Ferdinand DOMELA NIEUWENHUIS
(Amsterdam, 31 december 1946 - Hilversum, 18 november 1919)

DOMELA NIEUWENHUIS 1DOMELA NIEUWENHUIS 2DOMELA NIEUWENHUIS 3Ferdinand DOMELA NIEUWENHUIS

Ferdinand Domela Nieuwenhuis, de grondlegger van het socialisme in Nederland, werd in 1846 te Amsterdam geboren en stierf in 1919 te Hilversum. Hij begon zijn publieke leven als Luthers predikant, maar zou na tien jaar de kerk verlaten en zich wijden aan het socialisme. Van socialist werd hij vervolgens anarchist. Op vele manieren zette hij zich in voor de strijd tegen maatschappelijk onrecht; hij schreef boeken, artikelen en brochures en maakte vele propagandatochten. Tot op hoge leeftijd was hij actief. Zijn persoonlijk leven was eveneens roerig : drie echtgenoten stierven in het kraambed, bovendien overleefde hij enkele van zijn kinderen.
Ferdinand Domela Nieuwenhuis stamde uit het Deense predikantengeslacht Nyegaard. Zijn overgrootvader, die zich in Nederland vestigde, veranderde zijn naam in Nieuwenhuis. Domela werd er door Ferdinands vader aan toegevoegd, omdat deze naam met de dood van diens moeder dreigde uit te sterven. De grootvader en vader van Ferdinand Domela Nieuwenhuis waren Luthers predikant en hoogleraar. Zijn moeder, Henriëtta Frances Berry, was een Engelse. Ze overleed toen Ferdinand 11 jaar oud was. Zijn vader hertrouwde met Mariane Meijer, afkomstig uit een zeer welgestelde familie. Ferdinand had nog vier oudere broers en een jongere zus en broer. De familie Domela Nieuwenhuis behoorde tot de burgerlijke elite van het land. Na de dood van vader Ferdinand Jacobus in 1869 werd stiefmoeder Mariane Meijer, een zeer religieuze vrouw, de spil van het gezin. Zij wees de 'moderne' theologische opvattingen van Ferdinand af, maar toch kreeg hij zijn aandeel in de aanzienlijke erfenis die zij naliet. Ferdinand gebruikte deze ter financiering van zijn activiteiten en allerhande projecten binnen 'de beweging'.
Domela Nieuwenhuis trouwde vier keer in zijn leven. In 1872 stierf, na een huwelijk van twee jaar, zijn eerste vrouw en de grote liefde in zijn leven, Johanna Lulofs. Domela Nieuwenhuis was zeer geschokt door haar dood. Dat gold ook, zij het in mindere mate, voor de dood van zijn tweede vrouw, Johanna Adriana Verhagen. Met haar trouwde hij in 1874 en zij overleed drie jaar later in het kraambed, evenals de eerste Johanna. In 1877 kwam Johanna Schingen Hagen in huis om de leiding van het huishouden en de zorg voor de kinderen op zich te nemen. In 1880 trouwde Domela Nieuwenhuis met haar. In 1884 stierf ook zij in het kraambed. Later verloor hij ook enkele van zijn kinderen. In 1891 trouwde hij, 45 jaar oud, opnieuw met Egberta Johanna Godthelp (1863-1933). Op propagandatocht logeerde hij soms bij haar moeder in Harlingen. Het huwelijk ontwikkelde zich niet zonder problemen. Domela Nieuwenhuis' vierde echtgenote bleek een moeilijke vrouw, tot hysterie neigend, alle aandacht opeisend. Wat zijn opvattingen betrof, stond zij echter altijd pal achter hem.

