouden hebben op de anarchistische beweging. En inderdaad, net zoals in Frankrijk zouden de aanslagen ook in België een hypotheek leggen.
Zo waren er de gerechtelijke vervolgingen. Te Brussel sneuvelde het blad Le Libertaire. Op 20 februari 1894 viel het gerecht binnen in de lokalen van dit anarchistisch krantje en werd de drukpers in beslag genomen. Verder werden drukker Charles Herkelboeck en bestuurder Henri Willems voor het Hof van Assisen gebracht en Willems werd hier uiteindelijk veroordeeld tot twee en een half jaar gevangenisstraf. Daarmee had de hoofdstad geen anarchistisch strijdblad meer. En La Brochure en L'Idée, die elk gedurende enkele maanden door toedoen van Denis Villeval verschenen, waren geen spreekbuis van de beweging meer. Ze boden enkel een periodieke bloemlezing van anarchistiche en aanverwante teksten. De volgende jaren was het te Brussel armoede troef, zeker op het vlak van periodieke pers. De erg schuchtere poging van Emile Chapelier en Georges de Behogne alias Thonar om dat te verhelpen met het miniscule L'Insurgé in 1896, werd al na drie nummers door het gerecht de grond in geboord. De twintigjarige Thonar werd toen door het Brabantse assisenhof tot twee maanden gevangenisstraf veroordeeld wegens een artikel over de Commune van Parijs en over de Franse terrorist Emile Henry. Het lag, luidens de akte van beschuldiging, in de bedoeling van L'Insurgé de bevolking aan te sporen tot de gewelddadige vernietiging van de bestaande orde. Volgens de aanklager zou Thonar opgeroepen hebben de Commune te wreken door bloedige aanslagen op burgers, alsook om het voorbeeld van Henry na te volgen. Het Brusselse parket stond toen nog altijd op scherp. Maar de rechtbank achtte de omstandigheden blijkbaar gewijzigd. Het vonnis, twee maanden gevangenisstraf voor Thonar, viel in het licht van de aanklacht al bij al mee. Het gerechtelijk oordeel over het anarchistisch geschrijf hing blijkbaar af van de omstandigheden. In Brussel evenwel waren de anarchistische pers en de beweging na 1894 naar de catacombentijd teruggekeerd.

Inmiddels richtten de anarchisten zich steeds meer naar de arbeiders, die verenigd waren in syndicaten en ziekenkassen. Dit 'anarcho-syndicalisme' wilde in de eerste plaats communistische opvattingen verspreiden en de revolutionaire weg om die te bereiken propageren. In die visie waren de aanslagen meer een rem dan een stimulans. Gedaan dus met de loftrompet te steken van het terrorisme. In de Franse anarchistische pers kon men lezen dat 'geweld' nog hooguit een nevenverschijnsel van de anarchistische actie was. Het was in wezen vreemd aan het anarchistisch ideaal en dus gedoemd om te verdwijnen. (Ofschoon een onderdrukte die zich met geweld tegen zijn verdrukker verzette, steeds op de sympathie van de anarchisten kon rekenen.) De machtsverhouding tussen burgerij en proletariaat was duidelijk gewijzigd. Een gevoel van collectieve kracht die in staat was de arbeiders te ontvoogden, trilde door de libertaire gelederen. Het syndicalisme met zijn wondermiddel de algemene staking - alias de revolutie - lonkte. De Propaganda van de Daad maakte plaats vooor de collectieve actie verbonden met die van de individuen. De gezellen werden uitgenodigd te gaan militeren in de vakbeweging. De tijd van de indidviduele aanslagen was voorbij, die van de minderheden agerend in de schoot van de massa's kon beginnen.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 176-179.)

Het gemiste rendez-vous met Elisée Reclus.

Midden 1892 benoemde de Université Libre de Bruxelles (ULB) de beroemde Franse geograaf en anarchist Elisée Reclus (cfr. biografie) tot titularis van een cursus vergelijkende aardrijkskunde. Begin 1894, kort nadat Vaillant zijn bom had gegooid in de Franse Kamer van Volksvertegenwoordigers, werd de cursus door de academische overheid voor onbepaalde tijd verdaagd. Reclus kwam toch naar Brussel. Uit de protestbeweging tegen de verdaging van zijn colleges ontstond een dissidente Université Nouvelle, waaraan Reclus tot aan zijn dood in 1905 als hoogleraar verbonden bleef. Voor de Brusselse en Belgische anarchisten, die op hun retour waren, bood dit een onverhoopte kans eindelijk het boegbeeld binnen te halen dat ze in vergelijking met zusterbewegingen duidelijk misten.
Er zijn geen tekenen die wijzen op een directe betrokkenheid van Reclus bij de Belgische anarchistische beweging vóór zijn komst naar Brussel. Dit betekent niet dat hij een onbekende was voor het Belgisch anarchisme. Samen met andere anarchistische voorgangers als de Rus Peter Kropotkin en de Italianen Errico Malatesta en Carlo Cafiero was hij medeverantwoordelijk voor de ingrijpende koerswijziging die zich binnen het internationaal anarchisme omstreeks 1880 voltrok en die uitmondde in een resolute keuze voor het 'libertair communisme' en de zogenaamde 'propaganda van de daad'. Ook de anarchisten in België gingen deze nieuwe doctrinaire en tactische koers varen en in hun krantjes dook bijwijlen de naam Reclus op. Zijn benoeming midden 1892 aan de ULB en de verdaging van zijn cursus begin 1894 verhoogden de aandacht voor zijn persoon in de Belgische, anarchistische pers, bijvoorbeeld in de Brussels bladen La Misère (1892) en Le Libertaire (1893-1894).
Inmiddels had de algemene staking van 1893 niet de revolutie maar wel het algemeen meervoudig stemrecht opgeleverd en de Brusselse anarchistische beweging bleek maar niet te bekomen van deze kater. Verder eisten ook de niet aflatende politionele en gerechtelijke vervolgingen permanent hun tol en in maart 1894 bezweek Le Libertaire.
Ook de Vlaamse anarchisten in Gent en Mechelen gaven in hun blad De Fakkel verslag van het gebeuren en klaagden de 'jezuïtische' praktijken van de academische overheid van de ULB aan. En in tegenstelling met de Brusselse Le Libertaire bleef men belang hechten aan het behoud van Reclus' cursus en hoopte men eind januari nog dat er krachtig zou worden opgetreden om de "uiteenzetting der vrije gedachte" niet te laten versmachten. In de loop van februari zorgde De Fakkel trouwens nog voor een Nederlandse vertaling van het pamflet "Pourquoi sommes-nous anarchistes ?", dat het jaar voordien de directe aanleiding was geweest voor de opschorting van de cursus.
Noch over de afwikkeling van het incident Reclus, noch over de daaruit voortvloeiende oprichting van de Université Nouvelle werd er nadien nog bericht in de Belgische anarchistische pers. Wel bleef de figuur van Reclus nog enkele jaren in de kijker staan en genoten zijn geschriften een meer dan gebruikelijke belangstelling. Zo bracht bijvoorbeeld de Mechelse Vrije Groep in 1895 een vertaling van de brochure "L'Anarchie", die de neerslag vormde van een voordracht door Reclus in 1894 gehouden in de tempel van de Brusselse vrijmetselaarsloge Les Amis Philantropes.
In tegenstelling met hun gezellen uit Brussel, Gent en Mechelen hadden de anarchisten in Verviers helemaal geen belangstelling getoond voor de zaak. Er waren al een paar maanden voorbijgegaan toen Le Plébéien de naam Reclus liet vallen, en dat had niet onmiddellijk iets te maken met het hele incident. Reclus vormde enkel de aanleiding om nog eens van leer te trekken tegen de 'eeuwige' socialistische tegenstander, in concreto het Luikse blad Le Travail. Dat laatste beweerde een brief ontvangen te hebben van Reclus waarin hij zich zou distantiëren van de aanslag van Emile Henry in het Parijse café Terminus. Net zoals bij vorige gelegenheden - het was niet de eerste maal dat apocriefe brieven van hem circuleerden - logenstrafte Reclus dit prompt. Eind 1895 genoot de rede van Reclus bij de opening van het nieuwe academiejaar aan de Université Nouvelle de volle aandacht van Le Plébéien dat, nu de Brusselse groepen aan het verkommeren waren, als enige spreekbuis van het Franstalige anarchisme was overgebleven. In 1896 zou La Débâcle sociale, de feitelijke opvolger van le Plébéien, op zijn beurt nog eens uitpakken met het bekende pamflet "Pourquoi sommes-nous anarchistes ?", maar daarna was het 'aardige' ervan af en verdween de anarchistische geograaaf weer meer op de achtergrond, zoals voor 1892. Al was hij de bezieler van de belangrijke brochurereeks Bibliothèque des Temps nouveaux die vanaf 1895 verscheen in een periode dat de anarchistische pers in Frankrijk maar moeizaam herstelde van de repressie. Hij kon hierbij rekenen op de steun van enkele jonge anarchisten met wie hij te Brussel in contact kwam, in de eerste plaats op de tweeëndertigjarige vioolbouwer Charles Hautstont. Diens vier jaar jongere broer Jean was musicus en werd een tijd als drukker op de brochures vermeld. Jean en Charles Hautstont konden zowat doorgaan voor de bescheiden prototypes van de cultureel ingestelde jongeren die in La Misère en La lutte pour l'art hun forum hadden gevonden. Verder gingen de contacten van Reclus met het plaatselijk anarchisme niet, van een engagement in de beweging was geen sprake.
In de Bibliothèque des Temps nouveaux verscheen werk van anarchisten als Peter Kropotkin, Errico Malatesta, Charles Albert, Jacques Mesnil, maar ook van vertegenwoordigers van wat Nettlau "la littérature libertaire moderne" zou noemen : Richard Wagner, Leo Tolstoi, Georges Eekhoud, Jean Richepin. Voor Reclus gold immers "que toute la littérature contemporaine est anarchiste par quelque côté; à notre propagande directe s'associent les mille propagandes indirectes de la foule des poètes, romanciers, philosophes et sociologues." De reeks werd uiteraard ook in België verspreid en bleef niet onopgemerkt. Rijst meteen weer de vraag naar wat Reclus en de Belgische beweging uiteindelijk van elkaar gescheiden hield.
Het verheven morele en intellectuele ideaal van lange adem van Reclus was niet echt bruikbaar in de doordeweekse actie van een anarchistische beweging waarvan de grote en voortdurende bekommernis was de arbeiders te motiveren voor een revolutionaire, anarcho-communistische strijd en uit de 'klauwen' van de parlementaire socialisten te houden. Reclus wees erop dat "Les jeunes s'imaginent volontiers que les choses peuvent changer rapidement, par de brusques révolutions. Non, les transformations se font avec lenteur, et, par conséquent, il faut y travailler avec d'autant plus de consience, de patience et de dévouement..." Het had een tijd geduurd voor de Belgische anarchisten tot het besef waren gekomen dat met het oog op de revolutie naast historische wetmatigheden ook eigen anarchistische inzet nodig was. Reclus trok de noodzaak van dit voluntarisme niet in twijfel, maar zag er conform zijn eigen leven vooral een zaak van individuele intellectuele en morele verheffing in. Hoewel de figuur Reclus ook tot de verbeelding van de Belgische anarchisten sprak, was dit voor de meesten onder hen een wereldvreemde raad. Tussen hun sociale revolutie en Reclus' revolutie in de geesten was de afstand groot. Het Belgische anarchisme was in die dagen hoofdzakelijk een beweging van arbeiders in de ruime zin van het woord, van handwerkers (zelfstandig of in loondienst) tot fabrieksarbeiders en mijnwerkers. Studenten en intellectuelen waren er nauwelijks bij betrokken. Het was een beweging van arbeiders, proletariërs zo men wil, in elk geval niet van burgers. Arbeiders - burgers, uitgebuiten - uitbuiters waren de polen van een vrij elementaire, maar diepgewortelde visie op de klassentegenstellingen.
De antiburgerlijke houding die daarmee gepaard ging, werd gevoed door het reformisme van de BWP. Deze antiburgerlijke houding was ook één van de bronnen van de dissidentie binnen de partij, die soms tot een overstap naar het anarchisme leidde. Het voorlopig hoogtepunt van dit - laat het ons noemen - burgerlijk reformisme vormde voor dergelijke dissidenten en voor de anarchisten de wijze waarop de socialistische leiding en de (liberale) progressisten de beweging voor het algemeen stemrecht en vooral de algemene staking van 1893 naar hun hand hadden gezet. Het afwikkelen van de zaak-Reclus vormde voor Le Libertaire hiervan mutatis mutandis een nieuwe illustratie. Antiburgerlijkheid en anti-intellectualisme lagen daarbij niet ver uit elkaar. Zeker, het toen bij uitstek burgerlijk universitaire wereldje was voor de anarchisten, op enkele anarchistische studenten na, vreemd terrein en daar veranderde de komst van een bekend anarchist als hoogleraar weinig aan.
Met zijn wetenschappelijk gezag, zijn hooggestemde boodschap en zijn profetische verschijning was Reclus misschien niet de aangewezen voortrekker voor het Belgisch 'proletarisch' anarchisme, maar zijn aantrekkingskracht op een belangrijke fractie intellectuelen en kunstenaars van vrijzinnige afkomst was des te groter. Daarvan leverde de oprichting van de Université Nouvelle een duidelijk bewijs. Reclus had trouwens al voor 1894 zijn entree gemaakt bij dat publiek in het gerenommeerde tijdschrift La Société nouvelle, dat door de colinsist Fernand Brouez van 1884 tot 1897 in Bergen werd uitgegeven. En hij werd ondermeer op handen gedragen door de radicale liberaal Paul Janson, de progressist Georges Lorand, de socialisten Emile Vandervelde en Louis de Brouckère en de linkse intellectuelen Edmond Picard, Hector Denis, Guillaume de Greef, Maurice Féron, enz... Daarna wordt namen noemen een flink stuk moeilijker. Max Nettlau waagde zich aan een vrij vage omschrijving van wat hij noemde groepen met "relative freiheitliche Interesse".

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 179-189.)

Elisée Reclus

Le National illustré, 14-10-1894 (AMSAB); Cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 187.


Anarchie onder de Mechelse kerktoren.
De revolutionaire dissidentie die zich in 1893 binnen de BWP had gemanifesteerd, groeide op sommige plaatsen uit tot een koppige anarchistische oppositie tegen het 'reformisme'. In Antwerpen, Gent en Leuven kwam dit concreet neer op een vrij uitzichtloos gevecht tegen de socialistische bierkaai. In Mechelen daarentegen bestond er een vrij sterke anarchistische stroming, die de socialisten heel wat hoofdbrekens bezorgde. Mechelen bleef tot aan de Eerste Wereldoorlog zowat het brandpunt van het anarchisme in Vlaanderen.
In het voorjaar van 1894 heette het blad De Wacht nog altijd het Orgaan van de Revolutionair-Socialistische Arbeiderspartij van Antwerpen. De anarcho-communist Jaak Bus uit Mechelen stuurde nog steeds stukken in en sociale revolutie bleef het parool. Maar het blad was duidelijk niet meer de tribune van de revolutionaire beweging. Het mag dan ook niet echt verwonderen dat De Wacht een jaar later haar ondertitel veranderde in Orgaan van de Sociaal-Demokratische Arbeiderspartij, afdeling Antwerpen. In juni 1895 vond bovendien een eerste verzoening met de officiële socialisten plaats. De Wacht mocht voortaan als coöperatie naast De Vrije Bakkers binnen de BWP werkzaam zijn. De ideologische tegenstelling tussen de voormannen van de beide socialistische fracties bleek uiteindelijk niet zo fundamenteel. Die van De Wacht zwoeren niet eens de kiesstrijd af, wel integendeel. In 1896 figureerden twee van hen al op de BWP-lijst voor de verkiezingen.
Voor een groep militanten van De Wacht bleek de tegenstelling wel diepgaander. Onder meer voor Marinus Anthonissen, die vanaf februari 1894 samen met Jaak Kocx met het anarchistische blad De Opstandeling van start ging. Hij trad niet enkel op als officiële uitgever van het blad, maar schreef ook artikels en was betrokken bij de verspreiding. (Rond die tijd werd hij afgevoerd als uitgever van De Wacht.)
Het was een moeilijke tijd voor de anarchisten en hun publikaties. Al op 15 mei werden Anthonissen en Kocx door het Hof van Assisen van Antwerpen veroordeeld tot respectievelijk een half jaar en een jaar gevangenisstraf. In diverse artikels werd volgens de rechter aangespoord tot het plegen van misdaden. Vrij spoedig liep Anthonissen nog een veroordeling op. Toen hij op 3 juni 1894 met het vijfde en meteen het laatste nummer van De Opstandeling, dat een omstandig verslag van de assisenzaak bevatte, aan de Vooruit in Gent colporteerde na afloop van een burgerlijke begrafenis, kwam het tot een handgemeen met plaatselijke socialisten. Een jongeman, wellicht een toekijkende begrafenisganger, werd door een kogel uit de revolver van Anthonissen in het been getroffen en bezweek een tijd later aan de verwonding. Dit voorval was tekenend voor de vijandschap die toen te Gent heerste tussen de anarchisten met De Fakkel als spreekbuis aan de ene kant en de gematigde socialisten van de Vooruit aan de andere kant. Onvrijwillige doodslag, oordeelde de correctionele rechtbank van Gent op 19 juli 1894 en bestrafte de Antwerpse anarchist tot achttien maanden gevangenis.
Het anarchisme in Vlaanderen was hiermee evenwel niet het zwijgen opgelegd. Te Gent verscheen al sinds januari door een gezamelijke inspanning van Mechelaars en Gentenaars De Fakkel als Vrij communistisch orgaan der Vlaamse groepen. In De Fakkel vond de onvrede van de Gentse en Mechelse anarchisten met het reilen en zeilen van de BWP een uitdrukking. Ofwel zou de BWP evolueren tot een kleinburgerlijke hervormingspartij, ofwel zou ze ronduit 'staatssocialistisch' worden. De Fakkel daarentegen beoogde de zuivere klassenstrijd, de ontvoogding van de arbeiders door de arbeiders zelf - waarbij ze echte verbeteringen ongetwijfeld enkel met geweld zouden kunnen afdwingen. Bron van alle kwaad waren het privé-bezit en vooral het gezag. Vrijzinnigheid werd benadrukt en het militarisme afgewezen. En ook coöperaties naar BWP-model tenslotte konden onmogelijk bijdragen tot het socialisme. Kortom, onder de anarchistische zeis der kritiek bleef er weinig overeind van de toenmalige socialistische actie. Het uiteindelijk doel van De Fakkel was het vrije communisme (ook wel het anarcho-communisme genoemd), "van eenelk volgens zijne krachten, aan eenieder naar zijne behoeften." Tenslotte deed het blad een oproep aan "alle Vlaamschlezende revolutionairen", en dus niet enkel aan de anarchisten. Het uitgesproken anarchistisch blad gaf zichzelf overigens geen anarchistische ondertitel mee.
De Fakkel deed het voor een Vlaams anarchistisch blad betrekkelijk goed en haalde tot juni 1895 een dertigtal nummers. De officiële uitgever was de Gentenaar Jozef Drieghe. Die werd ook als drukker vermeld, maar feitelijk werd het blad alvast een tijdlang te Mechelen gedrukt door Victor Heymans. De redactie en de administratie, en na een tijd ook de uitgever, waren gevestigd in Gent, Vrijdagmarkt 3, waar Jan de Wolf alias Amnestie in de nabijheid van de Vooruit café hield. Café Amnestie fungeerde ook als contactadres van de Gentse Revolutionaire Jonge Wacht (RJW). Vanaf augustus 1894 verhuisden uitgever, redactie en administratie van De Fakkel, evenals café Amnestie, naar de Slijpstraat 40, waar in lokaal De Fakkel de Kring voor Socialistische Studie, de Gentse Vrije Groep en de RJW pleegden bijeen te komen. Toen, na een kortstondige verdwijning, De Fakkel in maart 1895 opnieuw verscheen, werd Jan de Wolf als drukker-uitgever vermeld. Samen met hem verplaatsten alle eerder vermelde activiteiten zich naar de Garenplaats 3. Dichter bij de Vooruit kon nauwelijks. De Nederlander Jan de Wolf alias Amnestie nam ongetwijfeld van in het begin het leeuwedeel van het werk voor zijn rekening. Hij zorgde niet alleen voor eindredactie, financieel beheer en verspreiding van De Fakkel, maar voerde ook vaak zelf de pen. De Wolf was met de Mechelaars Jaak en Willem Bus één van de drijvende krachten, zo niet de drijvende kracht achter De Fakkel.
In Gent en Antwerpen was het anarchistische renouveau van 1894 van korte duur. Mechelen ontpopte zich verrassend als centrum van de 'Vlaamse beweging'. Al in de loop van 1892 was er ongenoegen gerezen bij een groep binnen de Mechelse BWP over de manier waarop door de BWP-top de campagne voor het algemeen stemrecht werd geleid. Deze fractie, waarvan de Nederlandse gebroeders Willem en Jaak Bus, immigranten van de tweede generatie, de woordvoerders waren, had in het Nederlandse blad Anarchist een welkome ideologische ruggesteun gevonden. Anarchist op zijn beurt had in Mechelen 125 'lezers' gewonnen en met Gent, Antwerpen, Leuven en Willebroek erbij liep het aantal Vlaamse lezers zelfs op tot 500 (tegenover 2.500 in Nederland), althans volgens Jaak Bus en Anarchist.
Het verloop van de socialistische stemrechtcampagne in 1893 was koren op deze dissidente molen. Op 11 april 1893 werd het 'zuiver' algemeen stemrecht verworpen. Er bleef de socialistische leiders niets anders over dan de reeds zo lang uitgestelde algemene staking uit te roepen. Het was echter boter aan de galg, meer dan het algemeen 'meervoudig' stemrecht leverde de overigens vlug weer afgeblazen algemene staking niet op. Groot was de verontwaardiging bij de Mechelse 'dissidenten' over het verloop van de voorbije stemrechtcampagne, de samenwerking met de liberalen, de 'disciplinering' binnen de BWP, het 'verraad' van de socialistische leiders en de karikatuur van een algemene staking waarvan ze in tegenstelling tot de evolutionistische socialisten zelfs de revolutie hadden verwacht. Maar ondanks hun verontwaardiging waren ze nog niet van plan de BWP te verlaten.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 189-194.)

Anarchistisch Manifest aan het Mechelse Volk, 1893.

Stadsarchief van Mechelen, Modern Archief, Varia V390/2 jaar 1894, 14/10; Cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart, p. 195.

Maar dit betekende slechts uitstel van executie. Vanaf augustus 1893 gingen te Mechelen sociaal-democraten en anarchisten ideologisch elk hun eigen weg. De anarchisten vonden elkaar terug in de zogenaamde Vrije Groep die in november haar leden in aantal verdubbeld zag tot ongeveer vijftig. Bovendien ging ook de plaatselijke SJW (inmiddels RJW) de anarchistische toer op. De Mechelse anarchisten hadden m.a.w. de wind in de zeilen. Ze traden geregeld op voor een publiek van honderd man en waren ook actief in de strijd tegen de zogenaamde Bloedwet. Na verloop van tijd was de Mechelse BWP-federatie echter aan een zeker herstel toe. Dit ten koste van de anarchisten. Maar het kon Jaak Bus er niet van weerhouden om in augustus 1894 naast het algemeen Vlaamse blad De Fakkel nog een eigen Mechelse De Noodkreet te laten verschijnen. De terughoudendheid om zich anarchist te noemen was nu echt overwonnen. De Noodkreet was luidens de ondertitel een Anarchistisch-communistisch orgaan. Dit nam niet weg dat het elan blijkbaar zoek was : De Noodkreet haalde nauwelijks februari 1895. Daarmee was het Mechels anarchisme zijn spreekbuis kwijt en ook de Gentse De Fakkel was intussen opgedoekt. Tot april 1897 moest de Mechelse De Vrije Groep zich tevredenstellen met het uitgeven van brochures, waarvan één, Het socialisme verloochend door de socialistische kamerleden in België, stof deed opwaaien. Daarin werd aan de hand van een bloemlezing van allerhande interventies van socialisten in Kamer en Senaat onomstotelijk bewezen dat het socialisme door de socialistische parlementairen met de voeten werd getreden. De ingrediënten in de anarchistische kritiek op het politiek socialisme waren klassiek : het reformisme was onmachtig; het was op maat van de burgerij gesneden...
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 194-196.)

Het Socialisme verloochend door de socialistische kamerleden. (De Vrije Groep, Mechelen, 1896.)

Antwerpen, Stadsbibliotheek; Cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 197.

Deze brochure vond nogal wat weerklank. De anarchisten deden er de ronde van Vlaanderen mee. Vanaf april 1897 kon deze campagne worden ondersteund door een nieuw, regelmatig verschijnend blad, Vrijheid, waarvan de redactie meteen liet weten dat ze achter de anarchistisch-communistische principes stond. Volgens Jaak Bus bedroeg de oplage van het eerste nummer 1.100 exemplaren en ze bleek meteen onvoldoende te zijn. Want alleen al te Leuven, Antwerpen en Mechelen werden 850 exemplaren verkocht. Deze mooie cijfers ten spijt kon de inspanning die de uitgave van Vrijheid vergde, echter niet volgehouden worden. November 1897 was het er wellicht mee gedaan.
Intussen was ook de Mechelse BWP aan radicalisatie toe. Onder invloed van de plaatselijke partijvoorzitter Frans Verbelen werd in de loop van 1895 een Studie- en Leeskring opgericht waar ook revolutionaire geschriften aan bod kwamen. Deze tendens zette zich voort en in oktober 1897, toen het anarchistische Vrijheid zijn laatste adem aan het uitblazen was, verscheen te Mechelen door toedoen van dezelfde Verbelen het dissidente en antiparlementaire Het Vrije woord. Socialistisch maandblad. Al dan niet onder invloed van de reeds geciteerde brochure meende nu ook Verbelen dat het socialisme in België verloochend werd. (Dit terwijl hij slechts enkele jaren voordien nog de anarchistische gebroeders Bus de deur had gewezen. Cfr. Biografie.)
Een blad als Het Vrije woord was in zijn ogen zonder meer noodzakelijk want alle andere socialistische bladen waren te zeer onderhevig aan de ijzeren partijtucht. Het ware socialisme was volgens Verbelen - wat moet dat zoet geklonken hebben in de oren van zijn vroegere anarchistische tegenstanders - fundamenteel gekant tegen de staat. Parlementarisme en het nastreven van gedeeltelijke hervormingen werden voor de BWP een doel in plaats van een middel. Ze versterkten de huidige maatschappij en dienden enkel als springplank voor de heren die zich bij de Werkliedenpartij hadden aangesloten. Veelbetekenend ook was de publicatie in Het Vrije woord van stukken uit Autoritair en libertair socialisme (1897) van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, de apostel der Nederlandse arbeiders, die dat jaar uit de Nederlandse Socialistenbond stapte. Het moest dan ook niet verwonderen dat Verbelen reeds in het novembernummer van Het Vrije woord een warme oproep deed tot samenwerking tussen revolutionaire, vrijheidslievende of libertaire socialisten enerzijds en anarchisten anderzijds. 1897 werd ook het jaar waarin Verbelen afscheid nam van de Mechelse BWP, waarvan hij zes jaar voorzitter geweest was. De BWP bleek geen dissidenten in huis te willen.
Voor de Mechelse anarchisten leek engagement in de vakbond vanzelfsprekend en dat was misschien te verklaren uit hun socialistisch verleden. Wellicht de enige bedrijfstak waar de Mechelse anarchisten syndicaal iets voorstelden, was de houtsector (in het bijzonder de meubelnijverheid), die echter wel het meest arbeiders tewerkstelde. De anarchisten konden er inspelen op een blijvende huiver voor politiek (en dus ook huiver voor het socialisme). Concreet betekende dit dat Jaak Bus het in de jaren 1895-1896 tot voorzitter van de Onafhankelijke Stoelmakersbond bracht en als dusdanig kon pleiten voor zuiver economisch agerende vakbonden zonder enige politieke binding. Deze verenigingen konden dan ook dienen als 'eenheidsvakbonden' waar eenieder terechtkon, ongeacht zijn opinie. Meteen kon Bus ook waarschuwen voor een teveel aan centralisatie.
Een andere plaats van opkomend anarchisme in Vlaanderen was de SJW, alleszins te Gent en te Mechelen. De Mechelse afdeling noemde zich trouwens 'Revolutionaire' in plaats van 'Socialistische' Jonge Wacht. Ze had de BWP de rug toegekeerd en was aangesloten bij de Vrije Revolutionaire Arbeiderspartij. Begin 1894 verscheen door toedoen van Jaak Bus "De Loteling. Protest-nummer tegen de bloedwet" van de Mechelse Revolutionaire Jonge Wacht. Daarin kwam ook de Gentse Revolutionaire (Socialistische) Jonge Wacht aan het woord. Ze verklaarden zich tegenstander van elke vorm van regering en militarisme, inclusief de gewapende natie, anders gezegd het "socialistisch militarisme". De socialisten waren niet alleen aanhangers van de staat, maar ze waren ook "goede vaderlanders"! In september 1894 bracht de Gentse RJW een eigen Bloedwet uit en in februari 1895 zou ze dit initiatief nog eens overdoen met De Korrektie. In dezelfde anarchistische lijn verschenen begin 1898 te Mechelen De Jonge wacht (uitgever was Verbelen), evenals te Leuven een nagenoeg identieke De Loteling, orgaan van de plaatselijke Revolutionaire Jonge Wacht. En ook vanuit Brusselse SJW-kringen kwamen nog dissidente signalen. Begin 1894 zou de SJW van Schaarbeek zich van de BWP afgescheurd hebben en zich communistisch verklaard hebben. In februari werkte de Jeune Garde (Communiste) Libertaire van Sint-Joost-ten-Node samen met de Brusselse SJW bij de organisatie van een betoging en meetings naar aanleiding van de loting. Bij die gelegenheid zouden stapels van Le Libertaire en van het pamflet Pourquoi sommes-nous anarchistes? verdeeld zijn. Binnen de nationale SJW-federatie verdedigden de Brusselse groepen nog enige tijd het antimilitaristisch standpunt. In oktober 1894 gaven zij, voor de Landelijke Raad van de SJW, La Caserne uit. Daarin werd ook een artikel van Domela Nieuwenhuis over dienstweigering overgenomen. In 1896 werd in L'Avant-garde aan Nieuwenhuis zelfs de mogelijkheid geboden om het standpunt dat hij zou innemen op het internationaal socialistisch congres van Londen, te verdedigen. En in 1897 tenslotte stemde het SJW-congres in met een symbolische vorm van dienstweigering, de algemene weigering tot loten.

