Paul Arthur MÜLLER-LEHNING
(Utrecht, 23 oktober 1899 - Lys-St.
Georges (Fr.), 1 januari 2000)
(Pablo Moreno, A.M.L., Müller, Arthur Lehning)

Tot 1940 noemde hij zich doorgaans MŁller-Lehning. Hij schreef hierover in 1936 aan N.W. Posthumus : "Mijn voorletters luiden overigens P.A.: Paul Arthur; de eerste voornaam gebruik ik echter nooit, met uitzondering in het pseudoniem Pablo Moreno, waaronder ik over Spanje schreef. Mijn pas [...] staat op naam van Paul Arthur Lehning, maar ik onderteken stukken, die hiermee in verband staan nooit anders dan Arthur Lehning. Anders noem ik mij steeds A.M.L. In Spanje, in 1933-1935 was ik alleen onder de naam 'MŁller' bekend en in de gedrukte stukken als secretaris der Syndicalistische Internationale uit die tijd, kom ik ook alleen onder deze naam voor."
Arthur Lehning groeide in Zeist in Nederland op in een milieu van Hernhutters, een christelijke sekte die vroomheid paart aan zorg van de medemens. Van het geloof wilde Lehning als rechtgeaard anarchist weinig hebben, maar wellicht is zijn latere keuze voor het anarcho-syndicalisme mede door de ernstige sfeer van zijn ouderlijk huis ingegeven. Deze stroming, die de proletarische revolutie door middel van arbeiderszelforganisatie voorstond, droeg in Nederland immers een sterk ethisch karakter, onder invloed met name van theoretici als Bram de Ligt en Clara Wichmann, met wie Lehning in contact stond.
Arthur Lehning studeerde economie in Rotterdam en geschiedenis in Berlijn.
Behalve in anarchistische bladen schreef Lehning in de jaren '20 culturele kronieken in De Nieuwe Kroniek van Frans Coenen. Voor zijn gehele, niet zeer uitgebreide en geheel uit essays bestaande oeuvre geldt trouwens, dat politiek en cultuur geen gescheiden entiteiten waren. Dit verband was ook de leidende gedachte achter het befaamde i10, een internationaal tijdschrift voor de avant-garde, waarvan Lehning medeoprichter en secretaris was. Het blad verscheen tussen 1927 en 1929 in Amsterdam en vele intellectuelen, kunstenaars en libertairen werkten er aan mee, onder andere Le Corbusier, Walter Gropius, Wassily Kandinsky, Piet Mondriaan, Upton Sinclair, Walter Benjamin, Ernst Bloch, Max Nettlau, Otto RŁhle, Henriette Roland Holst, Alexander Berkman, en Alexander Shapiro. Van 1933 tot 1936 was hij secretaris van de Association Internationale des Travailleurs (AIT). In 1935 was hij een van de medeoprichters van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (Amsterdam).
In oktober 1936 bevond Lehning, alias MŁller, zich in CataloniŽ, bij de Spaanse Burgeroorlog en maakte hij mee hoe het anarchistisch gedachtengoed er in de praktijk gebracht werd. Maar, de anarchisten werden eerst door de Moskou-getrouwe communisten verraden en later door de fascisten onder de voet gelopen. Sindsdien heeft Lehning zich verre gehouden van anarchistische agitatie en het anarchisme meer gehanteerd als wat later 'kritische theorie' genoemd werd : een niet direct op verwezenlijking gericht ideaal dat kon dienen om de voosheid van andere ideologieŽn aan te tonen, met name het autoritair en dictatoriaal karakter van het Sovjet-communisme.
Bij de Duitse inval in 1940 wist Lehning te ontkomen naar Engeland, onder medeneming van de archieven van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, waardoor onder andere de archieven van Bakoenin voor schending door de bezetter werden gevrijwaard.
In de jaren '50 schreef hij nog regelmatig in het tijdschrift Libertinage, waarin ook zijn inmiddels door de tijd mild geworden herinneringen aan Marsman voor het eerst verschenen : "De vriend van mijn jeugd." vermoedelijk zijn bekendste boek. In zijn tekstkritische arbeid met de Archives Bakounin betoonde hij zich een scrupuleus wetenschapper die bijvoorbeeld Bakoenins Biecht - een slijmerige smeekbrief aan de tsaar die door alle rechtgeaarde anarchisten als een vervalsing was gebrandmerkt - resoluut voor authentiek verklaarde. Daarna werden Lehnings opstellen steeds schaarser, ook nadat de Universiteit van Amsterdam hem in 1976 een eredoctoraat had toegekend. De meeste opstellen behelzen persoonlijke herinneringen of opmerkingen over anarchistische theoretici, naast Bakoenin vooral Proudhon en Fourier.
Sinds de Bevrijding in 1945 meed Lehning de openbaarheid, ook toen in de 'linkse' sfeer van de jaren zestig en zeventig zijn persoon en werk plotseling opnieuw in de mode geraakte.
Maar sinds het begin van de jaren tachtig geraakte hij terug uit beeld zodat in 1999 de toekenning van de PC Hooftprijs voor Nederlandse letterkunde, de belangrijkste literaire prijs in Nederland, aan Lehning in brede kring verwondering wekte. De inmiddels honderdjarige bleek trouwens niet meer bij machte de reis naar Nederland te maken, zodat de onderscheiding hem in zijn Franse woonplaats werd overhandigd.