Studie theologie en predikantentijd

Ferdinand Domela Nieuwenhuis studeerde van 1864 tot 1869 theologie aan het Luthers seminarium bij het Amsterdamse Athenaeum Illustre (nu de universiteit van Amsterdam). Zijn vader was daar hoogleraar. Ferdinand ontwikkelde zich in zeer vrijzinnige richting. Na zijn studie theologie in Amsterdam werkte hij als Luthers predikant in Harlingen (1870-71), Beverwijk (1871-75) en Den Haag (1875-79). In mei 1870 deed hij zijn intrede in Harlingen met een preek waarin hij rond voor zijn opvattingen uitkwam. In 1871 verhuisde hij naar Beverwijk. Daar zou hij door de dood van Johanna Lulofs zijn eerste geloofsschok krijgen. In november 1875 vertrok hij naar Den Haag. Hier zou hij meer en meer in conflict raken met zijn ambtgenoten en met gemeenteleden. Aangezien hij niet wist of er een hemel was, weigerde hij bijvoorbeeld op Hemelvaartsdag te preken. Daarnaast ging hij meer en meer een rol spelen in de links-liberale en vroeg-socialistische bewegingen. Bekend werden bijvoorbeeld de 'Sociale Brieven' die hij in 1878 en 1879 anoniem in De Werkmansbode publiceerde.

Het afscheid van de kerk

Als student was Domela Nieuwenhuis, zoals veel theologen in die tijd, al gaan twijfelen over allerlei kerkelijke dogma's, vooral door de geschriften van de filosofen David Friedrich Strauss en Ludwig Feuerbach. De grootste invloed in de richting van de vrije gedachte oefende echter Multatuli (pseudoniem van Eduard Douwes Dekker) op hem uit, met diens Ideeën. Ook gebeurtenissen in zijn persoonlijk leven droegen bij aan toenemende geloofstwijfel. Zo stierf na een huwelijk van twee jaar in 1872 zijn eerste vrouw, Johanna Lulofs. Domela Nieuwenhuis was zeer geschokt door haar dood. In juli 1879 nam Domela Nieuwenhuis ontslag als predikant. Daarbij speelde niet alleen zijn geloofstwijfel maar ook teleurstelling in het maatschappijhervormend vermogen van de kerk een rol. Zijn twee afscheidspreken verschenen nog in hetzelfde jaar als brochure onder de titel Mijn afscheid van den Kerk.

Vrijdenker

Na zijn afscheid uit de kerk zou Domela Nieuwenhuis een rol spelen in de vrijdenkersbeweging. Hij werd hoofdbestuurder van de vrijdenkersvereniging De Dageraad, die in 1856 in Amsterdam was opgericht. Onder de vroege leden van De Dageraad bevond zich Multatuli, maar in de jaren zestig kwamen daar ook personen als Hendrik Gerhard, Klaas Ris en Willem Ansing bij, die aan de bakermat van het Nederlandse socialisme hebben gestaan. Domela Nieuwenhuis nam deel aan de internationale vrijdenkerscongressen te Brussel (1880), Amsterdam (1883), Rome (1904), Parijs (1905), München (1912). Op het congres te Rome ontmoette Domela Nieuwenhuis Francisco Ferrer, de Spaanse vrijdenker, anarchist en pedagoog, die vanwege zijn anti-clericale agitatie in 1909 werd geëxecuteerd. Ferrer was de grondlegger van de Moderne Schoolbeweging, die een onderwijs vrij van kerkelijke dogma's voorstond. Tegen de gerechtelijke moord op Ferrer protesteerde Domela Nieuwenhuis in tal van pamfletten, brieven en brochures.