(
J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 196-200.)

Van Nederlandse anarchisten en vrije socialisten.
Al een hele tijd woonden er Nederlandse anarchisten in Vlaanderen. Dat zorgde voor een verhoogd aantal contacten met Vlaamse geestesgenoten. Bovendien kwam ook de bekende Nederlandse dominee, Ferdinand Domela-Nieuwenhuis, een aantal keren op bezoek. (Cfr. biografie.) En allicht is de vraag, in hoeverre de Vlaamse dissidentie (in de BWP) gevoed werd door de radicalisering van de Sociaal Democratische Bond (SDB) rond Domela Nieuwenhuis, hier zinvol en ook of er geen sprake is geweest van beïnvloeding in omgekeerde zin. Zeker tot 1888 hoefde het Belgisch anarchisme immers niet voor de Nederlandse zusterbeweging te blozen. In ieder geval vonden Nederlandse anarchisten in 1887 in de Gentse Opstand een spreekbuis en in november 1888 was de Brusselaar Wysmans aanwezig op een herdenking van de "martelaren van Chicago" te Den Haag. In het jaar 1888, toen de anarchistische pers in België door een dal ging, konden Gentenaars en Brusselaars hun correspondentie kwijt in het Haagse blad De Anarchist. En Nederlandse anarchisten verkochten ook Belgische brochures. Een tekst van één van die brochures, van Saverio Merlino, verscheen oorspronkelijk in het Brusselse blad L'Homme libre en werd in Recht voor allen, het blad van Domela, aangegrepen om Anarchist-redacteur Johan Methöfer erop te wijzen dat anarchisten en revolutionaire socialisten niet zover uit elkaar stonden. Afzonderlijke anarchistische bladen, afscheiding van anarchisten was in die denkwijze nutteloze versnippering. Dat standpunt zou Domela verdedigen op het revolutionair tegencongres in 1893 te Zürich en op het Londense congres van 1896.

Voor de rest was het die jaren (voorlopig) eenrichtingsverkeer van Nederland naar Vlaanderen en dan vooral naar Mechelen waar de gebroeders Bus actief waren. In september 1894 woonde Willem Bus een congres van de Nederlandse anarchisten bij. Hij werd toen overigens het land uitgezet. En in 1897 was er zelfs een korte tijd sprake van een versmelting van het Mechelse blad Vrijheid met De Anarchist.
Het antimilitarisme van Domela-Nieuwenhuis inspireerde talloze jonge wachters in Vlaanderen op hun weg naar het anarchisme. De ideologische ondersteuning voor hun dissidentie kregen alvast de Mechelaars van De Anarchist, dat ook in Antwerpen, Gent, Leuven en Willebroek tientallen lezers telde. En toen in 1898 Domela-Nieuwenhuis met een nieuw blad, De Vrije socialist, van start ging volgden velen hem naar het anarchisme : hij gaf de SDB op maar redde de beweging. Op die wijze ontstond in Nederland uit de sociaal-democratische beweging een anarchistische die lang verrassend sterk bleef, sterker dan in de omringende landen. Dit relatieve succes was vooral gebaseerd op een stevig plaatselijk verenigingsleven.
Domela-Nieuwenhuis zelf zou anno 1897 in Vlaanderen, en speciaal weer in Mechelen, wel een tweede golf van dissidenten binnen de BWP sterken in hun houding en deze dissidentie zou ditmaal ook Wallonië aansteken.
Op het stuk van traditie moest het anarchisme in België zeker niet voor Nederland onderdoen. Tot een eind in de jaren negentig viel een vergelijking van beide bewegingen zelfs veeleer in haar voordeel uit. De anarchistische beweging in België had reeds een lange voorgeschiedenis die terugliep tot in de tijd van de Anti-autoritaire Internationale (jaren zeventig) en dus ouder was dan de socialistische (eind jaren zeventig). In de jaren tachtig en negentig kende zij een beperkte opleving die vooral uit de dissidentie binnen de BWP was gegroeid. Het vrije socialisme in Nederland was van recentere datum en was vooral een Friese en vervolgens Drentse zaak. De veenarbeiders vormden er een 'agrarisch proletariaat' dat gevoelig bleek voor het anarchisme.

(
J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 200-204.)

De anarchistische ontwaking van Vlaamsgezinde jongeren.

Vlaanderen reageerde anders op de reformistische BWP dan Wallonië. De Vlaamse avant-garde moest van het politieke socialisme niet zo weten. De BWP brak in de Vlaamse steden later door, maar genereerde er vroeger een antiparlementaire tendens. Een aantal jonge, vrijzinnige, kunstminnende flaminganten uit Brussel en Antwerpen raakten nauwelijks gecharmeerd van het Belgische socialisme, maar werden veel meer bekoord door het anarchisme. Hun betrokkenheid bij de beweging voor Reclus leidde tot een vergaande identificatie met het anarchistische gedachtengoed dat hij vertegenwoordigde. En ook het eigenzinnige socialisme van Domela-Nieuwenhuis bleek een inspiratiebron. Op die wijze groeide in Vlaanderen een intellectueel-anarchistische stroming die geen eendagsvlieg werd, maar integendeel de eeuwwisseling ruim overleefde.
Dit 'intellectueel anarchisme' werd gedragen door intellectuelen, kunstenaars..., met andere woorden door burgers of kleinburgers en het vond alvast in Vlaanderen nauwelijks aansluiting bij het 'proletarisch' anarchisme.
In de anarchistische ontwaking van de Vlaamse avant-garde speelde Jacques Mesnil een niet te onderschatten rol. In 1895 schreef hij Le Mouvement anarchiste, waarin hij zich een waardige leerling van Reclus toonde. Mesnil was als het ware de exponent van een intellectuele uitwisseling die haar brandpunt te Brussel had. Zijn Vlaamse studiemakker en boezemvriend August Vermeylen stond in 1893 aan de wieg van het voorhoedeorgaan van de Vlaamse letterkunde, Van Nu en Straks, waarin trouwens in 1895 de vertaling van Mesnils brochure verscheen. Datzelfde Van Nu en Straks beleefde in 1896 een ware anarchistische explosie door de medewerking van de Nederlanders Ferdinand Domela-Nieuwenhuis en Christiaan Cornelissen, van trouw redactielid Mesnil, maar vooral ook door de verschijning van Vermeylens Kritiek der Vlaamsche Beweging. Dit laatste essay vormt door zijn onvervalste anarchistische inspiratie een merkwaardig moment in de geschiedenis van de Vlaamse Beweging. Met politiek taalflamingantisme en rassenhaat veegde de jonge Vermeylen de vloer aan. De Vlaamse beweging moest "een maatschappelijk streven in den breedsten zin van het woord" zijn. De anarchistische ingrediënten van de kritiek lagen voor de hand. De bestaande orde werd door Vermeylen met de grond gelijk gemaakt, alle gezag verworpen, het gerecht en het onderwijs gehekeld. Antimilitarisme, antiparlementarisme en anti-etatisme doorspekten de gedachtengang, evenals een sterk individualisme. Zijn onmiddellijke inspiratie had Vermeylen duidelijk niet bij Reclus - veeleer bij Max Stirner en indirect ook bij Bakoenin - gehaald, ofschoon Vermeylen zeker met hem in contact kwam.
In Antwerpen vond het tijdelijk anarchisme van Van Nu en Straks vooral door toedoen van Victor Resseler een verlengstuk in het literair-politieke tijdschrift Ontwaking. Ontwaking verscheen een eerste maal in 1896, maakte toen plaats voor het minder uitgesproken anarchistische Onze Vlagge en verrees weerom uit zijn as in 1901, om dan tien jaar lang, de eerste twee jaar als een strijdblad pur sang, stand te houden. Ontwaking was bovendien de officieuze spreekbuis van de anarchistische fractie binnen het avant-gardecenakel De Kapel, dat sinds de eeuwwende te Antwerpen actief was. De Kapel, zo genoemd naar de kapel van het godshuis waar men samenkwam, zorgde voor een frisse artistieke wind in de duffe metropool. Ze bleek open te staan voor anarchistische ideeën. Verscheidene vooraanstaande libertaire sprekers passeerden er de revue, onder meer Elisée Reclus.

(
J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 204-206.)


Van Nu en Straks

Van Nu en Straks, december 1896 (K.U.L. Centrale Bibliotheek); J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 207.

De vakbeweging. Een uitgesteld debat.
Toen in 1895 in Frankrijk de anarchistische beweging herleefde, bleek ze haar koers grondig gewijzigd te hebben. Men richtte zich voortaan naar de arbeiders(klasse) en de vakbonden. Deze bonden moesten een forum voor discussie bieden, wars van alle politieke controversen en dus zonder beïnvloeding door de politiek-georiënteerde socialisten, die in de ogen van de anarchisten de onderdrukkers van morgen waren. De vakbonden moesten vormingscentra worden, waar de arbeiders eens en voor altijd zouden leren dat economische ontvoogding slechts mogelijk was door revolutie, die meteen de afschaffing van de loonarbeid zou inhouden. De anarchisten van hun kant moesten binnentreden in de vakbonden en daar daadwerkelijk bewijzen dat ze geen eigenbelang nastreefden, maar samen met de arbeiders wilden strijden ten voordele van de gemeenschappelijke ontvoogding. Bij staking was hun plaats trouwens in de voorste rijen.
Deze koerswending naar de vakbeweging toe kon na het terroristische debâcle rekenen op de goedkeuring van het merendeel van de militanten. En ook het Parijse anarchistenblad van Jean Grave, Les Temps nouveaux, bekende van meet af aan kleur. Zo werd Fernand Pelloutier, de vader van het revolutionaire syndicalisme, opgenomen in de groep van redacteurs en Paul Delesalle schreef de regelmatig terugkerende rubriek Mouvement ouvrier waardoor het blad een meer proletarisch karakter kreeg. Na hem stond onder meer nog Pierre Monatte in voor deze rubriek. Tot het blad er in 1914 voorlopig het bijltje bij neerlegde, bleef Les Temps nouveaux het syndicalisme als beste strijdmiddel van de arbeidersklasse naar voor schuiven.
Een artikel van Pelloutier in het blad van oktober 1895 illustreerde vrij goed de visie van de zogenaamde 'anarcho-syndicalisten'. De vakbond moest volgens hem uit reformistisch vaarwater gehaald worden en hij moest vrij zijn van alle politiek-electorale wedijver en uitgroeien tot het laboratorium van de economische strijd. De vakbond moest steeds klaarstaan voor de Algemene Staking en voor alle mogelijke consequenties daaraan verbonden. En vanzelfsprekend moesten de bonden volgens de anarchistische beginselen bestuurd worden. Volgens Pelloutier kon een dergelijke vereniging er zich terecht op beroepen én revolutionair én libertair te zijn. Volgens hem was dit soort vakbond trouwens de enige mogelijkheid om op te kunnen tornen tegen de sociaal-democratische politici. En er was meer : op de dag dat de revolutie uitbrak - in de veronderstelling dat dan de meeste arbeiders bij een vakbond waren aangesloten - zouden de vakverenigingen klaarstaan om zelf de organisatie van de maatschappij in handen te nemen. De nagenoeg libertaire bonden zouden op slag alle politieke macht uitschakelen. Elke groep zou zich meester maken van een aantal productiemiddelen en zou aldus op soevereine wijze, door de vrije instemming van al haar leden, haar zaken zelf kunnen beredderen. Als dat niet de langverhoopte vrije vereniging van vrije producenten was ?!
Binnen de Franse vakbeweging kregen Pelloutier en zijn anarchistisch geïnspireerde bondgenoten in ieder geval steeds meer voet aan de grond en dit leidde naast een doorgedreven strijd met sociaal-democraten ook naar een breuk met meer 'marxistische' radicalen. Blijkbaar lag de geschiedenis van de Eerste Internationale nog te fris in het geheugen om tot een verzoening tussen revolutionairen te kunnen komen.
In België was voor het anarcho-syndicalisme vooralsnog weinig succes weggelegd. Hier bleef het terrorisme de anarchistische bladen langer parten spelen want ook de vervolgingen bleven, zeker tot in 1896, voortduren. Dat had onder meer tot gevolg dat tijdens de jaren 1897-1899 de anarchistische pers nagenoeg onbestaande geworden was. Een debat over de oriëntering naar de vakbeweging vond dan ook nauwelijks plaats. Aan Franstalige kant had Verviers na het verdwijnen van Le Libertaire in maart 1894 met Le Plébéien de fakkel overgenomen. Het was - gezien de vervolgingen - een haast anonieme bedoening : enkel de naam van de bestuurder-uitgever, Etienne Montulet van Vaulx-sous-Olne (Nessonvaux), was bekend. Het blad riep nog steeds op tot revolutie maar het had het niet meer over de Propaganda door de Daad. Naar goede anarchistische gewoonte propageerde men de oprichting van tijdelijke affiniteitsgroepen en voor de rest vertrouwde men op de steeds aanwezige spontaniteit in de anarchistische beweging. Het was alsof elk debat over organisatie, hoe bescheiden ook, aan Verviers was voorbijgegaan. Zeer traditioneel bijvoorbeeld werd ook door Le Plébéien gebedeld om financiële steun. Maar het blad bleef overtuigd van de grote kracht van de anarchie. Het anarchistisch leger was een anonieme massa die men overal aantrof, maar die men nergens kon vatten. Niettegenstaande wetten en gendarmen ontkwamen de militanten meestal aan de wurggreep van de staat.
Al bleef het terrorisme de Belgische anarchisten achtervolgen. De redactieleden van Le Plébéien zaten door hun verregaande vereenzelviging met het terrorisme in Frankrijk tussen twee stoelen. Hoe konden zij, die droomden van een broederlijke samenleving en door hun persoonlijke voorbeeld de schoonheid van dat ideaal wilden aantonen, zich vastklampen aan de vernietiging om de vernietiging?! De Parijse terreuraanslagen dreigden bovendien het volk tegen de anarchisten in het harnas te jagen. Ook al beleed de redactie van het blad uitdrukkelijk haar geloof in het volk. Want om tot opstand te komen
en de revolutie te laten plaatsvinden had het volk immers een crusiale rol te vervullen.
De anarchisten van Le Plébéien identificeerden zich niettemin vergaand met de propagandisten van de daad. Hun radicalisme liet zich voor een deel verklaren door de voorlopig nog onbeslechte strijd die één, zo niet dé man achter het blad, Hubert Sevrin van Ensival, zelf aan het uitvechten was met het gerecht. Sevrin moest voor de rechter verschijnen omdat hij het in Le Plébéien had opgenomen voor de Franse anarcho-terroristen maar hij werd vrijgesproken. Le Plébéien zelf ging ter ziele en de fakkel werd tijdelijk doorgegeven aan L'Idée, dat te Brussel verscheen. L'Idée was evenmin een lang leven beschoren en begin 1895 hernam Le Plébéien zijn verschijning. En daarmee trad men meteen ook uit de anonimiteit. Naast hoofdredacteur Sevrin waren streekgenoot Jean Bosson en de Brusselaar Paul Sosset alias Flaustier belangrijke medewerkers. Bovendien werd het licht op groen gezet voor een koerswijziging naar de vakbeweging en naar de massa.
Eind 1895 legde Le Plébéien er het bijltje bij neer. Het werd opgevolgd door La Débâcle sociale dat een gemeenschappelijke aangelegenheid van groepen uit Brussel, Luik en Verviers moest worden, maar het viel snel ten prooi aan de ijver van het Vervierse parket. Hubert Sevrin werd in ieder geval veroordeeld tot veertien maanden gevangenisstraf wegens aansporing tot moord en diefstal en een tijdje later verdween ook het blad. Eén van zijn redacteurs, Jean Bosson van Ensival, kwam nog met een verlengstuk, met name La Vérité, maar het hield het nauwelijks enkele weken uit. We kunnen besluiten dat met het verdwijnen van het blad de Franstalige anarchisten in België geen eigen blad meer hadden.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 206-216.)


La Débacle Sociale, 1896.

La Débacle Sociale, 29-3-1896 (K.U.L. Centrale Bibliotheek); Cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 215.

Een belangrijke fractie van de beweging was duidelijk gewonnen voor de heroriëntering van de actie zoals die door de trendsetters van het internationale anarchisme te Londen en te Parijs werd verdedigd. De heroriëntering naar de arbeidersorganisaties werd meer dan ooit bevestigd. Wilde men de propagandisten van de daad niet uitdrukkelijk verloochenen, dan moest toch in elk geval onder het terrorisme een streep worden gezet. De ervaringen die de beweging daarmee had opgedaan, sterkten heel wat militanten in hun overtuiging om werk te maken van de intenties die al begin de jaren negentig waren geformuleerd. Stof voor discussie was er voldoende. Dat kon wel niet meer in de pers. Een congres leek dan ook aangewezen.
Georges Thonar, die inmiddels zijn activiteiten van Brussel naar Luik had verlegd, was een van de drijvende krachten achter het paascongres dat in 1898 te Luik plaatsvond. En ook Verviers leek bij de voorbereiding betrokken en in die zin werd op 6 februari in de wolstad een congres georganiseerd door de zogenaamde onafhankelijke socialistische groepen van Verviers en omgeving. Tot de initiatiefnemers behoorden de Fédération des Syndicats Indépendants, de vakbond La Vesdre, maar ook Sevrin van de anarchistische groepen. Ook het regionaal, bijna landelijk congres dat met Pasen in Luik bijeenkwam, mikte op een ruimer publiek dan het anarchistische. De uitnodiging riep op om een federatie van onafhankelijke libertaire socialistische groepen te vormen. Dat zou het verrassend grote aantal congresgangers kunnen verklaren. In Franstalig België stak toen enkele jaren na Vlaanderen een dissidente stroming de kop op die de partijdiscipline en in mindere of meerdere mate ook het parlementarisme van de BWP ter discussie stelde. La Bataille van Namenaar Louis Roman was haar tribune en mettertijd opende het blad steeds meer haar kolommen voor diverse anarchisten. Een opvallende aanwezige op het congres was bijvoorbeeld de tekenaar, journalist en revolutionair Charles Delfosse die in de jaren zeventig en negentig een aantal jaren te Parijs verbleven had en teruggekeerd in zijn geboortestad Luik voerde hij een scherpe, interne strijd in de socialistische partij. Hij maakte met name deel uit van een groep van geroyeerde socialisten en libertairen en naar aanleiding van zijn medewerking aan La Bataille werd hij uit de BWP gestoten. Op de meeting die aan het congres voorafging, voerde onder meer de Brusselse SJW'er Victor Ernest het woord. Ook hij was reeds als partijlid gesneuveld. Verder was eveneens Camille Huysmans aanwezig. Door de sprekers werd de toenemende greep van de volksvertegenwoordigers op de partij aangeklaagd, alsook de daarmee samenhangende 'verburgerlijking', het verlies van socialistische deontologie én van vrijheid van meningsuiting. De BWP moest (opnieuw) een revolutionaire klassepartij worden die aan de parlementaire strijd hooguit een propagandistische waarde toekende. Buiten de kritiek op de BWP werd er op het congres een principieel akkoord over samenwerking gesloten, met de daaraan gekoppelde obligate voorwaarde over het behoud van de autonomie van de groepen. Verder consacreerden ze de heroriëntering van de actie naar de massa. In die zin moedigde men de intrede in de vakbonden en de deelname aan stakingen aan.
Het paascongres van 1898 bezorgde de anarchistische beweging niet de verhoopte heropleving. Wel diende na Brussel en Verviers ook Luik zich aan als centrum van de actie.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 214-217.)

1900-1903 : de uitsluiting van de anarchisten in Luik en "Le Réveil des travailleurs".
Eind 1899 liet zich binnen het Luikse socialisme volop een tegenstelling voelen. Met name de radicale socialist Lucien Hénault kwam in botsing met de socialistische partij-instanties en in juni 1900 richtte hij een eigen blad op : Le Réveil des travailleurs. In tegenstelling tot de BWP wilde het blad alle gezindheden binnen het socialisme aanmoedigen en het wou in dat verband de grootste verdraagzaamheid aan de dag leggen. Al op de eerste bladzijde werd de verdediging van het anarchisme opgenomen. Het anarchisme stond bijvoorbeeld niet voor wanorde. Het kaderde net als het socialisme, waarvan het een aftakking was, in de algemeen maatschappelijke ontwikkeling. En naast Hénault fungeerde ook de Brusselse anarchist Paul Sosset, alias Flaustier, als redacteur.
Met Le Réveil des travailleurs bekende Hénault in ieder geval meer dan ooit kleur. En begin december maakte hij een eerste balans op die uitgesproken positief was, en dat was in België ongewoon voor een blad met anarchistische inslag. Het aantal lezers en abonnementen vermeerderde met elke oplage : van 700 abonnementen was het weekblad op enkele maanden tijd naar 1.200 geklommen en de oplage beliep meer dan 2.250 exemplaren. Het blad had trouwens steun gekregen uit Verviers, Luik, Ougrée, Hoei, Sprimont, Amay, Borgworm, Brussel en de Centre.
Binnen de BWP kwam de reactie tegen Hénault nu volop op gang. Toen hij in december 1900 in het Luikse partijblad Le Combat zijn 'anti-collectivistische, libertair-communistische' principes wilde uiteenzetten, werd hem dat geweigerd. De hoogste partij-instanties namen de zaak trouwens ernstig. Op de Algemene Raad van 22 mei 1901 waarschuwde Vandervelde zelf voor de "propagande dissolvante" van bepaalde anarchisten die zich op partijvergaderingen aandienden als partijleden. En de Raad vroeg de federaties erover tewaken dat sprekers en publicisten die zich op de BWP beriepen, ook haar programma verdedigden. Bovendien werden de federaties uitgenodigd iedereen die zich verschuilde achter het BWP-lidmaatschap om "onze principes, programma en tactiek" aan te vallen, te desavoueren en uit te sluiten. Aan de beheerders van de volkshuizen werd gevraagd geen zalen meer beschikbaar te stellen voor bijeenkomsten van anarchisten.
Met deze motie beoogde de Algemene Raad in het bijzonder de uitsluiting van Hénault te Luik. Maar in de Luikse federatie was de zaak bijlange nog niet afgesloten. De Luikse coöperatie La Populaire, die vroeger al haar verdraagzaamheid tegenover andersdenkenden had bewezen, riep op om een debat te organiseren waar socialisten en libertairen op voet van gelijkheid elk hun standpunten konden uiteenzetten. En pas op 24 november 1901 op een algemene vergadering van de Luikse federatie werd een motie goedgekeurd die er niet om loog en die volgens Le Combat de uitsluiting van Hénault inhield. Maar Hénault en zijn aanhangers vochten de legitimiteit van de beslissing aan. Minder dan een derde van de aangesloten groepen was aanwezig geweest op de bewuste algemene vergadering en daarvan hadden groepen die niet in regel waren met hun aansluiting kunnen stemmen. De beslissing taste bovendien de autonomie van de aangesloten groepen aan en Hénault achtte zich dan ook geenzins uitgesloten. Voorlopig weigerde het federaal comité evenwel elk recht op beroep voor een nieuwe algemene vergadering.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 221-225.)