BIBLIOGRAFIE :
A. LEHNING, De feiten en de betekenis van de zaak Sacco en Vanzetti, Utrecht-Amsterdam, 1927, 86 p.;
A. LEHNING,
Anarcho-syndicalisme, Amsterdam, 1927, 26 p.;
A. LEHNING,
Radendemocratie of staatscommunisme. Marxisme en anarchisme in de Russische Revolutie, Amsterdam, 1972, 128 p. (Nederlandse heruitgave van de oorspronkelijke Duitse uitgave van 1929);
A. LEHNING,
The International association: a contribution to the preliminary history of the First International 1855-1859, Leiden, 1938, 102 p.;
A. LEHNING,
De vriend van mijn jeugd. Herinneringen aan H. Marsman, 's Gravenhage, 1954 (derde druk 1976), 204 p.;
A. LEHNING,
Marsman en het expressionisme, 's Gravenhage, 1959, 61 p.;
A. LEHNING, De draad van Ariadne: essays en commentaren 1, Amsterdam, 1966 (tweede druk 1979);
A. LEHNING,
'Archives Bakounine' : Verzameld werk van Michail Bakoenin, Leiden, 1961-1974, 7 delen;
A. LEHNING, From Buonarrotti to Bakunin: studies in international socialism, Leiden, 1970;
Michail Bakoenin : over anarchisme, staat en dictatuur, samengesteld en ingeleid door Arthur Lehning, Den Haag, 1970;
Arthur Lehning, Amsterdam 8 januari 1976, Amsterdam, 1976, 90 p. (Zie de uitgebreide Bibliografie : p. 35-88.);
A. LEHNING,
De Arbeid vrij, Amsterdam, 1976;
A. LEHNING,
Michel Bakounine et les historiens. Un aperÁu historiographique, Paris, 1979;
Voor Arthur Lehning. Over Buonarroti, internationale avant-gardes, Max Nettlau
en het verzamelen van boeken, anarchistische ministers, de algebra van de revolutie, schilders en schrijvers, Baarn, 1979 (Zie ook hier de bibliografie : p. 503-514);
Utopia als inspiratiebron.
(Interview van Joep Schreurs, Piet Gerards en Johny Lenaerts met Arthur Lehning, 7 juli 1979.) - Kladdaradatsch, Genk, oktober 1979;
A. LEHNING,
Ithaka: essays en commentaren 2, Baarn, 1980;
A. LEHNING,
Spaans dagboek, aantekeningen over de revolutie in Spanje, Lys St. Georges, 1996 (heruitgave 2006), 122 p.

Arthur Lehning en het anarchisme. - De As, nr. 18, nov/dec 1975; Thom HOLTERMAN, Actualitť d'Arthur Lehning. - Rťfractions, nr. 19, Parijs, winter 2007-2008, p. 73-77.
ARTHUR LEHNING. Tachtig jaar. Toespraak van Jan Rogier, 23-10-1979.

Bovenstaande tekst werd grotendeels samengesteld op basis van de In Memoriam opgesteld door Raymond Van Den Boogaard op de Website Zeeburg Nieuws en op basis van het artikel over Arthur Lehning in de vrije encyclopedie Wikipedia.

Terug naar : BiografiŽn
of
   Beginpagina