 

DE SOCIALIST

Positie arbeiders


Op het moment dat Domela Nieuwenhuis zijn socialistische agitatie begon, waren de arbeiders op tal van terreinen achtergesteld. Zij bezaten doorgaans geen kiesrecht en konden in het parlement dus niet hun stem laten horen. Pas in 1887 werd het stemrecht enigszins uitgebreid en na 1896 nog meer. Intussen lieten arbeiders om een aantal redenen wel steeds meer hun grieven blijken. Zo werden door de toeloop naar de steden de woningen daar steeds duurder en slechter. Omdat de lonen van oudsher vaststonden, kwamen de arbeiders in de jaren zeventig zodoende in financiële problemen. Tegelijkertijd verzakelijkten de arbeidsverhoudingen, doordat arbeidsrelaties meer en meer geregeld werden in tijdelijke arbeidscontracten in plaats van met vaste dienstverbanden. Ook kwam het steeds minder voor dat de (ongehuwde) knechten nog inwoonden bij de baas. Tenslotte dreef de landbouwcrisis, die vooral in de graanverbouwende gebieden zoals Noord- en West-Friesland zich deed voelen, veel arbeiders naar de stad.

De socialistische beweging in Nederland

Aan het eind van de jaren zeventig van de 19e eeuw zou de socialistische beweging in Nederland goed op gang komen. Terwijl Domela Nieuwenhuis zich steeds meer in socialistische richting ontwikkelde, waren al eerder en onafhankelijk van hem ook verschillende arbeiders, waaronder Klaas Ris, Hendrik Gerhard en Willem Ansingh, de weg naar de socialistische beweging ingeslagen. Op 7 juli 1878 richtten zij in Amsterdam de Sociaal-Demokratische Vereeniging op. In 1882 ontstond uit meerdere plaatselijke Sociaal-Democratische Vereenigingen de Sociaal-Democratische Bond (SDB), waarvan Recht voor Allen, het blad van Domela Nieuwenhuis, het officiële orgaan werd. Op haar hoogtepunt had de SDB circa 5000 leden en afdelingen in het hele land met een zwaartepunt in Friesland, Groningen en Noord-Holland. In 1894 werd de SDB omgedoopt in Socialistenbond, nadat ze door de rechter tot verboden vereniging was verklaard. De Socialistenbond verloor veel leden toen Domela Nieuwenhuis in 1897 aankondigde de organisatie te verlaten. In 1900 ging de Bond op in de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP).

De Sociaal-Democratische Bond en de rol van Domela Nieuwenhuis.

De Sociaal-Democratische Bond was geen politieke partij, maar een maatschappelijke beweging, en had een federatieve structuur. De Bond werd gevormd door lokale socialisten-verenigingen. Het doel van de Bond was ijveren voor het socialisme en het program was dat van de Duitse socialisten. Aanvankelijk deed de Bond mee aan de kiesrechtstrijd als lid van de Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht. Na 1885 koos de Bond echter meer radicale wegen met een strategie buiten het parlement om. Het doel werd steeds veelomvattender de socialistische revolutie. Hervormingen via het parlement werden te beperkt geacht. Telkens werd deelname aan de verkiezingen bediscussieerd, ook nadat de Bond in 1894 was omgedoopt in Socialistenbond. Domela Nieuwenhuis vervulde in de Sociaal-Democratische Bond twee belangrijke functies. Hij was van 1882 tot 1887 secretaris van de Centrale Raad en daarna tot 1890 tweede secretaris van dit lichaam. Daarnaast was hij hoofdredacteur van Recht voor Allen, nadat dit blad in 1884 eigendom van de SDB was geworden.

Recht voor Allen

In 1879 begon Domela Nieuwenhuis met de publicatie van het blad Recht voor Allen. Aanvankelijk had Recht voor Allen een links-liberaal karakter maar al spoedig schoof het op in socialistische richting. In 1884 werd Recht voor Allen het officiële orgaan van de Sociaal-Democratische Bond. Het was vooral een propagandablad voor de SDB. Dat was goed te merken aan de verslaggeving, die geheel op het socialisme was gericht. Tussen 1889 en 1893 verscheen Recht voor Allen als dagblad. In financieel opzicht verging het de krant veelal moeilijk en dan was het Domela Nieuwenhuis die de tekorten aanvulde. Domela was de belangrijkste kracht achter het blad maar hij had in de loop der jaren belangrijke medewerkers zoals Cornelis Croll, Christiaan Cornelissen en Sam Coltof. Overigens liet hij zich waarschijnlijk vanaf 1891 normaal betalen voor zijn redacteurswerkzaamheden.