Het charter van Quaregnon.
In Le Reveil des travailleurs van 14 december 1901 reageerde Lucien Hénault omstandig op de uitsluiting van de anarchisten. (Deze tekst werd ook als brochure verspreid : L. Hénault, Le Parti Ouvrier et l'anarchie, Luik, 1901.) Hij betoogde onder meer dat socialisme en anarchisme takken waren van dezelfde boom en verwees daarbij naar uitspraken van bekende socialisten. Onder meer naar Emile Vandervelde die zelf had toegegeven dat de anarchistische gemeenschap, overvloeiend van broederlijkheid en rijkdom, waar ieder zou doen wat hij wilde, zou geven volgens zijn mogelijkheden en zou nemen volgens zijn behoeften, mogelijk het einddoel was van het socialisme. En ook het partijblad Le Peuple had recent nog het libertair ideaal erkend als het eindpunt van de maatschappelijke ontwikkeling en bevestigd dat niets mooier was dan de droom van het broederlijk communisme, waar de mensen bevrijd van alle beperkingen eindelijk in staat zouden zijn om de naastenliefde te beoefenen. Tenslotte werd ook de eind 1891 overleden César De Paepe aangevoerd om het socialistische waarmerk van het anarchisme te bevestigen. En dat kon tellen. De Paepe was ten tijde van de Eerste Internationale het boegbeeld van de anti-autoritaire collectivistische stroming om vervolgens te evolueren naar een sociaal-democratische overtuiging. Binnen de toenmalige socialistische beweging was hij een gezaghebbend theoreticus geweest, en na zijn dood werd De Paepe met zijn 'anarchistisch' verleden steeds meer door de Belgische anarchisten gerecupereerd. (Cfr. Biografie.) Men verwees daarbij vooral naar zijn befaamde rede van Patignies uit 1863 waarin De Paepe stelde dat het ultieme doel van de revolutie de vernietiging van elke macht was. De regering was het resultaat van de sociale wanorde, van de economische chaos... En hij besloot : "Que ton règne arrive, Anarchie." Wat was dan de afgrond die de anarchisten scheidde van De Paepe, Vandervelde, enz... vroeg Hénault zich af. Het ging hooguit om een opportuniteitskwestie. Hun ideaal was in elk geval gelijk.
Maar met hun communisme schonden de anarchisten de beginselverklaring van de BWP die niet verder ging dan het collectivisme. Hénault repliceerde deze kritiek door uitgebreid te citeren uit de beginselverklaring (waarmee het zogenaamde charter van Quaregnon was ingeleid). En hij bekritiseerde de sociaal-democraten om hun coalities met de liberalen. Dat was pas in tegenspraak met de beginselverklaring, want die poneerde de stelregel dat de ontvoogding van de arbeiders essentieel het werk van de arbeiders zelf moest zijn ! En ook de levensbeschouwelijke neutraliteit van de BWP moest het in de ogen van Hénault ontgelden. Want die neutraliteit moest evenzeer het pad effenen voor toekomstige allianties met de burgerlijke partijen.
Dan was er nog het internationalisme. De socialisten van alle landen dienden solidair te zijn. De ontvoogding van de arbeiders was immers geen nationale, maar internationale aangelegenheid. Een duidelijkere basis voor een principieel antimilitarisme kon men moeilijk wensen. Nochtans keurden socialistische parlementairen uit electorale overwegingen mee de verhoging van de soldij goed en ontpopten ze zich als pleitbezorgers van een loonsverhoging voor de rijkswacht. Een merkwaardig internationalisme was dat. Wat een hoog verheven ideaal daartegenover leek de vaderlandsloosheid van de anarchist, met zijn onverzoenlijk antimilitarisme.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 225-230.)

Een wel erg gematigd reformisme.

Bleef tenslotte de parlementaire tactiek. Het was de anarchistische oppositie daartegen die zorgde voor de BWP-banbliksems. Hénault stelde dat in de beginselverklaring van de partij geponeerd werd dat de arbeiders het kapitalisme moesten bestrijden met alle middelen die in hun macht lagen : politieke actie, propaganda voor de socialistische ideeën en de ontwikkeling van vrije verenigingen. De vraag rees wie dan wel het zuiverst in de leer was, de parlementairen of de anarchisten ? De parlementairen die door binnen te dringen in de staat zich aan de bestaande orde aanpasten en daar een schamel en denkbeeldig reformisme uitprobeerden; of die door systematisch de openbare diensten uit te breiden de bourgeoisstaat versterkten en bij wie syndicale en revolutionaire actie onder verdenking stonden. Of waren het de anarchisten die het meest trouw waren aan de beginselen van de partij ? De anarchist predikte de vernietiging van de staat en wilde de vrijheid van mening, pers en vereniging verwezenlijken. Hij wilde gewoonweg alle wetten afschaffen want wetten perkten altijd de vrijheid in, hetzij van een meerderheid, hetzij van een minderheid. De anarchist zette aan tot individueel of collectief verzet tegen alle patronale, politionele of bureaucratische pesterijen en voerde onafgebroken propaganda voor "le socialisme intégral, antipropriétaire, antireligieux, antiautoritaire, communiste et libertaire".
In de beginselverklaring van de BWP werd ook gesteld dat tegelijk de economische, de morele en de politieke bevrijding van het proletariaat diende te worden nagestreefd en dat de economische strijd voorrang had. Ook hier kon men zich afvragen wie aan dit beginsel het meest gehoorzaamde. Was het de parlementair die de kiesstrijd als de motor van elke maatschappelijke verandering beschouwde ? Of was het de anarchist die samen met het verzet tegen de staat de onmiddellijke strijd op economisch terrein voorstond, met alles wat erbij hoorde : boycot, sabotage, de algemene revolutionaire staking met het oog op de onteigening en de revolutie ? Het antwoord lag voor de hand.
De socialisten verweten de anarchisten dat ze de politieke strijd tout court verwierpen, maar volgens Hénault klopte die kritiek slechts in de mate dat men politieke strijd reduceerde tot parlementaire actie, waarbij politiek dus in enge zin werd begrepen als het functioneren van de politieke instellingen. In het geval van politieke actie in deze enge zin van het woord was het duidelijk dat het niet ging om een doel, maar om een middel, om tactiek dus. En tactiek kon wijzigen. De verkiezingsstrijd van de voorbije jaren met zijn wisselende coalitiepolitiek, de kwestie van de eveneredige vertegenwoordiging, het uitstellen van het vrouwenkiesrecht... had dat recent nog bewezen.
Daartegenover stond volgens Hénault de ethische notie van politiek : alles wat met algemene beginselen van het menselijk gedrag te maken had, de toepassing van morele normen op de ontwikkeling van een gemeenschap, de ideale opvatting van het individuele en sociale leven die tot tijdgeest werd. (...) In het kader van deze ruimere interpretatie van politiek weigerde de anarchisten geenzins aan politieke actie te doen. En waarom zou men dan het parlementarisme niet mogen aanvallen, om strijdmiddelen ingang te doen vinden die het proletariaat waarschijnlijk vlugger naar zijn doel, de communistische maatschappij, zouden brengen ?

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 230-233.)

Met de vuisten in de zakken. De algemene staking van 1902.

Op het buitengewoon congres van de BWP, begin 1902, manifesteerde zich duidelijk een linkerzijde. Het congres besloot onmiddellijk een krachtdadige propaganda aan te vatten voor het algemeen stemrecht. Maar wat later, tijdens onderhandelingen met de liberalen bleek al gauw dat de socialisten water in de wijn moesten doen. De liberalen stelden hen drie eisen : geen vrouwenstemrecht, de evenredige vertegenwoordiging diende in de grondwet te worden opgenomen en de beweging voor het algemeen stemrecht mocht geen revolutionair karakter krijgen. Een reeks vreedzame manifestaties werd evenwel vanaf 21 maart gevolgd door dynamietaanslagen, revolverschoten en schermutselingen. Vanaf 7 april leek niets meer de algemene staking nog te kunnen tegenhouden. Te Brussel raakten de gebeurtenissen in een stroomversnelling. Betogers vielen er winkels en katholieke instellingen aan en ze gingen de politie te lijf. Zeker vanaf 10 april vonden ook in de provincie schermutselingen plaats en braken de eerste stakingen uit. Gelijktijdig werd de ordehandhaving grimmiger en op 11 april vielen de eerste doden.
Op 14 april riep de Algemene Raad van de BWP dan plots de algemene staking uit. Dit was een verrassing gezien de terughoudendheid die de BWP-leiders tot dan toe aan de dag hadden gelegd. In een toelichting specifieerde de Algemene Raad wel dat de beslissing tot staken niet door de politieke mandatarissen, maar door de vakbondsafgevaardigden was genomen en meteen lanceerde de BWP-top de oproep geen stormloop, maar een blokkade te organiseren en te staken. Feit is dat de beweging, eenmaal de partij in haar geheel gemobiliseerd was, een vrij vreedzaam karakter aannam.
De negatieve ervaring met de algemene staking van 1893, die geenszins een revolutionaire wending had genomen, was ongetwijfeld nog versterkt door de ongelukkige behandeling van de revolutionairen binnen de BWP tijdens de voorbije jaren. In ieder geval konden de anarchisten nog nauwelijks belangstelling opbrengen voor de campagne voor algemeen stemrecht die door de socialisten was gelanceerd, zelfs niet toen die in april 1902 uitmondde in een algemene staking. Het geloof in de revolutionaire mogelijkheden van een politieke algemene staking was in die radicale kringen wel bijzonder klein geworden.
Begin april stond zowel in de Cercle Libre d'Etudes Sociales van Luik als in de Union Libertaire van Brussel het komende anarchistische congres op de agenda en de stichting van een Belgische Confédération Générale du Travail (die dan een economische algemene staking zou kunnen uitroepen).
Toen evenwel de grote staking uitbrak, was het hart van de anarchisten toch opnieuw bij de grote meerderheid van Belgische proletariërs die op 'revolutionaire wijze' het algemeen stemrecht opeisten. "Avec la classe ouvrière" blokletterde Le Réveil des travailleurs. Bij deze moedige maar ongelijke strijd konden de anarchisten, hoe antiparlementair ze ook waren, niet afzijdig blijven. Ze vochten touwens voor dezelfde idealen, maar wisten beter : het parlementarisme zou geen soelaas brengen. Meteen waarschuwde de auteur van het artikel voor de immorele alliantie van de arbeiders met de liberale bourgeois die voor hen even grote vijanden waren als de katholieken.
Op 18 april besloot de Algemene Raad van de BWP samen met de parlementairen en de vertegenwoordigers van de vakbonden dat men zou blijven staken tot de overwinning. Dezelfde dag vielen in Leuven zes doden en verwierp de Kamer een socialistisch voorstel tot grondwetsherziening. De dag nadien deden de progressisten (progressieve liberalen) een oproep tot de BWP om de staking stop te zetten. Maar Le Peuple bleef hameren op de voortzetting van de staking. De beslissing van de Algemene Raad op 20 april om het werk te hervatten, kwam dan ook als een volkomen verrassing voor het overgrote deel van de socialistische troepen.
300.000 stakers acht dagen lang, fulmineerde Lucien Hénault in Le Réveil des travailleurs, en dan plots beslisten twaalf leden van de Algemene Raad er een punt achter te zetten zonder dat er enig resultaat geboekt werd, zonder zelfs maar enigzins geprobeerd te hebben tegen de regeringsbeslissing in te gaan ! De gebeurtenissen vormden uiteraard een ideale aanleiding voor anarchistische kritiek op de BWP-leiding. Haar gedrag getuigde van lafheid, onbekwaamheid en onverantwoordelijkheid meende Lucien Hénault. Ja, zelfs schaamteloos waren de BWP-leiders die een staking, die naar eigen zeggen door de vakbonden was ingezet, abrupt afbraken zonder diezelfde bonden, de stakers, zij die werkelijk betaalden voor de staking, te raadplegen.
Hoe kan men de plotse ommezwaai van de BWP-top verklaren ? De analyse van historici, vele jaren na de feiten, vertoont duidelijke raakpunten met de anarchistische kritiek. Doorslaggevend waren de rol van de liberalen aan de ene kant en de onbeslistheid van de socialistische leiders aan de andere kant. Dat de band met de liberalen zo zwaar zou wegen, hadden zelfs de anarchisten niet voorzien.
Wie Hénault leest, heeft niet het gevoel dat de mislukking van de staking hem erg speet. Daarvoor was het leedvermaak met de partij-instanties en ook het eigen gelijk te groot. Maar Hénault was wel onder de indruk gekomen van de mogelijkheden van de beweging (en dus toch ook weer van de arbeiders), wat hem meteen weer sterkte in zijn eigen overtuiging. Het feit dat in enkele uren tijd honderdduizenden arbeiders het werk hadden neergelegd, bewees dat het mogelijk was om een algemene staking tot een goed einde te brengen. De arbeiders, aldus Hénault, voelden op dat ogenblik de revolutie aan als onvermijdelijk en het was de algemene staking die ze mogelijk maakte... Het kwam erop aan aan de latente ontevredenheid van de massa, die afgestompt was door vijtien jaar verkiezingspropaganda, naar de oppervlakte te brengen. Om te beginnen moesten de arbeiders aan de invloed van de politici worden onttrokken. Dat was de eerste fase in hun ontvoogding. De voorwaarde daartoe was de oprichting van een Confédération Générale du Travail, een groepering van bonden uit alle bedrijfstakken. Die hergroepering zou tot een herwaardering van de economische en revolutionaire actie leiden en de waardigheid en de solidariteit van de arbeiders herstellen. Pas dan zou het mogelijk zijn tot het einde te gaan. Die eerste fase nu wilden de anarchisten op hun pinkstercongres voorgoed inzetten. En de verschillende meetings die spontaan her en der op 27 april plaatsvonden en waar behalve de revolutionaire actie ook de vakbonden en de economische ontvoogding van de arbeiders op het programma stonden bewezen al meteen dat ze op het goede spoor zaten.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 240-246.)

De moeilijke wending naar de vakbeweging.

Er was een opvallend grote opkomst voor het revolutionair congres dat op 18 en 19 mei 1902 in Luik plaatshad : er daagden wel 150 deelnemers op. Naast een vertegenwoordiging vanuit Mechelen waren er vooral afgevaardigden vanuit Wallonië en Brussel. Onder meer mensen uit het Luikse (Luik zelf, Flémalle, Jemeppe, Saint-Nicolas, Herstal, Seraing, Ougrée, Angleur, Chenée, Grivegnée, Romsée, Micheroux, Fléron), de streek rond Verviers (Verviers zelf, Hodimont, Petit Rechain, Nessonvaux), de streek van de Ourthe-Amblève (Esneux, Sprimont) en de streek rond Hoei (Hoei zelf, Antheit, Amay, Ampsin). Dat heel deze regio goed vertegenwoordigd was, heeft allicht veel te maken met het feit dat het congres in Luik plaatsgreep. Niettemin was er ook een flinke delegatie uit het Centrum opgedaagd (La Louvière, Jolimont, Morlanwelz, Bascoup, Carnières). De anarchistische propaganda aldaar had blijkbaar resultaat gekregen. Verder waren Namen, waar het dissidente blad La Bataille werd uitgegeven, en Charleroi, waar sinds de jaren negentig een bescheiden anarchistische kern actief was, present. Voor de hoofdstedelijke regio waren er vertegenwoordigers uit Brussel, Sint-Gillis, Sint-Joost, Schaarbeek, Vorst, Elsene en Anderlecht (Kuregem) aanwezig.
Een eerste grote bespreking was aan de vakbonden en de algemene staking gewijd. De congressisten drukten de wens uit dat de vakbonden hun actie zouden verleggen naar het zuivere revolutionaire en economische terrein van de klassenstrijd en zouden breken met de politieke parlementaire actie die altijd neerkwam op compromissen en gemarchandeer met de heersende klasse. En de anarchisten werden uitgenodigd om dringend tot de vakbonden toe te treden. Hierbij liet men zich inspireren door de campagne voor de algemene staking die in Frankrijk gevoerd werd en door recente gebeurtenissen in Barcelona. Ook daar was een algemene staking uitgebroken en voor de anarchisten in België was dit een aanmoediging bij hun wending naar de vakbeweging. Ten voordele van de Catalanen werd overigens een solidariteitscampagne op gang gebracht. Le Réveil des travailleurs drukte geregeld brieven af van gevangen Catalaanse anarchisten en op het congres zelf werd plechtig een speciale boodschap uit Barcelona voorgelezen. Maar veel lering trokken de congressisten niet uit de gebeurtenissen van Barcelona. Op de vraag of de anarchisten gezien de leegloop van de bestaande bonden niet beter werkelijk revolutionaire bonden zouden oprichten, kwam uiteindelijk geen bevestigend antwoord. Dat was wellicht zowel ideologisch als praktisch te veel gevraagd van de Belgische anarchisten.
Tijdens de volgende besprekingen over sociale hervormingen bleken nog meer diepgaande tegenstellingen. Onder meer Georges Thonar meende dat de achturendag een voortreffelijk propagandamiddel kon vormen. De anarchisten zouden er goed aan doen te verklaren dat zij geen tegenstander van sociale hervormingen waren, maar dat die enkel van belang konden zijn als ze op revolutionaire wijze werden veroverd. Zoals de politici de massa konden bespelen met de eis van algemeen stemrecht, zo konden de anarchisten dat met de drie-maal-acht-eis (acht uur arbeid, acht uur ontspanning, acht uur rust). Deze eis ging trouwens over een hervorming die voorheen reeds verdedigd was door de militanten van de Eerste Internationale en door de anarchisten van Chicago, en de stakers van Barcelona was het aanvankelijk ook om die eis te doen geweest. Maar een aanzienlijke groep congressisten bestreed deelname aan een beweging voor arbeidstijdverkorting. Zo was Hénault van mening dat zelfs een ogenschijnlijke ondersteuning van de reformistische beweging een gevaar inhield voor de anarchistische propaganda in de toekomst. Het was de taak van de anarchisten de maatschappij voortdurend en integraal te bekritiseren. Hénault verwees naar de Parijse Commune en naar Barcelona om aan te tonen dat het proletariaat te lang wachtte om de eigendom zelf aan te vallen. Hénault kon zich wel in deelname aan de vakbeweging vinden, althans voor zover deze zich beperkte tot het propageren van de algemene staking en tot revolutionaire bewustmaking. Dat was noch min noch meer de orthodoxe libertair-communistische visie ter zake.
In de congresresoluties was geen sprake meer van een anarchistisch engagement in een campagne voor de drie-maal-acht. De burgerlijke maatschappij kon immers alleen worden hervormd door de vernietiging van haar grondvesten, namelijk de kapitalistische (patronale èn etatistische) eigendom. Een voortdurend verzet tegen de kapitalistische uitbuiting was nodig en dit met alle directe middelen : zoals straatgewoel, staking, boycot, sabotage, enz... Tenslotte moest aan de arbeiders uitgelegd worden dat enkel de revolutie, waarvan de algemene staking het voorspel kon vormen, zou leiden tot de omvorming van het kapitalisme in het communisme en de opheffing van alle wettelijke dwang op individuen en groepen.
Het belangrijkste agendapunt van de tweede congresdag betrof de oprichting van een Belgische Confédération Générale du Travail (CGT). Meteen sloeg voor het revolutionaire congres het uur der waarheid na de weinig operationele besluiten van de voorbije dag. Er waren nauwelijks tegenstanders van een dergelijk vakverbond en de Franse CGT vormde duidelijk de inspiratiebron. Hénault beschreef hoe de CGT zich op haar laatste congres in Lyon had uitgesproken voor de revolutionaire staking, elke deelname aan verkiezingen had geweigerd en de plannen van een socialistische minister in verband met stakingen had gekelderd. In tegenstelling met de socialistische partijen had zij waarlijk alle arbeiders zonder politiek onderscheid verenigd. En zij vormde bovendien een echte klasseorganisatie.
De socialistische partijen daarentegen sloten om aan de macht te komen, de ene alliantie na de andere met burgerlijke partijen. De vakbeweging onttrekken aan de(ze) politici stond daarom gelijk met de weg bereiden voor de anarchie ! De anarchisten moesten volgens Thonar zelf geen confederatie opzetten - hij vertolkte daarmee wellicht de mening van de meerderheid - maar ze moesten wel de stichting ervan uitlokken. De Brusselse anarchist Jean Robyn, alias Hardy, kwam met het concrete voorstel om contacten te leggen met bladen die het project gunstig gezind leken : Le Travail van Verviers, La Revanche des verriers van Lodelinsart, La Bataille van Namen ... En er moesten verklarende artikels verschijnen in het Luiks anarchistenblad (van Hénault) : Le Réveil des travailleurs. Verder werd er gedacht aan propaganda in de bonden en bedrijven en tenslotte zou er een manifest de wereld worden ingestuurd.
Uiteindelijk werd op het congres opnieuw een weinig concrete resolutie goedgekeurd. Het congres drukte de wens uit dat de georganiseerde kameraden zich ten volle zouden inzetten met het oog op de stichting van een Confédération Générale du Travail die alle vakbonden zou omvatten. Concreter was wel de uitnodiging aan de kameraden om regionaal propagandagroepen te starten om de vakbonden ter zake te informeren.
Ondanks de revolutionair-anarchistische toewending naar de vakbeweging bleven de anarchisten principieel aanspraken maken op zelfbeschikking. Een te georganiseerde vakbeweging deed daar allicht afbreuk aan. Dat punt was voor veel anarchisten een reden voor blijvende terughoudendheid tegenover de vakbeweging en het betekende ook dat de anarchisten wars waren van al wat naar concrete congresbesluiten rook, zeker op het vlak van organisatorische kwesties. Typerend in dat verband was ook de oproep voor het congres geweest : deelname aan het congres bond de deelnemers in niets. Het kwam er louter op aan te discussiëren, elkaars inzichten te verruimen. Voor en na het congres bleven de groepen autonoom, m.a.w. volkomen vrij in hun denken en handelen.
We kunnen besluiten dat de
anarchisten al een tijd inzagen dat ze niet met gekruiste armen op de revolutie moesten zitten wachten, maar dat men beter zich kon organiseren in een radicaal syndicaat, en dit met het oog op een algemene staking die de voorbode zou zijn van de verhoopte revolutie. Trouwens, aan de feitelijke revolutie moest een 'revolutie in de geesten' voorafgaan. Voor de anarchisten was ook op dat vlak een actieve rol was weggelegd...
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 246-251.)

 

Een landelijke anarchistische organisatie, 1904-1908.

De Fédération Amicale des Anarchistes de Belgique.
Op 9 en 10 oktober 1904 ging in Charleroi een congres van de (anarcho-)communisten door, waarop en hondertal anarchisten kwamen opdagen. Hier was men eensgezind van oordeel dat om een voortdurende propaganda te onderhouden er bestendig overleg nodig was. Zelfs het principe van een federatie werd niet langer aangevochten, al bestond over de praktijk nog discussie. De federatie was nog embryonaal, er waren nog altijd kameraden die beducht waren voor een autoritaire organisatie. Nochtans stelde George Thonar hen gerust : het libertaire federalisme berustte op een volkomen vrijwillige samenwerking. Groepen en individuen behielden hun autonomie. Beslissingen werden m.a.w. niet opgelegd.
Het congres verraste niettemin door de concreetheid van een aantal opties in verband met de propaganda. Die kunnen evident lijken, maar voor de Belgische anarchisten waren ze dat niet. Zelfs voor organisator Thonar ging het gewenste overleg niet veel verder dan enige stroomlijning van de propaganda. Nochtans was hij, bijgestaan door Emile Chapelier, sinds een aantal jaren al pleitbezorger van het 'systematiseren' van deze propaganda en in 1904, na het vertrek van Hénault, bleek hij een stuk weerstand overwonnen te hebben.
Het opzet van de organisatoren was tweevoudig. Ten eerste lag het in de bedoeling de verspreide anarchistische krachten te bundelen, methode in de actie te steken, m.a.w. de propaganda de propaganda een organisatorische onderbouw te geven. Ten tweede wou het congres nagaan welke concrete initiatieven nodig waren op het vlak van conferenties, druksels, bibliotheken, solidariteit.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 254-255.)


G. THONAR, Ce que veulent les Anarchistes, Charleroi, 1909 (Amsterdam, IISG); Cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 257.


Thonar pakte uit met concrete voorstellen. Er moest een rudimentaire organisatie komen, gaande van plaatselijke afdelingen overal waar een aantal militanten waren, over regionale "groupes de concentration" die maandelijks bijeenkwamen, tot een vrije federatie. De federatie zou jaarlijks een congres houden en elk jaar ook minstens één brochure publiceren. De federale kas, die gespekt werd met collectieve en individuele bijdragen, zou de kosten dragen. De groepen waren in het voorstel van Thonar studie- en propagandakringen die voor de vorming van hun leden een reeks conferenties zouden opzetten, waarbij sociale onderwerpen werden afgewisseld met wetenschappelijke uiteenzettingen.
Verder dan een principiële aanvaarding van de stichting van een Fédération Amicale de Anarchistes de Belgique kwam het congres niet. Met betrekking tot de propaganda werd evenwel een verrassend besluit genomen. De door Georges Thonar geschreven brochure Ce que veulent les Anarchistes zou stante pede op een zo groot mogelijk aantal exemplaren verspreid worden. Vervolgens werd ook het voorstel van Thonar goedgekeurd om de federale propaganda te laten starten met een voordrachtenreeks in Verviers, en die daarna voort te zetten in Doornik en Hoei. Het federaal comité (penningmeester Jules Ledoux van Luik, adjunct-penningmeester Camille Mattart van Flémalle en secretaris Georges Thonar van Herstal) werd belast met deze propagandacampagne, evenals met de organisatie van het volgende congres dat in mei van het volgend jaar te Luik moest plaatsvinden.
Vermelden we tenslotte nog het voorstel van de publicatie van een intern bulletin wat uiteindelijk zou resulteren in een bescheiden bulletin van de federatie in de Luikse L'Insurgé. (Dit libertair weekblad werd door Thonar zelf uitgegeven en verscheen van juni 1903 tot in 1908.)
Waar het (algemeen revolutionair) congres van 1902 vooral over de vakbeweging had gehandeld, was het congres van 1904 net als dat van 1901 in hoofdzaak aan de eigen anarchistische organisatie gewijd. Maar in de marge van het gebeuren kwam toch nog het syndicalisme aan bod. Bijvoorbeeld bij de vragen of er al dan niet nieuwe revolutionaire vakbonden moesten worden opgericht en of de anarchisten in de bonden een functie konden waarnemen. En de meerderheid van de congresgangers drukte de wens uit de anarchisten te zien toetreden tot de vakbonden, waarbij er in de trant van het revolutionair syndicalisme ook voor de onmiddellijke arbeidersstrijd plaats werd ingeruimd. In de vakbonden dienden met name alle middelen bestudeerd die dienstig konden zijn, niet alleen om het terrein voor te bereiden voor de sociale revolutie, maar ook om een onmiddellijke lotsverbetering te verkrijgen. Tenslotte werd de medewerking van de anarchisten gevraagd bij de oprichting van neutrale federaties van vakbonden, alsook van een Confédération Générale du Travail. Deze CGT diende in één organisatie alle verdrukten te verenigen, waarvan de gemeenschappelijke vijand het kapitalisme was.
De hierboven vermelde brochure van Thonar werd uiteindelijk niet door de Federatie, maar door L'Insurgé, Thonar zelf dus, uitgegeven. Deze publicatie kon propagandistisch gezien tellen en niet alleen in België. De versie van 1901 was reeds in vertaling in De Vrije socialist van Ferdinand Domela Nieuwenhuis verschenen en de versie van 1904 kende verscheidene herdrukken, alsook vertalingen in het Tsjechisch, Pools en Portugees. De brochure gaf in een bestek van zestien bladzijden een beknopt overzicht van de anarchistische standpunten. Bijvoorbeeld over de gehekelde burgerlijke maatschappij en over de toekomstige anarchistische samenleving. Verder werd er vooral ingegaan op het actievoeren en de propaganda, het syndicalisme, en de verschillen tussen anarchisme en reformisme. Het anarchisme was geen utopie, geen gedachtenspinsel, maar het logische eindpunt van de tendens naar communisme en vrijheid. De anarchisten waren trouwens de vulgarisators van de wetenschap.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 255-261.)



L'Insurgé, 6 juni 1903 (K.U.L., Centrale Bibliotheek); Cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 259.

Le Groupement Communiste Libertaire, 1905-1906.
De anarchistische federatie, waarvan het principe op het congres van 1904 was aanvaard, raakte nauwelijks van de grond. In juni 1905 werd dan de Groupe Communiste gesticht om van de uitgave van L'Insurgé een communistische zaak te maken. Dus de krant was voortaan het bezit van deze communistengroep en ze zou collectief instaan voor de financiering en redactie van de krant. Al bleef Thonar beheerder. De kring wilde trouwens ook de organisatie van de verdere propaganda op zich nemen en de onderlinge solidariteit behartigen. In het bijzonder besliste hij de oprichting van een communistische kolonie en een libertaire school te onderzoeken.
Op het einde van de maand nadien riepen de stichtende leden een algemene vergadering bijeen die de statuten goedkeurde. Bovendien werd besloten nog in september te Luik een anarchistisch congres te organiseren met twee hoofdagendapunten : ten eerste de anarchistische houding in geval van oorlog en ten tweede de stichting van een libertair-communistische kolonie. Het Luikse congres vond uiteindelijk op 15 oktober plaats en eens te meer werd er over de propaganda gepraat, met name over het anarchistenblad L'Insurgé. Thonar wilde echter duidelijk de verdenking ontlopen dat de Groupe Communiste een louter financiële constructie was ten behoeve van zijn blad L'Insurgé en hij lanceerde het voorstel dat de afdelingen van de communistengroep studiekringen zouden organiseren. Zij moesten een studieprogramma verzorgen dat het midden hield tussen een wetenschappelijke en een socialistische vorming. Dergelijke studiekringen zouden niet alleen van grote propagandistische waarde zijn, maar bovendien een rekruteringsbasis vormen voor de communistengroep.
Op 18 maart 1906 - de vijfendertigste verjaardag van het uitbreken van de Commune - vond opnieuw een algemene vergadering plaats. En men was optimistisch over de toekomst want de beweging groeide gestadig. Vier maanden later, op 22 juli 1906 ging terug een algemene vergadering door. Deze keer in de inmiddels opgerichte, communistische kolonie L'Expérience in Stokkel, een gehucht van Sint-Pieters-Woluwe, nabij Brussel. (Zoals de Groupe Communiste het anarchistisch levenswerk was van Georges Thonar, zo was L'Expérience dat van Emile Chapelier.) In Stokkel werd de Groupe Communiste definitief herdoopt in de Groupement Communiste Libertaire (GCL) en werd deze GCL nog steviger georganiseerd dan al het geval was. Het werd een besloten groepering die wat deed denken aan de geheime Spaanse anarchistische groepen of aan het samenzweerderige (Franse) blanquisme.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 262-266.)


Anarchistische kolonie van Stockel

Les anarchistes sont des... fainéants! (Prentkaart van L'Expérience, de libertair-communistische kolonie te Stokkel in Sint-Pieters-Woluwe).
(Amsterdam, IISG.)
Cfr.
J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 264.

Tot de algemene doelstellingen van de GCL behoorde de zorg voor het behoud van het integrale anarchistische ideeëngoed, het geven van een libertaire opvoeding en het verstrekken van bijstand aan de behoeftige leden. In het bijzonder beoogde de organisatie de gemeenschappelijke ondersteuning van de propaganda en dan vooral van de eigen pers - hier was het uiteindelijk allemaal om begonnen. L'Insurgé werd trouwens omgedoopt tot L'Emancipateur dat als ondertitel meekreeg : Organe du Groupement Communiste Libertaire. De redactie werd het werk van de afdeling (kolonie) van Stokkel, zeg maar van Chapelier en diens kompaan Gassy Marin, en de administratie verhuisde in oktober naar Charleroi. Aan L'Insurgé als eenmansbedrijf van Thonar was samen met de naamsverandering van het blad in elk geval een einde gekomen.
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 266-267.)


L'Emancipateur, 11-8-1906

L'Emancipateur, 11-8-1906. (K.U.L., Centrale Bibliotheek.) Cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 267.

L'Emancipateur moest met een aantal vaste rubrieken werken en op een breed publiek mikken. Voor dit laatste werd gerekend op de plaatselijke afdelingen. De lokale verantwoordelijke stond in voor de contacten van de afdeling met de rest van de GCL. De algemene kas werd gevuld met bijdragen en giften. Zij was uitsluitend bestemd voor de financiering van de propaganda die de GCL in zijn geheel aanging. De penningmeester, L. Walter uit Charleroi, diende elke drie maanden een financieel overzicht aan de afdelingen te bezorgen. Daarnaast beschikte elke afdeling over een eigen kas, gespekt door collecten op vergaderingen en debatten, om de eigen plaatselijke propaganda te bekostigen.
Er werden naast het comité dat verantwoordelijk was voor de krant nog diverse comités in het leven geroepen. Zij werden telkens gevormd in de schoot van één of twee afdelingen. Op die wijze konden activiteiten meer systematisch worden georganiseerd, terwijl de bevoegdheden gespreid werden. Een dergelijk systeem beantwoordde bovendien aan het principe van decentralisatie.
Als secretaris-generaal tenslotte fungeerde Georges Thonar die door de oprichting van de GCL en L'Emancipateur verlost werd van de zorg voor de krant en daardoor de handen vrij kreeg voor onder meer diezelfde GCL, maar ook voor een nog veel ambitieuzer project : een internationale anarchistische organisatie. Er werd inderdaad door de GCL beslist zo veel mogelijk afgevaardigden te sturen naar het internationale anarchistische congres dat het volgende jaar in Amsterdam zou plaatsgrijpen. Daarenboven werd Thonar gemachtigd om in contact te treden met anarchistische organisaties over de hele wereld teneinde de grondslag te leggen van een internationale anarchistische organisatie. Deze Internationale zou om te beginnen de GCL, de Nederlandse Federatie van Vrijheidlievende Communisten, de Duitse en de Boheemse Anarchistische Federatie omvatten.
Twee jaar later, in 1908, zou Thonar beweren dat de organisatie gestart was met een dertigtal leden en dat ze uiteindelijk een honderdtal leden telde. Nu, op het anarcho-communistisch congres van 1904 waren ook een honderdtal aanwezigen geweest en op het algemeen revolutionair congres van 1902 ongeveer hondervijftig. Waarschijnlijk groepeerde de organisatie een belangrijke minderheid van de abonnees van L'Insurgé en van de ruimere groep van revolutionairen. Al waren er ook buiten de GCL tal van anarchisten actief, zoals de anarcho-communisten die vasthielden aan de orthodoxie van de minimale organisatie en verder de individualisten en de anarcho-syndicalisten. In die zin verschenen ook diverse andere bladen zoals L'Affranchi te Brussel, L'Educateur te Verviers en het Brussels-Antwerpse Opstanding.
Wat de spreiding van de groepen betreft kunnen we stellen dat de GCL in de zomer van 1905 van start gegaan was met afdelingen in Stokkel (Sint-Pieters-Woluwe), Charleroi en Luik. Nagenoeg een jaar later waren er daarnaast afdelingen werkzaam of "in oprichting" in Brussel, Seraing, Flémalle, Fléron, Verviers, Namen, Courcelles (bij Charleroi), Court-Saint-Etienne (Waals Brabant), Couvin (Naamse Ardennen), alsook te Gent, Antwerpen en Mechelen, aldus Thonar op 1 september 1906 in L'Emancipateur. Verder was er allicht ook enige activiteit in Anderlecht, Bascoup-Chapelle (Le Centre), Courcelles, Bosvoorde (de nieuwe vestigingsplaats van de kolonie), Sprimont, Ougrée, Herstal, Jemeppe en Moeskroen. Op het internationaal congres in augustus 1907 noemde Thonar als meest actieve groepen : Luik, Court-Saint-Etienne, Flémalle en Charleroi. De Luikse afdeling zette een reizende bibliotheek op poten : enkele koffers met boeken deden diverse afdelingen aan. Het aanbod bestond uit anarchistische klassiekers als Peter Kropotkin en John Henry Mackay, de geschiedenis van de Commune van Lissagaray, literair werk van de naturalisten Emile Zola en Eugène Brieux, en tenslotte Force et matière (Kraft und Stoff), het hoofdwerk van de materialistische filosoof Ludwig Büchner die een grote invloed had in kringen van vrijdenkers. In Court-Saint-Etienne zag een boekhandel het licht, waar vele boeken en brochures over sociologie, alsook haast alle libertaire bladen verkrijgbaar waren. Maar niet overal liep het van een leien dakje. Flémalle en Seraing werden door secretaris-generaal Thonar aangemaand werk te maken van de antimilitaristische propaganda en van de hulpverlening an de talrijke deserteurs. Ook van Brussel en Anderlecht, die de kas voor onderlinge hulp en bijstand moesten organiseren, werd een grotere inspanning verwacht.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 267-273.)

Cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 271.

De teloorgang van de GCL, 1906-1907.
Met L'Emancipateur ging het intussen niet zo goed. De centrale kas, die met bijdragen werd gespekt, volstond blijkbaar niet om het tekort van de krant bij te passen en dat was nochtans de eerste beweegreden voor de oprichting van de GCL geweest. Eind oktober 1906 bleek de krant serieus in de nesten de zitten. De lokale afdelingen werden dan maar gevraagd om elk de verkoop van een twintigtal exemplaren op zich te nemen en verder ook om nieuwe abonnees te werven, feesten te organiseren voor het blad en aan intekenlijsten te denken. De GCL had zijn energie tot dan toe vooral in dienstverlening gestoken en de solidariteit uitstekend in praktijk gebracht, maar nu werd het tijd om in de eerste plaats aan de propaganda voor het blad te denken.
Het blad vormde immers de spil van de propaganda. Maar met zijn driehonderd abonnementen bleef er niets anders over dan het formaat te verkleinen.
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 273.)

E. Chapelier, Une colonie communiste, Stokkel, 1906.

E. CHAPELIER, Une colonie communiste, Stokkel (Sint-Pieters-Woluwe), 1906. (Amsterdam, IISG)
(Cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 275.)

Het problematische vertrek uit L'Expérience van de kolonist Schouteten vormde in 1906 voor de 'bevriende' anarchistische pers Jean misère en L'Affranchi stof voor kritiek op de kolonie en haar animator Émile Chapelier. Een en ander werd gretig overgenomen door enkele klerikale dagbladen en was hun allicht even gretig doorgespeeld. Bij dit alles werd L'Emancipateur bijna vanzelfsprekend de spreekbuis van de belaagden. Dit was niet naar de zin van andere afdelingen. Toen Brussel erop aandrong het incident verder buiten de kolommen van het blad te houden en bovendien alle persoonlijke afrekeningen te vermijden, sloten Luik en Charleroi zich daarbij aan. Men vond trouwens dat L'Emancipateur meer de spreekbuis van de GCL moest zijn dan het huisorgaan van de kolonie. Op hun vraag zou Thonar, die behalve secretaris-generaal van de GCL ook drukker was, in de kop van het blad de ondertitel Organe du Groupement Communiste Libertaire meer benadrukken ten nadele van het redactieadres dat het adres van L'Expérience was. Anderzijds voegde Thonar er aan toe dat de wijzigingen aan het blad geen enkele blaam aan het adres van de redactie bevatten, maar in de loop van november nam Chapelier 'om praktische redenen' ontslag als redactiesecretaris en zijn adjunct Gassy Marin, die niet bereid was de moeilijkheden die Chapelier had ondervonden te trotseren, trad eveneens terug. Meteen zag Thonar zich weer de facto tot redactiesecretaris gepromoveerd. Uit de schaarse antwoorden op een kleine enquête bleek dat de afdelingen van Sprimont, Flémalle en Charleroi Henri Fuss en Georges Thonar de plaats van Chapelier en Marin wilden zien innemen. Beiden gaven echter belet. Thonar kondigde zelfs aan tegen de volgende algemene vergadering het secretariaat van de GCL op te willen geven. Op 1 december 1906 verscheen het laatste nummer van L'Emancipateur. Evenwel, sinds oktober 1906 gaf Thonar, ter voorbereiding van het internationaal anarchistisch congres van 1907, het bescheiden Bulletin de l'Internationale Libertaire uit en in de zomer van 1907 verscheen nog kortstondig L'Effort.
De GCL was in de eerste plaats in het leven geroepen om Thonars krant (L'Insurgé) uit de moeilijkheden te helpen. Na verloop van tijd meende hij de zorg voor de krant aan de GCL te kunnen overlaten, waardoor hij de handen vrij kreeg voor het secretariaat van de GCL en van daaruit ook voor de oprichting van een Anarchistische Internationale. Maar L'Insurgé overleefde de verdere organisatorische ontwikkeling van de GCL niet. En ook de interne werking van de GCL draaide op een laag pitje. Er was nog sprake van veertien afdelingen, maar enkel Luik leek nog belangrijke activiteiten te ontplooien : ten laatste in mei 1907 zou er een algemene vergadering hebben plaatsgevonden. Voor 21 juli was te Brussel een nieuwe algemene vergadering gepland, maar nog geen twee weken voor de bewuste dag werd een mededeling van secretaris-generaal Thonar afgedrukt waarin deze constateerde dat de meeste afdelingen geen teken van leven meer gaven en ze werden verzocht om op enkele vragen over hun werking te antwoorden. Blijkbaar had het secretariaat alle voeling met de basis verloren.
Enkele weken voor het internationaal, anarchistisch congres van Amsterdam vond dan te Brussel de laatste algemene vergadering van de GCL plaats. Hier sprak men zich uit voor de ontbinding van de GCL om reden van "la tendance centraliste constatée après expérience." Zo berichtte Emile Chapelier in Le Communiste, het blad van de kolonie L'Expérience. De GCL werd dus formeel opgedoekt, maar in de praktijk bleef hij vaag voortbestaan op basis van de kameraadschappelijke banden tussen de oud-leden. Zo bleef de bibliotheek rondreizen en kwam er een permanente kas voor de verdediging van de vrijheid van meningsuiting. Verder zou men manifesten verspreiden en meetings op touw zetten... Tenslotte ging de vergadering na een lange discussie volledig akkoord om voortaan actief deel te nemen aan de vakbeweging. Al was dat niet veel meer dan een intentieverklaring.
Maar nog versaagde Thonar niet. In het najaar van 1907, nauwelijks enkele maanden na het opnieuw lanceren van zijn bloedeigen L'Insurgé, gaf hij ook de intentie te kennen de GCL opnieuw op gang te willen brengen. Thonar wou het idee van een anarchistische organisatie niet lagen vervagen en hij kreeg bijval vanuit Court-Saint-Etienne waar de GCL nooit had opgehouden te bestaan. De reactie van de vroegere verantwoordelijke van de Luikse afdeling, Henri Fuss, die met Thonar in L'Insurgé in een heus debat over syndicalisme was gewikkeld, was echter scherp. Die arme GCL was dood, doodgegaan aan niets doen... Een algemene organisatie van de anarchisten kon, aldus Fuss, maar het product zijn van een federalistisch proces, van de vrije federatie van lokale en regionale groeperingen. Formele organisaties die louter bij naam bestonden, waren nonsens. Bovendien was het onduldbaar dat een geïsoleerde kameraad - zelfs al vond hij enkele medestanders - zich een titel toeëigende die een landelijke organisatie deed vermoeden, en zo als het ware voor België het monopolie van het georganiseerd anarchisme verwierf. Een anarchistische organisatie werd niet bij decreet opgericht, niet centraal door een individu of een groepje heropgebouwd ! Dat moest Thonar toch ook weten !?
Fuss' kritiek alludeerde op een belangrijk motief voor de heroprichting van de GCL, namelijk de blijvende internationale ambities van Thonar. En hij stond met zijn afwijzende houding niet alleen. Vanuit Charleroi gingen stemmen op in dezelfde zin. Thonar van zijn kant kreeg weinig respons op zijn oproep, maar hij stelde in juli 1908 koppig voor om de afdelingen van Luik en Court-Saint-Etienne opnieuw in het leven te roepen.
In Brussel was uit de groep rond de voormalige kolonie L'Expérience van Stokkel de Groupe Révolutionnaire de Bruxelles gegroeid, waarin een nieuwe generatie anarchisten was aangetreden. Niemand minder dan de zeventienjarige Victor Kibaltchitch alias Victor Serge reageerde namens de groep op de laatste intentieverklaring van Thonar. De GCL die Thonar wilde heroprichten had in het verleden niet voldaan en was daarom in augustus 1907 eensgezind ontbonden, stelde Serge in L'Insurgé. De Brusselse Groupe Révolutionnaire wou van geen statuten of reglementen weten omdat die in hun ogen in strijd met de beginselen waren en de reproductie van de misbruiken, die Serge op alle domeinen bestreed, mogelijk maakten. Dit wilde niet zeggen dat hij niet voort wou samenwerken in de dagelijkse strijd. Het 'meningsverschil' betrof enkel de organisatie en mocht een verdere goede verstandhouding niet in de weg staan. Meteen kondigde Serge ook de stichting aan van een Fédération Anarchiste die er op gericht zou zijn de inspanningen te coördineren van allen die wilden aansluiten. Door samenwerking wilde hij de propaganda opvoeren. Een oproep in die zin was eerder al in het Brusselse blad Le Communiste verschenen, alsook de positieve reactie erop vanwege de groepen van het Le Centre, Charleroi en Dolhain. Concreet betroffen het naast de Groupe Révolutionnaire de Bruxelles, de Groupement Socialiste Anarchiste du Centre, de Groupe Anarchiste Communiste van Charleroi en de kring L'Emancipation van Dolhain (nabij Verviers). In november bleken daar nog vier groepen bijgekomen : de Vrije Groepen van Gent en Antwerpen, de Groupe Anarchiste van Gilly en die van Seraing. Daarmee overvleugelde de Fédération Anarchiste ongetwijfeld de GCL, waarvan de enige tekens van leven bestonden in een regelmatig terugkerende 'advertentie' met de verkorte statuten en de vermelding dat geïnteresseerden in contact konden treden met secretaris-generaal Jules Hermans van Court-Saint-Etienne of voor de provincie Luik met Thonar. De contactpersoon binnen de Fédération voor Antwerpen, Dony de Swert, was toen overigens uitgever-beheerder van Voorwaarts. Orgaan der Vlaamsche Vrije Groepen, dat tot eind 1909 verscheen. Voor Gent was J. Janssens de contactpersoon.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 273-282.)

Le Communiste, 20 februari 1908

Le Communiste, 29-2-1908 (K.U.Leuven, Centrale Bibliotheek); Cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 153.

Het internationaal anarchistisch congres van 1907 te Amsterdam.
Eind 1906 - begin 1907 werd in een rondschrijven officieel aangekondigd dat in de zomer een internationaal anarchistisch congres zou plaatsvinden. Een aantal anarchistische federaties had daartoe beslist : de Landelijke Federatie van Vrijheidlievende Communisten van Nederland, de Belgische Groupement Communiste Libertaire (met als ondertekenaar Thonar), de Anarchistische Federatie van Duitsland, de Boheemse Anarchistische Federatie en de Federatie van Jiddischsprekende anarchisten te Londen. De voorbereiding was blijkens de circulaire in handen van Belgen en Nederlanders.
Terwijl de Nederlanders de materiële organisatie ervan op zich namen, zorgden de Belgen voor de propaganda voor het congres én de anarchistische internationale. Thonar en Fuss startten vanaf oktober 1906 met een bescheiden blaadje dat zich Bulletin de l'Internationale Libertaire noemde. Onder deze (voorbarige) titel prijkte het adres van Thonar (zonder diens naam) als "secrétariat provisoire", al bleek uit het redactioneel standpunt dat de Internationale in kwestie nog moest worden opgericht. Het blad beoogde duidelijk niet alleen de organisatie van een internationaal congres, maar ook de stichting van een anarchistische internationale te propageren.
Sinds de internationale socialistische congressen van 1889 tot 1896 met hun uiteindelijk definitieve uitsluiting van de anarchisten en de parallelle organisatie van anarchistische minicongressen waren geen internationale ontmoetingen op grotere schaal meer doorgegaan. Een mislukte poging om de anarchistische gelederen te sluiten vormde het in 1900 te Parijs te houden internationaal revolutionair arbeiderscongres, dat op de valreep werd verboden. Het gold als eerste ernstige poging sinds het midden van de jaren negentig om zowel op het Franse als op het internationale vlak de banden tussen de anarchistische groepen nauwer aan te halen. Een belangrijk punt was door toedoen van de Nederlander Christiaan Cornelissen en de Etudiants Socialistes Révolutionnaires Internationalistes (ESRI) op de agenda van dit congres geplaatst. Het betrof een voorstel tot oprichting van een internationale, communistische, revolutionaire federatie van alle libertair-communistische groepen ter wereld. De bedoeling was de kameraden in de mogelijkheid te stellen elkaar te leren kennen en met elkaar te corresponderen. De aangesloten groepen behielden hun volle zelfstandigheid; er was geen sprake van een bestuur en zelfs de naam correspondentiebureau werd vermeden.
De reacties op deze voorgestelde, internationale, anarchistische federatie waren echter verdeeld. Sommige anarchisten gingen akkoord terwijl anderen, zoals Grave, de uitgever van het Franse, gezaghebbende blad Les Temps nouveaux, zich ronduit vijandig toonden. Grave vreesde een te centralistische en te autoritaire federatie. In zijn ogen was zij slechts aanvaardbaar in de mate dat zij de vrucht was van een langzame ontwikkeling van onderuit. Uit den boze was in ieder geval als de wil tot eenmaking werd opgelegd ter gelegenheid van een congres. Het verbaast dan ook niet dat de Fransen het rondschrijven met betrekking tot het internationale congres niet ondertekenden en dat het aantal Franse congressisten gering was. Overigens ook in Nederland herbergde de Landelijke Federatie van Vrijheidlievende Communisten maar een minderheid van de anarchisten. Hier was vooral de invloed van Ferdinand Domela Nieuwenhuis van tel. En die liet zich kennen als een overtuigd tegenstander van een nationale federatie en dito congressen. Enkel de zeer tijdelijke samenwerking in functie van een afgelijnd doel vond in zijn ogen genade. Aan de autonomie van de groepen mocht in geen enkel opzicht worden geraakt. Verwonderlijk was dan ook niet dat hij het internationale anarchistische congres in 1907 behoorlijk tegenwerkte. Zo zou hij parallel aan dit congres eveneens in Amsterdam een concurrerend antimilitaristisch congres op touw zetten. In België kreeg de GCL het na enig succes de voorgaande jaren in 1907 bijzonder moeilijk. Dan leek op het Europese vasteland Duitsland nog de meest geschikte voedingsbodem te hebben voor het opzetten van een anarchistische internationale.
Op het congres van Amsterdam poneerde men dat de begrippen anarchie en organisatie verre van onverzoenlijk waren en dat zij elkaar aanvulden en bevruchtten. Het principe zelf van de anarchie lag in de vrije organisatie van de voortbrengers en de organisatie van de 'militante krachten' zou aan de propaganda een nieuw elan geven en het doordringen van de federalistische en revolutionaire ideeën in de arbeidersklasse bespoedigen. Het congres benadrukte dan ook de noodzaak om anarchistische groepen op te richten en de al bestaande groepen te federeren.
De stichting van een Anarchistische Internationale was ongetwijfeld de blikvanger op het congres. In de praktijk werd een internationaal bureau van vijf leden opgericht. Het bestond uit de Italiaan Errico Malatesta, de Duitsers Rudolf Rocker en Johann Baptist Wilquet, de Rus Alexander Schapiro en de Engelsman John Turner en het had als taak een internationaal anarchistisch archief op te bouwen en in contact te treden met de anarchisten van de verschillende landen. De zetel was te Londen gevestigd.
Maar de nieuwe internationale vormde slechts een morele band : het was de bevestiging van het verlangen naar solidariteit en gemeenschappelijke strijd. En het sprak vanzelf dat de aangesloten individuen, groepen en federaties volkomen autonoom bleven. Niettemin werd ook voor 1909 een internationaal congres voorzien.
Op het congres kwam het ook tot een confrontatie tussen de meer orthodoxe anarchistische lijn en pleitbezorgers van het revolutionaire syndicalisme. De aanhangers van deze laatsten waren de laatste jaren in Frankrijk een 'eigenzinniger' koers gaan varen en dat had daar gezorgd voor een zekere verwijding tussen de anarchistische syndicalisten en hun moederbeweging. Toch kon men niet langs het feit dat het revolutionair syndicalisme ongemeen schatplichtig was aan de anarchistisch-syndicalistische actie van 1894-1902. Zonder de dagelijkse strijd te verwaarlozen stond ze voor antikapitalisme en klassenstrijd tegen gezag en bezit, tegen staat en baas, tegen verdrukking en uitbuiting; en via de algemene staking wilde men komen tot de revolutie.
Maar o.a. voor de Fransman Pierre Monatte was het overduidelijk dat het anarchisme was voorbijgestreefd door het revolutionair syndicalisme. In de schoot van de vakbeweging was de revolutionaire geest eindelijk gematerialiseerd geworden. Het was niets minder dan het anarchisme dat neergedaald was uit ijle hoogten, om uiteindelijk opnieuw, net als in de tijd van de Eerste Internationale, een echt arbeidersanarchisme te worden. Het was een regelrechte verjonging van het traditioneel anarchisme. De anarchisten moesten volgens Monatte tot deze beweging toetreden; ze moesten er het 'persoonlijk initiatief' prediken en de arbeider bewust maken van zijn eigenwaarde. Dan pas zou de anarchie meer dan een woord zijn en opnieuw bloeien door het contact met de arbeidersklasse, waarvan ze losgeraakt was.
In heftige bewoordingen zette Malatesta zich af tegen de visie van Monatte. Voor hem hield het anarchisme nog altijd veel meer in dan vakbondsactie. Syndicale actie was voor hem slechts een middel, zeker geen doel. De vakbonden waren wezenlijk behoudend ingesteld en konden hoogstens de werkomstandigheden wat verbeteren. Ze richtten zich bovendien vooral naar de werkenden en daarbij bleven de werklozen in de kou staan. Klassebelangen bestonden in hun visie niet, laat staan een arbeidersklasse. De vereenzelviging van algemene staking en revolutie was nog zo'n flater. Want ook staking en opstand waren slechts een middel. Bij de revolutie kwam het erop aan zelf voor de productie te kunnen instaan. Volgens Malatesta was de 'morele solidariteit' driemaal meer waard dan een illusoire 'economische solidariteit'. Het was aan de anarchisten om dat ideaal binnen de vakbonden ingang te doen vinden. Nooit mocht vergeten worden dat de revolutie alle klassebelangen oversteeg. De revolutie, zo beweerde Malatesta, hield de algehele bevrijding van het tot op heden verknechte mensdom in : zowel moreel, politiek als economisch. Het socialisme was slechts een actiemiddel, de anarchie was het enige doel.
Het congres van Amsterdam bekoelde de relatie tussen het anarchisme en het revolutionair syndicalisme. De wegen liepen steeds meer uiteen. Veel anarchisten konden niet aanvaarden dat de gecentraliseerde vakbonden de cellen van de toekomstige maatschappij zouden zijn. Ze droegen integendeel de kiem in zich van een nieuw soort etatisme en moesten dan ook verdwijnen wanneer de strijd gestreden zou zijn. In het beste geval was het revolutionair syndicalisme slechts een scheut aan de anarchistische boom, maar die was de boom in zijn bestaan zelf gaan bedreigen. Vanaf 1907 leidde deze forse scheut in ieder geval steeds meer een eigen, onafhankelijk leven.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 283-289.)