Propaganda

Domela Nieuwenhuis hield zich met zowel mondelinge als schriftelijke propaganda intensief bezig. In 1881 maakte hij zijn eerste propagandatocht, naar Groningen. In het begin sprak hij slechts voor enkele toehoorders, maar spoedig waren het er honderden. Domela sprak met name veel in Noord- en Zuid-Holland en Friesland en Groningen. Hij was een kundig spreker en kon zijn gehoor enorm inspireren. Mensen die hem hebben horen spreken, getuigden van zijn zachte, rustige, diepe en warme stem die desondanks ver droeg. Zijn uiterlijke rust werd beroemd. Naast zijn spreekbeurten schreef Domela Nieuwenhuis enorm veel, onder meer als redacteur van Recht voor Allen. Tevens schreef hij vele brochures en wijdde hij zich aan het populariseren van de geschriften van vroegere socialisten en vrijdenkers om zo hun ideeën voor arbeiders toegankelijk te maken. Zijn propagandawerk was voor de Sociaal Democratische Bond van essentieel belang.

Proces en gevangenschap

De strijd voor het socialisme en tegen sociaal onrecht was tevens gericht tegen de kerk, de justitie en het koningschap. In deze tijd werden de socialisten steeds sterker vervolgd. Op 24 april 1886 verscheen in Recht voor Allen een artikel getiteld De koning komt. Hierin werd onder meer gezegd dat koning Willem III "zoo weinig werk van zijn baantje maakt". Het artikel was niet ondertekend, maar, zo bleek later, geschreven door een zekere Adriaan Boelens. Het stond op de plaats van het hoofdartikel en Domela Nieuwenhuis nam de verantwoordelijkheid voor de inhoud op zich, toen het Ministerie van Justitie het blad aanklaagde wegens majesteitsschennis. Hij werd veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf. Gedurende het uitzitten van zijn straf bereikten hem vele sympathiebetuigingen en er kwam een gratiebeweging op gang. Door meetings werd de publieke opinie verder gemobiliseerd. Uiteindelijk kreeg Domela Nieuwenhuis gratie ter gelegenheid van de verjaardag van prinses Wilhelmina. De agitatie in het land had daartoe geleid en waarschijnlijk ook het inzicht bij justitie dat hij volgens de nieuwe strafwet al maanden vrij had moeten zijn.

In de Tweede Kamer

Domela Nieuwenhuis werd in december 1887 door het Friesch Comité van de Volkspartij (een benaming voor al degenen die streefden naar kiesrechtuitbreiding en sociale hervormingen) in het kiesdistrict Schoterland, waarvan Heerenveen de hoofdplaats was, kandidaat gesteld voor de Tweede Kamer. In 1888 werd hij als eerste en enige socialist in de Tweede Kamer gekozen, hoewel hij kritisch stond tegenover het parlementarisme dat, naar hij vreesde, "het revolutionaire karakter van de partij zal verzwakken". In de Tweede Kamer negeerden zijn medekamerleden hem en behandelden hem "als een melaatse". Alleen Keuchenius, de minister van koloniën, drukte hem de hand. Domela Nieuwenhuis vatte zijn taak als Kamerlid zeer serieus op. Zijn redevoeringen in de kamer werden in de socialistische pers bij wijze van verantwoording afgedrukt. Hij interpelleerde over stakingen, diende een wetsontwerp in tegen gedwongen winkelnering, dat door de liberale pers werd weggehoond, en bepleitte beëindiging van de oorlog in Atjeh. Pas na lang aarzelen was hij bereid een nieuwe kandidatuur te aanvaarden voor de verkiezingen in 1891. Hij werd echter niet herkozen.