De Belgen in Amsterdam.
Er waren nogal wat Belgische afgevaardigden op het congres : de Luikse drukker en uitgever Georges Thonar, de Brusselse anti-militarist Henri Fuss en Schouteten, de Stokkelse kolonist Emile Chapelier, de Antwerpse boekhandelaar en drukker Victor Resseler en uit Gent waren er Maurice Heyman en Henri of J. Janssens. De Belgen mochten dan al medeorganisator zijn, geen van hen behoorde tot de echte tenoren van het congres. Toch ging hun aanwezigheid niet onopgemerkt voorbij.
Bijvoorbeeld toen de bekende Nederlandse anarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis de congressisten uitnodigde op een internationale anti-militaristische bijeenkomst die tegelijkertijd in de Amsterdam doorging, steunden Thonar en Chapelier Errico Malatesta, die tegen dit voorstel ageerde. En een dag later liet Thonar zich opmerken toen hij tijdens de zittingen publiekelijk stelde dat communisme en individualisme in het geheel van het anarchistische gedachtengoed samenvielen. Organisatie, gemeenschappelijke actie waren onmisbaar voor de ontwikkeling van het anarchisme en waren niet strijdig met de theoretische uitgangspunten. Organisatie was een middel, geen doel. Ze moest volgens de libertaire beginselen worden opgebouwd. Thonar noemde zich geen vijand van de vakbeweging, zeker niet van het revolutionaire syndicalisme. Maar per slot van rekening was de arbeidersbeweging niet anarchistisch en zouden de anarchisten er nooit helemaal aan hun trekken komen. Daarom waren de anarchisten genoodzaakt om libertaire groepen en federaties te stichten die gebaseerd waren op eerbied voor de vrijheid en het initiatief van allen. Met die argumenten verdedigde Thonar in België overigens het bestaan van de GCL.
Ook Chapelier kwam tussenbeide in de discussie over de organisatie. Zo ging hij in op de begrippen gezag en vrijheid. Hij verklaarde niets te hebben tegen de invloed die zeer bekwame mannen altijd zouden uitoefenen in een groepering. Wat anarchisten evenwel moesten vermijden, was dat de kameraden blindelings de één of de ander zouden volgen. Daarom moest de op te zetten organisatie wars zijn van leiders of algemene comités.
Thonar, Fuss en Chapelier lieten ook hun stem horen in de gesloten vergadering die de pas opgerichte Internationale een meer concrete vorm moest geven. En de jonge Henri Fuss, die de eerste dag al congresvoorzitter was geweest, zou zich net als Thonar eveneens mengen in het debat over de vakbeweging. Hij waagde het zowaar de veteraan Malatesta van antwoord te dienen. Op onvervalst revolutionair-syndicalistische wijze benadrukte hij dat er nog anarchisten waren die, hoe geëngageerd ze ook waren in de arbeidersbeweging, daarom niet minder openlijk trouw aan hun overtuiging bleven... De sociale revolutie waarvoor men nu stond, aldus Fuss, zou de onteigening van een klasse inhouden. Vandaar dat de strijdgroep niet meer de ideologische, maar de professionele groepering was. De vakbond was het meest geschikte orgaan voor de klassenstrijd. Ook hier mengde Thonar zich even in het debat en nam daarbij de jonge Turk Monatte op de korrel met diens vermeende tegenstelling tussen jongeren en ouderen.
Inzake de vakbeweging en de algemene staking zou het congres uiteindelijk verscheidene moties met duidelijke accenten goedkeuren. Deze verscheidenheid had alles te maken met het anarchistisch concept van democratie dat zich niet zozeer liet leiden door meerderheden en minderheden. Het congres had niet de pretentie de wet te stellen. Het wilde enkel alle meningen die aan bod kwamen ter discussie en eventueel ter goedkeuring voorleggen. Dat nam niet weg dat de moties die grosso modo het meer orthodoxe standpunt van Malatesta vertolkten een duidelijk grotere meerderheid achter zich hadden dan de meer revolutionair-syndicalistische moties, die Fuss mede ondertekend had. (Fuss woonde overigens ook de vergaderingen van revolutionair-syndicalisten bij die in de marge van het congres plaatsvonden, dit als afgevaardigde van de Luikse Fédération du Travail.) Evenwel benadrukten de anarchisten, anders dan de socialisten, onomwonden de noodzaak van een zelfstandige vakbeweging die zich op het standpunt van de klassenstrijd stelde en daardoor de ontvoogding van de arbeiders door de arbeiders zelf nastreefde. Zij hadden niet de pretentie de leiding van de arbeidersbeweging op te eisen, maar ze wilden wel de eenheid van de arbeiders in de klassenstrijd. En ze wilden vooral krachtdadig deelnemen aan deze strijd en er door hun voorbeeld de geest van opstandigheid bevorderen. Uiteindelijk was de revolutionaire strijd een klassenstrijd van uitgebuiten tegen uitbuiters. Het werktuig van deze strijd was de vakbond. Het einddoel was de algemene revolutionaire staking, de finale opstand.
De onderwerpen die Emile Chapelier aanbelangden kwamen wegens tijdsgebrek wat in de verdrukking. Bijvoorbeeld de houding van de anarchisten ten aanzien van het alcoholisme. En bijvoorbeeld ook de mogelijkheden van productieverenigingen voor het anarchisme en het revolutionair syndicalisme, dat naar een volgend congres werd verwezen. Het laatste agendapunt betrof het Esperanto. Chapelier had daarover een lijvig verslag voorgelegd en Malatesta had erover een ontwerpresolutie opgesteld. Hierin werd algemeen gesteld dat de veelheid van talen intellectuele drempels opwierp en daardoor een rem was voor de revolutionaire propaganda. Tijdens het congres zelf was overigens gebleken hoe drie vierden van de tijd verloren ging met vertaalproblemen. Een gemeenschappelijke taal zou daarentegen de communicatie binnen de Internationale bevorderen. De anarchisten en militanten dienden daarom het Esperanto in te studeren en de anarchistische internationale diende een internationale voertaal te gebruiken...

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 290-296.)

Esperanto-cursus in de libertair-communistische kolonie van Stokkel

Cursus Esperanto in de libertair-communistische kolonie van Stokkel (Sint-Pieters-Woluwe) (Amsterdam, IISG); cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 289.

De Internationale vegeteert.
De nieuwe Internationale, in feite enkel een contactbureau, kwam nauwelijks van de grond. En het voor 1909 geplande congres ging niet door. Eind 1911 werd in het Franse Le Libertaire gemeld dat het contactbureau van de Internationale zijn werkzaamheden staakte.
In Frankrijk bleef Jean Grave, en met hem Les Temps nouveaux, zich uitspreken tegen elke bestendige organisatie. Alleen tijdelijke samenwerkingsverbanden voor het voeren van collectieve acties droegen in zijn ogen goedkeuring. Maar door het gebrek aan organisatie dreigde het gevaar van uitdunning van de anarchistische rangen. Mogelijk dat deze dreigende aderlating het streven naar organisatie bij de de Franse anarchisten toch enigzins aanwakkerde. Want op het nationaal libertair congres in 1913 te Parijs werd besloten tot de oprichting van een Fédération Communiste Anarchiste Révolutionnaire. Maar in diezelfde periode, van 1894 tot 1914, wist de Franse anarchistische beweging haar kaders nauwelijks te vernieuwen. De vergrijsde militanten Reclus, Faure, Grave en anderen waren er nog bijna allemaal, maar er waren geen nieuwe theoretici of activisten voorhanden die het roer konden overnemen.
In Nederland zou de anti-organisatorische ingesteldheid van Domela Nieuwenhuis uiteindelijk voor de vrije socialisten een verregaand isolement tot gevolg hebben. En ook in Duitsland bleek de structurering van de beweging zwaar gehypothekeerd te zijn. Tenslotte in België leek de slinger weer in de richting van het organisatorisch minimum te gaan.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 296-299.)

 

Een Belgische Confédération Générale du Travail, 1904-1908.

De stichting van de CGT.
Vrijwel gelijktijdig met de anarchistische pogingen tot organisatie werd de basis gelegd voor een Belgische CGT. Het waren revolutionaire syndicalisten uit Charleroi die daarbij het voortouw namen. Medio 1905 telde de Fédération Syndicale Révolutionnaire des Mineurs du Bassin de Charleroi volgens haar secretaris, de anarchistische mijnwerker Léopold Preumont, meer dan vijfhonderd leden en in die dagen had zij afdelingen in Lodelinsart, Jumet-Brulotte, Goutroux - Monceau-sur-Sambre, Gosselies-sur-le-Moine, Dampremy, Gilly - Châtelineau. Deze Fédération beoogde een revolutionaire, antipolitieke vakbeweging en ze streefde de afschaffing van de loonarbeid na. De evolutionaire, politieke vakbeweging had volgens de revolutionaire federatie haar zwakheid bewezen : ze herleidde haar leden tot stemmachines, verwaarloosde hun vorming en vrije meningsuiting was er onbestaande. Het doel van de revolutionaire mijnwerkersfederatie van Charleroi daarentegen was de "ontvoogding van de geesten" : "C'est par la volonté et les cerveaux concients que nous triompherons. En un mot, c'est par l'action directe." En ze kenmerkte zich door haar verzet tegen de toenemende syndicale centralisatie die zich toen onder BWP-auspiciën in het land voltrok.
Ook in Luik was reeds eind 1903 een radicale federatie opgericht, met name de Fédération Neutre du Travail. Het was een erg bescheiden samenwerkingsverband waarbij in 1904 een zestal beroepsgroepen waren aangesloten. Samen telden ze toen een 240 leden. De inspiratie van deze Luikse federatie leek op het eerste gezicht minder revolutionair te zijn dan die van de federatie van Charleroi. Zij wilde vooral de eenheid van de arbeiders bewerkstelligen en de bonden moesten zich ontdoen van de splijtzwam die de politiek was : ze hadden er al te veel leden door kwijtgespeeld. Met de politiek werd trouwens in één adem ook een mogelijk vergelijk me het kapitaal afgewezen. In haar comité nam zij geen politieke verkozenen aan, maar voor de rest liet ze aan groepen en individuen politiek en levensbeschouwelijk de grootst mogelijke vrijheid. Meteen zijn de belangrijkste drijfveren van de bonden die deelnamen aan de Fédération Neutre du Travail duidelijk : zij waren wars van de socialistische centralisatie van de vakbeweging.
Luik en Charleroi sloegen de handen in elkaar. Op 11 en 12 juni 1905 kwam te Charleroi een revolutionair vakbondscongres bijeen. Er waren ondermeer vertegenwoordigers van de Fédération Syndicale Révolutionnaire des Mineurs du Bassin de Charleroi, van de Fédération Neutre du Travail van Luik en van het Syndicat Révolutionnaire des Mineurs van Saint-Nicolas nabij Luik. Verder nog verschillende vertegenwoordigers uit Henegouwen, Luik, Gent en Brussel. Op de agenda van het congres stonden de oprichting van een Confédération Général du Travail, de achturendag en de oprichting van een eigen blad.
Wat het eerste punt betrof, was het voorstel van Charleroi klaar en duidelijk. Het moest een vakverbond worden dat vergelijkbaar was met de Franse CGT, die alle arbeiders van alle takken in één samenwerkingsverband verenigde. En dit met als einddoel : de revolutionaire algemene staking. Maar het congres nam hierover nog geen besluit omdat men het onderwerp in de afdelingen nog niet had besproken. Er werd wel een 'voorlopig comité' in het leven geroepen dat belast werd met de studie van vakbondskwesties, met de organisatie van congressen en de propaganda in het algemeen. Léopold Preumont van Gilly werd secretaris-penningmeester van dit comité, waarvan verder ook Henri Janssens van Gent, E. Rousselet van Châtelineau, Camille Mattart en J. Thomé uit het Luikse bekken deel uitmaakten. Het laatste agendapunt van het revolutionair-syndicalistisch congres betrof de uitgave van een eigen spreekbuis. Het congres bleek alvast op dat vlak vruchtbaar, want een goede maand later verscheen L'Action directe. Organe des travailleurs. De lezer werd erop gewezen dat het blad uitsluitend door arbeiders werd bijeengeschreven en dat hij dus niet op de spelling en de stijl moest letten. Het blad hing af van de Fédération Syndicale Révolutionnaire des Mineurs de Charleroi en in het redactiecomité zaten onder meer Preumont en Rousselet. Het doel van L'Action directe was de integrale ontvoogding van alle arbeiders, de onverbiddelijke strijd tegen de patroons, het militarisme en alle godsdienst. "Vive la grève générale révolutionnaire." In het bijzonder beoogde het blad de emancipatie van de vrouw. In 1906 bedroeg de gewone oplage van het blad 2.000 exemplaren.
Op 15 augustus 1905, nauwelijks twee maanden na het congres van Charleroi, kwam een nieuw "confederaal" congres te Brussel bijeen met afgevaardigden van de bekkens van Charleroi en Luik en van Gent en Brussel. Door de vertegenwoordigers van Charleroi werd met vuur de stichting van een groot vakverbond verdedigd. Dit verbond moest L'Action directe ondersteunen en de onderlinge solidariteit verzekeren. De Luikenaars dachten in dezelfde richting en uiteindelijk zetten de congressisten eensgezind het licht op groen voor een Belgische CGT. Op aandringen van de Brusselaars evenwel werd de oprichting van een definitief comité uitgesteld. In afwachting van een volgend congres werd een voorlopig comité samengesteld uit Luikse, Brusselse en Gentse afgevaardigden. De zetel van de Confédération werd Charleroi. Met enige vertraging werd L'Action directe officieel omgedoopt tot het orgaan van de kersverse Confédération Générale du Travail.
De verschillende afdelingen van de nieuwe CGT deden het intussen niet slecht. Op 12 november 1905 hield de Luikse Fédération Neutre du Travail een algemene vergadering waar een honderdtal aanwezigen een zestal beroepsverenigingen uit het Luikse, het mijnwerkerssyndicaat van Saint-Nicolas, twee syndicaten uit Ougrée, en een uit Seraing, Brussel en Verviers vertegenwoordigden. Hier werd gepleit voor economische eisen, die een lotsverbetering inhielden voor alle arbeiders. En de centrale eis van de achturendag vormde een basis voor alle andere hervormingen. Tenslotte nog dit : in 1905 bleek de Luikse federatie haar inkomsten vervijfvoudigd te hebben.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 301-305.)

Antimilitarisme, directe actie en socialistische verdachtmakingen.

In januari 1906 pakte het blad L'Action directe een eerste keer uit met een antimilitaristisch nummer, bestemd voor dienstplichtigen en soldaten. Het werd verspreid op meer dan 10.000 exemplaren en riep op om tegenover de oorlog de sociale revolutie te stellen. Volgens de anarcho-syndicalist Henri Fuss was het antimilitarisme een zeer dringende revolutionaire noodzaak. Een machtiger werktuig van onderdrukking dan het leger kende hij niet. Vooral omdat het bij revolte en onlusten werd ingezet tegen de opstandige arbeiders. Daarom bekritiseerde hij ook het antimilitarisme van de 'legalistische' socialisten, de sociaal-democraten, die aan het leger al zijn repressieve macht lieten.
De revolutionaire socialisten wilden de soldaat bewust maken van zijn plichten tegenover zijn revolterende lotgenoten. Het leger beantwoordde de dadendrang van jongemannen met exercitie. Alles wat in hen zat aan levensdrift en vrijheidsdrang, werd vernietigd. Enkel het beest in hen mocht overleven. Bij soldaten werd elk gevoel gesmoord en in slaafse gehoorzaamheid leerden zij te doden. Zelfs wolven verscheurden geen soortgenoten! En dan kwam er een oproep die Fuss zuur zou opbreken : als uw broers in opstand kwamen, als Waalse soldaten naar Vlaanderen werden gestuurd en omgekeerd, dan moesten zij op het ogenblik van het bevel tot schieten aan hun broeders denken en schieten ... op hun officieren. Er kwam een dag dat de arbeiders de wapens die de burgerij zo onvoorzichtig aan hen toevertrouwde, tegen haar zouden keren.
Dat was meer dan het gerecht kon verdragen. Fuss werd voor zijn artikel voor het assisenhof van Henegouwen gedaagd en beschuldigd van aanzetting tot insubordinatie en tot moord op officieren. Hij werd veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf.
In de streek van Charleroi vonden hierop diverse protestmeetings plaats met als sprekers de Brusselse anarchisten Emile Chapelier, Alexandre Theunissens en Jean Robyn, alsook Léopold Preumont uit Charleroi. En in Brussel ging er een door met Fuss zelf, Chapelier, Robyn, de jurist Paul Sosset en de student Emile Ehlers. In de bevriende pers, L'Insurgé, L'Educateur van Verviers, het colinsistische La Terre, het Franse Les Temps nouveaux, werd het gerechtelijk optreden met huiszoekingen en al aan de kaak gesteld. Het protest bleef overigens niet beperkt tot de eigen beweging. Vanuit de Schaarbeekse SJW en een Brusselse jongerenkring van vrijdenkers werd een protestmotie de wereld ingestuurd en de socialistische studentenvereniging organiseerde op 25 maart een meeting waarbij behalve Ehlers de BWP'ers Louis de Brouckère en Camille Huysmans het woord voerden. Er waren een tweehonderdtal aanwezigen onder wie meer dan een derde Russen. Beide bekende socialisten namen het op voor Fuss al hielden ze er uiteraard een andere mening op na. Een revolutionaire syndicalist beschuldigde de SJW en de socialisten dan ook dat ze nooit iets tegen het militarisme ondernomen hadden en hij moedigde de lotelingen aan om zijn voorbeeld te volgen en in blok te deserteren. Zijn vriend, de twintigjarige student Emmanuel Tesch, achtte in het bijzonder de socialisten medeverantwoordelijk voor de vervolging van Fuss. Maar de Brouckère probeerde te midden van voortdurende onderbrekingen het socialistische standpunt te verduidelijken. Volgens de socialisten dienden de lotelingen keurig in dienst te gaan, waarbij ze ondertussen hun lotgenoten konden beïnvloeden.
Henri Fuss was nog maar nauwelijks veroordeeld of L'Action directe lanceerde in solidariteit met stakende arbeiders in Frankrijk twee nieuwe manifesten over de achturendag. Een ervan ging uit van de Belgische CGT en was van revolutionair-syndicalistische inspiratie : de achturendag vormde een eerste stap op weg naar de sociale revolutie. En verder : "Les libertés ne se donnent pas, elles se prennent." Van dit manifest werden in Luik een 5.000-tal exemplaren verspreid en ook in Brussel werd een dergelijk aantal rondgedeeld. In Charleroi, de Henegouwse mijnbekkens en Doornik werden meer dan 300 affiches opgehangen. Volgens Preumont, op het congres van de CGT in juni van datzelfde jaar, kreeg het manifest grote bijval en zagen de socialisten zich bijna voorbijgestoken door hun enthousiaste basis.
Eind april evenwel wist de socialistische krant Le Peuple te waarschuwen voor anarchisten die in Charleroi affiches hadden aangeplakt met de oproep om te staken op 1 mei. "Compagnons, prenons garde!" aldus de socialistische krant. Een dag later was het de beurt aan een Brussels blad om te waarschuwen voor de provocaties van zogenaamde anarchisten of syndicalisten én voor de rijkswacht die bij de minste aanleiding zou ingrijpen. "Gezellen past op" waarschuwde tenslotte de Vooruit op 30 april in een artikel waarbij ook het woord provocatie viel.
Voor L'Action directe was de bedoeling duidelijk. De revolutionaire syndicalisten, arbeiders die voortdurend aan vervolging blootstonden, werden ervan beschuldigd de steunpilaren te zijn van de burgerlijk-klerikale regering. De BWP wilde verhinderen dat de Franse campagne voor de achturendag ook in België zou aanslaan. In geval van succes van een dergelijke internationale beweging zou de socialistische overlegpolitiek alle krediet hebben verloren. Voor Le Peuple was het van belang dat de arbeiders in hun verkozenen bleven geloven. De staking zou de burgerij tegen de borst stuiten om wier gunsten de socialistische politici voortdurend bedelden.
Op 3 juni 1906 vond te Brussel een nieuw confederaal congres plaats. De campagne voor de achturendag was nog maar enkele maanden oud of daar werd al door G. Delincé, de metaalarbeider J. Ledoux en de meubelmaker M. Demoulin, alledrie Luikenaars, en de Brusselaar Alexandre Theunissens benadrukt dat de achturendag slechts één stap was. Het congres nam dan ook de volgende resolutie aan : de propaganda voor de achturendag was een puur tactische aangelegenheid, een middel om het bewustzijn van de arbeidersklasse te verhogen en haar de klassenstrijd te doen begrijpen.
Over de antimilitaristische actie bestond niet die principiële eensgezindheid. Voor Theunissens was het antimilitarisme een essentieel onderdeel van het revolutionaire syndicalisme. Alle aangesloten bonden moesten zelf als vakbonden antimilitaristische actie voeren. De Luikenaars evenwel wilden deze actie reserveren voor afzonderlijke groepen die dan wel bij de bonden zouden aanleunen of zelfs in hun schoot zouden worden opgericht. De resolutie die uiteindelijk werd aangenomen liet inzake de antimilitaristische actie de nodige vrijheid aan de aangesloten bonden.
Ook bij de discussie over de parlementaire actie waren diverse congressisten, hoewel overtuigde communisten, beducht voor sectarisme. In hun ogen kon enkel de directe actie van de onderdrukten zelf tot wezenlijke resultaten leiden.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 306-314.)

Arbeidsduurvermindering. Een parlementaire komedie ?

Ook in 1907 stortten de CGT en haar blad L'Action directe zich op de campagne voor de achturendag. De anarchist Léopold Preumont, de secretaris van de CGT (en van de Fédération Syndicale Révolutionnaire des Mineurs du Bassin de Charleroi), had aan de parlementaire initiatieven echter geen boodschap. Christen-democraten en socialisten wilden de exploitatievergunningen van de mijnen koppelen aan een sociale reglementering en dan aan de gedeeltelijke invoering van de achturendag, en in het algemeen het principe van overheidsbemoeiing terzake erkend zien. Ze streefden enkel naar een beperking van de effectieve werktijd tot acht uur, maar met het dalen en stijgen in de mijnschachten erbij liep die gemakkelijk op tot tien uur of meer. Bovendien gold de beperking enkel de toekomstige concessies in Limburg. Wat de CGT eiste, was een werkelijke acht uur durende werkdag en dit voor alle bekkens, alsook voor alle andere bedrijfstakken.
Toen in april 1907 het wetsontwerp werd goedgekeurd door een coalitie van socialisten, een meerderheid van de liberalen en de jonge rechterzijde, dook plotseling een Koninklijk Besluit op tot intrekking van het ontwerp. (Overigens nam op dat ogenblik de regering ook ontslag. De Kongokwestie zou daar voor niet weinig hebben tussengezeten.)
Op de voorpagina van haar één-mei-nummer drukte drukte L'Action directe een letteraffiche af voor de achturendag die in pure revolutionair-syndicalistische stijl was gesteld. "Debout pour les 8 heures!" stond er in reuzeletters te lezen. Als de arbeiders de achturendag wilden, dan moesten ze die nemen, niemand zou ze hun geven, de arbeiders konden alleen op zichzelf rekenen. De affiche besloot met een oproep tot de bewuste arbeiders om in opstand te komen voor de achturige werkdag. Wie niet volgde, was een lafaard.

(J. MOULAERT, Rood en Zwart..., p. 314-315.)

L'Action Directe, 1 mei 1907.

L'Action directe, 1-5-1907 (Amsterdam, IISG); Cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 317.

De antimilitarist en anarcho-syndicalist Henri Fuss schetste in hetzelfde nummer van L'Action directe het lot dat parlementaire initiatieven ten gunste van een arbeidsduurvermindering tot dan toe was beschoren. Al twaalf jaar waren de socialisten er rond bezig geweest en het had tot niets geleid. "Assez de comédie parlementaire! Place à l'action directe!" Fuss werd daarop door de socialisten aangevallen, onder meer in het Luikse blad La Bataille. Maar tegelijk werden in L'Action directe de socialistische, reformistische vakbonden op de korrel genomen omdat ze zich verzetten tegen een algemene staking. Her en der, vooral in het Luikse, braken naar aanleiding van 1 mei dan toch kleinere stakingen uit en in de mijnwerkersfederatie van het bekken van Charleroi vormde de revolutionair-syndicalistische propaganda voor een algemene staking mede de aanleiding tot een debat over de directe actie.
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 316-321.)

Anarchisten in de vakbeweging. Macht of onmacht?

In november 1906 werden de anarchisten Louis Xhayet uit Courcelles en Arthur Brenez van Hornu door het assisenhof van Henegouwen veroordeeld tot drie, respectievelijk twee maanden gevangenisstraf voor hun antimilitaristisch geschrijf in L'Action directe. En in 1907 gebeurde ongeveer hetzelfde met Alphonse Beguin, die in de Centre met weinig resultaat het revolutionaire syndicalisme probeerde uit te dragen. Beguin kreeg vier maanden. Léopold Preumont, de secretaris van de C.G.T, verdween om een gelijksoortige reden voor een aantal maanden uit de circulatie en Léopold Kinif werd door het assisenhof tot vier maanden veroordeeld om in L'Action directe de idee te hebben verkondigd dat de arbeiders het recht hadden zich te bewapenen. Voor het hof stond dat gelijk met aansporing tot misdaad.

Léopold Preumont

De in 1912 in de mijn verongelukte anarcho-syndicalist Léopold Preumont.
(Le Révolté, 6-10-1912 (Amsterdam, IISG); Cfr. J. MOULAERT, Rood & zwart..., p. 323.)

Een ronduit dramatische ontknoping kreeg de staking van eind november 1906 tot begin januari 1907 in de mijn Grand-Conty te Gosselies. In de loop van 1906 had zich daar een vakbond gevormd met onder meer Désiré Voland. De actie begon na het ontslag van één van de voortrekkers van de vakbond. Op 7 januari 1907, de dag van de aankomst van 'ratten', werd een opzichter neergeschoten. Verscheidene stakers werden, hoewel ze de trekker zelf niet hadden overgehaald, wegens medeplichtigheid veroordeeld. Zo kreeg onder meer Voland als 'aanstoker' twintig jaar dwangarbeid.
In juni 1907 namen de Luikenaars de zorg voor L'Action directe over. Blijkbaar was het zwaartepunt van de revolutionair-syndicalistische beweging van Charleroi naar Luik verlegd. Hier waren bijvoorbeeld houtbewerkers succesvol syndicaal actief en zij ijverden samen met lotgenoten uit Antwerpen, Mechelen en Verviers voor een onafhankelijke nationale federatie van houtbewerkers naast de socialistische federatie. Ten oosten van Luik, in de mijn van Micheroux, vond in 1907 een langdurige (mislukte) staking plaats waarbij een aantal anarchisten betrokken waren. En een actie bij FN in Herstal leidde tot een tijdelijke arrestatie van de bekende anarchisten Fuss en Thonar. Toen Léon Joassin, de Luikse bestuurder van L'Action directe, bij FN werd ontslagen, brak in de automobielafdeling een staking uit. Toeval of niet, maar de Belgische revolutionair-syndicalistische ideoloog Fuss woonde in een pand met uitzicht op FN. Vanuit zijn kamer spraken hij en Thonar de menigte toe, wat tot hun arrestatie leidde. Het gerechtelijk onderzoek dat daarop volgde in het voorjaar van 1908 liep uiteindelijk uit op een afstand van vervolging, maar dat nam niet weg dat het archief van L'Action directe tijdelijk naar het gerechtsgebouw verhuisde. De bedoeling lag voor de hand, aldus het blad. Het onderzoek was een voorwendsel om lijsten met 'verdachten' bij te werken en die konden dan worden gesurveilleerd. De namen konden aan werkgevers worden gesignaleerd. Abonnees werden geïntimiteerd.
We kunnen bij dit alles de vraag stellen in welke mate de revolutionair-syndicalistische beweging anno 1904-1908 het werk van anarchisten was. Voor de socialisten lag het antwoord voor de hand. L'Action directe werd in elk geval herhaaldelijk als een anarchistisch blad afgeschilderd en ook de Waalse bonden die samen met hun Antwerpse makkers naar een onafhankelijk vakverbond streefden, werden met een zelfde vijandschap bekeken. In ieder geval kan er geen twijfel bestaan over het belangrijke aandeel van de anarchisten in het revolutionaire syndicalisme. Het anarchistisch integrisme van GCL-secretaris-generaal Thonar verhinderde niet dat diverse revolutionaire syndicalisten ook lid waren van die GCL. De meest opvallende was uiteraard Henri Fuss die naast zijn syndicalistische engagementen tegelijk afdelingsverantwoordelijke van de GCL voor Luik was. Verder kunnen we hier Antheunis voor Brussel noemen, Mattart voor Flémalle en Walter voor Charleroi. En ook de concurrerende Fédération Anarchiste de Belgique kon bezwaarlijk van anti-syndicalisme worden verdacht. We hoeven maar enkele contactpersonen af te gaan : Preumont voor de Groupe Anarchiste van Gilly, Beguin voor de Groupement Socialiste-Anarchiste du Centre. Henri Janssens, vermoedelijk dé Janssens van het voorlopig comité van de CGT, was lid van de Gentse Vrije Groep, waarvan overigens een J. Janssens als contactpersoon optrad. Verwijzen we ook nog naar Xhayet en Brenez, die zich op hun proces openlijk anarchist noemden. De Luikse mecanicien J. Ledoux was betrokken bij de poging in 1904 om een Fédération Amicale des Anarchistes de Belgique op te richten. Voland, Rousselet en Quibus, alle drie uit Charleroi, kwamen op het libertair congres van 1905 spreken over hun revolutionaire mijnwerkersbonden. Xhayet was daar eveneens en maakte er gewag van anarchistische invloed bij de Luikse gieters.
In welke mate het gros van de leden van de federaties die de CGT uitmaakten overtuigde revolutionaire syndicalisten waren, laat staan anarchisten, is moeilijk te achterhalen. De tweeëntwintigjarige student en revolutionaire syndicalist Emmanuel Tesch beweerde eind 1906 niettemin dat het gros van de militanten van de Belgische CGT anarchisten waren en dat in elk geval een groot aantal van de Belgische anarchisten revolutionaire syndicalisten waren. Hij koppelde daar overigens meteen een kritiek op de Groupement Communiste Libertaire aan vast. De GCL dreigde louter theoretisch bezig te blijven en enkel met publikaties en conferenties naar buiten te treden tenzij hij de dagelijkse sociale strijd aanpakte en in feite deelnam aan de acties van de CGT. Dat was wat volgens Tesch in werkelijkheid ook gebeurde op veel plaatsen. Een anarchistische organisatie kon in België nooit echt veel voorstellen. De Belgische anarchisten waren weinig talrijk, een aantal onder hen waren resolute tegenstanders van organisatie en bijna alle anderen kenden veel gewicht toe aan de vakbonden. Het was trouwens nog altijd in arbeiderskringen, bij hun lotgenoten en strijdmakkers, dat de anarchisten het best hun ideeën konden propageren. En ook de anarchist Alexandre Theunissens stelde enkele maanden later dat nog te veel anarchisten die rare manie hadden zich vijandig op te stellen tegenover de revolutionair-syndicalistische beweging. Zij hingen een soort anarchistisch puritanisme aan dat hen in feite isoleerde van de arbeidersbeweging.
En aan de andere kant was er de socialistische BWP die door haar deprimerende partijtucht alle opstandigheid van het volk kanaliseerde. Zij evolueerde steeds meer naar een louter parlementair reformisme.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 321-326.)