Internationale contacten

Als predikant kwam Domela Nieuwenhuis al in contact met de Belgische socialisten Eduard Anseele, Edmond van Beveren en vooral César de Paepe, één van de meest invloedrijke figuren in de Belgische socialistische beweging van die tijd, met wie Domela Nieuwenhuis tot diens dood in 1890 intiem bevriend bleef. In Frankrijk bezocht hij in deze jaren verschillende socialistische voormannen en vrijdenkers. Ook met de twee leidende figuren in de Duitse sociaal-democratie, Wilhelm Liebknecht en August Bebel, was hij bevriend. Domela Nieuwenhuis was gedelegeerde op de internationale socialistencongressen te Parijs (1889), Brussel (1891), Zürich (1893) en Londen (1896). Hij stond steeds kritischer tegenover de Duitse sociaal-democraten, die voor parlementaire in plaats van revolutionaire methoden kozen. Hij zag dit als het 'inbouwen' van de arbeidersklasse in de burgerlijke staat, en voorspelde dat het gevolg van deze politiek geen socialisme, maar staatssocialisme zou zijn. In diverse belangrijke geschriften bekritiseerde hij de strategie van de Duitse socialisten en concludeerde hij dat het socialisme dreigde te verwateren tot een burgerlijke hervormingsbeweging. In 1896 werd hij gedwongen de internationale socialistische beweging te verlaten.

Afscheiding van de parlementaire socialisten

Het begin van de jaren negentig was een tijd van grote sociale ellende, klassenstrijd en vervolgingen. De Sociaal-Democratische Bond groeide sterk, maar was verdeeld over de te volgen methoden. Naarmate uitbreiding van kiesrecht realiteit leek te worden, kwamen meer stemmen op die van het parlement gebruik wilden maken. Domela Nieuwenhuis vond parlementaire arbeid steeds minder geschikt om het socialisme te verwerkelijken, maar wilde anderzijds de 'politiekers' (zoals de parlementaire richting werd genoemd) niet uit de SDB drijven. Nadat in 1893 de SDB zich tegen het parlementarisme had uitgesproken, richtte een twaalftal socialisten, die meenden dat revolutionaire en parlementaire methoden konden samengaan, in 1894 de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP) op. Tussen de SDAP en Domela Nieuwenhuis ontbrandde een felle strijd. De oprichting van de SDAP maakte geen einde aan de verdeeldheid binnen de SDB (sedert 1894 Socialistenbond geheten). Compromissen tussen parlementairen en anti-parlementairen waren het resultaat. Domela Nieuwenhuis nam een steeds duidelijker anarchistisch standpunt in. Hij brak met de Bond in 1897 en richtte een jaar later het blad De Vrije Socialist op. De overstap naar het anarchisme was een feit.

DE ANARCHIST

De anarchistische beweging in Nederland

In zijn gedenkschriften schreef Domela Nieuwenhuis : "Van socialist werd ik anarchist, omdat ik zag dat het socialisme eenzijdig slechts de helft bevorderde van de bevrijding van de mens, door hem hoogstens te waarborgen dat hij geen honger en gebrek zou lijden, maar de mens niet geestelijk vrijmaakte, daar hij gebukt kan blijven onder het gezag in welke vorm ook. Daarom : brood en vrijheid - dat moet de leuze zijn en dat is het Anarchisme". Domela Nieuwenhuis trad in 1897 uit de Socialistenbond en begon een kwartaal later met de publicatie van het blad De Vrije Socialist. Hij werd lid van de anarchistische Vrije Socialistische Vereeniging (VSV). Zijn breuk met de Bond en overstap naar het anarchisme betekenden een verrijking voor de zwakke anarchistische beweging in Nederland. Overal in het land verschenen 'vrije socialisten-vereenigingen'. Zijn overstap was ook een verrijking voor de internationale anarchistische beweging waar hij al snel een geziene figuur werd. Hij correspondeerde met een reeks van bekende anarchisten. In de voorbereiding van internationale congressen, die van Parijs (1900) en Amsterdam (1907) speelde hij een belangrijke rol.





De Vrije Socialist

Op twee april 1898 begon Domela Nieuwenhuis met de publicatie van De Vrije Socialist. Dit anarchistische orgaan zou hij tot zijn dood in 1919 blijven redigeren. 'Vrije Socialist' was een benaming die Domela Nieuwenhuis zelf had bedacht, ze stond tegenover 'autoritaire socialist': de sociaal-democraten. De Vrije Socialist verscheen twee keer in de week op woensdag en zaterdag. Domela Nieuwenhuis probeerde stukken zoveel mogelijk te plaatsen, ook als een bijdrage hemzelf bekritiseerde. Aangezien de anarchistische beweging het vrije woord hoog diende te houden, paste het niet een anarchistisch blad voor bepaalde meningen te sluiten. Op de eerste bladzijde schreven Domela Nieuwenhuis en soms een medewerker het hoofdartikel, dat doorgaans anarchistische inzichten behandelde. Verder was er niet alleen binnenlands nieuws, vooral gericht op berichtgeving uit de anarchistische beweging, maar ook nieuws over buitenlandse gebeurtenissen. Op de laatste pagina werden de ingezonden brieven geplaatst. De Vrije Socialist hield rekening met het feit dat zijn lezers ook uit de kring van laaggeschoolde arbeiders kwamen. Domela Nieuwenhuis maande inzenders zo weinig mogelijk moeilijke woorden te gebruiken; het ging immers om een arbeidersblad.





De spoorwegstaking van 1903

Eind januari 1903 brak in de Amsterdamse haven een staking uit, die al snel ook de daar benodigde spoorwegarbeiders meetrok. Na een paar dagen was de strijd beslist ten voordele van de arbeiders. Na deze geslaagde spoorwegstaking besloot de regering onder leiding van Abraham Kuyper, de voorman van de anti-revolutionairen, het stakingsrecht aan het overheidspersoneel te ontnemen en diende daartoe een drietal wetten in bij het parlement. Vooral de voorgestelde strafbaarstelling van stakingen bij de spoorwegen in de toekomst wekte de woede der arbeiders. De wetten zouden bekend worden onder de naam 'worgwetten'. Diverse linkse organisaties besloten een algemene werkstaking voor te bereiden voor het geval wanneer Kuyper zijn wetten zou indienen bij het parlement. Daartoe werd een gemengd samengesteld Comité van Verweer opgericht, waarin sociaaldemocraten, anarchisten en syndicalisten vol onderling wantrouwen zitting namen. De algemene werkstaking werd, toen de Kamer de 'worgwetten' had aangenomen, door het Comité beëindigd. Een periode van bittere verwijten tussen de verschillende richtingen brak uit. De arbeiders die gestaakt hadden, kwamen in de grootst mogelijke ellende terecht.





Antimilitarist

Al in zijn predikantentijd was Domela Nieuwenhuis actief in de vredesbeweging. In 1870, tijdens de Frans-Duitse oorlog, richtte hij in Harlingen een lokale Vredesbond op. Op de internationale socialistische congressen in Brussel (1891) en Zürich (1893) bepleitte hij de algemene werkstaking in geval van oorlog, maar resoluties die hij daartoe indiende werden afgewezen. Binnen de anarchistische beweging was het antimilitarisme steviger verankerd. In 1904 organiseerden Domela Nieuwenhuis en een aantal buitenlandse anarchisten een internationaal antimilitaristen-congres te Amsterdam. Het congres werd bijgewoond door afgevaardigden uit onder meer Engeland, Spanje, Portugal, de Bohemen, Frankrijk, Italië en Oostenrijk. Op het congres werd de Internationale Anti-Militaristische Vereeniging (IAMV) gesticht met als doel de strijd tegen militarisme en kapitalisme. Domela werd internationaal secretaris van de IAMV. Tot aan de Tweede Wereldoorlog voerde het IAMV actie tegen militarisme en oorlog, en tegen het Nederlandse kolonialisme onder de leuze: "Indië los van Holland!". Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en het uitblijven van massaal verzet daartegen waren een grote schok voor Domela Nieuwenhuis.