Het Belgisch Vakverbond en de strijd om onafhankelijke bonden.

De vakbeweging beleefde sinds de eeuwwisseling in Verviers werkelijk een reveil. Opvallend was dat deze heropleving behalve met een goede economische conjunctuur samenging met een institutionalisering van de syndicale neutraliteit. In het zog van de weversbonden gingen de meeste van de Vervierse vakbonden in hun statuten expliciet een aanhechting bij de BWP uitsluiten. De in 1902 gestichte Confédération Syndicale Régionale verbood elke politieke of levensbeschouwelijke discussie tijdens de vergaderingen. Bovendien stond de beweging open voor arbeiders die lid waren van neutrale ziekenfondsen, evenals voor christen-democraten én voor revolutionairen.
Verviers was evenwel een haard van anarchisme gebleven. Maar de libertaire groepen konden vanaf de jaren tachtig nog maar zelden een hoofdrol spelen in de nationale beweging waarbinnen zij eerder een geïsoleerde positie leken in te nemen. Wel leidde het tot de neutrale opstelling van de Vervierse vakbeweging. Ook in Luik, waar de heel wat kleinere Fédération du Travail actief was, broedde het anarchisme. De leiding van de Luikse federatie bestond in ieder geval voor een goed deel uit anarchisten. En de Fédération Syndicale Révolutionnaire des Mineurs du Bassin de Charleroi noemde zich onomwonden revolutionair. Met hun principiële revolutionaire kritiek op de BWP waren deze mijnwerkers al een heel stuk verwijderd van de neutraliteit van de Vervierse vakbeweging, die ondanks haar onafhankelijke opstelling tegenover de BWP wars was van revolutionaire oprispingen. Toch bleven een aantal revolutionaire syndicalisten en zeker hun minder strijdbare collega's in de CGT niet ongevoelig voor het neutralistisch succes in Verviers. De Confédération Syndicale beleefde er een geweldige groei, vooral in de textielsector, ook al culmineerde in 1906 een krachtmeting tussen bonden en patronaat in een grote lock-out die 15.000 arbeiders werkloos maakte. In Antwerpen werd de Federatie van Vakbonden beheerst door de diamantwerkers en ook die stuurden aan op een onafhankelijke koers van de BWP. Revolutionair kon je hen niet noemen, maar voor de oprichting van hun nieuwe syndicale koepel zochten zij toenadering tot de neutrale vakbonden van Verviers. Het was trouwens bij dit streven dat de groepen die de CGT uitmaakten, aansluiting vonden.
In de loop van juni 1907 had dan te Brussel een bijeenkomst plaats van een zestigtal vertegenwoordigers van onafhankelijke vakbonden, vooral vertegenwoordigers van Antwerpen, Luik, Verviers, Charleroi, Marcinelle, de Centre, Mechelen en Gent. Het lag in de bedoeling een Belgisch Vakverbond op te richten en de debatten werden geleid door de voorman van de Antwerpse diamantbewerkers, Jef Groesser. De statuten, een werkstuk van de Antwerpse diamantbewerkers met enkele amendementen van de anarchisten Delincé, Demoulin, Fuss en Ledoux van de Luikse Fédération du Travail en Leemans van de Mechelse houtbewekers, werden unaniem aangenomen. De belangrijkste principes waren de klassenstrijd en de onafhankelijkeid tegenover politieke partijen.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 326-330.)



Le Révolté, 16-1-1909 (Amsterdam, IISG); J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 335.

Aan de top van het Vakverbond zou een comité met afgevaardigden van de aangesloten groepen zetelen, alsook een bureau waarvan de zeven leden verkozen werden tijdens de jaarvergadering. Dit bureau bestond uit een voorzitter, een permanente secretaris, een adjunct-secretaris, een penningmeester, een adjunct-penningmeester en twee commissarissen. Met het behoud van het voorzitterschap hadden de revolutionaire syndicalisten enkel een erg kleine toegeving aan de Antwerpse kameraden gedaan, meende L'Action directe. Het betrof slechts een titel. Het was geenszins de bedoeling van de voorzitter de leider van de beweging te maken. Terzijde kunnen we hier meteen melden dat in de verdere organisatie van het nieuwe Vakverbond geen schot kwam.
Vrijwel gelijktijdig met het congres verhuisden de redactie en de administratie van L'Action directe. Tengevolge van het gerechtelijk optreden tegen diverse activisten uit Charleroi werden beide naar Luik overgebracht. Henri Fuss en Léon Joassin namen van Preumont het redactie-, respectievelijk het secretariaatswerk over. Terzelfder tijd werd de ondertitel van Organe de la Confédération Générale du Travail veranderd in Organe de propagande, aangezien de CGT door de aansluiting van haar groepen bij het Belgisch Vakverbond de facto was ontbonden.
Op kerstmis 1907 kwam te Luik een nieuwe voorbereidende vergadering bijeen met vertegenwoordigers van verscheidene plaatselijke federaties. Er waren afgevaardigden van Antwerpen, Mechelen, Charleroi, de Centre en Luik die samen meer dan 10.000 vakbondsleden vertegenwoordigden. Hier werd besloten om het volgende jaar met Pasen te Luik een congres te houden. Dit paascongres vond plaats op 19 april 1908 en er waren een vijftigtal afgevaardigden, vooral van Antwerpen, Luik en Verviers, aanwezig. (Verder ook enkelen van de Centre, Charleroi en Kortrijk.) Maar een echte groei van het Vakverbond zat er niet in.
Trouwens, ook het blad van de revolutionaire syndicalisten, L'Action directe, zou 1908 niet overleven. Sinds het feitelijk opheffen can de CGT werd het blad niet meer officieel gedragen door een organisatie en tegelijk had Fuss de redactie overgenomen. Het blad kampte bovendien met financiële problemen en uiteindelijk zag Fuss het niet meer zitten en gaf er de brui aan. En ook de samensmelting van L'Action directe met het anarchistische L'Insurgé van Thonar tot L'Avant-garde. Organe de concentration révolutionnaire bracht geen oplossing.
Al bij al kunnen we besluiten dat het revolutionaire syndicalisme in België er niet in slaagde om echt door te breken en ook de anarchistische vlam bleef in die dagen nog nauwelijks branden.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 330-336.)


Het uitwaaieren van de beweging, 1908-1914.

Revolutionaire frontvorming. Les politiciens de l'Anarchie.
Terug uit Amsterdam (1907) zetten Georges Thonar en Henri Fuss de discussie over de vakbeweging voort. Het kwam tot een haast eindeloze polemiek in de kolommen van L'Insurgé. Thonar bleef het 'orthodoxe' standpunt innemen en motiveerde de aanwezigheid van de anarchisten in de vakbeweging louter tactisch. De anarchistische actie was meer dan (economische) klassenstrijd. Het ging voor hem ook (en vooral) om een intellectuele en morele revolutie. Was de gedachte overigens niet meer van tel dan de actie? Voor Thonar vormde de vakvereniging in ieder geval niet de spil van de revolutionaire actie; ze was slechts een tijdelijke strijdvorm die niet eens altijd efficiënt bleek te zijn.
Fuss zag de zaken in een ander licht. Naar zijn mening was de revolutionaire strijd essentieel een strijd van klasse tegen klasse, met als inzet de hoekstenen van het kapitalisme, met name Gezag en Bezit. Aangezien het anarchisme de bevrijding van de verdrukten beoogde en de verdrukten ontegenzeglijk de arbeiders waren, was het anarchisme wezenlijk een arbeidersbeweging, stelde de revolutionaire syndicalist en anarchist. De anarchie viel in zijn ogen samen met de syndicale actie.
Fuss maakte in L'Action directe een einde aan de polemiek die tot in het voorjaar van 1908 aansleepte. Het blad kon niet meer steunen op een eigen vakbond en zat financieel in verlegenheid. De revolutionaire syndicalisten bleven trouwens, na het definitief afhaken van de Vervierenaars, verweesd achter in het gezelschap van de Antwerpse diamantbewerkers.
In juni 1908 lanceerde L'Action directe dan weer een oproep tot revolutionaire frontvorming over de vakbondsgrenzen heen. Het blad opende zijn kolommen voor alle revolutionaire krachten in de arbeidersbeweging. Het wou de vrij tribune zijn, niet enkel van anarchisten, maar van eenieder die de onvolkomenheid van de reformistische en parlementaire methoden had ondervonden en de directe vakbondsactie voorstond. Het lag in de bedoeling de samenhang tussen de revolutionaire elementen verspreid over de hele Belgische arbeidersbeweging te bevorderen en zo een werkelijke revolutionaire stroming in het leven te roepen.
Intussen bleek ook L'Insurgé in de nesten te zitten. Een en ander noopte Thonar, die een half jaar eerder nog waarschuwde voor opslorping door het revolutionaire syndicalisme, in september 1908 tot een fusie van zijn blad met L'Action directe van Fuss. Daaruit sproot een nieuw blad voort : L'Avant-garde, dat zich niet eens revolutionair-syndicalistisch maar gewoon zeer algemeen "organe de concentration révolutionnaire" noemde. Het redactiecomité werd gevormd door het trio Fuss, Thonar en de mijnwerker Camille Mattart van Flémalle. Fuss opende het readactioneel standpunt van het blad met een oproep tot het vormen van een voorhoedebeweging van anarchisten, syndicalisten en revolutionaire socialisten die de geest van opstandigheid zou verbreiden bij de arbeiders. Maar het blad zou het slechts zeven nummers uithouden en verdween nog in december van datzelfde jaar. Inmiddels werd in Brussel (Bosvoorde) ook Le Révolté uitgegeven, met name door de Groupe Révolutionnaire, en dat blad zou het langer uithouden, tot 1914.
Op 15 augustus 1909 vond te Brussel een anarchistisch congres plaats, waar een dissidente stekking onder 'leiding' van Thonar met steun uit Brussel, Luik, Charleroi en de Centre zou hebben gebroken met de Fédération Anarchiste. Nu, wat er ook van zei, het communistisch experiment L'Expérience van Chapelier en de Groupement Communiste Libertaire van Thonar hadden op de Belgische beweging een averechts effect gehad. En het feit dat de Brusselse Groupe Révolutionnaire met zijn Le Révolté het gros van het toenmalig anarchisme een tijdlang in een losse federatie mee kon krijgen, betekende dat ook haar aversie ten aanzien van het georganiseer van Thonar algemeen werd gedeeld. Het gros van de beweging deelde misschien niet de persoonlijke afkeer die de Brusselaars in de eerste plaats de kolonist Chapelier toedroegen, maar zowel hij als Thonar hadden binnen de beweging in België anno 1909 grotendeels hun moreel gezag verspeeld.
Maar Thonar liet niet af. In november van hetzelfde jaar rolde het zogenaamde Bulletin van de Fédération Révolutionnaire van de persen. De Fédération Révolutionnaire heette opgericht te zijn op 15 augustus 1909, de dag zelf van het anarchistisch congres dus. Secretaris van de federatie was ene J. Bonnart uit het Brabantse Court-Saint-Etienne, dat al jaren op een anarchistische kern en in het bijzonder op zowat de meest trouwe afdeling van de GCL kon bogen. Voor alles wat het blad aanging, werd verwezen naar 'afgevaardigd lid' Félix Springael, een voormalig ingezetene van de kolonie van Chapelier. Het Bulletin drukte een paginagroot manifest af van de Brusselse afdeling van de federatie, waarvan Springael penningmeester en Thonar secretaris bleken te zijn. De Fédération Révolutionnaire beoogde globaal het communisme en de klassenstrijd en op 'korte termijn' wilde de federatie een geest van revolte en kritiek verspreiden en het groeperen van de arbeiders in economische organisaties die de klassenstrijd in het vaandel voerden, bevorderen. Het initiatief lag duidelijk in het verlengde van de oproepen in L'Action directe en L'Avant-garde, alleen bleek Fuss afgehaakt te hebben.
Volgens het reeds vermelde manifest van de Brusselse afdeling had de verkiezingsstrijd geleid tot coalitievorming met burgerlijke partijen en ging daardoor het ware socialisme verloren. Toch zou de afstomping van de arbeidersklasse maar van tijdelijke aard zijn want de Fédération Révolutionnaire wilde een zweepfunctie vervullen.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 340-348.)

Revolutionaire tendensen binnen de BWP.
In 1911 publiceerde Georges Thonar samen met de krantenhandelaar Félix Springael het blad Le Communiste. Beide uitgevers wilden zich niet langer verzetten tegen politieke strijdpunten zoals de omverwerping van de klerikale regering en de verovering van het algemeen stemrecht. Samen met het Henegouwse blad L'Exploité lag Le Communiste aan de basis van een Groupe Socialiste d'Action Directe die te Charleroi gesticht werd. De oproepen van Thonar en de zijnen bleken na Brussel alvast daar enig succes te boeken. De groep, die was samengesteld uit zowel anarchisten als revolutionaire socialisten, beweerde de noodzaak van hervormingen via parlementaire weg te aanvaarden ook al verwachtte hij daarvan niet de definitieve oplossing van het sociaal probleem. Die kon enkel haar beslag krijgen door de onteigening van de productiemiddelen. De vakbeweging was de meest aangewezen strijdvorm voor de arbeiders en de hoeksteen van de nieuwe samenleving. De groep verdedigde dus een uitgesproken revolutionair-syndicalistisch standpunt, maar legde zich tegelijkertijd als het ware neer bij het parlementarisme, dat ze kennelijk onontkoombaar achtte.
De groep vroeg via de federatie van Charleroi evenwel aansluiting bij de BWP, maar deze vraag stuitte op het veto van de Algemene Raad van die sociaal-democratische partij. Alle min of meer georganiseerde toenaderingspogingen met enige anarchistische inslag tot de BWP leken hier vast te lopen (wat niet wegnam dat Thonar in 1912 nog een poging zou ondernemen).
Eind 1911 verscheen te Brussel La Réforme sociale, een nieuw blad dat noch socialistisch, noch anarchistisch was, maar het werk van een groep revolutionaire syndicalisten. Niets liet vermoeden dat Thonar hier opnieuw zou opduiken. Le Réforme sociale kreeg in april 1912 immers een verlengstuk in Le Combat social. Organe d'action directe. En in het redactiecomité van dit blad zat ondermeer Georges Thonar : aan hem moest alles wat de redactie aanging worden toegestuurd. De typograaf G. Schmickrath was de hoofdredacteur en het blad noemde zich revolutionair, syndicalistisch en (libertair-)communistisch. De krant had haar kantoor vrijwel recht tegenover het Brusselse volkshuis, maar leek het parlementarisme weinig genegen al wou ze van de omverwerping van de katholieke regering toch een politieke prioriteit maken, evenwel zonder dat hierbij aan de economische klassenstrijd afbreuk werd gedaan. Onder impuls van deze groep mensen werd naar Parijs voorbeeld een Syndicat des Locataires opgericht. Deze huurdersbond had zijn lokaal op hetzelfde adres als Le Combat sociale en Schmickrath was secretaris. Maar ook dit nieuwe blad was geen lang leven beschoren. Uit het redactiecomité, dat uit drie BWP'ers en twee libertairen (klaarblijkelijk Thonar en Vanderschrick) zou hebben bestaan, namen de socialisten onder druk van de partij ontslag. Blijkbaar bleek het niemandsland tussen sociaal-democratie en anarchie een te onvruchtbare akker, ook voor de libertair Georges Thonar.
Emile Chapelier van zijn kant was zeker vanaf 1909 actief in de Brusselse bediendenvakbond die binnen de BWP zowat het belangrijkste revolutionair steunpunt vormde. De onbetwiste voortrekker van deze bediendenbond was de jonge Joseph Jacquemotte. Chapelier en de radicale vrijdenker Raphaël Rens konden als zijn peetvaders worden beschouwd al had Jacquemotte, die later de Communstische Partij zou stichten, geen anarchistische antecedenten. Hij was voor alles een vakbondsmilitant en een goed spreker. De inspiratie voor zijn revolutionaire bediendenvakbond haalde hij bij de Franse CGT. Samen met de anarcho-syndicalist Henri Fuss verzorgde hij trouwens een Belgische rubriek in La Vie ouvrière, het revolutionair-syndicalistisch blad van de bekende Fransman Pierre Monatte. De populariteit van Jacquemotte was groot en de bediendenbond werkte zich op tot één van de grootste vakbonden die aangesloten waren bij de Brusselse BWP-federatie.
Deze Brusselse bediendenbond verwierp de politieke aktie niet, maar tegelijk stelde hij dat de klassenstrijd wezenlijk een economische strijd was met de vakbond als wapen. Op die wijze ontpopte de socialistische bond zich als woordvoerder binnen de partij van een toenemend scepticisme van de vakbeweging tegenover de parlementaire actie. De bond domineerde trouwens ook de Nationale Federatie van Socialistische Bedienden die vanaf 1910 het revolutionair syndicalisme in het vaandel zou voeren. Tot aan de oorlog zou Jacquemotte binnen de partij het boegbeeld blijven van een tendens die wegens haar beroep op de directe actie "extreem-links" genoemd mag worden en die haar aanhangers in de eerste plaats in de Brusselse federatie vond.
Van Chapelier, die in de Brusselse bediendenbond en in de partij binnen de revolutionair-syndicalistische stroming een niet onbelangrijke positie innam, verscheen in de zomer van 1910 nog een Catéchisme syndicaliste en six leçons waarvan een eerste druk van 5.000 exemplaren al na enkele weken zou zijn uitgeput. In 1911 zou Chapelier ook de redactie waarnemen van L'Exploité. Organe socialiste d'action directe dat als de tribune van de revolutionair-syndicalistische strekking binnen de BWP mocht worden beschouwd.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 348-352.)

Brusselse individualisten en illegalisten.

Na 1894 had in het Franse anarchisme de propaganda met de bom afgedaan. (Wel was er sindsdien een tamelijke opbloei van de illegale actie te merken.) En de gedachte om eerst de eigen, persoonlijke ontvoogding te bewerken maakte steeds meer opgang. Gedaan met zich op te offeren voor idealen als de Revolutie, de Propaganda, de Solidariteit, begonnen kennelijk een aantal anarchisten aan de rand van de beweging te denken. Men wilde leven, zijn persoonlijkheid ten volle ontplooien. Ieder individu had recht op geluk en welzijn en alle middelen om dit te bereiken waren goed. Een vaste theorie bestond niet, maar algemeen werd het recht op diefstal aanvaard; niet als natuurlijk recht, wel als tegengewicht voor de uitbuiting door de bezitters. Deze persoonlijke rechtspleging, een soort herverdeling voor eigen rekening, zagen de "illegalisten" als daad van revolutionair gehalte. Een schoolvoorbeeld van het illegalisme was wel de "bande Jacob" of bende van Abbeville (1900-1904), die vanuit haar hoofdkwartier te Parijs op georganiseerde wijze uithuizige bezitters in heel Frankrijk van het nodige beroofde.
Het Parijse Les Temps nouveaux verklaarde zich van meet af aan onvermurwbaar tegen. Le Libertaire daarentegen zette van 1896 tot 1898 zijn kolommen open voor de illegalisten. Maar het is onaanvechtbaar dat de verschijning van L'Anarchie in 1905 beslissend was voor de ontwikkeling van de illegale actie. De grote inspirator van dat Franse, individualistisch-anarchistisch blad was Libertad (pseudoniem van Joseph Albert) en belangrijke medewerkers waren onder meer Emile Armand en Georges Paraf-Javal. Deze individualisten raadden ten zeerste aan niet op de revolutie te wachten; de belovers daarvan waren volgens hen bedriegers. Waar het op aan kwam, was zelf zijn eigen kleine revolutie te maken, vrije mensen te worden, in kameraadschap te leven. Het individualisme was voor hen de voortdurende, beredeneerde reactie van het individu tegen de vijandige omgeving, het verlangen de eigen persoonlijkheid volkomen te ontplooien. Deze theorieën waren reeds jaren voordien uit de doeken gedaan, maar toen zaten de individualisten nog her en der verspreid. Mede dankzij Libertad beschikten zij intussen over een eigen orgaan, eigen lokalen, eigen conferenties.
Er zijn ongetwijfeld argumenten om ook de Brusselse Groupe Revolutionnaire en het hoofdstedelijk blad Le Révolté (1908-1914) als individualistisch-anarchistisch te omschrijven, al moet er genuanceerd worden. Le Révolté kan niet worden beschouwd als de officiële tribune van de groep : in het blad en in de groep kwamen uiteenlopende opinies aan bod. Toch hadden de Brusselaars in september 1908 niet toevallig Le Communiste omgedoopt tot Le Révolté. Organe de propagande anarchiste. Voortaan refereerden het blad en de groep niet meer expliciet aan het communisme. Voordien reeds onderscheidde Le Communiste zich van de andere bladen door zijn jeugdige en agressieve stijl. Er sprak ook minder betrokkenheid met de arbeidersbeweging uit en tegelijk was de toon ten aanzien van de BWP nog onverzoenlijker. Bestuurder bleef vooralsnog de rijke burgerszoon Gassy Marin en de centrale figuur was allicht Victor Kibaltchitch alias Le Rétif, die later internationale vermaardheid zou verwerven als de revolutionaire schrijver Victor Serge.
In een polemiek met de anarchist Rhillon stelde
Serge dat hij niet eens was met het principe dat het doel de middelen heiligde. De middelen dienden in overeenstemming te zijn met het doel. "Ce n'est pas par la haine ni la vengeance que nous instaurons un monde d'amour et d'harmonie !" Wilde men broederlijkheid, dan moest men ondanks alles steeds broederlijk blijven. Een dergelijke vorm van leven zou één voortdurende revolte inhouden die, hoewel minder afschrikwekkend dan de daden van de bommengooiers, meer effect zou sorteren. Serge toonde alle begrip voor de (terreur)daden van Emile Henry en anderen die geen uitkomst meer zagen. Meer dan een betreurenswaardige noodzaak mocht men er nochtans niet in zien.
Het Brusselse Le Révolté deed vooral inspiratie op bij de Parijse individualisten. Een viriele, vitalistische opstandigheid beheerste het. Tegenover de slaapverwekkende actie van de "politiciens" riep het blad op tot de ononderbroken revolte, persoonlijk én collectief, gedragen door "les passions nobles et des généreux dévouements". En in een manifest van de Fédération Anarchiste aan de lotelingen klonk het zo : "Attachez-vous à réaliser par vous-mêmes, sur vous-mêmes - vous qui êtes jeunes et virils - des hommes meilleurs, dignes d'une société meilleure... individualistes saines." Het ging om een vooralsnog vreedzame, maar wel krachtdadige, individuele revolte die niet echt werd losgekoppeld van de verwachting van een collectieve bevrijding.
Naar aanleiding van de dood van de Franse individualist Libertad stak het blad zijn sympathie niet onder stoelen of banken en met de zaak-Hartenstein ontpopten de Brusselse Groupe Révolutionnaire, Le Révolté en ook Victor Serge zich feitelijk als verdedigers van de illegalisten en in vergaande mate ook van illegale actievormen die nog moeilijk van het terrorisme te onderscheiden waren.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 352-356.)

De zaak-Hartenstein.
Op 4 februari 1909 werd een bom ontdekt in een huis in aanbouw in Sint-Joost-ten-Node. Vrij vlug verscheen in de kranten een manifest van de Groupe Anarchiste International waarin men kon lezen dat de bom bestemd was voor de vroegere minister van Justitie, die rechtstreeks verantwoordelijk geweest was voor tal van uitwijzingen van buitenlandse revolutionairen. En tegelijk hadden een aantal kameraden het dreigende springtuig gebruikt om een Brusselse handelaar 3.000 frank af te persen. De groep koos immers voor de illegale actie, het systematsch terroriseren van de burgerij.
Het manifest van de Groupe Anarchiste International noopte de Brusselse Groupe Révolutionnaire ertoe positie te kiezen. De groep keurde de recente acties af alhoewel het gebruik van geweld in hun ogen in het algemeen wel gerechtvaardigd kon zijn tegenover het geweld dat de onderdrukkers gebruikten. Maar ze beschouwde de individuele rechtspleging niet als middel tot sociale hervorming. Het criterium om de waarde van een actie te bepalen was niet haar legaal of illegaal karakter. Geweld op zich had niets anarchistisch en hoewel het gebruik ervan soms onvermijdelijk was, mocht dit onder geen voorwendsel tot tactiek worden verheven. En ook Le Révolté zou enkele maanden later benadrukken dat zij inzake tactiek op heel wat punten van mening verschilde met de Groupe Anarchiste International.
Het onderzoek van de politie leidde tot een arrestatiebevel tegen de jonge Rus Abraham Hartenstein, alias Vladimir Se(i)liger, alias Alexander Sokolo(f)f, enz... als vermoedelijke maker van de bom. Op 15 februari viel de politie zijn kamer in Gent binnen. Hartenstein werd gevat, zij het na eerst twee politiefunctionarissen dodelijk verwond te hebben. Op 19 juni van hetzelfde jaar werd hij door het Hof van Assisen van Oost-Vlaanderen schuldig bevonden aan doodslag en veroordeeld tot levenslange dwangarbeid.
Onmiddellijk nam de Brusselse Groupe Révolutionnaire de verdediging van de Rus op zich. Ze identificeerden zich verregaand met zijn lot. "Un de nos vaillants camarades vient de tomber." Maar bekende anarchisten zoals Malatesta, Fuss en Thonar namen meer afstand. En Chapelier weigerde zelfs met klem de daden van Hartenstein als anarchistisch te bestempelen. De hele kwestie bleek de animositeit tussen bepaalde elementen binnen de Belgische beweging ten top te drijven. De zaak-Hartenstein had m.a.w. de Belgische anarchisten in twee clans verdeeld die elkaar rauw lusten. Zo zouden Les Iconoclastes van Verviers zich in het debat mengen en naar het lijkt veeleer de kant van de Groupe Révolutionnaire kiezen. Met deze Brusselse groep trad een jonge generatie aan die inzake organisatie het orthodox communistische standpunt leek aan te kleven en die vanuit een jeugdig activisme de 'overorganisatie' van Thonar en co. aanvielen. De Brusselaars konden Thonar en anderen niet vergeven dat ze hen durfden af te vallen en waren bovendien buitengewoon nijdig om de publiciteit die de oude garde hierbij kreeg. Deze "onbekende", "jonge" anarchisten, die Hartenstein na stonden, kregen anders dan de "bekende", "eerzame" anarchisten nauwelijks een stem in het kapittel.
Na verloop van tijd leek een zekere bezinning bij Le Révolté op te treden. En ook Victor Serge had het over de noodzaak van rijp beraad om rebelse daden de nodige zin te geven. Maar inmiddels was evenwel voorgoed een kloof geslagen tussen de uitgevers van Le Révolté en Thonar en de zijnen.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 357-362.)