Volksopvoeder

In veel opzichten stond Domela Nieuwenhuis volledig in de traditie van het 18e en 19e-eeuws verlichtingsideaal : door beschaving van de individuele mens zou ook de maatschappij beter worden. Als anarchist bleef hij geloven in dit ideaal. Dat deed zijn strategie lijken op een paradox : mensen moesten worden opgevoed om vrijwillig een anarchistische samenleving gestalte te kunnen geven. Alle schriftelijke en mondelinge propaganda van Domela Nieuwenhuis komt voort uit zijn verlichtingsideaal. De jaarverslagen die hij als secretaris van de SDB in de jaren tachtig schreef ademen een wil tot opvoeding, zijn relaties tot individuele socialisten hadden vaak een opvoedend karakter, en de grote literaire produktie na 1898 was òf expliciet gericht op vragen van opvoeding òf bedoeld ter opvoeding. Zo gaven de biografieën in de reeks De nieuwe Plutarchus, een Romeins biograaf, de arbeiders hun eigen voorbeeldige helden - tegenover die van de officiële geschiedenisboekjes. Met dat opvoedingsoogmerk publiceerde Domela Nieuwenhuis ook zijn Vertellingen voor het Volk.

De mythevorming rond Domela Nieuwenhuis.

Ferdinand Domela Nieuwenhuis was één van de meest geliefde én gehate mannen van zijn tijd. In Friesland had hij een grote aanhang die hem op uitbundige wijze vereerde. Hier ontstond zijn bekende bijnaam, 'Us Ferlosser', 'onze verlosser', die nu nog met Domela Nieuwenhuis geassocieerd wordt. Domela werd regelmatig vergeleken met een heilige, die een kruistocht tegen het kapitaal voerde. In andere kringen werd hij echter verbeeld als een kwade boeman die met bommen en dynamiet alles dat rechtvaardig was probeerde te verwoesten. Domela ontving vele anonieme scheldbrieven en -kaarten. In de landelijke dagbladen kwam hij er meestal ook niet genadig af. Een grootse huldiging viel Domela Nieuwenhuis ten deel op 3 april 1904 (een jaar na de desastreuze spoorwegstakingen) in zaal Constantia te Amsterdam ter gelegenheid van het feit dat hij 25 jaar eerder Recht voor Allen had opgericht. Bij die gelegenheid kreeg hij het grote gedenkboek dat in de vergaderzaal van het museum getoond wordt. Op zijn zeventigste verjaardag, 31 december 1916, werd Domela Nieuwenhuis opnieuw een gedenkboek aangeboden en vond een groot feest plaats in het Amsterdamse Concertgebouw.

Overlijden en uitvaart.

Op 18 november 1919 overleed Ferdinand Domela Nieuwenhuis op 72 jarige leeftijd te Hilversum, mogelijk aan de gevolgen van de ziekte van Parkinson. Als één der eerste Nederlanders werd hij op Westerveld gecremeerd. Zijn uitvaart was een indrukwekkende gebeurtenis: vertegenwoordigers van tientallen organisaties waren aanwezig, met vaandels en kransen. Samen met naar schatting 12.000 mannen en vrouwen, uit heel het land, vormden zij de rouwstoet. 28 bootwerkers droegen beurtelings de kist van Domela Nieuwenhuis, bedekt met een rode vlag en witte bloemen. Decennia later herinnerden aanwezigen zich de enorme rouwstoet in Amsterdam nog levendig. Tal van bekende en minder bekende Nederlanders hebben allen op eigen wijze op de dood van Domela Nieuwenhuis gereageerd. Hij werd zelfs in de Tweede Kamer herdacht, nog wel door Schaper, één van de twaalf oprichters van de SDAP. Honderden rouwbrieven, telegrammen en briefkaarten werden aan zijn vrouw Bertha en zijn zoon César gestuurd. Er werden vele liederen, gedichten en verhalen over zijn dood geschreven. De grote landelijke dagbladen besteedden er allen aandacht aan, en ook in het buitenland werd hij herdacht.

Na zijn dood.

Domela Nieuwenhuis werd in 1931 vereeuwigd in een standbeeld, op het Nassauplein te Amsterdam. Het werd ontworpen door Johan Polet. Op 29 augustus vond de onthulling plaats in het bijzijn van zijn laatste vrouw Bertha, zoon César en vele belangstellenden. Over het standbeeld was en is niet iedereen tevreden. Domela staat er met gebalde vuist als een donderprofeet bij, in plaats van als een kalme heilsprediker. Domela's mythe leefde na zijn dood voort. In menig huis in Zuid-Oost Friesland hing het portret van Domela Nieuwenhuis in de jaren zestig nog steeds boven de tafel. 'Us Ferlosser' zou dé verlosser blijven. Ook bij veel schrijvers, dichters en filmmakers bleef zijn wereld nog voortleven. Zo speelde hij in de roman Stiefmoeder Aarde (1936) van Theun de Vries een belangrijke rol. In de jaren zestig kwamen tal van nieuwe progressieve maatschappelijke bewegingen op zoals PROVO, die vaak teruggrepen op Domela. Zijn portret sierde regelmatig de voorkant van verschillende tijdschriften. Tijdens de studentenbezetting van het Maagdenhuis in Amsterdam werd de Universiteit omgedoopt tot Ferdinand Domela Nieuwenhuis universiteit. De opleving duurde voort tot in de jaren '70.

xx
De menigte bij de onthulling van het standbeeld aan het Nassauplein, Amsterdam, 29 augustus 1931.
Collectie IISG, Amsterdam.

xxxx

BIBLIOGRAFIE :
F. DOMELA-NIEUWENHUIS, De Geschiedenis van het Socialisme, Amsterdam, 3 dln.; F. DOMELA NIEUWENHUIS, Peter Kropotkine, van Prins tot Anarchist, Amsterdam; F. DOMELA NIEUWENHUIS, Vertellingen voor het volk, Utrecht, 1982, 151 p.
Gedenkboek ter gelegenheid van den 70sten verjaardag van F. Domela Nieuwenhuis, 31 december 1916, Amsterdam, 1916, 188 p.; Van christen tot anarchist en ander werk van F. Domela Nieuwenhuis geselecteerd door Albert de Jong, Bussum, 1982, 227 p.; Omtrent Domela Nieuwenhuis. Drie lezingen over zijn actualiteit, Bergen, 1987, 67 p.
Ferdinand Domela Nieuwenhuis als internationale figuur. - De As, nr.117, Moerkapelle, 1997.
W.H. VAN DER LINDEN, Domela Nieuwenhuis in 219 politieke prenten, Amsterdam, Tilleul Publicaties, 1990, 228 p.; J. MOULAERT, Rood en Zwart..., index p. 455.; J.W. STUTJE, Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919)... - Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis, Amsterdam, 2008, nr. 2, p. 3-27; Willie VERHOYSEN, Anarchisme in domineesland. - Perspectief, nr. 33, Gent, 1994, p. 40-47.
De afbeeldingen en tekst komen van de Website van het Museum Ferdinand Domela Nieuwenhuis te Heerenveen Nederland :
http://www.fdnmuseum.nl/bio/index.html

Domela Nieuwenhuis

 

Terug naar : Biografiën
of
   Beginpagina