Het martelaarschap van Francisco Ferrer.

Het libertaire ideeëngoed oefende van enkele jaren voor de eeuwwisseling een zekere aantrekkingskracht uit op intellectuelen en kunstenaars. Een bijzondere vorm van dit intellectueel anarchisme was de beweging voor de oprichting van libertaire scholen en daarbij denken we in de eerste plaats aan Francisco Ferrer met zijn libertair-rationalistische escuela moderna. Zijn onrechtvaardige executie in oktober 1909 maakte hem op slag tot martelaar en dus ook advocaat van de beweging voor een libertaire opvoeding. Zijn dood lokte in verscheidene Europese landen grote verontwaardiging uit en bijlange niet alleen in anarchistische kring.
De katholieke Spaanse regering had de vrijdenker en vrijmetselaar Ferrer reeds in 1906 laten arresteren en ongeveer een jaar gevangen gehouden. Aanleiding daartoe vormde de aanslag in mei 1906 op het Spaanse koningspaar. De dader van de aanslag was een oud-leraar aan de escuela moderna en de pedagoog werd spoedig van medeplichtigheid beschuldigd. Mede onder internationale druk werd hij toen vrijgelaten maar zijn scholen werden gesloten. Wat later, in 1909, was in Spanje het jaar van de Bloedige Week, zo genoemd naar de bloedige onderdrukking van een gewelddadige algemene staking. Toen Ferrer na afloop van die Bloedige Week, eind juli, uit Londen in Barcelona terugkeerde, werd hij prompt opgepakt. Korte tijd daarna werd hij op beschuldiging van aanstichting tot de opstand zonder enig bewijs geëxecuteerd.
Ferrer was tevens vrijdenker en vrijmetselaar geweest. Dat verklaart de deelname van socialisten en liberalen aan de campagne voor de Spanjaard en eveneens de recuperatie van zijn martelaarschap achteraf. Voor de Groupe Révolutionnaire was dit alles een doorn in het oog. Aan burgerlijke vrijdenkerij en vrijmetselarij hadden de Brusselse anarchisten bepaald geen boodschap. Aan de vrijzinnige burgerij ontzegden ze de erfenis van Ferrer. Ferrer was gedood door machthebbers, die 'toevallig' katholieken waren. Maar "Noblesse et clergé hier ! Bourgeois libéraux et républicains aujourd'hui ! Papes socialistes demain !" Vrijzinnige bourgeois hadden het lijk van Ferrer geschonden, dit was prostitutie van de vrije gedachte.

De verontwaardiging kon niet meer op bij de Brusselse groep en ze werd daarin vermoedelijk meer gevolgd door de andere groepen van het land dan ten tijde van de zaak-Hartenstein. Toch ging het niet zo goed met de anarchistische beweging van die dagen. Al van in maart kampte Le Révolté met financiële moeilijkheden. Bij de redactie van het blad en bij de Groupe Révolutionnaire was er bovendien veel verloop. In juni stapte Gassy Marin op en in september bleken Brussel en België voor Victor Serge te klein geworden. Hij vertrok naar Parijs, waar overigens al de revolutionaire syndicalist Henri Fuss vertoefde. Later zouden nog de kolonist en anti-militarist Jean De Boe, Raymond Callemin en Edouard Carouy naar de lichtstad vertrekken. Parijs oefende blijkbaar een grote aantrekkingskracht uit op de Belgische revolutionairen.
Vanaf het vertrek van Marin veranderde Le Révolté om de haverklap van bestuurder tot plots laconiek en geheimzinnig in februari 1910 de mededeling kwam dat alleen de individualisten nog overbleven. 1910 en 1911 waren trouwens geen vruchtbare jaren voor het Brusselse blad. François Deflandre, Lucien Courbe, Armand Lebrun en opnieuw Courbe volgden elkaar op als bestuurders. Vanaf 1912 verscheen Le Révolté opnieuw behoorlijk regelmatig. De Brusselaars hadden zich blijkbaar gehergroepeerd als Groupe Anarchiste de Bruxelles. En een nieuwe naam dook op als bestuurder van het blad : Léon De Roos die in die jaren ook enkele nummers van het meer beschouwende tijdschrift En marge zou uitbrengen. Oudgediende Courbe zou hem na enige tijd opvolgen.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 362-366.)

Les bandits tragiques.

In december 1912 vond in Parijs een bloedige overval plaats op een filiaal van de Société Générale. De daders waren de zogenaamde 'bende van Bonnot', ook wel de 'autobandieten' of 'les bandits tragiques' genoemd. Zij kwam aan haar einde
in mei van het volgende jaar met de overmeestering, na een regelrechte belegering met gebruik van springstof en al, van de overblijvende leden die voor de rechter werden gebracht. Onder de beschuldigden vier oud-leden van de Groupe Révolutionnaire van Brussel : de twintigers Edouard Carouy, Raymond Callemin (alias Raymond-la-science), Jean De Boe en Victor Serge. Ook enkele van de Franse beschuldigden hadden Belgische antecedenten : Garnier en Valet waren deserteurs die in België een tijdlang een toevlucht hadden gezocht. Voor Callemin en Carouy eindigde de zaak fataal : Callemin kreeg de doodstraf en Carouy levenslang, waarna hij zelfmoord pleegde. De straffen van De Boe en Serge vielen daarmee vergeleken licht uit. De Boe kreeg tien jaar gevangenisstraf, Serge kreeg vijf jaar opsluiting en vijf jaar verblijfsverbod. Een en ander lijkt niet in verhouding tot hun betrokkenheid, zeker niet voor Serge.
In 1910 waren Serge en zijn vriendin Anna Estorges, alias Rirette Maitrejean, samen met het individualistische blad L'Anarchie van Parijs naar Romainville verhuisd. Carouy en Callemin vervoegden er zich enige tijd bij hen om uiteindelijk in onenigheid uiteen te gaan. De twisten sloegen onder meer op het illegalisme. Dat verhinderde Serge niet om naar aanleiding van de bankoverval in een reeks artikels de verdediging van de desperado's - voor het merendeel jeugdvrienden - op zich te nemen. Het leverde bovendien een huiszoeking op in de lokalen van L'Anarchie waarbij de politie twee revolvers afkomstig van een inbraak vond. Veel meer dan heling heeft het gerecht hem dan ook niet ten laste kunnen leggen.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 366-368.)

Terug naar Brussel. Een langdurige ziekte van Lucien Courbe, maar ook propagandistische redenen - het was de tijd van de derde grote algemene staking - noopten Le Révolté tot een fusie met L'Emancipateur, dat sinds september 1910 onafgebroken te Luik verscheen, tot L'Action anarchiste (juli 1913). De samenwerking was echter van korte duur. De uiteenlopende visies op de tactische mogelijkheden van de algemene staking zorgden ervoor dat elk weer zijn eigen weg ging. In mei 1913 verscheen Le Révolté opnieuw, met als bestuurder achtereenvolgens de dertigjarige schilder-decorateur Albert Daenens, de zevenentwintigjarige schilder François Barbé en opnieuw Armand Lebrun. Daenens startte al vlug met een eigen blad, Haro!, dat mikte op de artistieke avant-garde en het zes maanden uithield. Spoedig daarna verdween ook Le Révolté, dat blijkbaar de eenmanszaak was geworden van Lebrun. In juli van datzelfde jaar pakte Lebrun nog uit met een nieuw blad, het hierboven vermelde L'Action anarchiste, dat niet verder raakte dan twee nummers.
De Fédération Anarchiste de Belgique was intussen reeds lang ter ziele gegaan. In het voorjaar van 1909 had het er nog goed uitgezien voor de federatie met de aansluiting van de groep van Flémalle van gewezen GCL-voortrekker Camille Mattart. Een oproep voor een congres kreeg toen veel respons van de groepen. De Brusselse Groupe Révolutionnaire bleek in Vlaanderen betere contacten te hebben dan de GCL en behield die vermoedelijk ook. Jean De Boe woonde met Kerstmis 1908 een bijeenkomst van de Vlaamse anarchisten bij. Léon De Roos ging zich vervolgens speciaal op de 'Vlaamse beweging' toeleggen en Lebrun woonde een tijd in Antwerpen. Het congres vond echter niet plaats. De zaak-Hartenstein kwam er allicht tussen.
In augustus 1909 vond door toedoen van Georges Thonar en zijn vrienden toch een anarchistisch congresje plaats. De Fédération Révolutionnaire, die in de marge ervan werd ontworpen, raakte niet van de grond en de Fédération Anarchiste kon er evenmin van profiteren. Le Révolté riep tevergeefs om nieuws uit de provincie, het was alsof de Vlaamse en Waalse kameraden bij al dat Brussels geweld de kat uit de boom keken. Vlaanderen beschikte overigens vanaf 1905 bijna ononderbroken over een eigen blad en eind 1910 werd in het Luikse met L'Emancipateur uitgepakt.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 368-369.)

Van Mechelse vrijdenkers en houtbewerkers.

Vanaf 1904 verscheen in Vlaanderen nagenoeg zonder onderbreking een anarchistisch blad. Er vonden trouwens ook een aantal exclusief Vlaamse congressen plaats. Dit kon evenwel niet verhullen dat de beweging er te kampen had met identieke problemen als in Franstalig België. Geen enkel blad kon werkelijk als orgaan van het hele Vlaamse anarchisme worden beschouwd. Elke groep stond bij wijze van spreken te springen om als ze maar enigszins kon haar eigen krant - als uitdrukking van haar eigenheid - uit te geven.
Mechelen bleek nog altijd de meeste troeven in huis te hebben. Nadat ze in 1904-1905 al mede Recht door zee hadden uitgegeven, pakten de Mechelaars in juni 1911 uit met Het Vrije woord dat tot augustus 1914 bleef verschijnen. Meer dan waar ook bleek het anarchisme te Mechelen verwant te zijn aan de vrijdenkerij. "Ons doel is : anarchie; onze wapens zijn : Waarheid en Rede; ons devies is : noch god, noch meester." Het blad verklaarde zich tegenstander van de staat én de godsdienst en het betoogde verder : "de strijd tegen gansch het parasietendom om te beginnen met den godsdienst om te eindigen met de politiekers alwaar zij ook uit onze klasse zijn voortgesproten. Zij allen knagen aan de weelderige plant die men vrijheid noemt..." De oppositie tegen de BWP werd dus niet verwaarloosd : "Gij zijt geworden : een 'demokratische zeer gematigde hervormingspartij', en de eerenaam 'Socialisten' komt u in lang niet meer toe."
Grote aandacht ging uit naar onderwijs en opvoeding. Consequent anarchistisch sprak Het Vrije woord zich uit tegen zowel het neutrale (officiële) als het vrije (katholieke) onderwijs. In het officiële onderwijs werden onder het mom van neutraliteit evengoed dogma's doorgegeven als in het vrije onderwijs : vaderlandsliefde, zelfs gondsdienstzin, het was kortom evenzeer gezagsgetrouw onderwijs. Deze anarchistische visie op het onderwijs, die eigenlijk als een consequent doorgetrokken vrijdenken kon worden beschouwd, stond haaks op het standpunt van liberalen en socialisten.
Het viel ons al op hoe in de jaren negentig de revolutionaire dissidentie in Vlaanderen banden vertoonde met de vrijdenkerij. Zo zette bijvoorbeeld de Mechelaar Frans Verbelen zijn eerste stappen binnen de socialistische beweging als secretaris van de plaatselijke Vrijdenkersbond en uitgever van Antikrist. Ook omstreeks 1910 vond het anarchisme gehoor binnen de Mechelse vrijdenkersbeweging. Katalysator hierbij was ongetwijfeld de beroering omtrent de dood van de vrijdenker en libertaire pedagoog Francisco Ferrer (cfr. biografie). Ferrer was onmiskenbaar een lichtbaken voor de denkbeelden van Het Vrije woord over onderwijs en opvoeding.
In april 1910 verscheen De Vrijdenker met als ondertitel Propagandablad tot verspreiding der Vrije gedachte. Het blad bevatte publiciteit voor de Propagandaclub van de Vrije gedachte en het deed een oproep "aan allen die zich losgemaakt hadden van partijen, klieken en fracties.' Het blad viseerde meer bepaald de politici die van de godsdienst een persoonlijke aangelegenheid hadden gemaakt. In oktober verscheen ter gelegenheid van de herdenking van de terechtstelling van Ferrer opnieuw een Vrijdenker. Het blad heette het orgaan der Vrije Groep van Mechelen te zijn en presenteerde zich als een zuiver vrijdenkersblad. De Mechelse anarchisten organiseerden rond de 'moord' op Ferrer ook enkele protestmeetings en zij steunden mede het initiatief om, in afwachting van een echte escuela moderna, een naar Ferrer genoemde Ontspanningsschool op rationalistische grondslag op te richten. In november 1911 ging de school van start met een vijfentwintigtal leerlingen.
Als het eerder vermeldde Het Vrije woord zich vanaf 1911 het Orgaan der Mechelsche Vrije Groepen noemde, dan moet daaronder de (anarchistische) Vrije Groep, in 1912 bekend als Wie denkt overwint, worden begrepen, maar mogelijk ook de verwante vrijdenkerskringen die net zoals de Vrije Groep in het lokaal van de Onafhankelijke Houtbewerkersbond onderdak vonden.
In Mechelen waren vrijdenken, anarchisme en neomalthusianisme ontegensprekelijk verwant. Hier viel het Belgisch Verbond ter Regeling van het Kindertal nagenoeg samen met de anarchistische beweging, en dat was uitzonderlijk. Binnen de anarchistische beweging bestond geen eensgezindheid over de neomalthusiaanse ideeën. Nogal wat anarchisten,
onder wie Emile Chapelier, meenden dat het neomalthusianisme een grotere menselijke vrijheid en waardigheid zou bewerken. Maar anderen zoals Thonar zagen er een burgerlijke opvatting in.
De verwantschap tussen het anarchisme en de Mechelse onafhankelijke vakbeweging van houtbewerkers bleek blijvend. We hadden het al over de rol die anarchist Jaak Bus in de jaren negentig als voorzitter van de Onafhankelijke Stoelmakersbond speelde. Vijftien jaar later blijken de anarchisten te vergaderen in het lokaal van de omstreeks 1895 gestichte, overkoepelende Onafhankelijke Houtbewerkersbond, die ze overigens "één der beste en meest vooruitstrevende bonden van Mechelen" noemden. Wat niet wegnam dat ze helemaal niet te spreken waren over de geringe opkomst van de houtbewerkers op de meeting van 11 november 1912 ter herdenking van de martelaren van Chicago, die dan toch de grondleggers van de ware éénmeibeweging waren.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 369-373.)

In de metropool. Intellectuelen en proletariërs.

De Antwerpenaar Denis De Swert alias Dony de Swert werkte mee aan Het Bouwvak, het orgaan van de Nationale Onafhankelijke Federatie van het Ameublement, Bouwvak en Aanverwante Vakken. Tegelijk was hij uitgever-beheerder van het anarchistisch blad Voorwaarts (1908-1909), dat samen met het eveneens Antwerpse De Opstandeling (1910) het Mechelse Het Vrije woord (1911-1914) zou voorafgaan.
Volgens de Brusselse Groupe Révolutionnaire had Voorwaarts een te sterk syndicalistisch cachet en was het te weinig principieel anarchistisch. Zoveel bleek op een bijeenkomst in Antwerpen met Kerstmis 1908 die mede door toedoen van de Brusselaars was georganiseerd en waar ook Sint-Niklaas en Gent vertegenwoordigd waren. Voorwaarts mocht dan het blad van de Vlaamse vrije groepen heten en ook een Gents adres hebben, het bleek vooral een Antwerpse aangelegenheid te zijn en zou dat ook blijven tot aan zijn verdwijning. De Brusselse afgevaardigde, Jean De Boe, verkreeg op de Antwerpse bijeenkomst weinig concrete toezeggingen na zijn oproep tot samenwerking op het vlak van anti-militarisme, werklozenactie en protest tegen de uitwijzingen.
In december 1909 werd opnieuw vanuit Antwerpen aan het Bulletin de l'Internationale Anarchiste bericht. De beweging had in de metropool blijkbaar nauwelijks voeling met de arbeidersbeweging. Er waren wel enkele anarchisten actief in de Diamantbewerkersbond, alsook in andere bonden, maar revolutionair-syndicalistische groepen bestonden er te Antwerpen niet. Voor de meeste kameraden bestond hun engagement in 'schrijven'. Ze hadden geen contact met de arbeidersmassa. Er waren veel vreemdelingen bij en dan vooral Nederlanders die geen 'Vlaams' spraken. De hele Vlaamse propaganda concentreerde zich overigens in Antwerpen. Ondanks al die beperkingen toonde de Antwerpse correspondent van het Bulletin de l'Internationale Anarchiste zich deze keer bijzonder tevreden over de plaatselijke werking.
Het leverde hem meteen een repliek op van Nestor Cile Van Diepen, ongetwijfeld een Nederlander. Volgens hem was het verslag geheel en al verzonnen. Er bestond in Antwerpen al jaren geen beweging meer die zich zo mocht noemen. Enkel in de jaren 1890-1896 had er zoiets bestaan volgens Van Diepen. De beweging die in 1905 ten gunste van stadgenoot Edward Joris was gelanceerd, had de boel opnieuw wat leven ingeblazen, maar een echte anarchistische agitatie kon dit niet worden genoemd, veeleer een brede solidariteitscampagne. Terloops : Turks correspondent van Ontwaking, Edward Joris, werd in juli 1905 te Constantinopel gearresteerd op beschuldiging van medeplichtigheid aan een Armeense aanslag op de Turkse sultan Abdul Hamid. (Hij werd ter dood veroordeeld, maar de executie werd uitgesteld en hij zou in 1907 zelfs vrijkomen.)
In die tijd vergaderden de Antwerpse anarchisten in een kapel, maar de intellectuelen domineerden er en het kwam tot een scheuring. Hier werd ongetwijfeld gealludeerd op het avant-gardecenakel De Kapel dat een uitgesproken anarchistische fractie herbergde en de bakermat vormde van Ontwaking. De hoofdredacteur van die krant, Victor Resseler, onderhield nog banden met de 'proletarische' bladen Opstanding en Voorwaarts tot 1908. Zijn 'intellectuele' uitgave Ontwaking zou in 1910 definitief elk anarchistisch karakter verliezen en Resseler zelf zou toetreden tot de Liberale Volkspartij.
Maar laten we terugkeren naar het kritische relaas van Van Diepen. De anarchistische groep die uit de scheuring tussen intellectuelen en arbeiders voortkwam, hield zich volledig afzijdig bij de grote dokstaking in 1907, toen het klimaat bij uitstek revolutionair was. Ze hield zich liever bezig met literatuur, enz... De groep wist zelfs geen krant in leven te houden, bedoeld was ongetwijfeld de tweede jaargang van Opstanding dat in 1906 vanuit Sint-Joost-ten-Noode door W. Schouteten was gelanceerd.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 374-376.)

Opstanding, 3 juni 1906

Opstanding, 3 juni 1906 (KUL, Centrale Bibliotheek); Cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 375.

De tweede beweging ten voordele van Joris in 1907 was ook al niet specifiek anarchistisch en werd gevolgd door een inzinking in de propaganda. Ook Voorwaarts in 1908-1909 en de gelijktijdige pogingen om de groep te reactiveren konden niet worden volgehouden. De beweging voor Ferrer in 1909 was opnieuw een intellectuele, humanitaire, maar geen anarchistische beweging. Het Antwerpse anarchisme had van in het begin aan bloedarmoede geleden en had niets ernstigs weten te bereiken, nog steeds volgens Van Diepen. De beweging werd gekenmerkt door een tegenstelling tussen de Vlamingen en de enkele Nederlanders die er bedrijvig waren. Kortom, er waren in Antwerpen nauwelijks overtuigde militanten. Hoe Nederlands en 'ouvrieristisch' gekleurd zijn uiteenzetting ook was, we hebben weinig redenen om te twijfelen aan de 'krachtlijnen' die Van Diepen van de beweging uittekent en die au fond overeenkwamen met het voorafgaande enthousiastere overzicht : de specifiek anarchistische propaganda beperkte zich tot een weinig continue pers en de band met de arbeidersbeweging was zwak.
In 1910 kwam er toch weer een blad, De Opstandeling, dat het ongeveer een jaar zou uithouden, maar waarvan slechts enkele nummers bewaard bleven. Uitgever was F.S. Van Bockel. Daarna was het wachten op enig teken van leven uit Antwerpen. In het voorjaar van 1913 lieten de plaatselijke Vrije Groep en zijn secretaris De Swert opnieuw van zich horen. De groep organiseerde een propagandatocht op het platteland en een meeting met de Nederlander G. Rijnders over de voorbije algemene staking.
Vrijwel gelijktijdig vond te Mechelen een bijeenkomst plaats van de Vlaamse anarchisten met deelnemers uit Leuven, Gent, Antwerpen, Mechelen, enz... Hier werd het probleem van het gebrek aan Vlaamse sprekers aangekaart. De Mechelaar Frans Verbelen en de Gentenaar Jean-Baptiste Schaut alias Adamas alleen volstonden niet. Een cursus diende soelaas te brengen. Verbelen zou trouwens ook het woord voeren op de grote antimilitaristische manifestatie van 31 augustus 1913 te Den Haag. (De Antwerpenaars hadden toen een extra trein laten inleggen waarop uiteindelijk slechts een handvol manifestanten plaatsnamen.)
Het kerstcongres in Antwerpen met afgevaardigden uit Mechelen, Leuven, Brussel en Ukkel zou de meningsverschillen niet doen verdwijnen. In mei waren de Antwerpse anarchisten ook opnieuw gestart met een eigen blad, Opstanding, terwijl Het Vrije woord bleef verschijnen. Wat er van de Antwerpenaars ook mocht worden beweerd, als krantenmakers kwamen ze beter voor den dag dan de Gentenaars, die na jaren stilte pas omstreeks 1904 zich opnieuw manifesteerden. In oktober van dat jaar vond voor een vrij groot gehoor een debat plaats tussen de Nederlander Izak Samson en de Brusselaar Jean Robyn alias Jean Hardy aan de ene kant, en de Gentse socialist Jan Samijn aan de andere kant. En nog diezelfde maand kwam een Nederlander, de Tolstojaan Lodewijk Van Nierop, spreken op een bescheiden revolutionaire, antimilitaristische meeting.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 376-378.)

Anarchisme en vrij socialisme te Gent.

In Gent leek het anarchisme onder de Jonge Wachters opnieuw enige respons te krijgen. In ieder geval waren in augustus 1904 binnen de SJW de vormingscursussen gestaakt omdat er te veel werd gediscussieerd over anarchie, socialisme, parlementarisme en antiparlementarisme. In Vooruit werd toen ook geregeld van leer getrokken tegen het anarchisme en in het bijzonder tegen Domela Nieuwenhuis die in zijn Vrije socialist de Gentse BWP en Anseele niet spaarde.
Aan de radicalisering van de SJW kwam vooralsnog geen einde. In 1905 organiseerde de SJW een debat tussen Hendrik De Man en een anarchist, maar ook in dat jaar werd de SJW-er Prosper Plasschaert uit de partij gezet wegens anarchistische sympathieën. De Man dan weer was lid van de studentenkring Ter Waarheid, die in 1904 was afgescheurd van een liberale kring. In de nieuwe groep domineerden socialistische ideeën, gaande van het anarchisme van Leo Picard tot het marxisme van De Man, dat alles gecombineerd met een radicaal flamingantisme. Als eerste initiatief gaf de groep Vermeylens Kritiek der Vlaamsche beweging opnieuw uit.
Vrijwel gelijktijdig roerde er zich wat bij het personeel van de Voorruit. De pas opgerichte bediendenbond kreeg op het partijbestuur te horen dat hij anarchistisch was. Dat hun secretaris de verdediging opnam van Maurits Heyman, die ontslagen was wegens anarchistische sympathieën, kon de bestuurders alleen maar in hun mening sterken. Van diverse zijden werd in die tijd het personeelsbeleid van Vooruit op de korrel genomen, zo ook in De Vrije socialist van Domela Nieuwenhuis. Verder was het ook de tijd van de eerste Russische revolutie die ongetwijfeld de kritiek op het 'reformisme' in de hand werkte.
De Gentse anarchisten lieten steeds meer van zich horen. Zo vroegen zij de socialisten om samen meetings te organiseren naar aanleiding van de Russische gebeurtenissen. Een van hen, Henri Janssens, was aanwezig op één van de stichtingscongressen van de Belgische CGT in juni 1905 en werd trouwens lid van het voorlopig comité van die CGT. Met weinig succes verdedigde hij daar de oprichting van werklozenkassen naar Gents model, wat door historicus Guy Vanschoenbeek als 'anarcho-reformisme' geïnterpreteerd wordt. Mogelijk vertegenwoordigde Janssens daar toen al de bescheiden Gemengde Vakbond waarvan hij stichter was. Deze bond telde in 1906 164 leden en was naar verluidt aangesloten bij de CGT.
Wat er ook van zij, in 1906 pakten de Gentse anarchisten ook enige maanden met een eigen blad uit : Ter Waarheid. Uitgever was de bij Vooruit ontslagen bediende Maurits Heyman.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 378-380.)

Ter Waarheid, 29 april 1906.

Ter waarheid, 29-4-1906 (Amsterdam, IISG); cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 379.

Maar toch ging het niet goed met de beweging. In juli 1907 gaf Heyman een stand van zaken in het revolutionair-syndicalistische blad L'Action directe : de anarchisten waren te weinig talrijk en in te veel sectoren tewerkgesteld om een echte vakbond te kunnen vormen. Wel hadden ze een zekere invloed in de pas gevormde bond van bakkers die de klassenstrijd en de politieke onafhankelijkheid voorstond. En ook bij de vorming van de bond van arbeiders uit de sector van de krantendistributie en bij de bond van trampersoneel waren zij betrokken. In 1907 werd door toedoen van de Antwerpse diamantbewerkers het onafhankelijke Belgisch Vakverbond gevormd. Dit initiatief werd door de socialist Camille Huysmans bijzonder bestreden, ook te Gent op een meeting, waar de Mechelse anarchist Verbelen met hem in de contramine ging. Huysmans zou bij die gelegenheid beweerd hebben dat zijn grote vriend, Kropotkin, hem had toevertrouwd dat het parlementarisme een noodzaak was geworden. Prompt had de Gentse correspondent, Heyman, de Russische anarchist een brief geschreven. Het antwoord kwam per kerende post. De bewering van Huysmans werd formeel gelogenstraft !
Eind 1908 stuurde Maurits Heyman, secretaris en penningmeester van de Gentse Vrije Groep, allicht een te rooskleurig rapport naar het Bulletin van de Anarchistische Internationale. De groep, die tien jaar tevoren door een tiental kameraden was opgericht, telde in 1908 - aldus Heyman - 114 leden. Een en ander moet worden gerelativeerd. Sinds jaren was van georganiseerd naar buiten treden in elk geval geen sprake meer en van de oud-strijders is achteraf enkel Adamas nog bekend. Dat er al die tijd een informeel anarchistisch weefsel bleef voortbestaan, is daarentegen zeer goed mogelijk. De Vrije Groep kwam bijeen in de Parnassus, de zaal waar in 1877 het internationaal socialistisch congres plaatsvond. Bij gebrek aan "organisation visible, véritable" had de groep gedurende jaren alle propaganda op de BWP geconcentreerd, maar het was preken in de woestijn gebleven. Volgens Heyman hadden de anarchisten zich sinds 1907 met meer succes in de vakbeweging begeven. Er was bijvoorbeeld een kleine Onafhankelijke Schildersbond gesticht, met een zestigtal leden, en verder was er ook de Vrije Gemengde Vakbond met 125 leden en de Vrije Dokwerkersbond met 100 leden. Samen vormden zij een verbond dat een revolutionair programma aannam. Zeker niet alle leden waren anarchisten, maar iedereen was het eens over de noodzaak van directe actie. In het bijzonder de Onafhankelijke Schildersbond zou revolutionair-syndicalistisch zijn geweest. Voor die bond en de Vrije Gemengde Vakbond werden in het anarchistisch blad Voorwaarts ook aankondigingen opgenomen en die bonden vergaderden net als de Vrije Groep in de Parnassus. En er werd nog een spoedige aansluiting van 250 metaalbewerkers en een honderdtal houtbewerkers in het vooruitzicht gesteld. De Onafhankelijke Houtbewerkersbond zou al in 1900 bestaan hebben en in 1912 telde hij nog een 138 leden. Ook de bond van de Onafhankelijke Schilders blijken in 1910 nog te bestaan. Ze zouden mede aan de basis gelegen hebben van de Nationale Onafhankelijke Federatie van het Ameublement, Bouwvak en Aanverwante Vakken. De zetel van deze federatie was te Mechelen en de redactie en administratie van haar blad, Het Bouwvak. Le Bâtiment, waren in Gent gevestigd, op de Houtlei 42, het adres van de Parnassus. Het blad was in 1910 aan zijn tweede jaargang toe. Uitgever was J. Michiels van de Onafhankelijke Schildersbond, die ongetwijfeld ook de Jan Michiels was die in het anarchistische Ter Waarheid schreef én adverteerde voor pleisteren borstbeelden van de internationaal bekende, Franse anarchisten Elisée Reclus en Louise Michel. De Gentse Verbroederde Schrijnwerkers en Timmerlieden waren eveneens bij de nationale federatie aangesloten, alsook de bouwvakkers van Gent en omgeving, en de bouwvakkers en de Onafhankelijke Houtbewerkers van Eeklo. Op de koop toe was er toen te Gent een Federatie van Onafhankelijke Vakbonden bedrijvig. In 1912 bleken redactie en administratie van het blad Het Bouwvak nog altijd te Gent gevestigd te zijn. En tenslotte in oktober 1913 nam het Gents Onafhankelijk Verbond deel aan het congres dat de stichting van een nieuw Belgisch Vakverbond moest voorbereiden.
Hoe groot het aandeel van de anarchisten bij dit alles was, is niet zo duidelijk. Historicus Guy Vanschoenbeek verwijst in verband met de onafhankelijke of vrije schilders en dokwerkers naar de zogenaamde 'vrije socialisten' te Gent. Zij mogen niet met de anarchisten worden verward. Vrij socialisme had te maken met dissidentie binnen de BWP. Ze concentreerde zich rond twee gemeenteraadsleden, die vanaf 1907 onder de benaming 'vrije socialisten' hun kans waagden in de verkiezingen. Verder waren enkele leden van deze radicale, socialistische strekking ook actief in de vakbeweging. Het is niet makkelijk om hun daar te onderscheiden van de revolutionaire (anarcho-)syndicalisten. De disidentie van de vrije socialisten viel samen met een periode van gerommel binnen de Vooruit én van tijdelijke heropleving van het anarchisme. Na 1909 leek dit kortstondig, anarchistisch hoogtepunt al weer voorbij.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 380-384; G. VANSCHOENBEEK, De wortels van de sociaal-democratie in Vlaanderen..., p. 298-299, 301-305, 310-313, 318-320, 502-503, 509.)

Centralisme of federalisme ?

De revolutionaire beweging in Wallonië bleef er wat verweesd bij zitten na het wegdeemsteren van organisaties als de GCL en de Fédération Anarchiste, de CGT en het Belgisch Vakverbond, en niet te vergeten het verdwijnen van bladen als L'Insurgé en L'Action directe. Het Brusselse Le Révolté kon deze leemte niet vullen, maar toch duurde het nog tot september 1910 vooraleer te Luik een nieuw anarchistisch blad het licht zag, L'Emancipateur. Voor de redactie was de anarcho-syndicalist Jean Kroonen verantwoordelijk, voor de administratie L. Pleyers. Het blad was een strijdbare vakbeweging genegen. Diverse medewerkers waren actief geweest of waren het nog in de revolutionaire syndicalistische beweging : Camille Brassinne, Nicolas Pipelaert, M. Nottet, Victor Rousselle, G. Delincé, J.P. Voos, Jules Ledoux. Dat impliceerde evenwel niet dat het blad het revolutionaire syndicalisme op zich voldoende achtte. De ondertitel Organe communiste-anarchiste révolutionnaire was ongetwijfeld al een aanduiding in die richting. Toch gooide het blad zich volop in de strijd tegen de centralisatie van de vakbeweging zoals de socialisten die toen onder meer te Luik wilde bewerkstelligen.
Lucien Hénault was in 1902 officieel uit de Luikse BWP gezet, maar in de vakbeweging had de partij de eerstvolgende jaren nog geen vrij spel. Vanuit de coöperatieve beweging daarentegen werd menig werk van de partij gesteund, al was ook daar van een zekere anarchistische invloed sprake. Een groepsnaam als Les Libertaires wees in die richting en het anarchistische blad Le Réveil des travailleurs was de coöperatieve beweging niet vijandig gezind. Haar verankering in de Luikse La Populaire zal daar niet vreemd aan zijn geweest. En in 1903 toonde ook het nieuwe blad, L'Insurgé, zich een uitgesproken voorstander van de economische groepen. Maar over meer dan zeer algemene aanduidingen van een anarchistische aanwezigheid in deze groepen beschikken we niet.
Vanaf 1908-1909 poogde de socialisten de vakbeweging naar Duits model te centraliseren. Tegelijk moesten de bonden door hoge, gecombineerde bijdragen sterke kassen opzetten : werkloosheids-, stakings-, ziekte- en pensioenkassen. In 1908 werd de Centrale Régionale de Liège in het leven geroepen waartoe onder meer de mijnwerkersbond van het Plateau van Herve, maar ook de oude Luikse Fédération des Mineurs en nog een aantal andere bonden als die van Tilleur en Jemeppe toetraden. De twee volgende jaren had de provinciale centrale veel toeloop.
Anarchisten en revolutionaire syndicalisten konden bij dit centralistisch offensief niet afzijdig blijven. Tegenover het socialistisch centralisme plaatsten zij het federalisme. Deze strijd kreeg in de Luikse mijnwerkersgemeenschap trouwens de allure van een kleine krachtmeting. Het hoogtepunt daarbij vormde ongetwijfeld het debat tussen de socialist Louis de Brouckère en de anarchist Henri Fuss op 31 december 1911 in La Populaire te Luik. De federalisten dolven het onderspit. De volgende jaren traden de meeste locale mijnwerkersbonden toe tot de socialistische provinciale mijnwerkerscentrale. In 1914 gold deze Luikse mijnwerkerscentrale voor de andere mijnbekkens als een voorbeeld van een moderne, gecentraliseerde vakbeweging.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 384-386.)

1913. Wetenschappelijk staken en subtiele diplomatie.

Behalve het verzet tegen de centralisatie van de vakbeweging predikten de anarchisten de onthouding bij verkiezingen. Het was niet de eerste keer dat dit gebeurde. Al in 1902, 1903, 1904 en 1906 had Le Réveil des travailleurs en daarna L'Insurgé manifesten de wereld ingestuurd met de oproep blanco te stemmen. Voor de verkiezingen van 1912 kwam men in dat opzicht tot een coördinatie tussen verschillende anarchistische bladen, het Mechelse Het Vrije woord incluis. Het resultaat was een manifest dat voor heel België moest dienen : Les anarchistes aux électeurs. De boodschap loog er niet om : "Voter c'est abdiquer. Voter c'est légitimer son esclavage. A bas la duperie parlementaire ! L'émancipation des travailleurs sera l'oeuvre des travailleurs eux-mêmes."

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 386.)

Les Anarchistes aux Electeurs, 2 juni 1912.

Les Anarchistes aux électeurs. Elections législatives du 2 juin 1912. (Amsterdam, IISG, Fonds Max Nettlau...); Cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 387.

Desalniettemin mag de invloed van de anarchistische propaganda op de verkiezingen niet overschat worden. Veelbetekenend is immers dat de anarchistische pers noch in 1912, noch bij andere verkiezingen aanspraak maakte op enige verdienste.
Maar door deze beperkte campagne had men blijkbaar wel de smaak van samenwerking te pakken gekregen, want vanaf juli van dat jaar kwam in L'Emancipateur andermaal een discussie op gang over de noodzaak van een samenwerkingsverband. Begin 1913 besloten op een bijeenkomst in Luik de meerderheid van de aanwezige Luikenaars en van de vertegenwoordigers van Antwerpen en Brussel opnieuw een federatie in het leven te roepen : de Fédération Communiste Anarchiste. Er werd een comité opgericht met als secretaris Julien Delville en de federatie stak van wal met een landelijk verspreide antimilitaristische affiche en een speciaal nummer van L'Emancipateur over militarisme en patriottisme. De daaropvolgende gerechtelijke vervolging zette echter spoedig een domper op de activiteiten van deze Fédération Communiste Anarchiste.
Ondertussen zaten ook de socialisten niet stil. Door de verkiezingsoverwinning van de katholieken in 1912 bleven de liberalen in de oppositie. De socialisten, die aan hun linkerflank opereerden, zagen meteen hun strategie, om met een anti-klerikale meerderheid het zo begeerde algemeen stemrecht te veroveren, de dieperik ingaan. Binnen de BWP gingen de poppen aan het dansen. Een algemene staking was niet meer te vermijden, maar de leiding van de partij zou er stevig haar stempel op drukken. Alle vorige algemene stakingen hadden hun spontaneïteit gemeen, hun plotse uitbarsting van volkswoede. In 1913 zou dat niet meer het geval zijn. Geen onvoorbereide, impulsieve en woelige staking meer : de algemene staking moest wetenschappelijk worden georganiseerd. De stakers moesten tot elke prijs in toom worden gehouden en met het oog daarop werd een eigen ordemacht gevormd. De arbeiders werden drooggelegd en tegelijk wilde men hen verstrooien met culturele en andere opvoedende activiteiten. Want had de katholieke regeringsleider graaf Charles de Broqueville de algemene staking niet het voorspel van de anarchie genoemd ?! Op 12 maart viel het voorlopig verdict : voor een grondwetsherziening dienden de kiezers geraadpleegd, en de volgende verkiezingen zouden pas in juni 1914 plaatsvinden.
In maart 1913 fuseerde het Luikse blad L'Emancipateur met het Brusselse Le Révolté tot L'Action anarchiste. De anarchisten wilden, nu de politieke en sociale conjunctuur weer eens in opwaartse zin leek te evolueren, hun krachten bundelen om de anarchistische ideeën onder de massa uit te dragen. Met L'Action anarchiste betuigden ze hun sympathie voor spontane volksbewegingen, evenals voor een vakbeweging die afgestemd was op directe actie en economisch federalisme. Het blad was fundamenteel gekant tegen elk reformisme. Het grote doel was "la Révolution en bas".
Eind maart kwam opnieuw een buitengewoon congres van de BWP bijeen en op 14 april ging de algemene staking van start. 375.000 à 450.000 werknemers legden het werk neer. Een week later werd in het parlement een liberale motie aangenomen die de oprichting vroeg van een parlementaire commissie ter bestudering van het gemeentelijk en provinciaal kiesrecht en ook de Broqueville had laten vallen dat een grondwetsherziening niet uitgesloten was. Voor de BWP was dit blijkbaar voldoende om de staking na amper tien dagen af te blazen.
De houding van de anarchisten tegenover deze algemene staking was aan evolutie onderhevig. Aanvankelijk was de afwijzing totaal, maar op de valreep bleek dat de meningen uiteenliepen omtrent de te volgen tactiek. Sommigen bleven de partijpolitieke staking volledig afwijzen terwijl een andere fractie, waarvan Jean Kroonen een woordvoerder was, zich rekenschap gaf van het oneigenlijk gebruik dat van de algemene staking werd gemaakt, en zich niet wilde distantiëren van de arbeiders. De socialistische BWP-leiders hadden in hun ogen de beweging waar ze eerst zo tegen waren, geaccapareerd en vervolgens stopgezet na een groteske (parlementaire) vertoning. Zij hadden elke notie van klassenstrijd verloren.
Bovendien was alles opnieuw te beginnen toen in 1914 de verkiezingen weerom teleurstellend uitvielen voor de antiklerikalen...

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 386-392.)

La Grève Générale politique & les anarchistes.

La Grève Générale politique & les anarchistes. Réponse aux jésuites rouges. (Amsterdam, IISG, Fonds Max Nettlau...); Cfr. J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 391.

Het Belgisch Vakverbond tweede uitgave.
De Luikse revolutionair-syndicalistische beweging lag niet lam. In 1908 was er sprake geweest van een verruiming van de Luikse Fédération du Travail tot een regionale organisatie en verscheidene lokale syndicaten uit Verviers, uit de Vallée de l'Amblève en uit Luik zelf zochten toenadering. De federatie ging vooruit in ledental en de activiteit leek te hernemen met wat het begin van een campagne naar de werklozen toe kon heten. Daarna was het een tijdje stil rond de Luikse federatie, maar in november 1910 werd er terug werk gemaakt van de verruiming van stedelijk naar provinciaal verbond.
In april 1913, aan de vooravond van de algemene staking, hield de Union des Syndicats de la Province de Liège, want zo heette de nieuwe organisatie, haar tweede congres. In haar statuten werd de klassenstrijd, de autonomie van de aangesloten bonden en de onafhankelijkheid tegenover de politiek beklemtoond. Maar in de praktijk ging veel aandacht uit naar economische kwesties als lonen, arbeidsreglementen, werkloosheid, arbeidsongevallen, enz... Erg revolutionair klonk het allemaal niet.
Van de oude Fédération du Travail bleef in de Union des Syndicats de la Province de Liège enkel nog de houtbewerkersbond over, ongetwijfeld de ruggegraad van de oude en de nieuwe organisatie. Deze bond groepeerde zowel schrijnwerkers, meubelmakers als beeldhouwers en telde in 1912 een zeshondertal leden. Nieuw was het Syndicat des Mécaniciens, het Syndicat des Services Publics en de Union des Métiers van Tilleur en Jemeppe (twee mijnwerkersbonden). In 1914 werd het ledenverlies dat houtbewerkers en mecaniciens toen leden gecompenseerd door de toetreding van nog drie groepen, waaronder een mijnwerkersbond uit Ham-sur-Sambre. En er waren contacten met syndicalisten uit de Vesdervallei en uit Verviers, al kwam het niet tot een doorbraak richting Verviers. De Union des Syndicats groepeerde 1.000 à 1.500 leden waarvan, op de houtbewerker Mathieu Demoulin na, de meesten nieuwkomers waren.
Verschillende oudgedienden van de Fédération du Travail bleken wel mee te werken aan het anarchistisch blad L'Emancipateur. In juni 1913 pakte de Union des Syndicats uit met een eigen blad : L'Action ouvrière. Dit blad deed het niet slecht en haalde in 1914 een oplage van 2.300 exemplaren. Een aantal leden van het redactiecomité doen aan medewerkers van L'Emancipateur en L'Action directe denken : Nicolas Pipelaert van de mijnwerkers van Jemeppe, de mecaniciens Camille Brassinne en M. Nottet en tenslotte J.P. Voos van Jemeppe. Organe syndicaliste fédéraliste, kreeg het blad als ondertitel mee. De term 'syndicalistisch federalisme' bleek overigens steeds meer in de plaats van 'revolutionair syndicalisme' gebruikt te worden. Federalisme werd dan uitgespeeld tegen het centralisme van de BWP. Toch bleef men zich nog vaak revolutionair-syndicalistisch noemen, tot in congresresoluties toe. Uit het blad sprak dus een duidelijk revolutionair engagement, meer zelfs dan uit de statuten van de Union. Het bepleitte een terugkeer naar de bronnen van het socialisme, naar de (Eerste) Internationale, naar Proudhon die volgens James Guillaume, de anarchistische geschiedschrijver van de Internationale, de vader van het arbeiderssocialisme was. De vroegere arbeidersbeweging in de Jura, te Parijs en in de Vesdervallei waren voorbeelden van dat zuivere 'basissocialisme'. Als einddoel van L'Action ouvrière gold onveranderlijk de afschaffing van de loonarbeid en de schepping van een samenleving zonder meesters.
Met het oog op de nakende algemene staking en de dreigende oorlog lanceerde de Union des Syndicats het manifest Aux soldats. De Union stuurde ook een afgevaardigde (Demoulin) naar het internationaal revolutionair-syndicalistisch congres dat in de herfst van 1913 te Londen plaatsvond en ze drukte haar solidariteit uit met de wegens haar antimilitarisme zo vervolgde CGT. Vol heimwee werd teruggeblikt op de geest van opstandigheid die de arbeidersklasse voor haar inkapseling door de politiek bezielde en waaraan zij sinds 1886 alle sociale hervormingen dankte.
De Luikse Union des Syndicats lag samen met de Nationale Onafhankelijke Federatie van het Ameublement, Bouwvak en Aanverwante Vakken aan de basis van een nieuw onafhankelijk Belgisch Vakverbond. In oktober 1913 vond in Luik een eerste congres plaats. Een 65-tal afgevaardigden vertegenwoordigden 32 bonden en 8.500 leden : mijnwerkers, houtbewerkers, metaalarbeiders, bedienden, bouwvakkers, juweliers, typografen. Ze kwamen uit diverse steden : Luik en omgeving, Verviers, Ham-sur-Sambre, Brussel, Mechelen, Antwerpen, Gent, Eeklo, Oostende, Brugge, enz... Het rapport van de Luikse Union des Syndicats, dat Mathieu Demoulin hier naar voor bracht, begon behoorlijk revolutionair. Het legde de nadruk op de politieke neutraliteit en de autonomie van de deelnemende bonden. Klassiek ook was het pleidooi voor opvoeding tot zelfbewuste individuen en voor vrijheid van meningsuiting : de revolutie in de geesten zou aan de omverwerping van het kapitalisme voorafgaan. Naar het voorbeeld van de Franse CGT stonden de Luikenaars de directe actie voor en de klassenstrijd moest als een rode draad door de actie lopen. Dit Luikse rapport werd vrijwel unaniem door de congressisten goedgekeurd en verder eisten de statuten van het nieuwe Vakverbond de volledige politieke onafhankelijkheid van de aangesloten groepen. Het voorlopig comité was er één van houtbewerkers : eens te meer Mathieu Demoulin uit Luik, voorts Frans Aertsens uit Mechelen en H. Dinnewet uit Gent.
Twee maanden later, met Kerstmis 1913, werd te Brussel het Belgisch Vakverbond, tweede uitgave, definitief opgericht. De zetel was in de hoofdstad gevestigd en Van den Bossche en Putt, beiden van de Brusselse Onafhankelijke Bedienden, waren respectievelijk secretaris en penningmeester. In het bureau zaten onder meer de houtbewerkers Emiel Meire van Gent, Mathieu Demoulin van Luik en Frans Aertsens van Mechelen.
De Luikse Union des Syndicats zat intussen niet stil. Er waren plannen voor een campagne gericht op vooral Vlaamse bouwvakkers, enenals op de fabrieksarbeiders, voor een vrouwenwerking, voor een Fédération des Mineurs, voor een juridische dienst, enz... Het Belgisch Vakverbond dan weer plande een nieuw congres voor augustus 1914. Het feest zou gezien de Duitse invasie op 4 augustus geen doorgang hebben.

(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 392-396.)

De Eerste Wereldoorlog.
De antimilitaristische actie vormde een vaste waarde in het anarchistische en revolutionair-syndicalistische optreden en vormde in België zeker na 1900 de aanleiding tot vervolging van anarchisten en revolutionaire syndicalisten. Centraal in de antimilitaristische beweging stond de vraag : "Wat te doen in geval van oorlog ?" Het antwoord op deze vraag was relatief eenvoudig : wanneer een oorlog uitbrak, zouden de arbeiders een algemene staking en opstand uitroepen.
Maar sinds de eeuwwisseling werden belangrijke bedenkingen geformuleerd ten aanzien van dit antimilitaristisch axioma. Bijvoorbeeld in Frankrijk maakte de CGT flink wat voorbehoud. Het was haar uitdrukkelijke wens dat daarover binnen de arbeidersbeweging een internationale consensus tot stand kwam.
De internationaal bekende anarchist Peter Kropotkin zou in 1905 eigenlijk dezelfde bedenkingen verder uitspinnen in een polemiek met zijn kameraden van Les Temps nouveaux. Volgens Kropotkin was het niet voldoende dat bij een militaire agressie tegen Frankrijk de dienstplichtigen in staking gingen. Het kwam erop aan het grondgebied te verdedigen tegen de imperialistische, burgerlijke 'horden' van de Duitse, Engelse en Russische overweldigers teneinde de revolutie te beveiligen. "Faisons la révolution et courons aux frontières, comme soldat de la révolution" was voor Kropotkin het devies. Volgens hem moesten de antimilitaristen elke natie verdedigen die aangevallen werd door een militaristische staat en die te zwak was om zichzelf te verdedigen. Kropotkin bracht hiermee een nieuw geluid in de discussie. Maar Charles Albert van Les Temps nouveaux verweet Kropotkin van de militanten te eisen terzelfder tijd zowel antimilitaristisch-revolutionair als nationalistisch te zijn. Op de keper beschouwd ging het immers om niets minder dan een feitelijke toegeving aan de idee van de nationale verdediging onder kapitalistisch regime. Nu, de discussie duurde niet zo lang. Ter linkerzijde vermeed men het probleem uit te spitten. Ofwel zweeg men, ofwel bleef men verder bij gelegenheid het wat gemakkelijke 'oorlog aan de oorlog door middel van algemene staking en opstand' in de mond nemen, zonder daar dieper op in te gaan.
Op 16 juni 1907 werd in Den Haag een protestmeeting gehouden tegen het gehuichel van de (tweede) vredesconferentie die toen daar doorging. De Mechelaar Frans Verbelen voerde er het woord naast de Nederlander Ferdinand Domela Nieuwenhuis en anderen. Zes jaar later, op 31 augustus 1913, vormde de opening van het Vredespaleis in Den Haag de aanleiding voor een meeting met werkelijk internationale allure. Opnieuw Verbelen sprak er samen met Domela Nieuwenhuis, de dominé Schermerhorn, de Fransman Pierre Martin en de Duitser Fritz Kater. Op 16 augustus 1914 ging ook te Antwerpen een internationale anarchistische meeting door met een keur van anarchistische sprekers uit buiten- en binnenland. Het initiatief ging uit van de Nederlandse Sociaal-Anarchistische Actie en de Antwerpse Vrije Groep die overigens niet om grote projecten verlegen zat. Het plan leidde tot grote verwarring in de anarchistische pers en uiteindelijk haakten de Nederlanders af. In België wekte het project intussen wel belangstelling van diverse groepen, onder meer uit het Luikse, zodat de meeting, zij het met voor het merendeel andere sprekers dan voorzien, toch zou doorgaan.
Van 28 augustus tot 5 september 1914 moest te Londen nog een nieuw anarchistisch congres plaatsvinden. Maar nationale grenzen en frontlinies trokken evenwel een dikke streep door het internationalistisch streven van de anarchisten. Op 29 juli 1914, een maand na de aanslag in Sarajevo, nam het Bureau van de Tweede Internationale, met onder meer Jean Jaurès, Pieter Jelles Toelstra, Rosa Luxemburg, Emile Vandervelde en Camille Huysmans eenparig een motie aan tegen de oorlog. Op 31 juli werd de Franse socialist Jaurès, die grotendeels voor de motie verantwoordelijk was, vermoord. Diezelfde dag stuurde Duitsland ultimatums aan Frankrijk en Rusland en ging de Belgische regering over tot de algemene mobilisatie. Op 4 augustus vielen dan Duitse troepen België binnen...
In Frankrijk gehoorzaamden de anarchisten vrij algemeen aan het algemene mobilisatiebevel van 1 augustus. Maar op het thuisfront bij de Franse anarchisten en op het internationale Londense forum openbaarden zich al vlug diepgaande meningsverschillen over de traditionele anarchistische familiegrenzen heen.
Op 2 augustus verscheen in Luik het laatste nummer van L'Emancipateur. "Guerre à la guerre" blokletterde het blad. De Belgische arbeiders dienden op het bevel tot mobilisatie te antwoorden met een algemene staking en van de economische ontreddering gebruik te maken om de burgerij te onteigenen. Zo zouden zij één lijn trekken met hun broeders uit de buurlanden. "A bas la guerre, vive la révolution sociale."
Maar in november verschenen in het Londense Freedom artikels van Peter Kropotkin, Jean Grave en Varlaam Tsjerkezov, alsook een brief van de Mechelse anarchist Frans Verbelen, waarin ondubbelzinnig werd gepleit voor steun aan de geallieerden.
De Italiaanse anarchist Errico Malatesta reageerde beslist : "Anarchists have forgotten their principles". En in het voorjaar van 1915 gaven Malatesta, de Amerikaanse Emma Goldman, Ferdinand Domela Nieuwenhuis en anderen, ook Fransen, een manifest uit onder de titel L'Internationale et la guerre. Zij weigerden het onderscheid te maken tussen defensieve en offensieve oorlogen. En het kwam erop aan van alle onvrede gebruik te maken om zo vlug mogelijk de revolutie uit te lokken.
In maart 1916 was het weer de beurt aan de 'oorlogsgezinden' met hun Manifeste des Seize. Die zestien, dat waren opnieuw Kropotkin, Grave, Tsjerkezov, maar ook Charles Malato, de Nederlander Christiaan Cornelissen en twee Belgen : Jules Moineau en Henri Fuss. De laatste zou trouwens oorlogsvrijwilliger worden. Het was hun overtuiging dat er geen vrede kon zijn zolang het Duitse volk er niet mee ophield het werktuig te zijn van het pangermaanse imperialisme.
Ook deze keer zou Malatesta reageren in Freedom, onder de veelbetekenende titel Pro-Government Anarchists. Anarchisten
konden niet samenwerken met regeringen en kapitalisten in hun strijd tegen andere regeringen en kapitalisten. Ze moesten elk compromis uitsluiten en zo de handen vrij houden om de voorbereiding van de revolutie te hervatten.
(J. MOULAERT, Rood en zwart..., p. 396-399.)